Bijlage 18 Quick scan Wet natuurbescherming Kronenburg Uilenstede
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming
Gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede
Rapportnummer: Status rapport: Datum rapport:
20190074/rap01 versie 1 27 maart 2019
Auteur: Projectleider: Kwaliteitscontrole:
D. (David) Hess P.I. (Pim) Godschalk P.I. (Pim) Godschalk
Opdrachtgever:
Gemeente Amstelveen t.a.v. de heer J. Naftaniel Laan Nieuwer-Amstel 1 1182 JR Amstelveen
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 1 van 22
INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING ........................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding .................................................................................................................................3 1.2 Wet natuurbescherming .............................................................................................................3 1.2.1 Soortenbescherming ............................................................................................................3 1.2.2 Gebiedenbescherming .........................................................................................................4 1.2.3 Houtopstanden .....................................................................................................................4 1.3 Overige gebiedenbescherming ..................................................................................................4 1.4 Doel...........................................................................................................................................4 1.5 Kwaliteitsborging .......................................................................................................................5 1.6 Leeswijzer
.................................................................................................................................5 2 HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE ........................................................................................... 6 2.1 Beschrijving huidige situatie .......................................................................................................6 2.2 Werkzaamheden en toekomstige situatie ...................................................................................9 3 METHODE .......................................................................................................................................... 10 3.1 Opzet onderzoek .....................................................................................................................10 3.2 Literatuuronderzoek .................................................................................................................10 3.3 Veldonderzoek ........................................................................................................................10 4 RESULTATEN LITERATUUR- EN VELDONDERZOEK ..................................................................
13 4.1 Flora ........................................................................................................................................13 4.2 Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (cat.1 t/m 4) .....................................................13 4.3 Broedvogels met niet jaarrond beschermde nesten, inventarisatie gewenst (cat. 5) ..................14 4.4 Algemene broedvogels ............................................................................................................14 4.5 Vleermuizen ............................................................................................................................14 4.6 Grondgebonden zoogdieren ....................................................................................................15 4.7 Amfibieën ................................................................................................................................16 4.8 Reptielen .................................................................................................................................16 4.9 Vissen, vlinders, libellen en overige ongewervelden .................................................................16 4.10 Samenvatting resultaten ........................................................................................................17 5 EFFECTENANALYSE EN MAATREGELEN
.................................................................................... 18 5.1 Inleiding ...................................................................................................................................18 5.2 Flora ........................................................................................................................................18 5.3 Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4) .............................................................18 5.4 Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (categorie 5) ......................................................18 5.5 Algemene broedvogels ............................................................................................................18 5.6 Vleermuizen ............................................................................................................................19 5.7 Grondgebonden zoogdieren ....................................................................................................19 5.8 Amfibieën ................................................................................................................................19 5.9 Aanvullende maatregelen (t.a.v.
zorgplicht en pioniersoorten) ..................................................19 6 GEBIEDENBESCHERMING .............................................................................................................. 20 6.1 Natura 2000.............................................................................................................................20 6.2 Planologische gebiedenbescherming .......................................................................................20 7 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN.............................................................................................. 21 7.1 Soortenbescherming ................................................................................................................21 7.2 Gebiedenbescherming .............................................................................................................22
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 2 van 22
1 INLEIDING 1.1 Aanleiding De gemeente Amstelveen heeft het voornemen om kantorenlocatie Kronenburg een nieuwe impuls te geven. De gemeente wil dat doen door Kronenburg met de nabijgelegen studentencampus Uilenstede een geheel met elkaar te laten vormen. Ten gunste van dit doel dient een zone tussen Kronenburg en Uilenstede opnieuw ingericht te worden (transformatiezone). Momenteel bevinden zich binnen deze zone zeven gebouwen waarvan er vier gesloopt worden. Tevens is er braakliggend terrein en groenzones. Om te bepalen of de voorgenomen plannen (mogelijk) leiden tot een overtreding van de vigerende natuurwetgeving, is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. 1.2 Wet natuurbescherming 1.2.1 Soortenbescherming Algemeen Via de Wet natuurbescherming (Wnb) is de bescherming van diverse inheemse planten en dieren in Nederland vastgelegd. Naast de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (artikel 1.11 van de Wnb), geldt voor een aantal soorten een aanvullend beschermingsregime. Deze aanvullend beschermde soorten zijn onderverdeeld in drie groepen, namelijk: - vogels (artikel 3.1, alle soorten uit de Europese Vogelrichtlijn); - overige strikt beschermde soorten, waaronder soorten uit de Europese Habitatrichtlijn (artikel 3.5, dit betreffen o.a. vleermuizen); - nationaal beschermde soorten, waaronder soorten uit de Rode Lijst (artikel 3.10).
Het is volgens de Wnb niet toegestaan om (het leefgebied van) beschermde soorten aan te tasten. Dit is vastgelegd middels verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden1. Vrijstelling binnen provincie Noord-Holland Provincies hebben de bevoegdheid om middels een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling. In het geval van de provincie Noord-Holland worden de volgende nationaal beschermde soorten vrijgesteld: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, middelste groene kikker, aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat.(bron: Vaststellingsbesluit Wet natuurbescherming, d.d. 6 september 2016). Voorzorgsmaatregelen Een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb is soms te voorkomen door (voorafgaand aan de werkzaamheden) voorzorgsmaatregelen te treffen. Deze voorzorgsmaatregelen zijn gericht op het behoud van de functionaliteit van de groeiplaats van flora en de voortplanting- en/of vaste rust- en verblijfplaats van fauna. Daarnaast voorkomen de voorzorgsmaatregelen de negatieve gevolgen van een activiteit op individuen (o.a.
doding en verwonding). Ontheffingsplicht Een ontheffingsplicht (artikel 3.3, 3.8 en 3.10 uit de Wnb) is van toepassing als een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb niet kan worden voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen.
1
In artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming wordt meerdere malen gesproken over het verbod tot opzettelijke handelingen (o.a. opzettelijke doding, verstoring en vernieling). Binnen de Wet natuurbescherming omvat de term ‘opzettelijk’ tevens voorwaardelijk opzet, waardoor (evenals onder de voormalige Flora- en faunawet) een groot aantal handelingen onder de verbodsbepalingen vallen. In verband met de leesbaarheid wordt de term ‘opzettelijk’ in voorliggende rapportage niet meer aangehaald. Uiteraard wordt dit (in de situaties waarvoor dit van toepassing is) wel bedoeld.
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 3 van 22
Het is mogelijk om met een goed onderbouwd projectplan een ontheffing aan te vragen bij de desbetreffende provincie (in deze de provincie Noord-Holland). De provincie (het bevoegd gezag) toetst de aanvraag vervolgens aan drie criteria: • Dient het planvoornemen in één van de in de wet genoemde belangen (bijv.in het belang van de instandhouding van natuurlijke habitats)? • Is er een ‘andere bevredigende oplossing’ mogelijk? • Doet de ontheffing afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort? 1.2.2 Gebiedenbescherming Via de Wnb is tevens de bescherming van gebieden vastgelegd. De gebiedenbescherming houdt samengevat in dat een ingreep geen significant negatieve effecten op kwalificerende habitats en/of soorten van Natura 2000-gebieden mag hebben. Indien significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, is een vergunningaanvraag noodzakelijk. Naast plannen in of nabij Natura 2000-gebieden, kunnen ook plannen op grotere afstand van Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten op kwalificerende habitats en/of soorten tot gevolg hebben: •
Bij plannen op relatief grote afstand van Natura 2000-gebieden kunnen nadelige effecten optreden door toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Een toename van 0,05 mol/ha/jr is meldings- of vergunningplichtig.
•
Plannen kunnen een negatief effect hebben op (leefgebied van) kwalificerende soorten buiten een Natura 2000-gebied, waardoor nadelige effecten optreden op de doelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied. Dit kan het geval zijn wanneer het foerageergebied van een kwalificerende soort van een Natura 2000-gebied binnen het plangebied ligt. Effecten op het foerageergebied kunnen leiden tot afname van aantallen binnen het Natura 2000-gebied (bijvoorbeeld bij bruine kiekendief, kleine zwanen, ganzen).
1.2.3 Houtopstanden Volgens artikel 4.2 Wnb is het verboden een houtopstand buiten de bebouwde kom geheel of gedeeltelijk te vellen zonder melding bij het bevoegd gezag. Bovendien geldt een herplantplicht. Een houtopstand beslaat 10 are of meer of is een rijbeplanting van meer dan 20 rijen en moet aan een aantal voorwaarden voldoen. Voor een aantal gevallen geldt een uitzondering, bijvoorbeeld voor houtopstanden op erven, fruitbomen voor productie of grienden en hakhout (zie voor de volledige lijst art. 4.1 van de Wnb). Voor houtopstanden binnen de bebouwde kom is de Wnb niet van toepassing, maar geldt het beleid van de gemeente waarbinnen de projectlocatie gelegen is. Voor dit project is toetsing aan het onderdeel Houtopstanden niet van toepassing. 1.3 Overige gebiedenbescherming Binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen was dit de EHS) geldt het ‘Nee, tenzij’beschermingsregime. Significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN (per saldo) is niet toegestaan, tenzij sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven zijn. De wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN zijn onder andere bodemkenmerken, landschappelijke waarden en natuurwaarden. Eventuele schade moet worden gemitigeerd, of (indien mitigatie niet mogelijk is) worden gecompenseerd.
1.4 Doel De quickscan is een verkennende toets om na te gaan of door uitvoering van de voorgenomen plannen mogelijk overtreding van de Wnb optreedt. Het doel van de quickscan is geformuleerd in enkele onderzoeksvragen:
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 4 van 22
Onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming: S1. Welke Wnb-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? S2. Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? S3. Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk2? S4. Welke voorzorgsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen? S5. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wnb aan te vragen? Onderzoeksvragen t.a.v. gebiedenbescherming: G1. Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied of binnen het NNN? G2. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? G3. Is een toetsing aan de gebiedenbescherming (voortoets, verslechteringstoets, passende beoordeling en/of Nee, tenzij-toets) noodzakelijk? 1.5 Kwaliteitsborging De quickscan is uitgevoerd door een ervaren ecoloog van ATKB. De ecoloog voldoet aan de definitie die Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) hanteert van een ter zake kundige voor het opstellen van toetsingen aan de Wnb. Daarnaast is ATKB aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); een brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. 1.6 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is een beschrijving van het plangebied weergegeven en de uit te voeren werkzaamheden zijn hier benoemd.
In hoofdstuk 3 wordt de methode beschreven, waarop een quickscan wordt uitgevoerd. Hoofdstuk 4 gaat in op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten. In hoofdstuk 5 worden globaal de effecten bepaald van het plan op de soorten die (mogelijk) gebruik maken van het plangebied. Hier worden ook beknopt maatregelen voorgesteld om zorgvuldig te handelen ten aanzien van beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt kort beargumenteerd of een toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk is. In hoofdstuk 7 worden (middels beantwoording van de onderzoeksvragen uit paragraaf 1.3) de conclusies en aanbevelingen uit voorliggend rapport op een rij gezet.
2
In sommige gevallen kan de aanwezigheid van beschermde soorten op basis van een quickscan niet worden uitgesloten. Dit aangezien sommige beschermde soorten met een eenmalig veldbezoek lastig zijn waar te nemen of enkel in een bepaalde periode van het jaar waarneembaar zijn. Als met de quickscan de aanwezigheid van deze soorten niet valt uit te sluiten, kan een aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk zijn.
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 5 van 22
2 HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE 2.1 Beschrijving huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de noordzijde van Amstelveen nabij Amsterdam-Zuid. Het plangebied omvat kantorenpanden van kantoren terrein Kronenburg, braakliggend terrein, groenzones, parkeerplaatsen en watergangen (zie figuur 2-1). Langs de noordzijde van het plangebied is een groenzone welke gelegen is tussen Amsterdam-Zuid en Amstelveen. Deze groenzone verbindt het Amsterdamse Bos met het buitengebied aan de oostzijde en het Amstelpark. Ten oosten van het plangebied zijn sportvelden aanwezig met lijnvormige structuren zoals houtwallen en sloten. Ten zuiden en ten westen is bebouwing aanwezig. Binnen de begrenzing van het plangebied zijn zeven verschillende gebouwen aanwezig. Vijf gebouwen betreffen kantoorpanden met verdieping(en). Eén gebouw betreft een gebouw met een maatschappelijk belang en één gebouw betreft een parkeergarage.
1
2
3
5 4
6 7
Figuur 2-1. Globale ligging plangebied. De bebouwing in de tekening is genummerd van 1 t/m 7.
Bebouwing Gebouw 1 betreft een kantorenpand met meerdere verdiepingen en een plat dak. Dit gebouw bevat aaneengesloten ramen met aan de kopse kanten betonnen panelen. Naast het pand is een betonnen parkeergarage gelegen behorende bij het pand. Gebouw 2 is het gebouw met een maatschappelijk belang. Het bevat een begane grond en een verdieping en is aan de voorzijde enkelvloers. Het bevat een plat dak afgewerkt met een aluminium dakrand en houten betimmering. De muren bestaan uit metselwerk en bevatten een spouwmuur met open stootvoegen. Aan de voorzijde van het pand bevindt zich de parkeerplaats van het pand. Rondom het pand zijn groenstructuren aanwezig welke bestaan uit enkele bomen en struiken. Gebouw 3 betreft een kantorenpand met twee verdiepingen. Het gebouw heeft een plat dak. De muren bevatten ramen en betonnen (grind) panelen. Tussen de muur en de panelen bevindt zich enige ruimte. Langs het gebouw is een parkeerplaats gelegen welke volledig is verhard. De parkeerplaats is omringd door een haag.
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 6 van 22
Gebouw 4 betreft een kantorenpand met vier verdiepingen. Het gebouw bevat een plat dak en de buitenzijde bestaan rondom volledig uit ramen. Gebouw 5 is een groot kantorenpand. Het dak bevat platte delen, schuine delen en golvende delen, bevat geen dakpannen, maar bestaat uit een geheel. De muren van het gebouw bestaan uit metselwerk. Bovenaan bevinden zich ventilatiegaten. Alleen de bovenste verdieping bevat muren met houten betimmering. Gebouw 6 is een parkeergarage welke is opgebouwd uit een betonnen constructie met een parkeerdak. Tegen de muren zitten golfpanelen en de open ruimten zijn afgezet met hekwerk. Gebouw 7 betreft een kantorenpand met vijf verdiepingen en een plat dak. De muren bevatten palen, ramen en panelen. Tussen de panelen bevindt zich enige ruimte. Braakliggend terrein Het braakliggende terrein ligt langs gebouw 3 en 4 (westzijde). Dit terrein is recentelijk vrijgemaakt van begroeiing. Langs dit terrein ligt een (beschoeide) watergang welke niet verbonden lijkt met de omliggende watergangen. Ten tijde van het veldbezoek lagen op het terrein enkele plassen. Het terrein is afgezet met hekwerk. Groenzones Een van de groenzones ligt aan de westzijde van het braakliggende terrein. In deze groenzone zijn bomen en struweel aanwezig. De andere groenzone bevindt zich tussen gebouw 1 en 4. Dit laatste terrein is afgezet met hekwerk.
Langs gebouw 5 is een haag aanwezig waarmee er een verbinding is tussen de sportvelden en de groene zone tussen gebouw 1 en 4. De parkeerplaats bij gebouw 7 en de tuin rondom gebouw 7 bevat (solitaire) bomen en hagen. De watergangen in het plangebied zijn beschoeid, maar op enkele plaatsten vertoont de beschoeiing gebreken in de vorm van openingen.
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 7 van 22
Figuur 2-2. Huidige situatie plangebied. Van links naar rechts en van boven naar onder: de zeven gebouwen in het plangebied; braakliggend perceel; groenzone ten westen van braakliggend perceel; groenzone tussen gebouw 1 en 7; parkeerplaats naast gebouw 7; watergang in plangebied.
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 8 van 22
2.2 Werkzaamheden en toekomstige situatie Op de projectlocatie worden de gebouwen 2, 3, 6 en 7 geamoveerd. Het totale terrein krijgt een nieuwe inrichting. De groenzone tussen gebouw 1 en 7 is momenteel onbebouwd, maar wordt in de toekomst ook bebouwd. Verder worden de huidige watergangen gedeeltelijk aangepast. Zie figuur 2-3 voor de nieuwe inrichting van het transformatiegebied (plangebied).
1
2
3 4
5
6 7
Figuur 2-3. Inrichtingsplan voorgenomen ontwikkeling. Het plangebied is rood omlijnd. De grijze gebouwen betreffen nieuwbouw. De huidige bebouwing zijn aangegeven met nummers overeenkomend met figuur 2-1.
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 9 van 22
3 METHODE 3.1 Opzet onderzoek Een quickscan Wet natuurbescherming is een eenmalige beoordeling van het plangebied, waarin globaal wordt gekeken naar aanwezige en te verwachten (beschermde) soorten. Hiertoe worden een literatuur- en veldonderzoek uitgevoerd. Er wordt tijdens de quickscan een volledige beoordeling van het plangebied als leefgebied voor beschermde soorten uitgevoerd. Een quickscan is echter geen volledig ecologisch onderzoek naar alle mogelijk voorkomende soorten, in de daarvoor geschikte perioden van het jaar. Hierdoor is een quickscan vaak niet voldoende als onderbouwing van een eventuele aanvraag voor een ontheffing op de Wet natuurbescherming. Indien uit de quickscan echter blijkt dat geen noodzaak bestaat tot nader onderzoek of een ontheffing, is een quickscan een afdoende ecologische onderbouwing voor het bevoegd gezag. Dit geldt ook als de quickscan onderdeel vormt van de ruimtelijke onderbouwing van een bestemmingsplan. De bevindingen uit de quickscan Wet natuurbescherming zijn in de regel 5 jaar geldig, tenzij het gebied in de tussentijd dermate is gewijzigd dat er ander biotoop is ontstaan. Een (nader) onderzoek naar beschermde soorten uit de Habitatrichtlijn is 3 jaar geldig. 3.2 Literatuuronderzoek Het literatuuronderzoek heeft tot doel een beeld te krijgen van (eventueel) aanwezige Wnbbeschermde soorten in (de omgeving van) het plangebied.
Voor het literatuuronderzoek is de nabije omgeving binnen een straal van 2 km (waarbinnen het plangebied valt) als zoekgebied gebruikt. Voor het literatuuronderzoek is gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF); dit is de meest complete databank in Nederland met verspreidingsinformatie van flora en fauna. De NDFF is geraadpleegd op 27 februari 2019. Aangezien ook de NDFF niet volledig is, is tevens gebruik gemaakt van eigen soort- en gebiedskennis (expert judgement). 3.3 Veldonderzoek Het veldonderzoek heeft tot doel te bepalen of de beschermde soorten die in de omgeving van het plangebied (kunnen) voorkomen (deze volgen uit het literatuuronderzoek) tevens in het plangebied (kunnen) voorkomen. Op 28 februari 2019 is het veldbezoek uitgevoerd; hierbij was sprake van de volgende weersomstandigheden: 7 °C, 6/8 bewolkt en een windsterkte van Bft 3 vanuit het zuidwesten. Tijdens het veldbezoek is gekeken naar de geschiktheid van het plangebied als groeiplaats/verblijfplaats voor (in de omgeving aanwezige) beschermde soorten. Tevens is tijdens het veldbezoek gelet op de aanwezigheid van beschermde soorten en sporen hiervan (zoals uitwerpselen, pootafdrukken, vraatsporen en aanwezige (oude) nesten / verblijfplaatsen).
De bepaling van de geschiktheid van het plangebied voor beschermde soorten is op onderstaande manier uitgevoerd: Flora Het plangebied is beoordeeld op geschiktheid als habitat voor beschermde plantensoorten. Tevens wordt gelet op eventuele groeiplaatsen van beschermde plantensoorten (deze zijn echter niet jaarrond zichtbaar).
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 10 van 22
Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (cat.1 t/m 4) De nesten van vogelsoorten binnen categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd. Dit geldt ook voor de directe omgeving die nodig is om de jongen succesvol groot te brengen (rust- en foerageergebied). Jaarrond beschermde nesten kunnen aanwezig zijn in bomen (bijv. roofvogelhorsten) of gebouwen (bijv. gierzwaluw en huismus). Tijdens het veldbezoek is bepaald of in het plangebied vaste nesten aanwezig (kunnen) zijn. Daarnaast is gezocht naar sporen van broedvogels met jaarrond beschermde nesten, bijvoorbeeld braakballen van uilen en roofvogels, uitwerpselen op de grond/muren en territoriale aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten. Tenslotte is beoordeeld of het plangebied mogelijk essentieel rust- en foerageergebied voor vogels van categorie 1 t/m 4 vormt. Broedvogels met niet jaarrond beschermde nesten, inventarisatie gewenst (cat. 5) Vogels met niet-jaarrond beschermde nesten (categorie 5-broedvogels) betreffen broedvogels die in principe niet jaarrond beschermd zijn, maar waarvan het ministerie van EZ wel een inventarisatie verlangt. Deze soorten zijn enkel jaarrond beschermd als de ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen, oftewel als verwacht wordt dat uitvoering van de plannen grote nadelige effecten zouden kunnen hebben op de lokale populatie van een soort.
Tijdens het veldbezoek is bepaald of in het plangebied nesten van categorie 5 aanwezig (kunnen) zijn. Daarnaast is gelet op de aanwezigheid van vogelsoorten uit deze categorie. Algemene broedvogels Nesten van algemene broedvogels zijn enkel tijdens het broedseizoen beschermd. Tijdens het veldbezoek is bepaald of binnen het plangebied broedgelegenheid is voor algemene broedvogels zoals winterkoning, heggenmus en vink. Tevens is gelet op aanwijzingen voor broedgevallen, zoals territoriale en/of zingende vogels, oude nesten en uitwerpselen. Vleermuizen Van alle van nature in Nederland voorkomende vleermuizen worden zowel de verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en essentiële foerageerroutes beschermd. Voor vleermuizen is bepaald of gebouwen en/of bomen in het plangebied geschikt (kunnen) zijn als vleermuisverblijfplaats: Gebouwbewonende vleermuizen (o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis) gebruiken vaak spouwruimten als verblijfplaats, welke zij bijvoorbeeld via een open stootvoeg of via kieren in de buitenmuur kunnen bereiken. Ook gebruiken ze regelmatig ruimtes achter daklijsten of betimmeringen als verblijfplaats. De geschiktheid van gebouwen is beoordeeld op basis van de aanwezigheid van dergelijke structuren. Tijdens het veldbezoek zijn de gebouwen zelf niet betreden, maar van buiten geïnspecteerd; Boombewonende vleermuizen (o.a.
ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis) verblijven in holtes, spleten of onder loshangend schors van bomen. Bomen zijn met een verrekijker vanaf de grond beoordeeld op aanwezigheid van dergelijke kenmerken. Tevens is tijdens het veldonderzoek bepaald of sprake is van lijnvormige landschapsstructuren die van belang kunnen zijn als vliegroute. Hierbij is bepaald of sprake is van doorgaande watergangen en aaneengesloten bomenrijen. Tevens is (om de essentie van de vliegroute te bepalen) gelet op vergelijkbare structuren in de directe omgeving van het plangebied die als alternatief kunnen fungeren. Tenslotte is bepaald of sprake is van landschapsstructuren (bijvoorbeeld opgaand groen) die van belang kunnen zijn als foerageergebied. Om de essentie van het foerageergebied te bepalen, is tijdens het veldbezoek gelet op vergelijkbare structuren in de directe omgeving van het plangebied die als alternatief kunnen fungeren.
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 11 van 22
Grondgebonden zoogdieren Het gebied is beoordeeld op geschiktheid als leefgebied voor beschermde grondgebonden zoogdieren (o.a. eekhoorn, das, kleine marterachtigen), waarbij is gelet op sporen, zoals uitwerpselen, pootafdrukken, vraatsporen, wissels, looppaadjes) en aanwezige (oude) nesten / verblijfplaatsen. Tevens zijn eventuele zichtwaarnemingen genoteerd. Amfibieën Tijdens het veldbezoek is bepaald of het plangebied geschikt voortplantingshabitat, zomerhabitat en/of overwinteringsplekken voor beschermde amfibieën biedt. Bij aanwezigheid van potentieel geschikt landhabitat is direct (steekproefsgewijs) gecontroleerd op de mogelijke aanwezigheid van beschermde amfibieën tussen de vegetatie en op donkere, vochtige plekken (onder stukken hout e.d.). Reptielen Tijdens het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van geschikt habitat voor reptielen, zoals zanderige, structuurrijke plekken en schuilmogelijkheden. Indien sprake is van geschikt habitat is (bij uitvoering van het veldbezoek in de geschikte periode) direct (steekproefsgewijs) gecontroleerd op eventueel aanwezige individuen (onder takkenhopen e.d.). Vissen Tijdens het veldbezoek is bepaald of oppervlaktewater geschikt is voor beschermde vissoorten. Hierbij is gelet op o.a. bodemsubstraat, helderheid, voedselrijkdom en de aanwezigheid van onderwater- en oevervegetatie.
Vlinders, libellen en overige ongewervelden Tijdens het veldbezoek is bepaald of het plangebied geschikt is als habitat voor beschermde soorten vlinders, libellen en overige ongewervelden (o.a. kevers en tweekleppigen). Hierbij is o.a. gelet op de aanwezigheid van waardplanten (voor vlinders), water met geschikte ei-afzetplaatsen (voor libellen) en helder water met een rijke waterbeplanting (voor platte schijfhoren). Tijdens het veldbezoek is direct gelet op aanwijzingen van gebruik van het plangebied door beschermde ongewervelden (o.a. poppen, vervellingshuidjes, larven, nimfen).
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 12 van 22
4 RESULTATEN LITERATUUR- EN VELDONDERZOEK 4.1 Flora Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde soorten voor (kunnen) komen: grote bosaardbei, kartuizer anjer, knolspirea, naaldenkervel, wilde ridderspoor, blaasvaren, groot spiegelklokje en kluwenklokje. Uit het veldonderzoek blijkt dat binnen het plangebied geschikte groeilocaties aanwezig zijn voor de kartuizer anjer. Deze locaties bevinden zich in de groenzone tussen gebouw 1 en 7 (zie figuur 2-1). De kartuizer anjer is verspreid aanwezig door heel Amstelveen en kan daarom niet geheel worden uitgesloten. De andere soorten worden niet verwacht aangezien het plangebied buiten de natuurlijke verspreiding van deze soorten valt. De in de omgeving aanwezige waarnemingen betreffen aanplant of verwilderde exemplaren. Overige beschermde soorten planten worden niet verwacht aangezien het plangebied buiten de landelijke verspreiding ligt van deze soorten. 4.2 Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (cat.1 t/m 4) Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende broedvogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4 broedvogels) voorkomen: buizerd, gierzwaluw, huismus, ransuil, sperwer, havik, bosuil, ooievaar.
Niet alleen de nesten van deze vogels zijn jaarrond beschermd, maar ook de directe omgeving die nodig is om de jongen succesvol groot te brengen (rust- en foerageergebied). Derhalve is bij het veldbezoek zowel op de geschiktheid als broedlocatie als de geschiktheid als rust- en foerageergebied gelet. Tijdens het veldbezoek is een paartje buizerd aangetroffen in en bij het nest. Dit nest bevindt zich in de groenzone ten westen van het braakliggende perceel (zie figuur 4-1). Verder zijn ekster en kraaiennesten aangetroffen die ook in gebruik waren. De bebouwing binnen het plangebied bevat geen openingen of dakpannen en is ongeschikt voor gebouw bewonende soorten. Verder zijn er geen braakballen gevonden waarmee rustlocaties voor bijvoorbeeld ransuil zijn uitgesloten. Sperwers kunnen worden uitgesloten omdat mogelijk geschikte nesten voor deze soort bezet waren door eksters of zwarte kraai.
Figuur 4-1. Nesten in plangebied. De nesten zijn aangegeven met sterren. Blauw betreft het buizerd-nest en groen zijn nesten bezet door eksters of kraaien.
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 13 van 22
4.3 Broedvogels met niet jaarrond beschermde nesten, inventarisatie gewenst (cat. 5) Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied diverse broedvogels met nietjaarrond beschermde nesten (categorie 5-broedvogels) voor (kunnen) komen. Daarbij gaat het om soorten zoals blauwe reiger, boomkruiper en ekster. Vogels uit deze categorie betreffen broedvogels waarvan de nesten in principe niet jaarrond beschermd zijn, maar waarvan het ministerie van EZ wel een inventarisatie verlangt en waarvan de soorten jaarrond beschermd zijn als de ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen. Tijdens het veldbezoek zijn diverse categorie 5 vogels aangetroffen, zoals blauwe reiger, grote bonte specht, zwarte kraai en ekster. Uit het veldonderzoek blijkt dat de locatie geschikte broedlocaties biedt voor diverse algemene boom- en struweelbroeders. 4.4 Algemene broedvogels Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied diverse algemene broedvogels voor (kunnen) komen, waaronder: halsbandparkiet, heggenmus, houtduif, kauw, merel en roodborst. Nesten van algemene broedvogels zijn enkel tijdens het broedseizoen beschermd. Tijdens het veldbezoek zijn diverse algemene broedvogels aangetroffen waaronder fazant, heggenmus en merel.
Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied geschikte broedplaatsen biedt voor diverse algemene boom- en struweelbroeders. 4.5 Vleermuizen Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende vleermuizen voor (kunnen) komen: gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen gevonden van vleermuizen. Het plangebied bevat geschikte bebouwing en holten in bomen. De holten in bomen zijn aangegeven in figuur 4-2. In deze afbeelding zijn ook de met klimop begroeide bomen omlijnd, omdat hierbij niet controleerbaar was of de bomen holten bevatten. Gebouw 2 (zie figuur 2-1) bevat een spouwmuur met open stootvoegen. Gebouw 3 en 7 bevatten panelen waar ruimte achter zit. De bebouwing in het plangebied biedt potentiële verblijfplaatsen voor kleine gebouw bewonende vleermuizen, zoals gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis, voor de grotere laatvlieger en mogelijk voor een mannetjes verblijf van de meervleermuis. De holten in bomen zijn geschikt voor boom bewonende vleermuizen, zoals de rosse vleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen van de tweekleurige vleermuis zijn uitgesloten aangezien verblijfplaatsen van deze soort in Nederland zeer zeldzaam zijn en de soort verblijfplaatsen (openingen en zolders) in hoge gebouwen prefereert.
De te slopen bebouwing in het plangebied is niet hoger dan vier verdiepingen. De soort wordt de laatste jaren wel steeds regelmatiger aangetroffen in Nederland. De dieren die in het najaar en winter worden aangetroffen betreffen waarschijnlijk dieren op doortrek aangezien van deze soort bekend is dat zij over grote afstanden trekken. De watergangen binnen het plangebied in combinatie met alle structuren in de omgeving maken het plangebied geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van lijnvormige elementen die van wezenlijk belang kunnen zijn als vliegroute voor vleermuizen. De groenzone ten noorden van (maar buiten) het plangebied is de meest nabije geschikte vliegroute.
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 14 van 22
Figuur 4-2. Aangetroffen holten in bomen. De holten zijn aangegeven met sterren. Blauw betreft een holte bezet door halsbandparkieten en groen overige holten. De bomen begroeid met klimop zijn geel omlijnd.
4.6 Grondgebonden zoogdieren Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde grondgebonden zoogdieren voor (kunnen) komen: eekhoorn, bunzing, hermelijn en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen van) beschermde grondgebonden zoogdieren aangetroffen. Het plangebied is ongeschikt voor de eekhoorn. In het plangebied zijn geen nesten aangetroffen die in gebruik kunnen zijn door de eekhoorn. Verder is het plangebied afgezonderd van bekende populaties van de eekhoorn. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een verbinding tussen populaties van de eekhoorn. Het plangebied is wel geschikt voor bunzing, hermelijn en wezel. Het plangebied ligt langs halfopen landschap (sportvelden) en in/langs een verbinding tussen het buitengebied en het Amsterdamse bos. Binnen het plangebied is met name de groenzone tussen gebouw 1 en 7 geschikt als leefgebied voor kleine marters. Deze groenzone bevat kleinschalige structuren (struweel, stapels hout, hagen) die de soorten beschutting en foerageergebied bieden (zie figuur 4-2). Andere beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten binnen het plangebied, omdat de locatie geen onderdeel uitmaakt van het verspreidingsgebied van deze soorten.
Figuur 4-2. Groenzone geschikt voor kleine marterachtigen.
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 15 van 22
4.7 Amfibieën Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied beschermde rugstreeppad voor kan komen. Uit het veldonderzoek blijkt dat de plassen op het braakliggende terrein geschikt voortplantingsbiotoop bieden voor de rugstreeppad. De groenzone die daarnaast ligt is potentieel geschikt als landbiotoop. Vanwege de beschoeide watergangen en omliggende infrastructuur is het plangebied lastig te bereiken voor de soort, maar niet geheel onmogelijk. Overige soorten beschermde amfibieën zijn uitgesloten voor de locatie, omdat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van het verspreidingsgebied van deze soorten. 4.8 Reptielen Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de beschermde ringslang voor kan komen. Bekende waarnemingen zijn voornamelijk bekend van het Amsterdamse bos. Tussen het Amsterdamse bos en het plangebied is een barrière gelegen van infrastructuur en beschoeide watergangen. Daardoor is het plangebied vanaf de westzijde onbereikbaar voor de ringslang. Ten oosten van het plangebied ontbreekt het in de sportvelden en polder langs de Amstel aan populaties van de ringslang (dit is beperkt tot één enkele waarneming van een dood exemplaar). Deze polder bevat beperkte landschapselementen en heeft daardoor een open karakter.
Verder zijn de sportvelden en het overige landschap nabij de projectlocatie netjes onderhouden waardoor rommelhopen die potentieel geschikt zijn als broeihoop voor de ringslang zeer beperkt aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn geen (potentiële) broeihopen aangetroffen. Verder zijn de watergangen beschoeid waardoor het plangebied erg ongeschikt is als foerageergebied voor de ringslang. Het plangebied is daardoor namelijk erg ontoegankelijk voor kikkers. Daarnaast is de oeverbegroeiing zeer beperkt. Daarmee is het plangebied ongeschikt voor de ringslang. Overige beschermde soorten reptielen zijn uitgesloten voor de locatie, aangezien het plangebied geen onderdeel uitmaakt van het verspreidingsgebied van deze soorten. 4.9 Vissen, vlinders, libellen en overige ongewervelden Uit het literatuuronderzoek blijkt dat beschermde soorten van deze soortgroepen niet in de omgeving van het plangebied (kunnen) voorkomen. Binnen het plangebied ontbreekt het aan geschikt biotoop van deze soortgroepen. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend van deze soortgroepen en zijn ze tijdens het veldbezoek ook niet aangetroffen. Geschikt leefgebied ontbreekt voor soorten uit deze groepen en daarom worden deze in het vervolg van deze rapportage niet meer behandeld.
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 16 van 22
4.10 Samenvatting resultaten In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de beschermde soorten die op basis van het literatuur- en veldonderzoek (mogelijk) aanwezig zijn binnen het plangebied. Tabel 4-1. Mogelijk aanwezige beschermde soorten. (Kans op) aanwezigheid beschermde soorten? Soortgroep Ja Flora
X
Broedvogels jaarrond beschermd (cat. 1 t/m 4)
X
Broedvogels niet jaarrond, inventarisatie gewenst beschermd (cat. 5)
X
Algemene broedvogels
X
Vleermuizen
X
Zoogdieren (grondgebonden)
X
Amfibieën
X
Nee
Reptielen
x
Vissen
X
Vlinders, libellen en overige ongewervelden
X
Bij het planvoornemen dient men rekening te houden met de (potentieel) aanwezige beschermde soorten (tabel 4-1, soorten uit kolom ‘ja’). Daarnaast dient men (in het kader van de zorgplicht) tevens rekening te houden met de (binnen de provincie Noord-Holland) van bescherming vrijgestelde soorten (o.a. egel, bruine kikker, haas). Doordat reeds duidelijk is dat de beschermde soorten uit de soortgroepen vissen, vlinders, libellen en overige ongewervelden niet aanwezig zijn binnen het plangebied, worden deze in het vervolg van voorliggende rapportage verder niet behandeld.
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 17 van 22
5 EFFECTENANALYSE EN MAATREGELEN 5.1 Inleiding De onderstaande effectenanalyse en de beschrijving van de maatregelen richten zich op de verbodsbepalingen ten aanzien van de beschermde soorten (Wnb-artikelen, 3.1, 3.5 en 3.10) die mogelijk hun leefgebied hebben binnen het plangebied en de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (Wnb-artikel 1.11) die mogelijk binnen het plangebied voorkomen. In paragrafen 5.2 t/m 5.8 worden per (mogelijk) aanwezige soortgroep (zie paragraaf 4.10) de mogelijke effecten op beschermde soorten en benodigde maatregelen besproken. In paragraaf 5.9 worden enkele aanvullende maatregelen (ten aanzien van de zorgplicht én het voorkomen van tussentijdse vestiging van beschermde soorten) beschreven. 5.2 Flora De groenzone tussen gebouw 1 en 7 is geschikt voor de kartuizer anjer. De toekomstige werkzaamheden hebben mogelijke invloed op groeiplaatsen van deze soort. Wanneer groeiplaatsen van deze soort verdwijnen vanwege de geplande werkzaamheden is er sprake van een overtreding Wnb (artikel 3.10). Nader onderzoek dient uit te wijzen of de soort wel of niet voorkomt binnen het plangebied. 5.3 Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4) Binnen het plangebied is een paartje buizerd aangetroffen met nest.
De toekomstige werkzaamheden hebben hier mogelijk invloed op waardoor er sprake is van overtreding van de Wnb (artikel 3.1, tweede lid). De verstoringsafstand ten opzichte van het nest is 75 meter. Wanneer de geplande werkzaamheden binnen deze afstand van het nest gaan plaatsvinden, dan is compensatie van de nestplaats noodzakelijk en dient een ontheffingsvraag op de Wnb te worden aangevraagd. Tevens is het van belang de werkzaamheden dan ecologisch te begeleiden. Nader onderzoek is niet nodig omdat de aanwezigheid van meerdere broedparen kan worden uitgesloten (geen geschikte nesten waargenomen en de dieren zijn territoriaal). 5.4 Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (categorie 5) Het plangebied is geschikt voor diverse boom en struweel broeders van deze categorie. Het plangebied is voor de (mogelijk) aanwezige categorie 5-vogels niet van ecologisch hoog belang, omdat het hooguit om enkele broedparen gaat. Bovendien zijn in de omgeving voldoende alternatieve nestlocaties te vinden in tuinen en bos in omgeving. De te verwachten soorten zijn daarnaast algemeen in Nederland. Als gevolg hiervan zijn de nesten van categorie 5-broedvogels binnen het plangebied niet jaarrond beschermd. Wel zijn nesten van deze broedvogels (net als het geval is voor algemene broedvogels) beschermd tijdens het broedseizoen.
De mogelijke effecten en benodigde maatregelen ten aanzien van categorie 5-broedvogels worden derhalve (tezamen met de algemene broedvogels) besproken in paragraaf 5.5. 5.5 Algemene broedvogels Het plangebied is geschikt voor boom- en struweelbroeders. De kapwerkzaamheden hebben hier mogelijk invloed op. Nesten van deze soorten kunnen hierdoor worden verstoord en/of vernield. De verstoring die als gevolg van de werkzaamheden kan optreden, is niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding. Dit aangezien de te verwachten soorten algemeen in Nederland voorkomen en de verstoring slechts van tijdelijke aard is. Verstoring van nesten veroorzaakt derhalve geen overtreding van de Wnb. Door vernieling van nesten wordt de Wnb echter wel overtreden. Voor broedvogels zijn de volgende maatregelen nodig om een overtreding te voorkomen:
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 18 van 22
-
Kapwerkzaamheden buiten het reguliere broedseizoen (15 maart t/m 15 juli) uitvoeren. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode 15 maart t/m 15 juli (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Het is mede afhankelijk van weersomstandigheden of ook buiten deze periode wordt gebroed door vogels. Derhalve dient men voorafgaande aan het werk contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of er kans is op broedgevallen.
-
Indien kap- en/of snoeiwerkzaamheden in het reguliere broedseizoen uitgevoerd dienen te worden dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden.
5.6 Vleermuizen Het plangebied is geschikt als verblijfplaats voor gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en watervleermuis. Door de voorgenomen werkzaamheden (sloop gebouwen, snoeien en/of kappen van bomen) binnen het plangebied zijn negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen niet uitgesloten. Als gevolg van de werkzaamheden treedt er mogelijk verstoring van vleermuizen en vernietiging van verblijfplaatsen op. Het gaat dan om dieren die een paar- of zomerverblijfplaats kunnen hebben en mogelijk individueel of in kleine groepen overwinteren. Ook een kraamverblijf kan op voorhand niet worden uitgesloten. Verstoring en/of vernietiging van verblijfplaatsen leidt tot overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb. Om vast te stellen of verblijfplaatsen aanwezig zijn in de bebouwing en bomen is nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk. Na afronding van het nader ecologisch onderzoek worden voorzorgsmaatregelen opgesteld en wordt aangegeven of een ontheffingsaanvraag noodzakelijk is. 5.7 Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is geschikt voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel). Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden aan de gebouwen en groenstructuren op het terrein treedt mogelijk vernietiging van verblijfplaatsen op van kleine marterachtigen. Hierdoor is sprake van overtreding van de Wnb (artikel 3.10).
Nader onderzoek dient uit te wijzen wat de functie van het plangebied is voor kleine marterachtigen. Na afronding van het ecologisch onderzoek worden voorzorgsmaatregelen opgesteld en wordt aangegeven of een ontheffingsaanvraag noodzakelijk is. 5.8 Amfibieën Het plangebied is geschikt voor de beschermde rugstreeppad. Als gevolg van de ontwikkelingswerkzaamheden wordt potentieel voortplantingsbiotoop en/of landbiotoop vernietigd waarbij mogelijk rugstreeppadden worden verstoord en/of gedood. Dit leidt tot een overtreding op de Wnb (artikel 3.5). Nader onderzoek dient uit te wijzen of de rugstreeppad aanwezig is in het plangebied. Na afronding van het nadere onderzoek worden voorzorgsmaatregelen opgesteld en wordt aangegeven of een ontheffingsaanvraag noodzakelijk is. 5.9 Aanvullende maatregelen (t.a.v. zorgplicht en pioniersoorten) Om een zorgvuldige omgang met alle in het wild levende soorten (zorgplicht) te garanderen dienen de werkzaamheden bij daglicht uitgevoerd te worden om verstoring van nacht-actieve soorten (zoals vleermuizen) te voorkomen. Wanneer tijdens de werkzaamheden onverhoopt beschermde soorten worden aangetroffen, dient contact te worden opgenomen met de ecoloog om te bespreken hoe gehandeld kan worden met de minste schade voor de aangetroffen soort(en).
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 19 van 22
6 GEBIEDENBESCHERMING 6.1 Natura 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied of binnen het NNN (bronnen: http://natura2000.eea.europa.eu/, https://maps.noordholland.nl/GeoWeb51HTML5/index.html?viewer=nbp , zie figuur 6-1), waardoor bij voorbaat kan worden uitgesloten dat sprake is van een direct negatief effect op beschermde natuurgebieden. Door de afstand tot beschermde Natura 2000 natuurgebieden (meer dan 7 kilometer) worden tevens geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht. Op basis van bovenstaande is toetsing aan de regelgeving omtrent deze beschermde gebieden vooralsnog niet van toepassing. Het voornemen hoeft alleen aan de soortenbescherming te worden getoetst. Het bevoegd gezag kan wel om een Aerius berekening vragen om effecten van stikstofuitstoot in de aanleg en gebruiksfase te kwantificeren. Gezien de omvang van de voorgenomen werkzaamheden en de verdichting van het gebied (er komen meer functies terug), is het mogelijk dat de stikstofuitstoot toeneemt. Hiertoe dient een inventarisatie te worden gemaakt van de huidige uitstoot, een analyse van de nieuwe uitstoot in gebruiksfase zodat duidelijk is of er een toename is. De sloop- en aanlegfase dient separaat berekend te worden.
6.2 Planologische gebiedenbescherming Het plangebied ligt niet in het NNN en valt ook niet onder gebieden die zijn aangewezen als belangrijk weidevogelgebied (bron: https://maps.noord-holland.nl/Groenprojecten/desk.htm). Direct negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) worden niet verwacht, omdat de werkzaamheden door tussenliggende bebouwing zijn afgeschermd en op enige afstand van beschermde natuurgebieden worden uitgevoerd.
Figuur 6-1. Ligging plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van NNN. Bron: https://maps.noordholland.nl/Groenprojecten/desk.htm.
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 20 van 22
7 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 7.1 Soortenbescherming Op basis van de uitgevoerde quickscan kunnen de onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming worden beantwoord: S1. Welke Wnb-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? Kartuizer anjer, buizerd, algemene soorten broedvogels, gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, watervleermuis, bunzing, hermelijn, wezel en rugstreeppad. S2. Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? De werkzaamheden leiden mogelijk tot verstoring en vernietiging van: 1) een jaarrond beschermd buizerd-nest; 2) niet jaarrond beschermde broedvogels (categorie 5 soorten); 3) tijdens het broedseizoen beschermde broedvogels; 4) verblijf- en rustplaatsen van gebouw en boom bewonende vleermuizen; 5) verblijf- en rustplaatsen van bunzing, hermelijn en wezel (doden van dieren, vernietiging van functioneel leefgebied); 6) verblijf en rustplaatsen van de rugstreeppad (doden van dieren, vernietiging van functioneel leefgebied). S3. Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk? Nader onderzoek is noodzakelijk naar: 1) groeiplaatsen van de kartuizer anjer; 2) mogelijke aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouw en boom bewonende vleermuizen; 3) verblijf en rustplaatsen van bunzing, hermelijn en wezel; 4) aanwezigheid van de rugstreeppad. S4.
Welke voorzorgsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen? Tabel 7-1. Overzicht benodigde voorzorgsmaatregelen. (Mogelijk) aanwezige soort(groep)en
Benodigde voorzorgsmaatregelen t.a.v. soorten met aanvullend beschermingsregime (art. 3.1, 3.5 en 3.10)
Flora Vogels (jaarrond beschermd)
- Nader onderzoek moet uitwijzen of de ingreep ontheffing plichtig is - Ingrepen binnen 75 meter van het buizerd-nest zijn ontheffing plichtig - Werken buiten het broedseizoen (half maart t/m half juli); - indien het voorgaande niet mogelijk is dient voorafgaand aan het werk een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden. - Nader onderzoek naar gebruik panden en bomen als verblijfplaats en naar foerageergebied moet uitwijzen of de ingreep ontheffing plichtig is. - Nader onderzoek naar gebruik van het plangebied door bunzing, hermelijn of wezel moet uitwijzen of de ingreep ontheffing plichtig is. - Nader onderzoek moet uitwijzen of de rugstreeppad in het plangebied aanwezig is.
Algemene broedvogels Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Amfibieën
Aanvullende voorzorgsmaatregelen (t.a.v. zorgplicht en pioniersoorten) - Nachtelijke verlichting vermijden. - Ecoloog melden wanneer onverwacht andere beschermde soorten worden aangetroffen.
S5. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wnb aan te vragen? Wanneer de werkzaamheden binnen een verstoringsafstand van 75 meter ten opzichte van het buizerd-nest gaan plaatsvinden dan is daarvoor een ontheffing noodzakelijk. Voor algemene broedvogels is geen ontheffing noodzakelijk wanneer de voorzorgsmaatregelen zoals vermeld in tabel 7-1 in acht worden genomen. Voor alle overige soortgroepen dient nader onderzoek uit te wijzen of een ontheffing noodzakelijk is.
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 21 van 22
7.2 Gebiedenbescherming Op basis van de uitgevoerde quickscan kunnen de onderzoeksvragen t.a.v. gebiedenbescherming worden beantwoord: G1. Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied, binnen het NNN of binnen een belangrijk weidevogelgebied? Nee. G2. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? Ja. G3. Is een toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk? Nee, mogelijk is wel een Aerius berekening noodzakelijk om eventuele effecten door stikstofuitstoot in kaart te brengen.
Quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Kronenburg-Uilenstede te Amstelveen Kenmerk: 20190074/rap01, versie 1, 27 maart 2019
Blz. 22 van 22
ATKB kan u tevens van dienst zijn met:
BODEM
• Verkennend en nader (asbest) bodemonderzoek • Partijkeuringen grond, bagger en niet vormgegeven bouwstof • Opstellen saneringsplannen, bestekken conventionele en in-situ landbodemsaneringen
• Begeleiding, evaluatie van conventionele en in-situ landbodemsanering • Non destructief bodemonderzoek (grondradar) • Second opinions • Monitorings- en nazorgplannen • Juridisch advies bodemzaken • Beleidsondersteuning • Civieltechnisch onderzoek naar asfalt, zand en klei • Coördinatie archeologisch onderzoek • Coördinatie asbestonderzoek gebouwen
WATER&RUIMTE • Kwalitatief en kwantitatief
ECOLOGIE
• Soortgericht onderzoek
(o.a. vleermuizen, amfibieën, vogels) • Toetsingen aan natuurwetgeving • Ecologisch werkprotocol en begeleiding • Vegetatiekarteringen • Hydrobiologisch onderzoek • Waterplantenonderzoek en ecoscans • Visstandbemonstering • V ismigratieonderzoek (vistelemetrie, pit-tag) • A ctief Biologisch Beheer • Visserijmanagement • Visbeheerplannen • B eleidsstudies, beheerplannen en adviezen • B REEAM-NL (gecertificeerd duurzaam bouwen) • BREEAM-NL PLUS (duurzaamheid en milieuvergunning)
waterbodemonderzoek • Baggerplan en werkplan baggerwerk • Directievoering, toezicht en begeleiding baggerwerken • Inrichting en beheer grondwatermeetnetten • Grondwatermonitoring (grondwaterstand en -kwaliteit) • Onderzoek en monitoring oppervlaktewaterkwaliteit • Watervraagstukken • Coördinatie/opstellen bemalingsplannen • Watertoetsen en waterparagrafen • Meldingen en vergunningen • Coördinatie/opstellen ruimtelijke onderbouwing • Saneringsplan en bestek waterbodemsanering • Begeleiding en evaluatie van waterbodemsanering • BREEAM-NL (gecertificeerd duurzaam bouwen en gebiedsontwikkeling) • BREEAM-NL PLUS (duurzaamheid en milieuvergunning)
ATKB Middelharnis Prins Bernhardlaan 147 3241 TA Middelharnis
ATKB Zoetermeer Baron de Coubertinlaan 3 2719 EN Zoetermeer
ATKB Waardenburg Koeweistraat 7 4181 CD Waardenburg
T 088 11 53 200 www.at-kb.nl info@at-kb.nl