CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

BIjlage 2 vd toelichting verkennend bodemonderzoek Oostelijke Poeloever 2

Raadscommissie voor Ruimte, wonen en natuur 2 december 2021, gemeente amstelveenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Oostelijke Poeloever 226.842 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

PROJECT 28605 VERKENNEND EN AANVULLEND BODEMONDERZOEK INCL. VERKENNEND ASBESTONDERZOEK EN WATERBODEMONDERZOEK HANDWEG 121 EN 129 TE AMSTELVEEN

Vestiging Kamerik Nijverheidsweg 7 3471 GZ Kamerik t 0348 402103 Vestiging Heerhugowaard Galileistraat 69 1704 SE Heerhugowaard t 072 5729457 Vestiging Steenwijk Oevers 16 8331 VC Steenwijk t 0521 521924 www.grondslag.nl

bodemonderzoek | saneringsbegeleiding | partijkeuringen | waterbodemonderzoek | arbo/veiligheid | wegenbouwadvies

Project 28506

Titel

Verkennend en aanvullend bodemonderzoek inclusief verkennend asbestonderzoek en waterbodemonderzoek Handweg 121 en 129 te Amstelveen

Projectleider

Mevr. drs. S. Lauffer-Brouw

Datum rapport

16 mei 2018

versie

2

Opdrachtgever

Familie Jongerius Handweg 121 Amstelveen en Familie Van Diemen Handweg 129 Amstelveen

Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen die zijn opgesteld in de BRL SIKB 2000. Grondslag is door KIWA gecertificeerd voor het verrichten van “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” conform deze BRL. Grondslag BV is als opdrachtnemer onafhankelijk van de opdrachtgever. Tussen beide bestaat geen relatie als bedoeld in paragraaf 3.1.7 van de BRL SIKB 2000.

Project 28506

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING EN DOEL

1

2

TERREINGEGEVENS 2.1 Afbakening onderzoekslocatie 2.2 Huidige situatie 2.3 Historie tot op heden 2.4 Vooronderzoek waterbodem bij Handweg 129 2.5 Voorgaand onderzoek 2.5.1 Voorgaand onderzoek ter plaatse van de onderzoekslocatie 2.5.2 Voorgaand onderzoek ter plaatse van de aangrenzende percelen 2.6 Toekomstige situatie 2.7 Bodemopbouw en geohydrologie 2.8 Hypothese en onderzoeksopzet

2 2 2 3 6 6 6 7 7 8 8

3

VELDWERK 3.1 Uitvoering Handweg 121 3.2 Uitvoering Handweg 129 3.3 Resultaten Handweg 121 3.3.1 Grond 3.3.2 Grondwater 3.4 Resultaten Handweg 129 3.4.1 Grond 3.4.2 Grondwater 3.4.3 Waterbodem

10 10 10 11 11 12 12 12 13 13

4

CHEMISCHE ANALYSES 4.1 Toetsingkaders 4.2 Resultaten Handweg 121 4.2.1 Analyses grond 4.2.2 Analyses grondwater 4.3 Resultaten Handweg 129 4.3.1 Analyses grond 4.3.2 Analyses grondwater 4.3.3 Waterbodemonderzoek Handweg 129

14 14 14 14 16 17 17 18 18

5

ONDERZOEK ASFALT 5.1 Werkzaamheden 5.2 Analyses

19 20 20

6

ASBESTANALYSES 6.1 Resultaten Handweg 121 6.1.1 Analyses asbestverdacht materiaal 6.1.2 Analyses asbest fijne fractie 6.2 Resultaten Handweg 129 6.2.1 Analyses asbestverdacht materiaal 6.2.2 Analyses asbest fijne fractie

21 21 21 21 22 22 22

7

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 7.1 Handweg 121 7.2 Handweg 129

24 24 25

Project 28506

BIJLAGEN BIJLAGE I : Kaartmateriaal BIJLAGE II : Boorbeschrijvingen BIJLAGE III : Toetsingstabellen BIJLAGE IV : Analysecertificaten BIJLAGE V : Rapport Omgevingsdienst BIJLAGE VI : Boorpuntenkaart Voorgaand onderzoek Handweg 129 (2001) BIJLAGE VII : Toetsingskader water-, asbest – en bodemonderzoek BIJLAGE VIII : Verklarende woordenlijst

1

1

Project 28506

INLEIDING EN DOEL Namens de families Jongerius en Van Diemen is door dhr X. Blankestijn van Vlieg Bedrijfsmakelaars aan Grondslag opdracht verleend voor het uitvoeren van een verkennend en aanvullend bodemonderzoek op het perceel Handweg 121 en 129 te Amstelveen, inclusief verkennend asbestonderzoek. Op perceel Handweg 129 heeft tevens een waterbodemonderzoek plaatsgevonden. De aanleiding voor het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen verkoop van de locatie waarna de locatie zal worden herontwikkeld tot een locatie voor nieuwbouwwoningen. Ten behoeve hiervan zal een bestemmingswijziging moeten plaatsvinden en dient een omgevingsvergunning (bouw) te worden aangevraagd. Het doel van het chemisch onderzoek is het vastleggen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en het beoordelen of de bodem geschikt is voor de beoogde toekomstige bestemming. Het doel van het verkennend asbestonderzoek is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning te bepalen of de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie verontreinigd is met asbest. Met het verkennend onderzoek wordt een indicatief asbestgehalte bepaald, aan de hand waarvan kan worden bepaald of nader onderzoek noodzakelijk is.

Het bodemonderzoek is verricht volgens de richtlijnen uit de NEN 5740/A1 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek) en de NEN 5707+C1 (Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond) en de onderliggende norm NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek).

2

2

Project 28506

TERREINGEGEVENS Voorafgaand aan het bodemonderzoek is er een vooronderzoek conform NEN 5725 verricht. De resultaten van het vooronderzoek zijn verwerkt in dit hoofdstuk. Het vooronderzoek richt zich tevens op de direct aangrenzende percelen.

2.1

Afbakening onderzoekslocatie De onderzoekslocatie bestaat uit twee adressen, te weten Handweg 121 en Handweg 129. De begrenzing van de onderzoekslocatie is weergegeven op de tekening in bijlage I. In bijlage I is tevens een uittreksel van de kadastrale kaart opgenomen. Handweg 121 Deze onderzoekslocatie bestaat uit de kadastrale percelen G 3973 (gedeeltelijk), G 3974 (geheel), 4564 (geheel) en G 4448 (geheel). De totale oppervlakte bedraagt ca. 6.000 m². Het kadastrale perceel G 4564 bestaat grotendeels uit water (ca. 1.800 m²). Het woonhuis en de inrit direct naast het woonhuis valt buiten de onderzoekslocatie. Handweg 129 Deze onderzoekslocatie bestaat uit het kadastrale perceel G 4686 (geheel) en heeft een oppervlakte van 5.224 m². Ca. 2.000 m² bestaat uit oppervlaktewater.

2.2

Huidige situatie De locaties zijn gelegen binnen de oude lintbebouwing van Amstelveen. De locaties grenzen aan de veenplas De Poel. Ten noorden van het perceel op Handweg 121 bevindt zich de nieuwbouwlocatie ‘Wonen aan de Poel’. Ten zuiden van Handweg 129 bevindt zich het clubgebouw van de vereniging voor Watersport Amstelveen. De regionale ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage I. Tevens is een luchtfoto van het gebied opgenomen. Handweg 121 De onderzoekslocatie bevindt zich achter het woonhuis op nr. 121 en achter de woonhuizen 123-127. Op de locatie is een kas (bouwjaar 1997) aanwezig waarin een tuincentrum (Life and Garden) is gevestigd. In de kas is een tegelverharding aanwezig. Het buitenterrein voor de kas is in gebruik als parkeerterrein dat verhard is met asfalt (ca. 1.050 m²). Onbekend is of onder het asfalt een puinfundatie aanwezig is. Langs de zuidelijke gevel van de kas zijn stelconplaten aanwezig. Achter de kas zijn houten vlonders aanwezig. Handweg 129 Op de locatie Handweg 129 is Van Diemen Funsports gevestigd. Op het voorterrein is een parkeerterrein aanwezig, welke verhard is met asfalt (ca. 800 m²). Onbekend is of onder het asfalt een puinfundatie aanwezig is. Op het perceel is een winkelpand (bouwjaar 1984) aanwezig met aangrenzend een loods (bouwjaar 1953) waarin kleine boten kunnen worden gestald.

Aan de noordzijde van de loods is de aangrenzende sloot overkapt. In de loods is een vloer aanwezig bestaande uit betonnen tegels. Het achterste gedeelte van de onderzoekslocatie bestaat uit een landtong en steigers en is in gebruik als jachthaven. Het buitenterrein is deels verhard met stelconplaten. Achter de winkel is een kleine werkplaats aanwezig waarin ski’s en snowboard worden onderhouden. Op een (deel van) de loods is een asbestgolfplaten dak aanwezig. Hier bevinden zich geen dakgoten.

3

2.3

Project 28506

Historie tot op heden Voor het historisch onderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: - huidige eigenaar - gemeente Amstelveen - Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied - oud kaartmateriaal (www.topotijdreis.nl) - www.bodemloket.nl - terreininspectie (plaatsgevonden voorafgaand aan het veldwerk) De locaties zijn gelegen in een niet-ontveend gebied (Bovenlanden) in Amstelveen. In dit gebied kunnen ophogingen vanuit het verleden worden verwacht. Voor zover bekend (bij gemeente of omgevingsdienst) zijn op de locaties geen ondergrondse en/of bovengrondse brandstoftanks aanwezig. Volgens informatie van de opdrachtgever zijn ter plaatse van of nabij de onderzoekslocatie geen vloeibare brandstoffen toegepast of opgeslagen. Er zijn geen motorvoertuigen onderhouden en/of gerepareerd. Op of nabij de locatie zijn, voor zover bekend bij de gemeente, geen ondergrondse brandstoftanks aanwezig (geweest). Op basis van historische kaarten (zie figuur 1) is het aannemelijk dat op de locatie dempingen ter plaatse van sloten (of delen van sloten) hebben plaatsgevonden. Langs de kadastrale noord en zuidgrens van het perceel G 3793 (Handweg 121) hebben in het verleden sloten gelopen. Eind jaren ’60 zijn deze gedempt. Ten noorden van perceel G4686 (Handweg 129) was in het verleden de sloot vermoedelijk breder.

Een deel van de sloot is hier waarschijnlijk gedempt bij de uitbreiding van de loods met de overkapping. Uit de historische kaarten blijkt verder dat op het perceel G 3793 (Handweg 121) in het verleden een boomgaard aanwezig was waarna vanaf de jaren ’60 kassen zijn ingetekend. Van de gemeente Amstelveen zijn de bouwdossiers verkregen en de Hinderwetvergunningen. In 1954 is een Hinderwetvergunning afgegeven voor een polijst en slijpwerkplaats op Handweg 123. In 1961 is een vergunning afgegeven voor een houtdraaierij op Handweg 125. Er zijn voor Handweg 121 en 129 geen Hinderwetten bekend van bedrijven die potentieel bodembedreigend zijn. Uit de stukken van het bouwdossier blijken geen verdachte deellocaties of mogelijke bronlocaties voor bodemverontreiniging met uitzondering van de locatie van de botenloods en werkplaats. Er zijn op de percelen, voor zover bekend, geen bestrijdingsmiddelen en/of ontsmettingsmiddelen gebruikt. Echter op een deel van het perceel van Handweg 121 was in het verleden een boomgaard (zie figuur 1) en daarna een kas. Vermoedelijk zijn in die periode wel bestrijdingsmiddelen gebruikt.

Project 28506

4

Fig. 1 Historische kaarten (bron www.topotijdreis.nl)

Handweg 121 Handweg 121

1925

1951

Handweg 129

1963

1972

1991

2002

Bij de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied is een Bodemrapport opgevraagd. Het rapport is opgenomen in Bijlage V. Hierin zijn alle gegevens opgenomen die bekend zijn bij de omgevingsdienst. Bij de omgevingsdienst zijn geen bodemonderzoeken bekend die uitgevoerd zijn ter plaatse van de onderhavige onderzoekslocatie. Wel blijkt dat op de aangrenzende percelen diverse bodemonderzoeken hebben plaatsgevonden. Een samenvatting van de gegevens uit de voorgaande onderzoeken zijn opgenomen in paragraaf 2.5. Via de webkaart van de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied is informatie van Handweg 129 opgezocht. Voor deze locatie staat als status aangegeven uitvoeren Nader onderzoek,

5

Project 28506

potentiele spoed locatie. Als verdachte activiteiten zijn een ophooglaag en een scheepswerf genoemd. Asbest Aangezien er vermoedelijk sprake is van een ophooglaag op beide locaties, waarin mogelijk ook puinbijmenging kan worden verwacht, worden de locaties als asbestverdacht beschouwd. Bij een puinfundatie onder het asfalt geldt ook de verharding op de parkeerplaatsen als asbestverdacht. Op Handweg 129 bestaat het dak van de loods uit vermoedelijk asbestcementengolfplaten. Een deel hiervan heeft geen dakgoot. De bovengrond onder de dakrand is hierdoor verdacht voor een asbestverontreiniging als gevolg van mogelijk aanwezige asbestdeeltjes. Voor zover bekend zijn er op de locatie in het verleden geen bedrijven aanwezig geweest die asbesthoudende producten, apparaten of voorwerpen vervaardigden en/of verwerkten. Wel kan in de kit van de kassen asbest zijn verwerkt. De bovengrond van het noordelijke deel van de kassen is hierdoor verdacht op asbest. Op het onverharde terreindeel achter de kassen is zwerfasbest (gebroken en verweerde asbesthoudende objecten) aangetroffen, daarmee is dit terreindeel asbestverdacht. de beschoeiing bestaat hier uit asbest golfplaat. Dit is eveneens het geval langs de waterkant op perceel Handweg 129.

Het terrein rondom de bebouwing is voor een groot deel afgedekt met een gesloten verharding waardoor er hier geen verdenking geldt voor een asbestverontreiniging van de bodem als gevolg van verwering van asbesthoudende platen die gebruikt zijn in de bebouwing. Uit voorgaande onderzoek (zie paragraaf 2.4) blijkt dat op de locatie puinbijmengingen aanwezig zijn. Het is moeilijk te definiëren of dit puin afkomstig is van de historische ophooglaag of van ophogingen die na WOII zijn aangebracht. Historisch puin (< 1945) bevat in de regel geen asbesthoudend materiaal. Wanneer de bijmengingen afkomstig zijn van ongedefinieerd gemengd bouwpuin / betonpuin (met name funderingspuin) uit de periode 1945-1993 geldt de locatie als verdacht op het voorkomen van asbesthoudend materiaal. vooralsnog wordt uitgegaan van een locatie die verdacht is op het voorkomen van een asbestverontreiniging. Bodemkwaliteitskaart De locaties zijn gelegen in de zone B-W1 / O-W1 (woongebieden voor 1950 op veen en zand) van de bodemkwaliteitskaart van regio Amstelland-Meerlanden (2013). In de zone overschrijdt de 95-percentielwaarde de interventiewaarde voor lood en zink. Daarnaast kunnen lichte verhogingen worden verwacht aan overige zware metalen, minerale olie, PAK en PCB.

In de ondergrond (tot 2,0 m-mv) overschrijdt de 95-percentielwaarde voor koper, lood en zink de interventiewaarde en kunnen lichte verhogingen worden verwacht aan overige zware metalen, minerale olie, PAK en PCB. Deze zone kenmerkt zich ten aanzien van zink en lood als een heterogeen verontreinigde zone. Bodemloket Bij www.bodemloket.nl is geen informatie aangaande de onderzoekslocatie bekend.

6

2.4

Project 28506

Vooronderzoek waterbodem bij Handweg 129 Voorafgaand aan het waterbodemonderzoek is een vooronderzoek conform NEN 5717 uitgevoerd. De resultaten van het vooronderzoek zijn verwerkt in deze paragraaf. Het haventje heeft een oppervlak van circa 950 m2. Het wordt enkel gebruikt voor kleine pleziervaartuigen. Op de aangrenzende landbodem is bij voorgaand bodemonderzoek maximaal een matige verhogingen aan zware metalen en PAK’s aangetoond. Er zijn geen reden om aan te nemen dat er binnen het haventje bronlocaties voorkomen. De onderzoekslocatie is weergegeven op het kaartmateriaal in bijlage I.

2.5

Voorgaand onderzoek Op de onderzoekslocatie zijn in het verleden bodemonderzoeken uitgevoerd. Het bodemonderzoek van Handweg 121 is aangeleverd door de opdrachtgever. Het onderzoek dat is uitgevoerd op Handweg 129 is verkregen bij de gemeente Amstelveen. Hieronder zijn de rapporten kort beschreven.

2.5.1 Voorgaand onderzoek ter plaatse van de onderzoekslocatie Handweg 121 Op de locatie is in 2007 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Lankelma Ingenieursbureau BV) in verband met een voorgenomen bestemmingswijziging en bouw van nieuwbouwwoningen. In het rapport wordt vermeld dat in 1996 eveneens een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd door PRS Bodemonderzoek en Milieudienstverlening in verband met de oprichting van de kas. Met het onderzoek in 1996 zijn destijds lichte verhogingen aan zware metalen, PAK en olie aangetoond in de bovengrond. In de ondergrond zijn geen verhogingen gemeten. In het grondwater is destijds een lichte verhoging aan naftaleen gemeten. Het bodemonderzoek van 2007 is uitgevoerd volgens de strategie van een onverdachte locatie. In totaal zijn 13 boringen verricht. Er zijn geen boringen geplaatst ter plaatse van het asfalt (parkeerplaats). De grond is plaatselijk matig puinhoudend. Rondom de woning op nr. 121 (buiten de huidige onderzoekslocatie) is de boven- en ondergrond sterk verontreinigd met zink. Op het overige deel van het terrein zijn vooral lichte verhogingen gemeten. Plaatselijk is een matige verhoging aan zink en lood gemeten in de ondergrond. In het grondwater is een lichte verhoging aan nikkel aangetoond. De verhogingen in grond worden vermoedelijk veroorzaakt door de aanwezigheid van een ophooglaag.

Geconcludeerd is dat er geen belemmeringen zijn voor bouwactiviteiten op het perceel. Opmerking Grondslag: Er is destijds geen nader onderzoek uitgevoerd. De sterke verontreiniging rondom het woonhuis is niet afgeperkt. Aangenomen wordt dat de geplande bouwactiviteiten op ruime afstand waren van het woonhuis. Handweg 129 In 2001 is door Milieutechniek ZVS Eemnes BV een inventariserend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de BSB Noord-Holland (bedrijvenregeling). Destijds werden op bedrijventerreinen bodemonderzoeken uitgevoerd teneinde vast te stelen of op de locatie een mogelijk vermoedelijk geval van ernstige bodemverontreiniging voorkwam. Bij het onderzoek is het terrein onderverdeeld in vier deellocaties, te weten: voorterrein, werkplaats, loods met opslag boten en achterterrein. De

7

Project 28506

werkplaats is gelegen in de zuidoost hoek van loods, direct achter de winkel. Per deellocatie zijn mengmonsters van de bovengrond samengesteld. Ter plaatse van het voorterrein is onder het asfalt een puinfundatie aangetroffen tot circa 1 m-mv. Ook hiervan is een mengmonster samengesteld en geanalyseerd op het standaard stoffenpakket. In het mengmonster van de bovengrond van de loods met opslag boten werden sterke verhogingen gemeten voor koper, lood en zink en een matige verhoging voor PAK. In het mengmonster (veen) van het achterterrein zijn maximaal matige verhogingen gemeten. In het mengmonster van de puinfundatie (geen bodem) werd een sterke verhoging met PAK gemeten en in het mengmonster met lichte puinbijmengingen van de werkplaats werd naast een sterke verhoging aan zink ook een sterke verhoging voor PAK gemeten. De monsters met sterke verhogingen zijn uitgesplitst. Hierbij zijn in de meeste separate monsters van de bovengrond ter plaatse van de loods sterke verhogingen gemeten (boring 9, 10, 11 en 12). Ter plaatse van de werkplaats is zijn eveneens sterke verhogingen gemeten voor PAK en zink (boring 16 en 15). In het puin indien getoetst aan de normwaarde voor de Wet bodembescherming komen sterke verhogingen voor met PAK. In het grondwater zijn lichte verhogingen gemeten voor zink, chroom en arseen. De ondergrond is niet geanalyseerd.

Aanbevolen wordt om aanvullend onderzoek te verrichten om de verontreinigingen af te perken. De resultaten van het onderzoek kunnen dienen als nulsituatie van de bodem in verband met Wm-vergunningsplichtige activiteiten. De boorpuntenkaart is bijgevoegd in bijlage VI. 2.5.2 Voorgaand onderzoek ter plaatse van de aangrenzende percelen locatie Handweg 123-125 Uit een bodemonderzoek uitgevoerd door Van Dijk Geotechniek (2006) blijkt dat op de woonpercelen Handweg 123-125 gelegen direct langs de Handweg sterke verontreinigingen met zink en lood aanwezig zijn in boven- en ondergrond. In onderzoeken van 2004 zijn ook sterke verhogingen met PAK aangetoond. De verhogingen zijn het gevolg van een ingereden puinlaag. Met een asbestonderzoek (2004, BK ingenieurs BV) is tevens een asbestverontreiniging aangetoond als gevolg van stukjes asbestgolfplaat aangetroffen in één gat. Ook wordt er melding gemaakt van diverse saneringen conform de BUS (Besluit Uniforme Saneringen) waarbij de verontreinigingen zijn afgedekt ten behoeve van een bouwvergunning. In 2004 is een deelsaneringsplan opgesteld. In 2015 heeft een sanering plaatsgevonden waarbij de verontreiniging grotendeels is verwijderd. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aanwezig.

Handweg 131 Ook op Handweg 131 (gelegen ten zuiden van Handweg 129) zijn sterke verontreinigingen met lood, zink en PAK aanwezig als gevolg van een historische ophooglaag. De verontreiniging betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging. In 2004 heeft hier een sanering plaatsgevonden. 2.6

Toekomstige situatie Bij een herontwikkeling zullen de huidige opstallen worden gesloopt en de verhardingen worden verwijderd. De locatie zal worden gesplitst in diverse kavels. Het is nog onbekend of ter plaatse van het haventje dempingen en/of baggerwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd.

Project 28506

8

2.7

Bodemopbouw en geohydrologie De gegevens met betrekking tot de bodemopbouw en geohydrologie (tabel 2.1) zijn afgeleid van www.dinoloket.nl (TNO). Tabel 2.1: Regionale bodemopbouw, exclusief het duingebied Diepte (m-MV)

samenstelling

Formatie

Geohydrologische eenheid

0-10

Afwisseling van veen, zand en klei

Holoceen

Slecht doorlatende deklaag

10-54

Fijn tot grof zand, grind en/of schelpen

Boxtel, Drente, Urk, Sterksel

Goed doorlatende zandlagen

54-60

Klei

Sterksel

Slecht doorlatende kleilagen

60-71

Fijn tot grof zand, grind en/of schelpen

Sterksel

Goed doorlatende zandlagen

71-80

Klei

Waalre

Slecht doorlatende kleilagen

80-183

Fijn tot grof zand, grind en/of schelpen

Peize en Waalre

Goed doorlatende zandlagen

>183

Complexe afwisseling zand en klei

Maassluis

Matig doorlatende lagen

Grondwater Uit de isohypsenkaart wordt afgeleid dat de regionale grondwaterstroming van het eerste watervoerend pakket zuidelijk is gericht. Het freatisch grondwater is tijdens het onderhavig onderzoek vastgesteld op een diepte van globaal 0,5 m-mv. Er kan geen eenduidige grondwaterstromingsrichting voor het freatisch grondwater worden vastgesteld. Deze wordt beïnvloed door lokaal aanwezig oppervlaktewater. De onderzoekslocatie bevindt zich niet in een grondwaterwingebied. 2.8

Hypothese en onderzoeksopzet Chemisch bodemonderzoek Ter plaatse van de onderzoekslocatie Handweg 121 wordt voorafgaand aan het bodemonderzoek in enige mate een verontreiniging verwacht. Bekend is dat rondom het woonhuis op 121 en ter plaatse van de woonpercelen van Handweg 123-127 sterke verontreinigingen aanwezig zijn (of inmiddels verwijderd als gevolg van een sanering). De locatie wordt aangemerkt als verdacht voor verontreiniging met zware metalen en PAK. Ter plaatse van het noordelijke deel van de kas is de oude bovengrond verdacht voor een verontreiniging met bestrijdingsmiddelen (OCB’s). De onderzoeksopzet wordt gebaseerd op de "Onderzoeksstrategie voor een heterogeen verdachte locatie (VED-HE)" van de NEN 5740. Het standaard NEN stoffenpakket wordt voor de kassen uitgebreid met OCB’s. Daarnaast zullen enkele extra analyses worden uitgevoerd om te bepalen of de sterke verontreiniging die ten oosten van de onderzoekslocatie aanwezig is perceelsoverschrijdend is. Alle boringen worden doorgezet tot minimaal 1,0 m-mv. Ter plaatse van Handweg 129 is reeds bekend dat er sterke verontreinigingen voorkomen ter plaatse van de loods en de werkplaats. Op het achterste deel bij het haventje komen matige verhogingen voor.

Om de gegevens te actualiseren (het voorgaande onderzoek dateert van 2001) wordt het onderzoek uitgevoerd op basis van de "Onderzoeksstrategie voor een heterogeen verdachte locatie (VED-HE)" van de NEN 5740.

9

Project 28506

Asbestonderzoek Voor de locatie buiten de parkeerplaatsen geldt op basis van het vooronderzoek geen concrete verdenking op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging met asbest. De in voorgaande onderzoeken aangetroffen puin betreft vermoedelijk historisch puin (van voor 1945). Dit deel van de locatie wordt aangemerkt als onverdacht voor asbest. Ter bevestiging van deze hypothese wordt een onderzoek verricht de conform de onderzoeksstrategie voor een kleinschalig onverdachte locatie van de "NEN5707 Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond". Deze norm is van toepassing voor de bepaling van asbest in bodem en grond met een volumepercentage van minder dan 50% bijmenging aan bouw- en sloopafval. Indien er met een verkennend onderzoek asbest wordt aangetroffen in een gehalte groter dan 50 mg/kg ds is nader onderzoek benodigd. De puinfundaties onder het asfalt zijn enigszins verdacht omdat niet met zekerheid is te zeggen wanneer de fundaties zijn aangebracht en waar het puin van afkomstig is. Volgens de eigenaar van Handweg 121 (dhr. Jongerius) is de parkeerplaats aangelegd in 1996 ten tijde van de bouw van de kas. Van de parkeerplaats ter plaatse van Handweg 129 is het jaartal onbekend. Mogelijk dat deze is aangelegd tegelijkertijd met de winkel (1982).

Er wordt uitgegaan van de strategie voor een verkennend onderzoek op een kleinschalige, afgedekte onderzoekslocatie conform de NEN 5897. Dit protocol is van toepassing op puinlagen bestaande uit meer dan 50% bodemvreemde bijmenging. De primaire doelstelling van het verkennend onderzoek is een schatting van het gehalte aan asbest. Bij het aantreffen van asbest zal worden aanbevolen om opnieuw een onderzoek uit te voeren nadat het asfalt verwijderd is. Waterbodemonderzoek Het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5717 (Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek, 2009) en NEN 5720 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend onderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van waterbodem en baggerspecie, 2009). Het onderzoek ter plaatse van het haventje volgt de strategie voor het watertype ‘jachthaven’. Op basis van het vooronderzoek wordt hooguit een lichte homogene verontreiniging verwacht. Een lichte onderzoeksinspanning is derhalve voldoende om aan de onderzoeksdoelstelling te beantwoorden. De onderzoekslocatie wordt bemonsterd conform de ‘lichte onderzoeksinspanning’. Het water is opgedeeld in 1 monstervak. In totaal zijn 10 boringen verricht tot de onderzijde van de sliblaag. Algemeen Opgemerkt dient te worden dat een bodemonderzoek volgens een steekproefsgewijze opzet wordt uitgevoerd.

Tevens dient het bodemonderzoek beschouwd te worden als een tijdelijk vastgestelde status van de bodemkwaliteit ter plaatse. Derhalve kan in bepaalde situaties (bijvoorbeeld bij een toekomstige bestemmingswijziging of aanvraag van een omgevingsvergunning) de geldigheidsduur van het onderzoek beperkt zijn.

Project 28506

10

3

VELDWERK

3.1

Uitvoering Handweg 121 De verrichtingen zijn uitgewerkt in onderstaande tabel: Tabel 3.1: Uitgevoerde werkzaamheden Verrichting

Datum

Persoon

Geldend protocol

Verrichten boringen en plaatsen peilbuizen Boringen 101 t/m 120

26 maart 2018

dhr. F. Droogers

2001

Maaiveldinspectie en inspectiegaten asbest 101, 113, 114 en 115, 120 t/m 123 Boringen met brede boor 116 t/m 120

26 maart 2018

dhr. F. Droogers

2018

Grondwatermonstername Pb 115

3 april 2018

dhr. J. Plomp

2002

In totaal zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie 20 boringen verricht (nrs. 101 t/m 120). De boringen zijn verspreid over de onderzoekslocatie verricht. Boring 115 is voorzien van een peilbuis. Alle boringen zijn uitgevoerd tot een minimale diepte van 0,8 à 1 m-mv behoudens boring 113 en 114 (bij de mogelijke slootdemping) die gestuit zijn op een handmatig ondoordringbare laag op circa 0,9 m-mv. Ook boring 118 (parkeerterrein) is gestuit op stenen op circa 0,7m-mv. Op het achterterrein zijn de boringen op circa 1 m-mv gestuit op mogelijk hout. Een aantal boringen zijn doorgezet tot een diepte van circa 2,0 m-mv. Voor het asbestonderzoek is het maaiveld van de locatie voor zover mogelijk visueel geïnspecteerd. Vervolgens zijn vijf inspectiegaten gegraven (101, 120 t/m 123). De gaten voor het asbestonderzoek zijn 0,3 x 0,3 meter breed en tot 0,5 m-mv gegraven. Ter plaatse van het asfalt is geboord met een brede boor (doorsnede 12 cm). In verband met het gebruik van het parkeerterrein was het niet gewenst om gaten te zagen in het asfalt. De uitkomende bodem is visueel geïnspecteerd op asbestverdachte materialen. De monsterneming is handmatig uitgevoerd met behulp van een schep. De ligging van de boringen, de peilbuis en de inspectiegaten is weergegeven in bijlage I. 3.2

Uitvoering Handweg 129 De verrichtingen zijn uitgewerkt in onderstaande tabel: Tabel 3.1: Uitgevoerde werkzaamheden Verrichting

Datum

Persoon

Geldend protocol

Verrichten boringen en plaatsen peilbuis Peilbuis 1011 Boringen 1001 t/m 1022

3 april 2018

dhr. J. Plomp

2001

Maaiveldinspectie en inspectiegaten asbest 1001 t/m 1011, 1013 t/m 1016

3 april 2018

dhr. J. Plomp

2018

Nemen waterbodemmonsters S01 t/m S10

26 maart 2018

dhr. R. Hoogerwerf

2003

Grondwatermonstername Pb 1011

10 april 2018

dhr. M. v. Leeuwen

2002

11

Project 28506

In totaal zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie 22 boringen verricht (nrs. 1001 t/m 1022). De boringen zijn verspreid over de onderzoekslocatie verricht. Boring 1011 is voorzien van een peilbuis in verband met de ligging ter plaatse van de botenloods. Alle boringen zijn uitgevoerd tot een minimale diepte van 0,5 m-mv. Enkele boringen zijn doorgezet tot een diepte van circa 2,0 m-mv. Voor het asbestonderzoek is het maaiveld van de locatie voor zover mogelijk visueel geïnspecteerd. Vervolgens zijn 15 inspectiegaten gegraven. De uitkomende bodem is visueel geïnspecteerd op asbestverdachte materialen. De gaten voor het asbestonderzoek zijn 0,3 x 0,3 meter breed en tot 0,5 m-mv gegraven. De gaten onder het asbestplatendak zijn 0,5 x 0,5 m breed en tot 0,1 m-mv gegraven Ter plaatse van het met asfalt verharde parkeerterrein zijn vijf boringen verricht met een brede boor (doorsnede 12 cm). In verband met het gebruik van het parkeerterrein was het niet gewenst om gaten te zagen in het asfalt. De monsterneming is handmatig uitgevoerd met behulp van een schep. Voor het onderzoek van de waterbodem zijn 10 slibsteken verricht (S01 t/m S10). De boringen zijn verricht met een multisampler. De ligging van de boringen, de peilbuis, de inspectiegaten en de slibsteken is weergegeven in bijlage I. 3.3

Resultaten Handweg 121

3.3.1 Grond Bodemopbouw Op een deel van het terrein bestaat de bodem vanaf het maaiveld tot een diepte van 0,5 à 0,7 m-mv uit zand. Hieronder is veen aanwezig. Op het overige deel van het terrein is de bovenste zandlaag veel dunner (circa 0,1 m). Ter plaatse van het parkeerterrein bevindt zich onder het asfalt en de puinfundatie veen. Plaatselijk bevindt zich hiertussen nog een zandlaag (boring 116 en 118. De boorprofielen zijn weergegeven in bijlage II. Zintuiglijke waarnemingen In de zandige toplaag zijn plaatselijk sporen aardwerk aangetroffen. Ook in het bovenste veen zijn sporen aardewerk aanwezig. Zeer plaatselijk zijn wat sporen afval aangetroffen in een dunne laag (boring 101 ( Slootdempingen In de zandige ondergrond zijn ter plaatse van de noordelijke strook waar mogelijk een slootdemping aanwezig zijn zwakke tot sterke bijmengingen aangetroffen met baksteen en grind met sporen kolen. De boringen 113 en 114 zijn hier gestuit op een ondoordringbare laag. Ter plaatse van de kadastrale grens die door het midden van de kassen loopt zijn geen aanwijzingen gevonden voor een slootdemping. Ter plaatse van de zuidelijke grens waar mogelijk de sloot smaller is gemaakt zijn in de boringen 122, 123 en 124 geen aanwijzingen voor een demping aangetroffen. Wel bestaat bij boring 120 (ten zuiden van de asfalt verharding) de toplaag uit een puinlaag.

Fundatie Onder het asfalt is een puinfundatie aanwezig met een dikte van 0,4 tot 0,7 meter. Ter plaatse van boring 120 net buiten het asfalt bestaat de bovenste 0,9 m eveneens uit een zelfde puinlaag. In de zandige tussenlaag (tussen de fundatielaag en het veen) in boring 116 en 118 komt grind en/of puin voor.

Project 28506

12

Van de aangetroffen sporen aardewerk in het veen wordt aangenomen dat het historisch puin (< 1945) betreft. Dit puin bevat in de regel geen asbesthoudend materiaal en geeft geen aanleiding tot een bodemonderzoek naar asbest conform NEN 5707. De exacte herkomst van de overige bijmengingen alsmede de periode van toepassing is niet bekend. De puinfundatie (baksteen, grind en beton) onder het asfalt op de parkeerplaats is vermoedelijk in 1996 aangebracht en zou hierdoor eveneens niet verdacht zijn op asbest. De puinfundatie onder het asfalt ter plaatse van de inrit is mogelijk eerder aangebracht. Deze bestaat uit grind en baksteen. Dit puin is mogelijk wel verdacht op het voorkomen van asbest en geeft aanleiding tot een bodemonderzoek naar asbest conform NEN 5897. In boring 116 (inrit) is visueel asbestverdacht materiaal (4 stukjes) in de fundatielaag aangetroffen. In de overige gaten en boringen is in de bovengrond geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. 3.3.2 Grondwater In onderstaande tabel zijn de gegevens vermeld die zijn verzameld tijdens de monstername van het grondwater. Tabel 3.1: Veldwerkgegevens grondwater

3.4

peilbuis

filterstelling (m-mv)

grondwaterstand pH (m-mv)

EC (mS/cm)

Troebelheid (NTU)

115

1,0-2,0

0,32

2010

11.15

6,8

Resultaten Handweg 129

3.4.1 Grond Bodemopbouw Vanaf het maaiveld tot een diepte van 2,0 m-mv bestaat de bodem uit veen. De boorprofielen zijn weergegeven in bijlage II. Zintuiglijke waarnemingen In de boven- en plaatselijk ook in de ondergrond zijn ter plaatse van bijna alle boringen sporen baksteen/ aardewerk aangetroffen. Plaatselijk zijn ook sporen beton en metaal aangetroffen. Onder een dunne laag asfalt (circa 10 cm) is een 0,3 m dikke laag freesasfalt aanwezig. Hieronder is een laag met grind en baksteen aanwezig tot een diepte van 0,8 m-mv. In boring 1023 is de deze laag aanwezig tot 1,2 m-mv aanwezig. De boring is gestuit op een handmatig ondoordringbare laag. Onder de laag met baksteen en grind is zintuigelijk schoon ongeroerd veen aangetroffen. De aangetroffen sporen aardewerk in het veen betreft hoogstwaarschijnlijk historisch puin (< 1945). Historisch puin bevat in de regel geen asbesthoudend materiaal en geeft geen aanleiding tot een bodemonderzoek naar asbest conform NEN 5707. Er is visueel geen asbestverdacht materiaal in of op de bodem aangetroffen.

Project 28506

13

3.4.2 Grondwater In de volgende tabel zijn de gegevens vermeld die zijn verzameld tijdens de monstername van het grondwater. Tabel 3.2: Veldwerkgegevens grondwater peilbuis

filterstelling (m-mv)

grondwaterstand pH (m-mv)

EC (mS/cm)

Troebelheid (NTU)

1011

1,0-2,0

0,35

1710

8.76

6,74

3.4.3 Waterbodem Bodemopbouw De waterbodem bestaat uit bruin veenhoudend slib. De dikte van de sliblaag varieert tussen 0,8 tot1,5 meter. De vaste bodem onder de sliblaag bestaat uit klei. De profielbeschrijvingen zijn opgenomen in bijlage II. Zintuiglijke waarnemingen Tijdens de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van verontreiniging van de waterbodem. Er is tijdens de uitvoering van het veldwerk visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen in de waterbodem.

14

4

Project 28506

CHEMISCHE ANALYSES Alle analyses en bewerkingen zijn uitgevoerd door een RvA-geaccrediteerd laboratorium.

4.1

Toetsingkaders De analyseresultaten van de (water)bodemonderzoeken zijn getoetst aan de normwaarden uit de ‘Circulaire Bodemsanering per 1 juli 2013’ en Bijlage B van de ‘Regeling Bodemkwaliteit’. Hierin zijn onder andere de achtergrondwaarden (grond), streefwaarden (grondwater) en interventiewaarden (grond en grondwater) gedefinieerd die gelden voor de Wet bodembescherming (Wbb). De tussenwaarde is het rekenkundig gemiddelde van de achtergrond-/ streefwaarde en de interventiewaarde. Overschrijdingen van de (Wbb) normen kunnen worden geïnterpreteerd als een: lichte verhoging: matige verhoging: sterke verhoging:

gehalte > achtergrondwaarde (grond) of streefwaarde (grondwater) gehalte > T-waarde (tussenwaarde) gehalte > interventiewaarde

Barium Vaak is in grond het gehalte barium verhoogd. De toetsnormen voor barium zijn echter (tijdelijk) buitenwerking gesteld voor die situaties wanneer er geen sprake is van een antropogene bron. Wanneer er wel een mogelijke bron is geldt de buitenwerkingstelling niet en dient het gehalte getoetst te worden aan de voormalige normen (AW=190, T=555, I=920). De uitgebreide toetsingskaders voor de diverse (water)bodem en asbestonderzoeken zijn bijgevoegd in bijlage VII. 4.2

Resultaten Handweg 121

4.2.1 Analyses grond Mengmonsters van de boven- en ondergrond zijn geanalyseerd op het standaard NEN-pakket. Door middel van dit analysepakket wordt een breed beeld verkregen van de kwaliteit van de grond. In verband met de sterke zinkverontreiniging rondom de woning is één monster alleen geanalyseerd op zink. De analyseresultaten zijn weergegeven in tabel 4.1. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage V, de toetsing aan de normwaarden in bijlage III. Aanvullend onderzoek In verband met de gemeten matige verhogingen in twee mengmonsters en in een monster van de bovengrond ter plaatse van de vermoedelijke locatie van een gedempte sloot heeft een aanvullend onderzoek plaatsgevonden. Hierbij is een extra monster geanalyseerd van de ondergrond bij de vermoedelijke demping en zijn de deelmonsters van de mengmonsters separaat geanalyseerd (uitsplitsing) teneinde vast te stellen of er mogelijk ook sterke verhogingen voorkomen.

Project 28506

15

Tabel 4.1: Overschrijdingstabel grond Handweg 121 Ref

Boringen met diepte (m-mv)

Waarnemingen

Analyseparameters

Overschrijding >AW

>T

>I (overschrijdingsfactor)

Bovengrond Parkeerterrein (asfalt) m1

116 (0,60 - 1,00)

m2

117 (0,90 - 1,40)

m3

118 (0,50 - 0,65)

mm9

119 (0,90 - 1,40) 120 (0,90 - 1,40)

Zink NEN-g sterk menggranulaat houdend

NEN-g NEN-g

Cd, Cu, Hg, Pb, Zn, PAK, PCB Co, Cu, Hg, Pb, Min. olie Mo, Zn, Cu, Hg, Pb, min. Zn olie, PAK

Zink (1,1*I) PAK (1,1*I) -

Mogelijke slootdemping m8

113 (0,50 - 0,90)

zwak baksteenhoudend, zwak koolhoudend

NEN-g

Cd, Co, Cu, Hg

Pb, zink, min. olie

NEN-g

Cd, Hg, Pb, min. olie#, PAK

Cu, Zn

-

-

-

-

-

-

-

Achterterrein mm5

106 (0,18 - 0,68) 107 (0,25 - 0,75)

Kas M22

101 (0,25 - 0,40)

sporen aardewerk, sporen afval

NEN-g

mm4

101 (0,40 - 0,65) 103 (0,25 - 0,55) 104 (0,25 - 0,55) 108 (0,03 - 0,50) 109 (0,03 - 0,50) 110 (0,03 - 0,50) 111 (0,03 - 0,30) 112 (0,03 - 0,30)

sporen aardewerk, sporen afval

NEN-g OCB’s

mm6

Min. olie PAK + Hg

NEN-g

-

NEN-g

Co, Hg, Pb, Zn, Min. olie, PAK

NEN-g

Co, Hg, Pb, Zn, min. olie, PAK

Koper, zink Koper, zink

-

Cu -

-

zink

-

-

Zn (1,1 *I)

Ondergrond kas mm7

108 (0,50 - 1,00) 109 (0,50 - 1,00) 110 (0,50 - 1,00) 111 (0,30 - 0,80) 112 (0,50 - 1,00)

Aanvullend onderzoek Mogelijke slootdemping M14

115 (0,50 - 0,90)

zwak aardewerk

Uitsplitsing mm5 106 (0,18 - 0,68) 107 (0,25 - 0,75)

Uitsplitsing mm9 119 (0,90 - 1,40)

120 (0,90 - 1,40) zink Min. olie# : het verhoogde gehalte wordt veroorzaakt door humuszuren (natuurlijke herkomst)

parkeerterrein Ter plaatse van het parkeerterrein zijn plaatselijk matige en sterke verhogingen met zink en PAK en een matige verhoging voor minerale olie in de bodem onder de puinfundatie aangetroffen. De sterke verhoging met zink is aanwezig ter plaatse van de inrit (boring 116). In een dunne laag zand met puin onder de fundatie bij boring 118 is een sterke verhoging voor PAK aangetoond. De matige verhoging met minerale olie bij boring 18 wordt veroorzaakt door een zware oliesoort, mogelijk bitumen. In een mengmonster (mm9) van de grond van boring 119 en 120 is een matige verhoging gemeten. Uit het aanvullende onderzoek (uitsplitsing) blijkt dat de grond ter plaats van boring 120 (mogelijke demping) sterk verontreinigd is met zink. In het monster van boring 119 is de verhoging niet teruggevonden. slootdemping Ter plaatse van de vermoedelijke slootdemping langs de noordelijke grens is er maximaal een matige verhoging aangetoond in de ondergrond met bijmengingen. Langs de zuidelijke rand (mogelijke demping) is in boring 120 onder de puinlaag een sterke verhoging voor zink aangetoond.

Project 28506

16

kas en overig terrein In de kas en ten zuiden van de kas zijn maximaal lichte verhogingen gemeten. In de bovengrond bij boring 101 is een lichte verhoging voor minerale olie gemeten. Gezien het oliechromatogram betreft dit waarschijnlijk bitumen. Achter de kas, op de strook langs De Poel, is een matige verhoging met koper en zink in een mengmonster (mm5) van de zintuiglijk schone zandige ophooglaag aangetoond. Uit de aanvullende analyses (uitsplitsing monster mm5) blijkt dat de matige verhoging met zink in geen van de monsters is teruggevonden. Wel is in de bovengrond bij boring 106 een matig verhoogd kopergehalte aangetroffen. 4.2.2 Analyses grondwater De analyseresultaten van het grondwater zijn weergegeven in tabel 4.2. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage IV, de toetsing aan de normwaarden in bijlage III. Tabel 4.2: Overschrijdingstabel grondwater Handweg 121 Peilbuis

Filtertraject (m-mv)

Analyseparameters

Overschrijding >S

>T

>I

115

1,0-2,0

NEN-gw

Ba

-

-

Het grondwater is geanalyseerd op het standaard NEN-pakket. Op deze wijze wordt een breed beeld verkregen van de grondwaterkwaliteit. In het grondwater is enkel een lichte verhoging voor barium gemeten.

Project 28506

17

4.3

Resultaten Handweg 129

4.3.1 Analyses grond Mengmonsters van de boven- en ondergrond zijn geanalyseerd op het standaard NEN-pakket. Door middel van dit analysepakket wordt een breed beeld verkregen van de kwaliteit van de grond. In verband met een gemeten matige verhoging in een mengmonster van de bovengrond en een sterke verhogingen ter plaatse van de loods heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden. Hierbij is een extra monster geanalyseerd van de bovengrond ten westen van de loods en zijn de deelmonsters van het mengmonster separaat geanalyseerd (uitsplitsing) teneinde vast te stellen of er mogelijk ook sterke verhogingen voorkomen. De analyseresultaten zijn weergegeven in tabel 4.3. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage IV, de toetsing aan de normwaarden in bijlage III. Tabel 4.3: Overschrijdingstabel grond Handweg 129 Ref

Boringen met diepte (m-mv)

Waarnemingen

Analyseparameters

Overschrijding >AW

zwak betonhoudend zwak metaalhoudend, sporen aardewerk/baksteen

NEN-g

Sporen baksteen

sporen aardewerk, sporen afval

>T

>I (overschrijdingsfactor)

Cd, Hg, min. olie, PCB’s

Pb, Ba@

Cu (1,1 *I) Zn (2,2 * I), PAK (1,6 *I)

NEN-g

Cu, Hg, Pb, PAK

Zn

-

NEN-g

Cu, Hg, Pb, Zn, min. olie, PAK, PCB

-

-

NEN-g

Cu, Hg, Pb, Mo, min. olie, PAK

-

-

Bovengrond Botenloods M12

1007 (0,0 - 0,30) 1010 (0,2 - 0,60) 1011 (0,06-0,50) 1015 (0,1 - 0,40)

Achterterrein (landtong) Mm13 1012 (0,18 - 0,68) 1013 (0,25 - 0,75) 1014 (0,00 – 0,40)

Buitenterrein Mm10 1002 (0,1 - 0,60) 1016 (0,1 - 0,40) 1017 (0,1 - 0,40) 1018 (0,0 - 0,50)

Ondergrond Mm11 1001 (0,60 - 1,10) 1010 (0,60 - 1,10) 1013 (0,50 - 1,00) 1016 (0,50 -1,00) 1020 (1,00 - 1,50)

Aanvullend onderzoek Uitsplitsing mm13 /afperken sterke verontreiniging in oostelijke richting m15 1012 (0,18 - 0,68) Sporen baksteen 9 metalen Cu, Hg, Pb m16 1013 (0,25 - 0,75) Sporen baksteen Zink Zn m17 1014 (0,00 – 0,40) Sporen baksteen Zink Afperken sterke verontreiniging in loods in oostelijke richting m14 1009 (0,1 – 0,60) Sporen baksteen 9 metalen en Cd, Hg PAK

Zn Zn (1,8 * I) PAK

Cu (1,8 *I) Pb (1,5 *I) Zn (1,3 *I)

Verticale afperking sterke verontreiniging botenloods M24 1007 (70-120) 9 metalen en Hg, Pb, Zn, PAK PAK Min. olie# Ba@

: het verhoogde gehalte wordt veroorzaakt door humuszuren (natuurlijke herkomst) : de normen voor barium zijn buiten werking gesteld, toetsing vindt plaats aan de vml. normen (AW=190, T=555, I=920)

Botenloods In een mengmonster van de bovengrond ter plaatse van de botenloods zijn sterke verhogingen aangetroffen voor koper, zink en PAK. Het loodgehalte is matig verhoogd. Omdat ter plaatse van de loods diverse bijmengingen in de bovengrond aanwezig zijn die mogelijk een bron kunnen zijn voor een barium verontreiniging is tevens het bariumgehalte getoetst. Het bariumgehalte is matig verhoogd. Het mengmonster is niet uitgesplitst. De sterke verontreinigingen komen overeen met de verontreinigingen zoals in het voorgaand onderzoek was aangetoond.

Project 28506

18

In het aanvullende onderzoek is ten behoeve van een horizontale afperking de bovengrond ten westen van de loods onderzocht. In de bovengrond van boring 1009 is eveneens een sterke verhoging aangetroffen voor koper, lood en zink en een matige verhoging voor PAK. Ten behoeve van de verticale afperking is een zintuiglijk schoon monster (m24) van de ondergrond van het meest zuidwestelijke deel van de loods onderzocht (1007 (70-120)). Hier waren in de bovengrond met het voorgaande onderzoek van Milieutechniek ZVS Eemnes BV (2001) de hoogste gehaltes gemeten. In het ondergrondmonster m24 zijn nog lichte verhogingen gemeten. Landtong Ter plaatse van de landtong is in een mengmonster van de bovengrond (mm13) een matige verhoging voor zink aangetroffen. De overige stoffen zijn maximaal licht verhoogd. Met het aanvullende onderzoek is het monster uitgesplitst. Het zinkgehalte varieert van licht tot sterk. De sterke verhoging is gemeten in de bovengrond op het meest westelijke stuk (boring 1014). In verband met de sterke verontreiniging ter plaatse van de loods heeft een extra analyse plaatsgevonden op het 9-metalen pakket van de bovengrond in boring 1012. Hierbij zijn buiten de matige verhoging voor zink geen andere matige of sterke verhogingen gemeten. Overig terrein Op het overige terreindeel zijn maximaal lichte verhogingen aanwezig in de boven en ondergrond.

4.3.2 Analyses grondwater De analyseresultaten van het grondwater zijn weergegeven in tabel 4.4. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage IV, de toetsing aan de normwaarden in bijlage III. Tabel 4.4: Overschrijdingstabel grondwater Peilbuis

Filtertraject (m-mv)

Analyseparameters

Overschrijding >S

>T

>I

1101

1,0-2,0

NEN-gw

Ba

-

-

Het grondwater is geanalyseerd op het standaard NEN-pakket. Op deze wijze wordt een breed beeld verkregen van de grondwaterkwaliteit. In het grondwater is enkel een lichte verhoging voor barium gemeten. 4.3.3 Waterbodemonderzoek Handweg 129 Een mengmonster is samengesteld van de tien deelmonsters van het monstervak (haven). Het mengmonster is geanalyseerd op het ‘Standaardpakket voor regionale waterbodems’. De onderzoeksresultaten zijn samengevat in tabel 4.5. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage IV, de resultaten van de toetsing aan de normeringen zijn opgenomen in bijlage III. De volgende toepassingsmogelijkheden en kwaliteitsbeoordelingen van de waterbodem zijn nagegaan: - Toepassen op landbodem (elders dan aangrenzend perceel, toetsing T.1) - Toepassen van baggerspecie op bodem onder oppervlaktewater (toetsing T.3) - Verspreiden van baggerspecie op aangrenzend perceel (toetsing T.5)

Project 28506

19

Tabel 4.5: Toetsingsresultaten waterbodem Monstervak

Boringen

Toepassen op Landbodem (T.1)

Toepassen in oppervlaktewater (T.3)

Verspreiden op aangrenzend perceel (T.5)

vak 1

S01 t/m S10

Niet toepasbaar (> Interventiewaarde)

Nooit verspreidbaar

Nooit verspreidbaar

In het slib komen sterke verhogingen voor met lood, zink en PAK. Het slib heeft hierdoor de klasse ‘Niet Toepasbaar’. Als gevolg van de sterke verhogingen is de slib niet verspreidbaar (Nooit Verspreidbaar).

20

5

Project 28506

ONDERZOEK ASFALT Het onderzoek wordt uitgevoerd met als doel het vaststellen van de kwaliteit van het asfalt op basis waarvan het kan worden aangeboden bij een verwerker. De kwaliteit wordt bepaald op basis van het gehalte PAK (teer). Teerhoudend asfalt kan niet worden hergebruikt.

5.1

Werkzaamheden Het onderzoek volgt CROW publicatie 210 - Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt. Het minimaal aantal te boren asfaltkernen is afhankelijk van de oppervlakte. Voor de locatie Handweg 121 is uitgegaan van circa 1000 m2 asfalt. Op deze locatie zijn vier asfaltkernen geboord. Voor de locatie Handweg 129 is het oppervlak asfalt circa 850 m2. Op deze locatie zijn vijf kernen geboord.

5.2

Analyses Van elke kern is de opbouw beschreven door een geaccrediteerd laboratorium. Met behulp van een PAK-marker en UV-licht is beoordeeld of er PAK-houdende lagen aanwezig zijn. Hierbij zijn in geen van de asfaltkernen (boring 116 t/m 119 en 1019 t/m 1023) teerhoudende lagen aangetroffen. Omdat de detectiegrens van de PAK-marker test op 250 mg/kg ligt, en de grens voor warm hergebruik op 75 mg/kg ligt zijn er aanvullende GCMS-analyses uitgevoerd. Hiermee kan beoordeeld worden of het gehalte PAK kleiner is dan 75 mg/kg. Het benodigde aantal analyses is afhankelijk van het tonnage, laagdikte en laagopbouw. Per locatie is minimaal één GCMS analyse uitgevoerd. De resultaten zijn bijgevoegd in bijlage IV. Handweg 121 Met de GCMS-analyse is aangetoond dat het PAK gehalte kleiner is dan 75 mg/kg d.s. Geconcludeerd kan worden dat de totale asfaltconstructie geschikt is voor warm hergebruik. Dit onderzoek is voldoende voor het aanbieden aan een verwerker van schoon asfalt tot een hoeveelheid van 1250 ton. Handweg 129 Met de GCMS-analyse is aangetoond dat het PAK gehalte kleiner is dan 75 mg/kg d.s. Geconcludeerd kan worden dat de totale asfaltconstructie geschikt is voor warm hergebruik. Dit onderzoek is voldoende voor het aanbieden aan een verwerker van schoon asfalt tot een hoeveelheid van 1000 ton.

Opmerking Bij elk transport van (verontreinigd) asfalt moet een zogenaamde begeleidingsbrief aanwezig zijn. Een afvalstroomnummer is alleen benodigd als het wordt afgevoerd naar een vergunde inrichting, bijvoorbeeld een reiniger of andere verwerker.

21

6

Project 28506

ASBESTANALYSES De analyses zijn uitgevoerd door een daartoe gecertificeerd laboratorium. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage IV.

6.1

Resultaten Handweg 121

6.1.1 Analyses asbestverdacht materiaal Grove fractie (>2 cm) Op het onbedekte maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Tijdens de visuele inspectie van het opgegraven puin van boorgat 116 zijn stukjes asbestverdacht materiaal > 2 cm aangetroffen. De puinlaag is hier aanwezig van 0,2 tot 0,6 m-mv. Het asbestverdachte materiaal is aangetroffen op een diepte van circa 0,35 m-mv. In de overige boringen en in de asbestinspectiegaten is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het verzamelmonster uit boring 116 is geanalyseerd op asbest. Gebleken is het materiaal inderdaad asbest bevat. Het betreft hechtgebonden chrysotiel (5-10%). De resultaten zijn weergegeven in tabel 6.1. De rekentabel is bijgevoegd in bijlage III. Rekening is gehouden met de omvang van een klein boorgat. Het onderzoek ter plaatse van de asfalt parkeerplaats is uitgevoerd doormiddel van brede boringen in plaats van gaten. Het betreft hiermee een indicatief onderzoek. 6.1.2 Analyses asbest fijne fractie Fijne fractie (<2 cm) Voor het onderzoek van de fijne fractie zijn de hieronder genoemde mengmonsters samengesteld van de puinlaag onder het asfalt. De mengmonsters zijn geanalyseerd op asbest. Het analysecertificaat is opgenomen in bijlage IV. De resultaten zijn weergegeven in tabel 6.1. De monsters hebben een te laag gewicht en voldoen daarmee niet aan de norm van de NEN 5897.

De resultaten dienen daarom gezien te worden als indicatieve gehaltes. De volgende monsters zijn geanalyseerd: ASBff ASBff 2 ASBff 4

0,20 - 0,60 0,00 - 0,70 0,00 - 0,70

116 (0,2-0,6) 119 (0,2-0,7) + 120 (0,0-0,5) 118 (0,2-0,7)

In verband met het feit dat in boring 116 asbestverdacht materiaal is aangetroffen is een monster van de fijne fractie van 116 apart onderzocht (worst case monster), daarnaast is een mengmonster van boring 119 en 120 geanalyseerd. In het monster (ASBff) van de fijne fractie van boring 116 is asbest aangetroffen. In monster ASBff 2 is geen asbest aangetroffen. Naar aanleiding van het resultaat van het monster van boring 116 (asbesthoudend) is aanvullend een monster van de fijne fractie van boring 118 geanalyseerd. In het monster is geen asbest aangetroffen. Onderzoek van de fijne fractie ter plaatse van de kas is achterwege gebleven. In de huidige situatie is de gehele kas afgedekt met zand en tegels waardoor er geen verontreiniging kan ontstaan als gevolg van eventueel asbesthoudende kit. De vroegere bovengrond was niet als zodanig meer te herkennen.

Project 28506

22

Totaalresultaat Voor het totaalresultaat dienen de resultaten van de grove fractie en de fijne fractie te worden opgeteld. De rekentabel voor de bepaling van het asbestgehalte is opgenomen in bijlage III. In tabel 6.1 zijn de voor de toetsing relevante analyseresultaten weergegeven, alsmede het totaalgehalte. Tabel 6.1: resultaten verkennend asbestonderzoek – bepaling indicatief gehalte in mg/kg ds Ref

Inspectiegat/ boring (monster m-mv)

Verzamelmonster (> 2 cm), gemeten waarde

(meng)monster (< 2 cm), gemeten waarde

Totaalgehalte, gewogen#

serpentijn

amfibool

serpentijn

amfibool

(afgerond)

243 (h)

0

190

0

430** (h)

119 (0,1-0,5)

-

0

0

0

120 (0,1-0,5)

-

-

118 (0,2-0,7)

-

-

0

0

0

Inrit ASB ff

116 (0,20-0,60)

Parkeerplaats ASBff 2 ASBff 4 Ref blanco (h) / (nh) # **

referentie op analysecertificaat niet aangetroffen niet geanalyseerd hechtgebonden asbest / niet-hechtgebonden asbest gewogen toetswaarde = serpentijn + 10 x amfibool het gehalte overschrijdt de interventiewaarde (100 mg/kg ds)

Ter plaatse van de inrit bij boring 116 is asbesthoudend materiaal in de grove fractie aangetoond. Ook in de fijne fractie van het puin van 116 is asbest aangetoond. Het totale gehalte (indicatief) overschrijdt de toetswaarde voor nader onderzoek. Het gehalte betreft een schatting. Ter plaatse van het overige deel van het asfaltterrein (parkeerplaats) is geen asbest aangetroffen. 6.2

Resultaten Handweg 129

6.2.1 Analyses asbestverdacht materiaal Grove fractie (>2 cm) Op het onbedekte maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Tijdens de visuele inspectie van de puinhoudende grond is in geen van de gaten asbest aangetroffen. Ook in het uitgegraven puin uit de boorgaten ter plaatse van het asfalt is geen asbest aangetroffen. 6.2.2 Analyses asbest fijne fractie Fijne fractie (<2 cm) Voor het onderzoek van de fijne fractie zijn de hieronder genoemde mengmonsters samengesteld van de puinlaag onder het asfalt en de puinhoudende grond ter plaatse van de loods. De mengmonsters zijn geanalyseerd op asbest. Het analysecertificaat is opgenomen in bijlage IV. De resultaten zijn weergegeven in tabel 6.2. De volgende monsters zijn geanalyseerd: ASBff4 Asb ff pu Asbff 3

0,00-0,10 0,40 - 1,20 0,00 - 0,80

1003, 1004, 1005, 1006 1019 t/m 1023 1007 t/m 1010

(toplaag onder asbestdak) (parkeerplaats) (loods)

Project 28506

23

Het puinmonster ASB ff pu heeft een te laag drooggewicht (16,5 kg nat gewicht) en voldoet daarmee niet aan de norm van de NEN 5897. Het gehalte betreft hierdoor een indicatief gehalte. Ook het monster van de toplaag ASBff4 heeft een te laag drooggewicht. Voor dit monster is bijna 14 kg natgewicht aangeleverd. Gezien de geringe afwijking in het monstergewicht kan ons inziens het resultaat gezien worden als geldig gehalte. Noch in het puinmonster, noch in het grondmonster met puin bijmenging van de loods is asbest aangetroffen. In het monster van de toplaag onder de asbestdaken is een minimale hoeveelheid asbest aangetroffen. Totaalresultaat Voor het totaalresultaat dienen de resultaten van de grove fractie en de fijne fractie te worden opgeteld. In tabel 6.2 zijn de voor de toetsing relevante analyseresultaten weergegeven, alsmede het totaalgehalte. Tabel 6.2: resultaten verkennend asbestonderzoek – bepaling indicatief gehalte in mg/kg ds Ref

Inspectiegat/ boring (monster m-mv)

Verzamelmonster (> 2 cm), gemeten waarde serpentijn

amfibool

1003 (0,00-0,10)

-

-

1004 (0,00-0,10)

-

-

1005 (0,00-0,10)

-

-

1006 (0,00-0,10)

-

-

1019 (0,00-0,10)

-

-

1020 (0,00-0,10)

-

-

1021 (0,00-0,10)

-

-

1022 (0,00-0,10)

-

-

1023 (0,00-0,10)

-

-

1007 (0,00-0,30)

-

-

1008 (0,12-0,60)

-

-

1009 (0,10-0,80)

-

-

(meng)monster (< 2 cm), gemeten waarde

Totaalgehalte, gewogen#

serpentijn

amfibool

(afgerond)

0,7 (h)

0

1

0

0

0 (h)

0

0

0,0

Toplaag onder asbestdak

ASBff4

Parkeerplaats

ASBff 2

Loods

ASBff 4

Ref blanco (h) / (nh) # **

10010 (0,20-0,60) referentie op analysecertificaat niet aangetroffen niet geanalyseerd hechtgebonden asbest / niet-hechtgebonden asbest gewogen toetswaarde = serpentijn + 10 x amfibool het gehalte overschrijdt de interventiewaarde (100 mg/kg ds)

24

7

Project 28506

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN De milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie Handweg 121 en 129 te Amstelveen is vastgelegd. Behalve de chemische kwaliteit is tevens de aanwezigheid van asbest in de bodem en asbest in puin onderzocht. Om een uitspraak te kunnen doen of het asfalt teerhoudend is is daarnaast het asfalt onderzocht. De resultaten zijn per locatie in de volgende twee paragraven samengevat.

7.1

Handweg 121 Chemische kwaliteit In voorgaande onderzoeken waren op de diverse woonpercelen aan de Handweg inclusief het terrein rondom het woonhuis op Handweg 121 sterke verontreinigingen vastgesteld met zware metalen en PAK. Plaatselijk is ook asbest aangetroffen. Het is niet bekend of de verontreinigingen perceelsoverschrijdend zijn. In voorgaand onderzoek ter plaatse van de kassen zijn in de bovengrond maximaal lichte verhogingen vastgesteld en in de ondergrond plaatselijk een matige verhoging aan zink en lood. De gestelde hypothese dat verontreiniging wordt verwacht is bevestigd. Ter plaatse van de kassen zijn in boven- en ondergrond maximaal lichte verhogingen aangetroffen. Ter plaatse van het achterterrein is een matige verhoging in de bovengrond aanwezig. Langs de noordelijke grens van het perceel (vermoedelijke slootdemping) zijn boringen gestuit op een handmatig ondoordringbare laag. Hierboven is de puinhoudende grond licht en matig verontreinigd met lood, zink en minerale olie. Bij de inrit is ter hoogte van het woonhuis (buiten de onderzoekslocatie) een sterke verontreiniging met zink aanwezig in de laag direct onder de puinfundatie (0,6-1,0m-mv). Op de parkeerplaats is onder de puinfundatie langs de oostelijke grens (boring 118) een sterke verhoging voor PAK aangetroffen.

Op het overige deel van de parkeerplaats is in de laag onder de puinfundatie maximaal een lichte verhoging gemeten in de bodem. Bij de zuidelijke grens waar mogelijk de sloot voor een deel is gedempt (smaller gemaakt) is een sterke verhoging met zink in de puinhoudende bovengrond aangetroffen (boring 120). In grondwater is enkel een lichte verhoging voor barium aangetoond. Deze verhoging kan gezien worden als een verhoogde achtergrondwaarde. De sterke verhogingen ter plaatse van de zuidelijke grens (boring 120) en de parkeerplaats (118) en de inrit (116) vormen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Middels dit nader onderzoek dienen de omvang, ernst en spoedeisendheid van eventuele sanering van de verontreiniging in kaart te worden gebracht. Op basis van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er op het perceel een vermoedelijk geval van ernstige bodemverontreiniging voorkomt (meer dan 25 m3 sterk verontreinigde grond). De matige verhogingen vormen strikt genomen ook een aanleiding voor aanvullend of nader onderzoek. De matige verhoging ter plaatse van het achterterrein is aangetroffen in een zintuiglijk schone zandlaag op veen. In de naast gelegen boringen zijn maximaal lichte verhogingen gemeten. Het zand hier betreft een (historische) ophooglaag. Er is naar onze mening geen noodzaak voor een nader onderzoek op het achterterrein.

Ter plaatse van de matige verhoging (113) langs de noordgrens (noordelijke slootdemping) dient een aanvullend of nader bodemonderzoek uitgevoerd te worden Rekening dient

25

Project 28506

gehouden te worden met een handmatig ondoordringbare laag. Het kan niet geheel uitgesloten worden dat er nog sterke verhogingen aanwezig zijn. Aanbevelingen ten aanzien van de bodemkwaliteit Afhankelijk van de saneringswijze (verwijderen of afdekken) kan het nader bodemonderzoek ter plaatse van de parkeerplaats en zuidelijke grens mogelijk achterwege gelaten worden. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning dient rekening gehouden te worden met de noodzaak van een sanering. Asbest In de puinfundatie onder het asfalt bij de inrit is asbest aangetroffen in een gehalte boven de hergebruikswaarde. Ter plaatse van de parkeerplaats is geen asbest aangetroffen. Het onderzoek betreft een indicatief onderzoek, echter op basis van het onderzoek is het aannemelijk dat de kans klein is dat er asbest aanwezig is boven de hergebruiksnorm in het puin van de parkeerplaats. Aanbevolen wordt na verwijdering van het asfalt een nader onderzoek asbest uit te voeren nabij de grens van de inrit en de parkeerplaats om de resultaten van het indicatieve onderzoek te bevestigen. 7.2

Handweg 129 Chemische kwaliteit In voorgaand onderzoek (Milieutechniek ZVS Eemnes BV, 2001) was ter plaatse van de loods en de werkplaats een sterke verontreinigingen vastgesteld met zware metalen en PAK. Op het overige deel van het terrein waren matige en lichte verhogingen vastgesteld. De gestelde hypothese dat verontreiniging wordt verwacht is bevestigd. Ter plaatse van de loods en werkplaats zijn in de bovengrond sterke verhogingen met koper, lood, zink en PAK aangetroffen. Ter plaatse van de landtong is een sterke verhoging met zink aangetroffen op het meest westelijke stuk. Op het overige deel van het buitenterrein is de bovengrond licht en matig verontreinigd. Op het voorterrein onder het asfalt zijn maximaal lichte verhogingen aanwezig. De ondergrond van de onderzoekslocatie is licht verontreinigd. In grondwater is enkel een lichte verhoging voor barium aangetoond. Deze verhoging kan gezien worden als een verhoogde achtergrondwaarde. De sterke verhogingen zijn reeds globaal afgeperkt. De sterke verontreiniging komt voor binnen een oppervlak van circa 900 m2. In de zintuiglijke schone veenlaag in de ondergrond zijn nog lichte verhogingen gemeten. De dikte van de sterke verontreinigde laag is circa 0,7 m. Geconcludeerd kan worden dat er op het perceel een vermoedelijk geval van ernstige bodemverontreiniging voorkomt (meer dan 25 m3 sterk verontreinigde grond).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=168a96ef-8594-4743-af1f-c55e47cd3d6d