CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Leidraad Duurzaam Bouwen en Gebiedsontwikkelen (PLECK 7.0)

Raadsvergadering 12 november 2025, gemeente amstelveenBij agendapunt: Plan voor Energietransitie, Circulaire economie en Klimaatadaptatie 7.0 (PLECK 7.0)1.888 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Leidraad Duurzaam Bouwen en Gebiedsontwikkelen (PLECK 7.0) 2025 thema

KPI

referentie

basis

midden

hoog

toelichting

Energie Ontwerp voor energiereductie E1

Aardgasvrije utiliteitsbouw

wel/geen gasaansluiting

PLECK 7.0 en EPBDIV

aardgasaansluiting

n.v.t.

geen aardgasaansluiting

Per 1 januari 2027 moeten nieuwe openbare en utiliteitsgebouwen met een bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m2 geschikt zijn voor zonne-energie (EPBDIV). Per 1 jan 2030 moeten alle nieuwe gebouwen emissievrij zijn. (EPBDIV).

E2

Gebouwgebonden energiebehoefte

% reductie in kWh / m² / jaar

Besluit bouwwerken leefomgeving

conform BENG1

-10% ten opzichte van de maximale BENG1 eis

-20% ten opzichte van de maximale BENG1 eis

Dit is een indicator voor de energiebehoefte voor verwarming en koeling van het gebouw. Deze kijkt naar een optimale kwaliteit van de gebouwschil waarbij zowel de verhouding glas ten opzichte van dichte gevel, de mate van isolatie, de mate van kierdichting als de aanwezigheid van koudebruggen een rol speelt. Niet alleen isolatie, maar juist het samenspel van bovenstaande factoren, de vorm (geometrie) en de ligging van een gebouw zijn van belang om de energiebehoefte van een gebouw zo veel mogelijk te beperken. Hierbij wordt gerekend met een vastgesteld ‘neutraal’ ventilatiesysteem. In 2030 vervangt zero-emission building (ZEB) de BENG normen voor nieuwbouw.

E3

Energiegebruik eigen W/lux/m2 (vermogensdichtheid) terrein

BREEAM

geen minimale eis

energiezuinige verlichting met een gemiddelde vermogensdichtheid van max. 0,1 W/lux/m2 voor het verlichte terreindeel

energiezuinige verlichting met een gemiddelde vermogensdichtheid van max. 0,1 W/lux/m2 voor het verlichte terreindeel en automatische schemerschakeling of op

De bepalingformule luidt: Gemiddelde specifieke vermogensdichtheid = ∑ ( P [W] / Eh,doel [lux] ) / A [m2 ], waarin: P: totaal vermogen van de toegepaste armaturen binnen A, inclusief drivers en voorschakelapparatuur in Watt; Eh,doel: de gemiddelde horizontale normverlichtingssterkte voor het gebied in lux; A: te verlichten oppervlakte in m2

conform BENG3

laagbouw (≤3 bouwlagen): BENG3 > 100% hoogbouw (> 3 bouwlagen): BENG3 ≥ 80%

laagbouw (≤3 bouwlagen): BENG3 ≥ 105% hoogbouw (>3 bouwlagen): BENG3 ≥ 100%

Het aandeel hernieuwbare energie is een percentage. Dit valt te berekenen door de hoeveelheid zelf opgewekte hernieuwbare energie te delen door het totale energiegebruik. Dat laatste is dan de optelsom van de energie die men uit het net betrekt plus de (hernieuwbare) energie die men zelf opwekt. Deze indicator gaat over het gebouw (en terrein bij hogere ambitie, m.a.w: de extra gerealiseerde eigen opwekking hoeft niet aan de voorwaarden van EP3/BENG3 te voldoen). In 2030 vervangt zero-emission building (ZEB) de BENG normen voor nieuwbouw.

geen minimale eis

eigen opgewekte energie > 50%

eigen opgewekte energie ≥ 100%

Compensatie van het (verwachte) gebouwgebonden en gebruiksgebonden energiegebruik door energie zelf op te wekken. Voor het bepalen van de hoeveelheid moet worden aangehouden voor U-bouw minstens 50 kWh/m2/jr als 100% (of eigen inschatting , mits onderbouwd/aantoonbaar). Deze KPI geldt alleen voor gebouwen waarvoor geen energieprestatieplicht geldt op grond van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving.

Duurzame energie opwekking E4

Aandeel hernieuwbare energie

% duurzame opwekking van energie Besluit bouwwerken voor eigen gebruik (gebouw en leefomgeving en EPDBIV gebruiker)

E4a

Aandeel % duurzame opwekking van energie BREAAM en EPDBIV hernieuwbare voor eigen gebruik (gebouw en energie voor niet gebruiker) energieprestatieplich tige gebouwen

Circulair bouwen Circulair ontwerp C1

Flexibiliteit

Methode Adaptief Vermogen Gebouwen

Het Nieuwe Normaal

geen minimale eis

30%

50%

Op het moment dat het gebouw ontworpen wordt, wil je dat het gebouw zo lang mogelijk mee gaat op de locatie waarop het gebouw wordt geplaatst. Op het moment dat het gebouw flexibel en adaptief wordt ontworpen biedt het toekomstige veranderingen de mogelijkheid om ook daar te worden gehuisvest. Hierbij valt te denken aan vrije indeelbare vloeren, flexibele installaties en verplaatsbare binnenwanden.

C2

Losmaakbaarheid

losmaakbaarheidsindex

Het Nieuwe Normaal

geen minimale eis

0,4

0,55

Het stimuleren van ‘losmaakbaarheid’ van de toegepaste bouwmaterialen, bouwdelen- en componenten, zodat deze aan het einde van de levensduur van het gebouw eenvoudiger kunnen worden gedemonteerd om in een ander project te worden hergebruikt. De losmaakbaarheidsindex bestaat uit de volgende vier indicatoren: type verbinding, toegankelijkheid, doorkruisingen en vorminsluiting.

C3

Materialenpaspoort

wel/geen materialenpaspoort

Convenant Toekomstbestendige Woningbouw MRA

geen materialenpaspoort

Besluit bouwwerken leefomgeving

conform MPG

materialenpaspoort

Om inzichtelijk te maken wat je in je gebouwen stopt, vormen materialenpaspoorten een kans. Hierin krijgen grondstoffen een identiteit en is het aan het einde van de levensduur van een gebouw eenvoudiger om te demonteren en zijn er meer kansen om materialen op marktplaatsen te verhandelen.

Circulair materiaalgebruik C4

MilieuPrestatie Gebouw

euro MKI / m² BVO / jaar

woningbouw: ≤ 0,5 utiliteitsbouw: ≤ 0,7

woningbouw: ≤ 0,4 utiliteitsbouw: ≤ 0,6

De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwe kantoorgebouwen (groter dan 100 m²) en om nieuwbouwwoningen. Voor Nederland worden de kenmerken van materialen uit de LCA’s verzameld in de Nationale MilieuDatabase.

C5

Materiaalgebonden CO2-uitstoot

C6

Herkomst materialen % van materialen (m³ of kg) met non-virgin herkomst*

kg CO2-eq / m2 BVO

Het Nieuwe Normaal

geen minimale eis

≤ 240

≤ 200

Voor materiaalgebonden CO2-uitstoot is de methodiek 'Rekenmethodiek Paris Proof'. Het midden en hoge ambitieniveau is gebaseerd op leerervaringen en evaluaties van Het Nieuwe Normaal.De daadwerkelijke benodigde Co2grenswaarde conform Paris Paroof ligt lager. Het doel is dat deze waarde en het ambitieniveau steeds dichter naar elkaar toe komen.

Het Nieuwe Normaal

geen minimale eis

45%

55%

Het stimuleren van het gebruik van biobased, hergebruikte, gerecycled of secundair toeslagmateriaal in steenachtige constructies, waardoor de vraag naar nieuwe grondstoffen afneemt en materialen efficienter worden gebruikt.

conform Tojuli voor woningen voor U-bouw zonder koeling buitenzonwering of overstekken met ho < 1,00 m (belemmeringshoek minimaal 45º) op zuid- en westgevels en gfactor < 0,6 voor dakramen/lichtstraten (in bouwdelen waarin zich personen bevinden) minimaal 200 m² koele verblijfslocatie op 200 m afstand

conform Tojuli voor woningen voor U-bouw (in bouwdelen waarin zich personen bevinden) buitenzonwering of overstekken met ho < 1,00 m (belemmeringshoek minimaal 45º) op zuid- en westgevels en gfactor < 0,6 voor dakramen/lichtstraten

Dit is een indicator voor verlaging van het risico op oververhitting genaamd: TOjuli (TOjuli). De grenswaarde per 1 januari 2021 voor de TOjuli-indicator is 1,20 en geldt alleen voor woningen. Deze waarde is een indicatiegetal waarmee per oriëntatie van het gebouw inzicht wordt gegeven in het risico op temperatuuroverschrijding in het gebouw. De TOjuli volgt automatisch uit de software van de energieprestatieberekening volgens de NTA 8800. Woningen met een actieve koeling voldoen automatisch aan de TOjuli-eis. Voor andere gebouwen wordt het risico op temperatuuroverschrijding in de zomer tegengaan door het weren van directe zonnewarmte op de zonbelaste buitengevels en dakvlakken.

minimaal 200 m² koele verblijfslocatie op 100 m afstand

Bij nieuwbouwontwikkeling streeft de gemeente naar een zodanige inrichting van het gebied dat de gevoelstemperatuur binnen aanvaardbare normen blijft. Koele verblijfsplekken van minimaal 200 m2 zijn aanwezig op maximaal 300 m loopafstand om (de gevolgen van) hitte voor mens en natuur te beperken. Verblijfsplekken worden met minimaal 50% groen en 30% schaduw ingericht (bomen tellen voor beide). Daarbij is het van belang dat er rekening wordt gehouden met de bestaande flora en fauna en voor nieuwe beplanting keuzes worden gemaakt voor gebiedseigen flora en fauna. Op het onbebouwde deel van het kavel zorgt groen en water voor een prettigere gevoelstemperatuur in de zomerperiode. Verdampingsprocessen hebben een koelend effect op de luchttemperatuur en de oppervlaktetemperatuur (stralingswarmte). Halfverharding telt voor 30% mee in het percentage onverhard.

Klimaatadaptief Hitte K1

Temperatuuroverschr TOJuli ijding

Besluit bouwwerken leefomgeving

conform Tojuli voor woningen voor U-bouw geen minimale eis

K2

Koele verblijfslocatie Afstand tot minimaal 200 m² koele verblijfslocatie

Actieplan Klimaatadaptatie 2021-2026

minimaal 200 m² koele verblijfslocatie op 300 m afstand

K3

Verharding minimaliseren

Actieplan Klimaatadaptatie 2021-2026

geen minimale eis

minimaal 30% groen, water en onverhard oppvervlak (op bodemniveau bepaald) op het terrein rondom het gebouw

minimaal 40% groen, water en onverhard oppervlak (op bodemniveau bepaald) op het terrein rondom het gebouw

70 mm/u afgevoerd in 12u, zonder schade te veroorzaken geen minimale eis

hemelwater gedeeltelijk bergen en vasthouden gedeeltelijk hergebruiken van opgevangen regenwater

hemelwater grotendeels bergen en vasthouden grijswatersysteem toepassen

Ter indicatie: een standaard bui is 20 mm per uur.

9 - 16 punten

≥ 17 punten

Natuurinclusief bouwen wordt omschreven als ‘het zodanig oprichten van bouwwerken en de directe omgeving van gebouwen dat natuurwaarden hier baat bij hebben'. De maatregelen kunnen hard zijn (bijv. nestkasten) of zacht (bijv. tuinen). Ze kunnen betrekking hebben op plant- en diersoorten – al of niet beschermde – en op groene functies (bijv. klimaatadaptatie en beleving). Een inrichtingsplan en een beheerplan is cruciaal voor het slagen en in stand houden van bedachte natuurinclusieve ontwerpen.

% groen, water en onverhard oppervlak in het plangebied

Wateroverlast K4

Waterverwerking

K5

Hergebruik regenwater

Hoeveelheid water vasthouden, Actieplan Klimaatadaptatie bergen en afvoeren 2021-2026 Hoeveelheid opgevangen regenwater Actieplan Klimaatadaptatie dat wordt hergebruikt 2021-2026

Groen en ecologie G1

Dak en gebouw

aantal punten

EU: Vogel- en Habitatrichtlijn algemene zorgplicht NL: Omgevingswet

G2

Gevelkasten

aantal punten

1 - 3 punten

≥ 4 punten

G3

Groene buitenruimte

aantal punten

20 - 29 punten

≥ 30 punten

G4

Hergebruik van groen wel/niet hergebruik van bestaand groen in het plangebied

Motie 'Geef struikrovers een kans' d.d. 21-05-2025

geen hergebruik van groen

het bestaande groen in het plangebied wordt (deels) hergebruikt

Naar aanleiding van de aangenomen motie 'Geef struikrovers een kans' (mei 2025) is het hergebruik van bloemen, planten, struiken en zaailingen opgenomen in de leidraad. Hergebruik van groen kan gefaciliteerd worden door bijvoorbeeld het organiseren van een struikroversdag. Bij Stichting Struikroven is ervaring aanwezig op het gebied van aanpak en organisatie van struikroven.

conform meest recent vastgestelde fietsparkeernorm

+10% t.o.v. fietsparkeernorm

+20% t.o.v. fietsparkeernorm

Een fietsparkeernorm zorgt ervoor dat er passende maatregelen getroffen worden voor de fietser bij ruimtelijke ontwikkelingen. De aantrekkelijkheid van een reis per fiets wordt mede bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de fietsparkeervoorziening bij herkomst en bestemming. De fietsparkeernorm draagt daarmee bij aan het stimuleren van het fietsgebruik. Daarnaast levert een fietsparkeernorm een positieve bijdrage aan het verminderen van de druk op de openbare ruimte.

5% van het aantal woningen

10% van aantal woningen

Deelmobiliteit vermindert de parkeerdruk en maakt binnenstedelijke woningbouw beter betaalbaar. Ook stimuleert het bewoners om niet ieder voor zich een auto te kopen, maar als collectief te denken. In 2022 komt er binnen de gemeente Amstelveen een beleidvaststelling o.g.v. deelmobiliteit

Mobiliteit Veranderen vervoerswijze M1

Actieve mobiliteit

Aantal fietsparkeerplekken per eenheid

Nota Parkeernormen Amstelveen

M2

Deelmobiliteit

% van de woningen met deelconcepten

Mobiliteitsvisie en Convenant geen minimale eis Toekomstbestendige Woningbouw MRA

Verschonen mobiliteit

M3

Duurzame bouw

% reductie stikstofuitstoot mobiele werktuigen

Green Deal ZES

geen minimale eis

Inzet van enkel STAGE IV materieel of elektrische werktuigen

Schoon en Emissieloos Bouwen

Met schoon en emissieloos bouwen wordt toegwerkt naar het reduceren van emissies door bouwmaterieel zoals mobiele werk-, voer- en vaartuigen. Dit is nodig om de doelen op het gebied van stikstof, CO2 en fijnstof te halen.

M4

Laadpalen

% van eenheden dat beschikt over een laadpaal

EPBDIV

Conform meest recent vastgestelde laadinfra norm

10% van aantal eenheden beschikt over een laadpaal

20% van aantal eenheden beschikt over een laadpaal

Met de Europese Performance of Buildings Directive (EPBD III) komt er een verplichting voor het aanleggen van laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen in de private gebouwde omgeving. Dit komt ten goede aan een bredere toepassing van elektrisch vervoer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=03140092-37c2-4177-bfb3-5bffb115d05b