CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Schematisch overzicht aanpassingen GR OGZ Amstelland

Raadsvergadering 29 november 2023, gemeente amstelveenBij agendapunt: Aanpassing Gemeenschappelijke regeling Openbare Gezondheidszorg (GR OGZ) Amstelland2.417 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BIJLAGE 2 - Schematisch ovezicht aanpassingen GR OGZ Amstellan

Onderwerp

Nieuwe tekst

Oude tekst

Korte toelichting

Zienswijze raden (art. 8 lid 7 GR)

Tenzij het bestuur anders besluit worden door het bestuur geen andere besluiten ter zienswijze aan de raden voorgelegd dan de wettelijk verplichte besluiten en de besluiten die in deze regeling worden genoemd.

Niet opgenomen in vorige versie GR

Om te voldoen aan de gewijzigde Wgr een bepaling ingevoegd over zienswijze op besluiten van het bestuur.

Participatie (art. 13 GR)

Inwoners van de gemeenten waarvan het college deelneemt aan deze regeling en overige belanghebbenden worden op de in de betreffende gemeente gebruikelijke wijze betrokken bij die besluiten van het bestuur die aan de raden van de gemeenten waarvan de colleges deelnemen worden voorgelegd, uitgezonderd het besluit tot vaststelling van de begroting zoals bedoeld in artikel 16.

Oude tekst kent geen artikel over participatie.

Ingevoegd zodat voldaan wordt aan de wettelijke eis een bepaling over participatie van inwoners en belanghebbenden in te voegen. Gekozen is voor een minimale variant van participatie.

Begrotingsprocedure (art. 16 en 17 GR)

Artikel 16 Het bestuur zendt voor 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden.

Artikel 16 Het bestuur zendt voor 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden.

Artikel 17 Zienswijzeprocedure en vaststelling begroting 1. Het bestuur zendt de ontwerpbegroting ten minste twaalf weken voordat deze wordt vastgesteld toe aan de raden.

Artikel 17 Zienswijzeprocedure en vaststelling begroting 1. Het bestuur zendt de ontwerpbegroting ten minste acht weken voordat deze wordt vastgesteld toe aan de raden.

Termijnen aangepast aan gewijzigde wettelijke bepalingen. Daarnaast toegevoegd artikel 17 lid 4, vanwege de wettelijke plicht daartoe. Dientengevolge nummering van de leden aangepast.

2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

3. De raden kunnen bij het bestuur binnen twaalf weken nadat deze aan hen is aangeboden hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen.

3. De raden kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen.

4. Het bestuur stelt de raden voorafgaande aan de vaststelling van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, en van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 5. Het bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient.

4. Het bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient. Daarnaast stelt het bestuur een ontwerpmeerjarenbegroting op voor de aansluitende periode van drie jaar. 5. Na vaststelling van de begroting zendt het bestuur de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten hun

Daarnaast stelt het bestuur een ontwerpmeerjarenbegroting op voor de aansluitende periode van drie jaar. 6. Na vaststelling van de begroting zendt het bestuur de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 7. Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten, vergezeld van de zienswijzen bedoeld in het derde lid. 8. Het eerste, derde, vierde en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op alleen die besluiten tot wijziging van de begroting, waarbij wijziging wordt gebracht in de hoogte van de bijdragen van de deelnemende colleges. Het vijfde en zevende lid zijn ook van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt, en dat in dit geval inzending aan gedeputeerde staten binnen twee weken na vaststelling plaatsvindt.

Jaarrekening (art. 18 GR)

Toetreding (art. 24 GR)

Uittreding (art. 25, 25a, 25b, 25c GR)

zienswijze naar voren kunnen brengen. 6. Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten, vergezeld van de zienswijzen bedoeld in het derde lid. 7. Het eerste, derde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op alleen die besluiten tot wijziging van de begroting, waarbij wijziging wordt gebracht in de hoogte van de bijdragen van de deelnemende colleges. Het vierde en zesde lid zijn ook van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt, en dat in dit geval inzending aan gedeputeerde staten binnen twee weken na vaststelling plaatsvindt.

Artikel 18 Jaarrekening

Artikel 18 Jaarrekening

Termijn aangepast aan de gewijzigde wettelijke bepaling.

2. Het bestuur zendt voor 30 april van het jaar volgende op het jaar, waarop de jaarrekening betrekking heeft, een voorlopige jaarrekening aan de raden.

2. Het bestuur zendt voor 15 april van het jaar volgende op het jaar, waarop de jaarrekening betrekking heeft, een voorlopige jaarrekening aan de raden.

3. Toetreding tot de regeling is slechts mogelijk indien de colleges, die op dat moment deelnemen, en het college dat wenst toe te treden daartoe unaniem besluiten met toestemming van hun raden en daaraan voorafgaand de raden in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze te geven bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, van de wet. Artikel 25 Uittreding 1. Een college van burgemeester en wethouders van een van de gemeenten kan besluiten tot uittreding, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet.

3. Toetreding tot de regeling is slechts mogelijk indien de colleges, die op dat moment deelnemen, en het college dat wenst toe te treden daartoe unaniem besluiten met toestemming van hun raden bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, van de wet.

Toegevoegd dat de raden, voorafgaand aan het geven van toestemming, ook in staat moeten worden gesteld hun zienswijze te geven conform de nieuwe wettelijke plicht.

Artikel 24 Uittreding 1. Te allen tijde kan een college besluiten uit deze regeling te treden. Uittreding dient te geschieden bij besluit van het betreffende college nadat zijn raad

Nieuwe tekst aangepast aan de wettelijke plicht ten aanzien van de uittredingsbepalingen.

2. Een college zendt, na zienswijze en toestemming van de raad, het besluit tot uittreding aan het bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het bestuur het besluit heeft ontvangen. 3. Het bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het conceptuittredingsplan. 4. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 5. De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van drie jaren na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij de colleges unaniem een andere op- zegtermijn overeen komen. Artikel 25a Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 2. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. 3. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt.

De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 4. Het bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de secretaris. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het bestuur de

daartoe toestemming, bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid van de wet, heeft verleend. Dit besluit wordt ter kennis gebracht van het bestuur. Een opzegtermijn van drie jaar wordt aangehouden. 2 Het bestuur stelt regels vast met betrekking tot de berekeningswijze van de aan het uittredende college toe te rekenen kosten bij uittreding en de wijze waarop deze door het uittredende college worden betaald. 3. Het bestuur stelt in overleg met het uittredende college en in overeenstemming met de regels genoemd in het tweede lid van dit artikel, ten minste zes maanden voor het tijdstip van uittreding een regeling op met betrekking tot de gevolgen van de uittreding. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt, wordt een geschil als bedoeld in artikel 28 van deze regeling geacht te bestaan.

onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het bestuur van de uittredende deelnemer. 5. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het eerste lid en op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 6. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 25b en op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. 7. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico- opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 8.

Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen. Artikel 25b Te vergoeden kosten 1. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en

desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. 2. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door de bedrijfsvoeringsorganisatie die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 3. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door de bedrijfsvoeringsorganisatie die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 4. De bedrijfsvoeringsorganisatie brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 25a, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 25a, achtste lid, anders is vastgelegd. 5. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 6.

De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 25, vijfde lid. 7. De bedrijfsvoeringsorganisatie is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het

besluit tot uittreding van de deelnemer. Artikel 25c Verplichtingen uittreder 1. De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van de bedrijfsvoeringsorganisatie die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van de bedrijfsvoeringsorganisatie wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom.

Wijziging (art. 26 lid 2 GR)

Evaluatie (art. 28 GR)

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van de bedrijfsvoeringsorganisatie die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden. 2. De colleges dienen, nadat hun raden in de gelegenheid zijn gesteld zienswijze te geven op de voorgenomen wijziging en verkregen toestemming van hun raden in de zin van artikel 1, tweede en derde lid van de wet, unaniem te besluiten tot wijziging van deze regeling. Artikel 28 Evaluatie 1. Deze regeling wordt tenminste eens in de zes jaar geëvalueerd.

2. De colleges dienen, na verkregen toestemming van hun raden in de zin van artikel 1, tweede en derde lid van de wet, unaniem te besluiten tot wijziging van deze regeling.

Aangepast aan de wettelijk plicht de raden in de gelegenheid te stellen zienswijze te geven, alvorens zij toestemming aan de colleges verlenen voor wijziging van de GR.

Oude tekst kent geen artikel over evaluatie.

Er is gekozen een evaluatiebepaling in de GR op te nemen in het kader van het nieuwe instrumentarium in de Wgr.

1. De regeling treedt in werking op 1 januari 2013.

Aangepast aan de wettelijke bepalingen.

2. Het bestuur besluit over de precieze invulling van de evaluatie, die zowel kan zien op het proces als de inhoud van de samenwerking die in deze regeling is vastgelegd. Inwerkingtreding Art. 29 GR

1. Deze regeling treedt in werking op de eerste dag nadat deze op de artikel 26 eerste lid van de wet voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 2. Het college van Amstelveen maakt de regeling in alle gemeenten waarvan de colleges deelnemen aan deze regeling bekend in het door het betreffende gemeentebestuur uitgegeven gemeenteblad. 3. De bedrijfsvoeringsorganisatie voegt in het daarvoor bestemde register de gegevens bedoeld in

2. Het college van Amstelveen draagt zorg voor de publicatie in de Staatscourant. 3. Het college van Amstelveen draagt zorg voor verzending van de regeling aan gedeputeerde staten.

artikel 26, tweede lid van de wet, toe. Algemeen

Waar nodig is de nummering van de artikelen en leden aangepast vanwege de doorgevoerde wijzigingen. Daarnaast zijn bepalingen onzijdig gemaakt, dwz dat er geen hij of zij meer in de GR voor komt. Dit betreft alleen tekstuele wijzigingen, geen inhoudelijke.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=5778f9a5-ac01-4b23-93f5-4b6fb9ff3ecd