CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 14 BP - Quickscan flora & fauna Verlengde Hammarskjöldsingel Amstelveen

Raadsvergadering 27 november 2024, gemeente amstelveenBij agendapunt: De Scheg Midden bestemmingsplan, exploitatieplan, beeldkwaliteitsplan en herziening grondexploitatie De Scheg7.977 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

QUICKSCAN VERLENGDE HAMMARSKJÖLDSINGEL AMSTELVEEN Definitief rapport

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 29-11-2023

VERANTWOORDING

Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:

Uitvoering: Adres:

Gemeente Amstelveen Mevr. E. de Rooij Laan Nieuwer-Amstel 1 1182JR Amstelveen 020 5404952 e.de.rooij@amstelveen.nl

Tel: E-mail:

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com

Projectleider:

J.I. Andringa MSc.

Auteur: Kwaliteitscontrole:

ing. J.C.H. den Hollander ing. S. van Lieshout

Projectcode: Status: Datum:

AMNA2301 Definitief 29-11-2023

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.

Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2

SAMENVATTING

De Gemeente Amstelveen is voornemens de Hammarskjöldsingel langs de spoorlijn te verlengen tot aan de J.C. van Hattumweg. In het projectgebied wordt daarnaast een rotonde gerealiseerd. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. Het projectgebied kan deel uit maken van een foerageergebied en/of vliegroute van vleermuizen. Indien in de situatie na of tijdens de geplande werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van kunstmatige verlichting die uitstraalt naar de omgeving kan dit een negatief effecten hebben op vleermuizen. Gedurende de habitatscan zijn in de oever twee holen vastgesteld. Deze holen kunnen als geschikte verblijfplaats dienen voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en de waterspitsmuis. In het noordelijke deel van het projectgebied is daarnaast dicht struweel aanwezig dat door kleine marterachtigen als verblijfplaats kan worden gebruikt. Deze potentiële verblijfplaatsen zullen verloren gaan naar aanleiding van de geplande werkzaamheden. Het dichte struweel in het noordelijk gelegen deelgebied biedt tevens geschikt habitat voor kleine marterachtigen. Door het projectgebied loopt een heg die als functioneel leefgebied is beoordeeld voor de huismus. Dit functionele leefgebied kan verloren gaan naar aanleiding van de geplande werkzaamheden.

In de omgeving van het projectgebied zijn potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig en de watergang kan mogelijk onderdeel uitmaken van leefgebied van de platte schijfhoren. De geplande werkzaamheden zullen naar verwachting geen significant negatief effect hebben op de potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels en het leefgebied van de platte schijfhoren. In het projectgebied kunnen daarnaast nestlocaties van algemene broedvogels en leefgebied van algemene amfibieën, vissen en zoogdieren voorkomen. Andere beschermde soorten worden door het ontbreken van leefgebied niet verwacht voor te komen. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd natuurgebied. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. Doordat de geplande ontwikkeling kan leiden tot een (tijdelijke) toename in stikstofemissie in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase, is er een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000-gebieden. De bomen in het projectgebied bevinden zich binnen de door de gemeenteraad van Amstelveen vastgestelde bebouwde kom. De bepalingen ten aanzien van houtopstanden in de Wet natuurbescherming zijn niet van toepassing.

Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar vaste verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn, waterspitsmuis en de wezel. Het is tevens aan te bevelen tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie (na de geplande werkzaamheden) gebruik te maken van geen of vleermuisvriendelijke verlichting. Indien er met de eventuele verlichting rekening wordt gehouden met aanwezigheid van vleermuizen en rekening houdend met de aanwezigheid van alternatieve foerageergebieden en vliegroutes in de omgeving is het niet noodzakelijk aanvullend onderzoek naar vleermuizen uit te voeren. Het wordt aanbevolen de heg die langs de spoorlijn ten oosten van het projectgebied loopt (gedeeltelijk) te behouden aangezien deze dient als functioneel leefgebied voor de huismus. Deze heg is echter niet essentieel voor het functioneren van de nestlocaties van de huismus in de omgeving en kan eventueel (buiten het broedseizoen van vogels) worden verwijderd.

3

Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Hiervoor geldt een meldplicht bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen.

4

INHOUDSOPGAVE

1 Inleiding ...................................................................................................................................... 6 1.1 Aanleiding en doel.................................................................................................................... 6 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ................................................................................................. 6 1.2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 6 1.2.2 Soortbescherming ................................................................................................................. 7 1.2.3 Houtopstanden ..................................................................................................................... 8 1.2.4 Ontheffing en gedragscode ................................................................................................... 8 1.3 Leeswijzer................................................................................................................................ 8 2 2.1 2.2

Projectgebied en ontwikkelingen ............................................................................................... 9 Projectgebied ........................................................................................................................... 9 Ontwikkelingen....................................................................................................................... 10

3 Soortbescherming .................................................................................................................... 11 3.1 Bronnenonderzoek ................................................................................................................. 11 3.2 Habitatscan............................................................................................................................ 11 3.2.1 Vleermuizen........................................................................................................................ 11 3.2.2 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................................ 12 3.2.3 Vogels ................................................................................................................................ 13 3.2.4 Amfibieën ........................................................................................................................... 14 3.2.5 Reptielen ............................................................................................................................ 15 3.2.6 Vissen ................................................................................................................................

15 3.2.7 Ongewervelden................................................................................................................... 15 3.2.8 Vaatplanten ........................................................................................................................ 15 3.2.9 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies ........................................................... 15 3.3 Effecten ................................................................................................................................. 16 3.3.1 Effecten ontwikkelingen....................................................................................................... 16 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming .................................................... 17 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied............................................................................ 17 3.4.2 Mitigerende maatregelen ..................................................................................................... 17 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming...................................................................................... 17 4 4.1

Gebiedsbescherming ............................................................................................................... 18 Effecten ................................................................................................................................. 18

5

Houtopstanden ......................................................................................................................... 20

6 6.1 6.2

Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................. 21 Conclusies ............................................................................................................................. 21 Aanbevelingen ....................................................................................................................... 21

7 Literatuur .................................................................................................................................. 23 Bijlage 1: Foto-impressie .................................................................................................................... 24 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten ....................................................................................... 25

5

1

INLEIDING

1.1

AANLEIDING EN DOEL De Gemeente Amstelveen is voornemens de Hammarskjöldsingel langs de spoorlijn te verlengen tot aan de J.C. van Hattumweg. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen. Er vinden kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden noodzakelijk.

1.2

NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Nationale Omgevingsvisie. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1

GEBIEDSBESCHERMING

Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in het NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.

6

1.2.2

SOORTBESCHERMING

Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

7

1.2.3

HOUTOPSTANDEN

Houtopstanden De bepalingen voor wat betreft houtopstanden zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Hieronder zijn de meest relevante onderdelen uit dit hoofdstuk beschreven. De bepalingen in de Wet natuurbescherming kennen een aantal uitzonderingen. De belangrijkste uitzondering betreft dat de bepalingen geen betrekking hebben op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor het kappen van bomen die wel onder houtopstanden Wnb vallen geldt een meldplicht bij Gedeputeerde Staten en een herplantplicht.

1.2.4

ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE

Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.

1.3

LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden. In hoofdstuk 5 worden de effecten op de onder de Wet natuurbescherming beschermde houtopstanden beschreven waarbij de eventueel te nemen vervolgstappen zijn weergegeven.

8

2

PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN

2.1

PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Amstelveen in kilometerhok: X: (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.

116

/

Y:

476

Afbeelding 1: Ligging projectgebied

Het projectgebied bevindt zich aan de zuidkant van de Amstelveense wijk Westwijk. Het projectgebied heeft twee delen, het noordelijke deel en het zuidelijke deel. Het noordelijke deel is na een scope wijziging later toegevoegd aan dit rapport. Zuidelijke deel Het zuidelijk deelgebied betreft een groenstrook met een sloot langs het spoor. Aan de noordzijde van dit gebied zijn twee kleine utiliteitsgebouwen gelegen. Het noordelijke utiliteitsgebouw is voornamelijk opgebouwd uit staal, golfplaten en glas en heeft een plat dak. Het noordelijke deel van dit gebouw wordt gebruikt als kantoor van de GVB en het zuidelijke deel van dit gebouw wordt gebruikt als fietsenstalling. Het zuidelijke utiliteitsgebouw is betegeld en heeft een plat dak. Tussen de twee utiliteitsgebouwen is een vaste, bovengrondse vuilnisbak gelegen. De begrenzing van het projectgebied met de tramspoorlijn aan de zuidoostzijde van het projectgebied bestaat uit hekwerk van ongeveer 1,5 meter hoog. Langs het merendeel van de lengte van het hekwerk is een dichte haag aanwezig met dezelfde hoogte als het hekwerk die doorloopt tot zo’n 60 meter van de zuidelijke grens van het projectgebied. Langs de utiliteitsgebouwen loopt een doodlopende weg, die verhard is met tegels. Deze weg loopt na het zuidelijke utiliteitsgebouw over in een voetpad met tegels. Aan de noordelijke kant van de oever is struweel aanwezig.

Dit struweel bestaat uit berk en wilg. Langs de zuidelijke kant van de oever staan enkele volwassen exemplaren van de schietwilg. De oever aan de noordwestzijde heeft een flauw talud met riet. Het grootste deel van de oever heeft een lage houten beschoeiing. De andere delen van de watergang zijn niet beschoeid. Ten westen van de watergang is een geasfalteerd wandelpad en een groenstrook aanwezig. In de groenstrook staan bomen waaronder de schietwilg en de gewone es en dichte struiken waaronder braam. Ten westen van het projectgebied staan rijtjeshuizen die zijn opgebouwd uit bakstenen en een zadeldak met dakpannen.

9

Noordelijke deelgebied Ten noorden van de overgang van de Loethoelilaan in de Hammarskjöldsingel is het noordelijk deelgebied gelegen. Het noordelijk deelgebied betreft gedeeltelijk een intensief beheerd gazon, dicht struweel en een watergang. Het struweel bestaat uit vier schietwilgen met een dichte onderlaag bestaande uit sneeuwbes. Tussen de sneeuwbes staat een eenstijlige meidoorn en rode kornoelje. De watergang in het projectgebied is beschoeid met houten planken. Langs de noordwestelijke oever is een rietkraag aanwezig. Door middel van een duiker staat deze watergang in directe verbinding met de watergang in het zuidelijke deel van het projectgebied. Aan de oostelijke grens zijn twee jonge exemplaren van de es aanwezig. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.

2.2

ONTWIKKELINGEN De gemeente Amstelveen is voornemens de groenstrook te transformeren. De groenstrook zal grotendeels verdwijnen en plaats maken voor een verbindingsweg langs de westzijde van het spoor tussen de Hammarskjöldsingel en de J.C. van Hattumweg. In afbeelding 2 is het voorlopige bestemmingsplan van de nieuwe situatie weergegeven. Hierop is te zien dat de watergang (blauw) behouden blijft, maar dat de volledige groenstrook tussen het spoor en de watergang de bestemming verkeer (grijs) krijgt. De huidige weg en het voetpad zullen worden vervangen door een nieuwe weg. De gebouwen in het projectgebied worden mogelijk verwijderd. Het is nog niet bekend welke bomen en struiken zullen moeten wijken voor de realisatie van de nieuwe weg. Het is eveneens niet bekend of er verlichting langs de nieuwe weg wordt geplaatst.

Afbeelding 2: Geplande ontwikkeling

Naar aanleiding van aanpassingen in het bestemmingsplan is het noordelijk deel toegevoegd. Oorspronkelijk zou de bocht met middenberm ter hoogte van de overgang van de Loethoelilaan naar de Hammarskjöldsingel worden omgevormd tot kruispunt. Conform het herziene bestemmingsplan zal dit nu worden omgevormd tot een rotonde. Ter realisatie van de nieuwe rotonde zal het noordelijk deel mogelijk moeten wijken. Aanwezige groenstructuren zullen mogelijk verwijderd worden.

10

3

SOORTBESCHERMING

3.1

BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.

Voor de provincie Noord-Holland zijn middels artikel 4 van de “Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland” soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten. Daarnaast geldt in de provincie Noord-Holland een meldingsplicht bij aanvang van de werkzaamheden indien gebruik wordt gemaakt van deze vrijstelling

3.2

HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 08-02-2023 en is uitgevoerd door ing. J.C.H. den Hollander. Tijdens de habitatscan was het 0 °C, onbewolkt met een windkracht van 2 Bft. De habitatscan van het noordelijk deelgebied heeft plaatsgevonden op 21 november 2023 en is uitgevoerd door ing. J.C.H. den Hollander. Tijdens de habitatscan was het 10 °C, grotendeels bewolkt met een windkracht van 3 Bft. 3.2.1

VLEERMUIZEN

In de omgeving van het projectgebied zijn de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige vleermuis en de watervleermuis bekend voor te komen. In het projectgebied zijn geen boomholtes aangetroffen die zouden kunnen dienen als potentiële verblijfplaats voor vleermuizen. De twee utiliteitsgebouwen in het noordelijk deel van het projectgebied bieden tevens geen openingen en ruimtes die kunnen dienen als potentiële invliegopening en verblijfplaats voor vleermuizen. De woningen ten westen van het projectgebied bieden daarentegen wel potentiële verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. In deze woningen zijn open stootvoegen aanwezig die toegang bieden tot de spouwmuur welke als verblijfplaats door vleermuizen kan worden gebruikt. De ruimtes onder de dakpannen bieden eveneens ruimte voor verblijfplaatsen van vleermuizen. De groenstructuren en watergangen in het projectgebied zorgen voor luwte en trekken insecten aan en kunnen hierdoor onderdeel uitmaken van foerageergebied van vleermuizen. In de directe omgeving van het projectgebied zijn meerdere gelijkwaardige alternatieven aanwezig die als foerageergebied kunnen worden gebruikt, zoals de watergangen langs de J.C. van Hattumweg en langs de Marjoleinlaan.

De watergangen in het projectgebied vormen een lijnvormig element en kan door vleermuizen als vliegroute worden gebruikt. In de omgeving zijn alternatieve lijnvormige structuren aanwezig in de vorm van watergangen en lijnvormige groenstructuren. 11

3.2.2

GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN

In de omgeving van het projectgebied zijn de boommarter, bunzing, damhert, eekhoorn, hermelijn, steenmarter, waterspitsmuis en de wezel bekend voor te komen. De boommarter is een bosbewoner en leeft voornamelijk in uitgestrekte bosgebieden, maar ook in relatief kleine bosschages. De steenmarter is bekend voor te komen in de nabijheid van dorpen en in steden, maar leeft ook in natuurlijke gebieden. Beide soorten gebruiken onder andere boomholtes, ruimtes onder takkenhopen en holen onder de grond als verblijfplaats. In de bomen in het projectgebied zijn geen geschikte holtes waargenomen die door de boommarter of steenmarter als verblijfplaats kunnen worden gebruikt. Er zijn geen grote ondergrondse holen aangetroffen in het projectgebied, waar de boommarter of steenmarter gebruik van zouden kunnen maken. In het projectgebied zijn enkele kleine holen aangetroffen. Deze holen zijn te klein om te kunnen fungeren als verblijfplaats voor de boommarter en de steenmarter. De fietsenstalling in het projectgebied is toegankelijk voor bijvoorbeeld de steenmarter (afbeelding 5). Gezien het (actieve) gebruik van het gebouw als fietsenstalling wordt er in het gebouw geen verblijfplaats van de steenmarter verwacht aanwezig te zijn. Door het ontbreken van potentiële verblijfplaatsen worden de boommarter en de steenmarter niet verwacht voor te komen in het projectgebied.

In de omgeving van het projectgebied is het damhert bekend voor te komen. Het damhert komt voornamelijk voor in loofbossen met een dichte onderbegroeiing, graslanden en in parkachtige bosgebieden. Door het ontbreken van potentieel habitat van het damhert, wordt het damhert niet in het projectgebied verwacht voor te komen. In de omgeving van het projectgebied is de eekhoorn bekend voor te komen. De eekhoorn komt voornamelijk voor in bossen en parken. In de bomen in het projectgebied zijn geen nesten van de eekhoorn waargenomen. Het projectgebied staat niet in verbinding met de dichtstbijzijnde populatie van de eekhoorn dat zich in het Amsterdamse bos bevindt. Derhalve worden beschermde functies van de eekhoorn niet verwacht voor te komen in het projectgebied. In de omgeving van het projectgebied zijn de kleine marterachtigen, de bunzing, hermelijn en de wezel bekend voor te komen. Verblijfplaatsen van kleine marterachtigen bevinden zich onder andere in takkenhopen, in oude holen van muizen of konijnen of dicht struweel. In het projectgebied zijn potentiële verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen aanwezig. Langs beide oevers is op verschillende plaatsen dicht struikgewas en braamstruweel aanwezig (afbeelding 3) en zijn tevens twee holen langs de oever aangetroffen die als verblijfplaats kunnen dienen (afbeelding 4, 7 en 8).

Er zijn tevens mogelijkheden voor kleine marterachtigen om de fietsenstalling van het noordelijke utiliteitsgebouw te betreden. De fietsenstalling in het projectgebied is toegankelijk voor bijvoorbeeld kleine marterachtigen (afbeelding 5). Gezien het (actieve) gebruik van het gebouw als fietsenstalling wordt er in het gebouw geen verblijfplaats van kleine marterachtigen verwacht. In het noordelijke deelgebied is daarnaast dicht struweel aanwezig (afbeelding 6) tussen de oever en het fietspad. Dit dichte struweel biedt eveneens potentiële verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen. Door de aanwezigheid van potentiële verblijfplaatsen kan de aanwezigheid van beschermde functies van kleine marterachtigen in het projectgebied niet worden uitgesloten.

Afbeelding 3: Braamstruweel noordwestelijke oever

Afbeelding 4: Hol langs de zuidoostelijke oever

12

Afbeelding 5: Opening tot fietsenstalling noordelijk utiliteitsgebouw

Afbeelding 6 Dicht struweel noordelijk deelgebied

In de omgeving van het projectgebied is de waterspitsmuis bekend voor te komen. Deze soort heeft een voorkeur voor relatief natte gebieden met een ontwikkelde oevervegetatie. Het projectgebied bevat flauwe oevers waar twee holen (afbeelding 4, 7 en 8) in zijn teruggevonden die mogelijk als verblijfplaats kunnen dienen voor de waterspitsmuis. Derhalve kan de aanwezigheid van beschermde functies van de waterspitsmuis niet op voorhand worden uitgesloten.

Afbeelding 7 en 8: Twee holen in de zuidoostelijke oever van de watergang in het projectgebied

3.2.3

VOGELS

De bebouwing in het projectgebied heeft een plat dak en biedt geen ruimtes voor nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus. De woningen ten westen van het projectgebied bieden potentiële nestlocaties voor de gierzwaluw en huismus. Onder de dakpannen is ruimte aanwezig dat als nestlocatie kan worden gebruikt. De tuinen van deze woningen maken onderdeel uit van het functioneel leefgebied van de huismus. Tijdens de habitatscan zijn in de heg meerdere individuen van de huismus waargenomen. Deze heg wordt gebruikt als beschuttingsmogelijkheid en als ‘vaste tussenstop’ om het spoor over te steken. Op afbeelding 9 is de heg, het spoor en de heg aan de overzijde van het spoor weergegeven. Tijdens de habitatscan zijn in de heg meerdere roepende individuen van de huismus waargenomen (afbeelding 10). Om deze reden wordt de heg gezien als onderdeel van het functioneel leefgebied van de huismus.

13

Afbeelding 9: Heg langs spoorlijn

Afbeelding 10: Huismus op heg

In het projectgebied en aan de rand van het projectgebied is een potentieel jaarrond beschermd nest van vogels waargenomen (afbeelding 11 en 12). Deze nesten zou kunnen worden gebruikt door individuen van de boomvalk, ransuil of de sperwer. Direct ten zuiden van het projectgebied zijn meerdere waarnemingen van de ransuil bekend.

Afbeelding 11: Jaarrond beschermd nest in projectgebied

Afbeelding 12: Jaarrond beschermd nest rand van projectgebied

In het noordelijk deelgebied is een eksternest vastgesteld (afbeelding 13). Het eksternest bevindt zich op een hoogte van ongeveer drie meter in een eenstijlige meidoorn. Ten tijde van de habitatscan van het noordelijke deelgebied waren er tevens twee individuen van de ekster aanwezig in de directe omgeving van het vastgestelde eksternest (afbeelding 14).

Afbeelding 13: Eksternest in noordelijk deelgebied

3.2.4

Afbeelding 14: Ekster in directe omgeving van eksternest

AMFIBIEËN

De rugstreeppad is binnen twee kilometer van het projectgebied bekend voor te komen in de polder langs de Middenweg. De rugstreeppad komt voornamelijk voor op braakliggende terreinen met ondiepe poelen. De groenstrook in het projectgebied is vrijwel volledig begroeid. In het projectgebied zijn geen ondiepe poelen

14

aanwezig. De watergang in het projectgebied is te diep en te visrijk om als voortplantingswater van de rugstreeppad te kunnen fungeren. De rugstreeppad wordt door het ontbreken van potentieel habitat niet verwacht voor te komen in het projectgebied. De omgeving, buiten het projectgebied, biedt potentieel habitat voor de rugstreeppad. In de watergang en naastgelegen groenstructuren in het projectgebied kunnen algemene amfibieën zoals de bruine kikker en de gewone pad voorkomen.

3.2.5

REPTIELEN

In de omgeving van het projectgebied is de ringslang bekend voor te komen. Dit betreft waarnemingen uit de Amstelveense Poel en het Amsterdamse Bos. Er is echter ook een waarneming gedaan in een woonwijk op circa 1,5 kilometer afstand van het projectgebied. In het projectgebied zijn geen potentiële broeihopen aanwezig die door de ringslang als voortplantingsbiotoop kan worden gebruikt. Tussen de bekende populaties van de ringslang en het projectgebied zijn meerdere barrières aanwezig, zoals grote wegen en woonwijken. Door het ontbreken van geschikte broeihopen en gezien de afstand van het projectgebied tot bekende populaties van de ringslang worden er geen beschermde functies voor de ringslang in het projectgebied verwacht voor te komen.

3.2.6

VISSEN

In de omgeving van het projectgebied zijn geen beschermde vissen bekend voor te komen. Gezien de kenmerken van de watergang worden er geen beschermde vissen in het projectgebied verwacht voor te komen. In de watergang kunnen daarentegen mogelijk wel algemene vissen voorkomen.

3.2.7

ONGEWERVELDEN

De groep ongewervelden bestaat uit onder andere uit vlinders, libellen en weekdieren. In de omgeving van het projectgebied is de platte schijfhoren bekend voor te komen. De platte schijfhoren komt voor in watergangen met helder water en een ontwikkelde watervegetatie. Ten tijde van de habitatscan is er geen tot weinig watervegetatie in de watergang aangetroffen. Het ontbreken van watervegetatie is te verklaren doordat het veldbezoek in de winterperiode is uitgevoerd. Op basis van het veldbezoek is het niet uit te beoordelen of de watergang wel of niet voldoet aan de gestelde habitateisen. Derhalve kan de platte schijfhoren niet worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied.

3.2.8

VAATPLANTEN

In de omgeving van het projectgebied zijn de dreps, kartuizer anjer, kluwenklokje, naakte lathyrus, schubvaren en de wilde ridderspoor bekend voor te komen. De waarnemingen van dreps, kartuizer anjer, kluwenklokje, naakte lathyrus en de wilde ridderspoor in de omgeving van het projectgebied betreffen naar verwachting verwilderde of aangeplante exemplaren. Deze soorten genieten derhalve geen strikte bescherming van de Wet natuurbescherming. De groenstroken en oevers in het projectgebied zijn naar verwachting stikstof- en voedselrijk en bieden geen geschikte standplaatsen voor deze beschermde soorten. De schubvaren is in de omgeving van het projectgebied bekend voor te komen op oude muren en kadewanden gevoegd met een zacht kalkspecie. Door het ontbreken van oude (kade)muren wordt de schubvaren niet verwacht voor te komen binnen het projectgebied.

3.2.9

MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES

Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep

Functies

Bescherming Wnb

Mogelijk aanwezig in:

Algemene amfibieën, vissen

Leefgebied

Artikel 3.10 (Bijlage A)

Gehele projectgebied

Bunzing, hermelijn en wezel

Verblijfplaats

Artikel 3.10 (Bijlage A)

Holtes in de oever en dicht

Broedvogels

Potentieel

en zoogdieren* struweel jaarrond

Artikel 3.1 (VR)

beschermde nesten Huismus

Functioneel leefgebied

Bomen

in

en

naast

projectgebied Artikel 3.1 (VR)

Heg langs spoorlijn

15

Platte schijfhoren Vleermuizen

Leefgebied

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)

Watergang

Foerageergebied

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)

Langs groenstructuren en

Vliegroute Waterspitsmuis

Verblijfplaats

boven de watergang Artikel 3.10 (Bijlage A)

Oevers

*= Vrijgesteld door de provincie Noord-Holland in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen

3.3

EFFECTEN

Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn.

3.3.1

EFFECTEN ONTWIKKELINGEN

De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Daarnaast zijn de beschermde soorten en functies beschreven waar geen effecten op worden verwacht bij uitvoering van de werkzaamheden. Geen effecten Er vinden geen werkzaamheden plaats aan de watergang. Derhalve wordt er geen negatief effect op het leefgebied van de platte schijfhoren verwacht. Indien tijdens de werkzaamheden de heg langs de spoorlijn verwijderd wordt, zal functioneel leefgebied van de huismus verdwijnen. Dit zal geen significant negatief effect hebben op het functioneren van nestlocaties van de huismus rond het projectgebied. De heg langs het spoor buiten het projectgebied blijft behouden en kan als tussenstop worden gebruikt om het spoor over te steken. De potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels bevinden zich buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden voor de aanleg van de nieuwe weg. De nieuwe weg zal niet leiden tot verstoring van de nestlocaties. Het projectgebied kan mogelijk onderdeel uitmaken van foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. In de omgeving van het projectgebied zijn voldoende uitwijkmogelijkheden aanwezig in de vorm van groenstroken en watergangen.

Het potentieel aanwezige foerageergebied en vliegroute in het projectgebied is door de aanwezigheid van alternatieven niet essentieel voor de gunstige staat van instandhouding van de lokale populatie. Tijdelijke effecten Indien de werkzaamheden in het donker worden uitgevoerd tijdens de actieve periode van vleermuizen (april november), kunnen foeragerende vleermuizen worden verstoord door nachtelijke verlichting. Permanente effecten Permanente effecten op beschermde natuur als gevolg van de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten. Tijdens grondverzet kunnen verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn, waterspitsmuis en wezel verloren gaan. Tevens kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Hiervoor geldt een meldplicht bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep

Effect

Verbodsbepaling

Algemene broedvogels

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Bunzing, hermelijn en wezel

Opzettelijk doden

Artikel 3.10 (bijlage A)

Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 3.10 (bijlage A)

Opzettelijk doden

Artikel 3.10 (bijlage A)

Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 3.10 (bijlage A)

Waterspitsmuis

16

3.4

AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING

3.4.1

AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED

Het projectgebied herbergt mogelijk functies voor de kleine marterachtigen de bunzing, hermelijn en wezel en de waterspitsmuis. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar verblijfplaatsen van kleine marterachtigen en de waterspitsmuis.

3.4.2

MITIGERENDE MAATREGELEN

Om overtreding op de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de volgende maatregelen te worden genomen. Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van kleine marterachtigen aanwezig binnen het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden; Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van de waterspitsmuis aanwezig binnen het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden; De heg die langs de spoorlijn ten oosten van het projectgebied loopt, dient als functioneel leefgebied voor de huismus en wordt aanbevolen (gedeeltelijk) te behouden in de nieuwe situatie. Deze heg is echter geen essentieel voor het functioneren van de nestlocaties van de huismus rond het projectgebied en kan buiten het broedseizoen van vogels worden verwijderd. Het projectgebied kan deel uit maken van foerageergebied en/of vliegroute van vleermuizen. Er wordt aanbevolen geen verlichting te gebruiken tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie alleen gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting zonder uitstraling op de groenstructuren en de watergang.

Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zullen mogelijk bomen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen.

3.4.3

ONTHEFFING WET NATUURBESCHERMING

De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming kan op voorhand niet worden uitgesloten. Uit aanvullende onderzoeken zal moeten blijken of er beschermde functies of dieren in het projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten met de werkzaamheden mogelijk gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor broedvogels, de huismus, kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel), vleermuizen en de waterspitsmuis en verstoring niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Hier kunnen voorwaarden in de vorm van mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.

17

4

GEBIEDSBESCHERMING

Het projectgebied is niet in een beschermd natuurgebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 6 kilometer van het projectgebied en betreft ‘Botshol’ (afbeelding 15). Op circa 0,5 kilometer van het projectgebied ligt een gedeelte van het NNN. Dit betreft het kerngebied ‘Bovenkerkerpolder’ (afbeelding 16).

Afbeelding 15: Projectgebied ten opzichte van Natura 2000 (Atlas Leefomgeving, Rijksoverheid)

Afbeelding 16: Projectgebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (Atlas Leefomgeving, Rijksoverheid)

4.1

EFFECTEN Het projectgebied bevindt zich niet in de nabijheid van beschermde natuur. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een toename in stikstofemissie tot gevolg hebben. Met de geplande ontwikkeling in het projectgebied is een toename in emissie van stikstof te verwachten. De emissie van stikstof is onder te verdelen in de emissie tijdens de bouwfase, en de emissie in de gebruiksfase. De werkzaamheden van de aanleg van de nieuwe weg zullen leiden tot een tijdelijke toename in het aantal verkeersbewegingen in de omgeving van het projectgebied. Daarnaast zullen er werktuigen worden gebruikt tijdens de werkzaamheden. Het 18

verkeer en de werktuigen zorgen voor een tijdelijke toename van de emissie van stikstof. Tijdens de gebruiksfase wordt tevens een toename in stikstofemissie verwacht omdat er sprake is van een toename van het aantal verkeersbewegingen in het projectgebied na de ontwikkeling. Deze toename in de gebruiksfase is te verwachten door de aanwezigheid van een weg (in een voormalig groengebied) in de nieuwe situatie die lijdt naar een toekomstige woonwijk die gebouwd gaat worden ten zuiden van het projectgebied. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. Doordat de geplande ontwikkeling kan leiden tot een (tijdelijke) toename in stikstofemissie, is er een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000-gebieden.

19

5

HOUTOPSTANDEN

De bepalingen ten aanzien van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming kunnen van toepassing zijn voor het kappen van de bomen buiten de grens van de vastgestelde bebouwde kom. Houtopstanden buiten de bebouwde kom van minimaal 10 are en bomenrijen van meer dan 20 bomen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd. In Artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming zijn een aantal uitzonderingen opgenomen: b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed; f. uit populieren of wilgen bestaande: 1. wegbeplantingen; 2. beplantingen langs waterwegen, en 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g. het dunnen van een houtopstand; h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Afbeelding 17: Grens bebouwde kom gemeente Amstelveen (officiele-overheidspublicaties.nl)

De bomen in het projectgebied vallen binnen de door de gemeenteraad vastgestelde bebouwde kom, zie afbeelding 17. De bepalingen ten aanzien van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming zijn dan ook niet van toepassing voor het kappen van de bomen.

20

6

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

6.1

CONCLUSIES De Gemeente Amstelveen is voornemens de Hammarskjöldsingel langs de spoorlijn te verlengen tot aan de J.C. van Hattumweg. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. Het projectgebied kan deel uit maken van een foerageergebied en/of vliegroute van vleermuizen. Indien in de situatie na of tijdens de geplande werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van kunstmatige verlichting die uitstraalt naar de omgeving kan dit een negatief effecten hebben op vleermuizen. Gedurende de habitatscan zijn in de oever twee holen vastgesteld. Deze holen kunnen als geschikte verblijfplaats dienen voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en de waterspitsmuis. In het noordelijke deel van het projectgebied is daarnaast dicht struweel aanwezig dat door kleine marterachtigen als verblijfplaats kan worden gebruikt. Deze potentiële verblijfplaatsen van kleine marterachtigen en de waterspitsmuis zullen verloren gaan naar aanleiding van de geplande werkzaamheden. Door het projectgebied loopt een heg die als functioneel leefgebied is beoordeeld voor de huismus. Dit functionele leefgebied kan verloren gaan naar aanleiding van de geplande werkzaamheden.

In de omgeving van het projectgebied zijn potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig en de watergang kan mogelijk onderdeel uitmaken van leefgebied van de platte schijfhoren. De geplande werkzaamheden zullen naar verwachting geen significant negatief effect hebben op de potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels en het leefgebied van de platte schijfhoren. In het projectgebied kunnen daarnaast nestlocaties van algemene broedvogels en leefgebied van algemene amfibieën, vissen en zoogdieren voorkomen. Andere beschermde soorten worden door het ontbreken van leefgebied niet verwacht voor te komen. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd natuurgebied. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. Doordat de geplande ontwikkeling kan leiden tot een (tijdelijke) toename in stikstofemissie in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase, is er een berekening van de stikstofdepositie met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000-gebieden. De bomen in het projectgebied bevinden zich binnen de door de gemeenteraad van Amstelveen vastgestelde bebouwde kom. De bepalingen ten aanzien van houtopstanden in de Wet natuurbescherming zijn niet van toepassing.

6.2

AANBEVELINGEN Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar vaste verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn, waterspitsmuis en de wezel (zie tabel 3). Het is tevens aan te bevelen tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie (na de geplande werkzaamheden) gebruik te maken van geen of vleermuisvriendelijke verlichting. Indien er met de eventuele verlichting rekening wordt gehouden met aanwezigheid van vleermuizen en rekening houdend met de aanwezigheid van alternatieve foerageergebieden en vliegroutes in de omgeving is het niet noodzakelijk aanvullend onderzoek naar vleermuizen uit te voeren. Het wordt aanbevolen de heg die langs de spoorlijn ten oosten van het projectgebied loopt (gedeeltelijk) te behouden aangezien deze dient als functioneel leefgebied voor de huismus. Deze heg is echter niet essentieel voor het functioneren van de nestlocaties van de huismus in de omgeving en kan eventueel (buiten het broedseizoen van vogels) worden verwijderd.

21

Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Hiervoor geldt een meldplicht bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tabel 3: Te verwachten beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep

Aanvullend onderzoek

Onderzoeksperiode

Algemene broedvogels

Nesten, indien niet buiten het broedseizoen

Binnen de periode maart tot augustus

gewerkt wordt Bunzing, hermelijn en wezel

Verblijfplaatsen en functioneel leefgebied

1 mei t/m 31 augustus

Waterspitsmuis

Verblijfplaatsen

Augustus t/m oktober

22

7

LITERATUUR

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. (2021) Quickscan De Scheg Midden te Amstelveen AMNA2111, 22 november 2021. BIJ12 (2017) Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument gierzwaluw, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2022) Kennisdocument huismus, versie 2.0, BIJ12 juni 2022. BIJ12 (2017) Kennisdocument rugstreeppad, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument ruige dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, (2011) Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. Netwerk Groene Bureaus (2017) Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, juli 2017. Stichting Anemoon, A. Boesveld, A.W. Gmelig Meyling & R.H. de Bruyne (2009) Handleidng Slakken van de Habitatrichtlijn waarnemen, Stichting Anemoon september 2009. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2020) Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020. Internet aa.kaartviewer.nl NDFF www.apps.geodan.nl www.gbif.org www.officiele-overheidspublicaties.nl www.piscaria.nl www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.ravon.nl www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl

23

Bijlage 1:

Foto-impressie

24

Bijlage 2:

Tabel mogelijk aanwezige soorten

Tabel 1: Overzicht beschermde soorten in kilometerhok 116/476 Soortgroep Naam Bescherming Amfibieën Amfibieën

bastaardkikker1 1

gewone pad

1

Afstand

Wnb A

< 5km*

Wnb A

< 1km*

Wnb A

< 5km*

Wnb A

< 4km*

Amfibieën

kleine watersalamander

Amfibieën

meerkikker

1

Amfibieën

rugstreeppad

HR IV & Bern II

< 1km*

Ongewervelden

platte schijfhoren

HR IV

< 3km

Reptielen

ringslang

Wnb A

< 3km*

Vaatplanten

dreps

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

karthuizeranjer

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

kluwenklokje

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

naakte lathyrus

Wnb B

< 5km

Vaatplanten

schubvaren

Wnb B

< 4km*

Vaatplanten

wilde ridderspoor

Wnb B

< 5km

Vleermuizen

gewone dwergvleermuis

HR IV

< 1km*

Vleermuizen

gewone grootoorvleermuis

HR IV & Bern II

< 4km*

Vleermuizen

laatvlieger

HR IV & Bern II

< 2km*

Vleermuizen

meervleermuis

HR IV & Bern II

< 4km*

Vleermuizen

rosse vleermuis

HR IV & Bern II

< 2km*

Vleermuizen

ruige dwergvleermuis

HR IV & Bern II

< 1km*

Vleermuizen

watervleermuis

HR IV & Bern II

< 3km*

Vogels

boerenzwaluw

Cat. 5

< 5km

Vogels

boomklever

Cat. 5

< 2km*

Vogels

boomkruiper

Cat. 5

< 3km*

Vogels

boomvalk

Cat. 4

< 2km*

Vogels

bosuil

Cat. 5

< 3km*

Vogels

buizerd

Cat. 4

< 4km*

Vogels

ekster

Cat. 5

< 1km*

Vogels

gierzwaluw

Cat. 2

< 1km*

Vogels

groene specht

Cat. 5

< 4km*

Vogels

grote bonte specht

Cat. 5

< 4km*

Vogels

havik

Cat. 4

< 3km*

Vogels

huismus

Cat. 2

< 2km*

Vogels

huiszwaluw

Cat. 5

< 5km

Vogels

ijsvogel

Cat. 5

< 3km*

Vogels

kerkuil

Cat. 3

< 1km*

Vogels

koolmees

Cat. 5

< 3km*

Vogels

pimpelmees

Cat. 5

< 4km*

Vogels

ransuil

Cat. 4

< 2km*

Vogels

slechtvalk

Cat. 3

< 5km*

Vogels

sperwer

Cat. 4

< 3km*

Vogels

spreeuw

Cat. 5

< 2km*

Vogels

steenuil

Cat. 1

< 5km*

Vogels

torenvalk

Cat. 5

< 5km

Vogels

zwarte kraai

Cat. 5

< 3km*

Zoogdieren

boommarter

Wnb A

< 5km

1

Zoogdieren

bosmuis

Wnb A

< 4km*

Zoogdieren

bunzing

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

damhert

Wnb A

< 5km

Wnb A

< 4km*

Zoogdieren

dwergmuis

1

25

Soortgroep

Naam

Bescherming

Afstand

Zoogdieren

eekhoorn

Wnb A

< 4km*

Zoogdieren

egel1

Wnb A

< 2km*

1

Zoogdieren

gewone bosspitsmuis

Wnb A

< 4km*

Zoogdieren

haas1

Wnb A

< 2km*

Zoogdieren

hermelijn

Wnb A

< 5km

Zoogdieren

huisspitsmuis1

Wnb A

< 4km*

Zoogdieren

1

konijn

Wnb A

< 3km*

Zoogdieren

rosse woelmuis1

Wnb A

< 4km*

Zoogdieren

steenmarter

Wnb A

< 5km*

Zoogdieren

veldmuis1

Wnb A

< 3km*

Zoogdieren

vos

1

Wnb A

< 4km*

Zoogdieren

waterspitsmuis

Wnb A

< 4km*

Zoogdieren

wezel

Wnb A

< 5km

Wnb A woelrat1 * = op basis van eerdere waarnemingen van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. 1 = Vrijstelling Zoogdieren

< 5km*

26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=cb1f68cd-f290-4ad8-b47e-f8e76b3f78a1