CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 14 Aanmeldnotitie m.e.r Stadsplein Bioscoop

Raadsvergadering 9 november 2022, gemeente amstelveenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop6.059 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanmeldnotitie m.e.r. Project Status Projectnummer Datum Auteur

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

Bioscoop Amstelveen Concept 21240 9 juni 2022 C. Leurs

COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.

Mees Ruimte & Milieu | 21240.01

Pagina | 2

INHOUDSOPGAVE 1

Inleiding Aanleiding Milieueffectraportage Leeswijzer

4 4 4 6

2

Projectbeschrijving Inleidig Beschrijving van het project Overige kenmerken van het project Cumulatie met andere projecten Gebruik van hulpbronnen Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen

7 7 7 7 7 7 7 8 9

3

Plaats van het project Inleiding en locatie Het bestaande grondgebruik en de omgeving Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu Inleiding Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn Toetsing overige gevoelige gebieden

10 10 10 11 11 11 12

4

Kenmerken van het potentiële effect Inleiding Te beoordelen aspecten Cultuurhistorie en Archeologie Verkeer en vervoer Geluid Luchtkwaliteit Ecologie

13 13 13 14 14 15 15 16

5

Conclusie

18

Mees Ruimte & Milieu | 21240.01

Pagina | 3

4

INLEIDING AANLEIDING In het kader van de te doorlopen bestemmingsplanprocedure, waarmee de boogde bioscoop in het winkelcentrum van Amstelveen juridisch planologisch wordt mogelijk gemaakt, is de onderliggende aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld. De komst van een bioscoop geeft invulling aan de doelstellingen om het Stadshart als geheel, en ook specifiek het Stadsplein, een kwalitatieve impuls te geven. De realisatie van de bioscoop zorgt voor extra dynamiek op het Stadsplein en hierdoor wordt het voorzieningenniveau aanzienlijk aangevuld. Het wordt gezien als passend bij een gemeente van 90.000 inwoners, groeiend naar een gemeente van 100.000 tot 110.000 inwoners. De bioscoop krijgt zeven zalen en wordt voorzien van maximaal 1.200 stoelen. In het kader van de milieueffectrapportage (m.e.r.) regelgeving dient het onderhavige project te worden aangemeld voor een m.e.r.-beoordelingsbesluit.

MILIEUEFFECTRAPORTAGE Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. Op deze manier krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de 'moederprocedure'. Dit is de procedure op grond waarvan de besluitvorming plaatsvindt, bijvoorbeeld de bestemmingsplanprocedure, of een omgevingsvergunningsprocedure. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht dan wel een plan-m.e.r. plicht geldt indien de drempelwaarden of ecologische grenswaarden worden overschreden in geval van respectievelijk een besluit of een plan. Bij de m.e.r.boordeling dient te worden beoordeeld in hoeverre er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen worden uitgesloten, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk.

Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst moet een toets worden uitgevoerd in hoeverre belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets geldt de m.e.r.-beoordeling waarbij het me.r.-beoordelingsbesluit niet hoeft te worden gepubliceerd indien de activiteit onder de drempelwaarde valt. Met de op 7 juli 2017 in werking getreden wijziging van het Besluit m.e.r. dient bij elke aanvraag waarbij een m.e.r.-beoordeling aan de orde is door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie te worden opgesteld.

Mees Ruimte & Milieu | 21240.01

Pagina | 4

Figuur 1. Overzicht verschillende m.e.r.-procedures (bron: www.infomil.nl)

Toetsing aan het Besluit m.e.r. De ontwikkeling van het plangebied naar een bioscoop valt te kwalificeren als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. (tabel 1). Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

D

De aanleg, wijziging of

In gevallen waarin de

De structuurvisie, bedoeld in

De vaststelling van het plan,

11.2

uitbreiding van een stedelijk

activiteit betrekking heeft op: 1) een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2) een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3) Een bvo van 200.000 m2 of meer.

de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3

bedoeld in artikel 3.6, eerste

van de Wet ruimtelijke

lid, onderdelen a en b, van

ordening, en het plan,

de Wet ruimtelijke ordening

bedoeld in artikel 3.1, eerste

dan wel bij het ontbreken

lid, van die wet.

daarvan van het plan,

ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een bioscoop met zeven zalen en een totaal vloeroppervlakte van ongeveer 6.000 m2. Dit valt ruim onder de drempelwaarde van 200.000 m2 waarvoor een plan-mer plicht geldt. Voor de ontwikkeling dient daarom een m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. Doel m.e.r.-beoordeling Het doel van de m.e.r.-beoordeling is het toetsen of een plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Het bevoegd gezag dient te beoordelen in hoeverre volstaan kan worden met een m.e.r.-beoordeling. Een dergelijk besluit wordt genomen aan de hand van de aanmeldnotitie en vormt een bijlage bij het ruimtelijk besluit. Voorliggende rapportage betreft de aanmeldnotitie waarin de m.e.r.-beoordeling is doorlopen. Op basis hiervan wordt het bevoegd gezag gevraagd een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen. Criteria voor toetsing Voor de m.e.r.-beoordeling voor activiteiten onder de drempelwaarde bestaan de procedurele vereisten benoemd in de artikelen 7.16, 7.17, eerste tot en met vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid, en 7.20a van de Wet milieubeheer. Met betrekking tot de inhoud moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn, zie onderstaande tabel.

Mees Ruimte & Milieu | 21240.01

Pagina | 5

Tabel 1. Criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. 1. Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen:      

de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.

2. Plaats van de projecten Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen:   

het bestaande grondgebruik, de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied, het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: o wetlands o kustgebieden o berg- en bosgebieden o reservaten en natuurparken o gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn) o gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; o gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid o landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

3. Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen:    

het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking), het grensoverschrijdende karakter van het effect 'de waarschijnlijkheid van het effect, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.

Effectbeoordeling Bij de effectbeoordeling wordt ingegaan op de effecten van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase.

LEESWIJZER De aanmeldnotitie volgt de indeling van bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r:  Hoofdstuk 2 gaat in op de kenmerken van het project;  Hoofdstuk 3 beschouwt de plaats van het project;  Hoofdstuk 4 beschrijft de kenmerken van de potentiële effecten van het project;  Hoofdstuk 5 geeft de conclusie weer.

Mees Ruimte & Milieu | 21240.01

Pagina | 6

5

PROJECTBESCHRIJVING INLEIDIG In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het project besproken. De aard en omvang van het project worden in beeld gebracht. Tevens komen de overige aspecten aan bod, te weten cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.

BESCHRIJVING VAN HET PROJECT De beoogde bioscoop wordt gerealiseerd in het Stadshart aan het Stadsplein van Amstelveen. De bioscoop wordt gebouwd boven het expeditie plein aan de achterzijde van de schouwburg en poppodium P60, naast het busstation. Het laden en lossen van de schouwburg en het poppodium P60 wordt aangepast maar blijft adequaat functioneren. In het kader van de vastgestelde gebiedsvisie traverse A9 vindt verbreding en verdieping van de A9 plaats. Een onderdeel hiervan betreft de aanleg van een nieuwe afrit. Dit biedt de mogelijkheid om een nieuwe inrit voor de Schouwburggarage (boven het busstation) aan de achterzijde aan te leggen die beter en veiliger toegankelijk is dan in de huidige situatie. Omdat de bioscoop ook boven deze inrit komt te liggen, wordt deze inrit aangelegd tijdens de bouw van de bioscoop. De bioscoop krijgt zeven zalen met maximaal 1.200 stoelen en een totaal vloeroppervlakte van ongeveer 6.000 m2. Het exact aantal stoelen wordt nog nader bepaald maar zal de 1.200 niet overstijgen. De 1.200 stoelen geldt dan ook als maximum en is te beschouwen als een worstcase variant. De omvang van zeven zalen staat vast en is nodig om een gevarieerd aanbod aan films te kunnen leveren aan het Amstelveense publiek en op deze manier rendabel te kunnen opereren.

OVERIGE KENMERKEN VAN HET PROJECT Cumulatie met andere projecten In de directe omgeving van de projectlocatie zijn aan de noordzijde het Stadsplein en de Bibliotheek Amstelveen gelegen, ten oosten een aantal woningen en bedrijven, ten zuiden de afrit van de A9 en ten westen de Keizer Karelweg. Voor zover bekend zijn er geen concrete plannen in de omgeving die gezamenlijk met dit project mogelijk tot nadelige effecten kunnen leiden.

Gebruik van hulpbronnen Voor de realisatie van het project worden reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal, zoals beton, hout, staal en grond. Een andere locatie zal niet leiden tot minder gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Bij de beoogde ontwikkeling is geen sprake van productieprocessen.

Productie van afvalstoffen Tijdens de sloop- en bouwfase zal er het benodigde bouwafval vrijkomen. Dit bouwafval wordt op de gebruikelijke manier verwerkt conform de geldende wetgeving (Wet milieubeheer en Bouwbesluit). Na de realisatiefase zal er voornamelijk sprake zijn van bedrijfsafval en zal volgens regels uit het Activiteitenbesluit worden opgeslagen en afgevoerd.

Mees Ruimte & Milieu | 21240.01

Pagina | 7

Verontreiniging en hinder Sloop- en bouwfase In de sloop- en bouwfase van het project kan luchthinder-, stof-, geur-, geluid-, trillings-, licht- en bodemhinder ontstaan. Wat betreft deze mogelijke milieuhinder wordt voldaan aan de wettelijke normen dan wel worden maatregelen getroffen om gevolgen/effecten te voorkomen/beperken. Gebruiksfase Ook in de gebruiksfase van het project kan lucht-, stof- ,geur-, geluid- licht- en bodemhinder ontstaan. Luchthinder In paragraaf 4.6 wordt het aspect luchtkwaliteit nader beschouwd en in paragraaf 4.7 wordt nader op het onderdeel stikstof ingegaan. Stofhinder en geurhinder In de gebruiksfase zal met de ingebruikname van de bioscoop geen stof- en geurhinder plaatsvinden. Geluidhinder Ten aanzien van geluidhinder is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting als gevolg van het initiatief bij de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige objecten in de omgeving. De resultaten hiervan zijn beschreven in paragraaf 4.5 van deze aanmeldnotitie. Lichthinder De verlichting in de openbare ruimte en aan de gebouwen wordt zo uitgevoerd dat lichthinder naar de woonbebouwing wordt voorkomen. Bodemhinder Door in de gebouwen geen uitloogbare materialen te gebruiken op plaatsen die in contact kunnen komen met hemelwater wordt verontreiniging van de bodem en grondwater voorkomen.

Het bodemrisico is hiermee verwaarloosbaar en eventuele hinder beperkt zich tot de directe omgeving van de activiteit. Binnen het plangebied zijn voor toepassing van bodemenergie geen belemmeringen voorzien. Ten behoeve van de te doorlopen planologische procedure is door onderzoeksbureau Grondslag een onderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit van de projectlocatie (zie bijlage bij “Toelichting ontwerp bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop”, d.d. 14 september 2021, project 35137.) Uitkomst is dat de aangetoonde bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkelingen op de locatie. Windhinder Door Actiflow is een rapport 'CFDstudie windhinder en windgevaar opgesteld (zie bijlage bij “Toelichting ontwerp bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop”, datum 11 maart 2022, AFR7212). Onderhavige rapportage omschrijft een windstudie waarin het effect van de nieuwbouw van de Pathé te Amstelveen inzichtelijk is gemaakt met betrekking tot het windklimaat op voetgangersniveau. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de windcondities geschikt of acceptabel zijn voor slenteren en andere meer inspannende activiteiten (bijv. doorlopen). Locaties waar de windcondities gekenmerkt worden door klasse A zijn ook geschikt voor de activiteit langdurig zitten. Er geldt geen risico op windgevaar op voetgangersniveau.

Mees Ruimte & Milieu | 21240.01

Pagina | 8

Risico van ongevallen Bij de beoogde ontwikkeling is geen sprake van realisatie van risicovolle inrichtingen. In het kader van de te doorlopen planologische procedure is het aspect externe veiligheid nader onderzocht. De nieuw te realiseren bioscoop is te beschouwen als een kwetsbaar object. Risicovolle activiteiten die van invloed kunnen zijn op de beoogde ontwikkeling zijn in het onderzoek beoordeeld. Hierbij is onderzoek gedaan naar de Risicovolle activiteiten in de omgeving van het plangebied. Inrichting of leidingentracé Het plangebied ligt niet in de invloedssfeer van een inrichting of leidingentracé dat een gevarenzone rond zich heeft. Transportroute gevaarlijke stoffen (A9) Bij nieuwe ontwikkelingen langs de A9 moet er gekeken worden naar eventuele groepsrisicotoenames tot een afstand van 200 meter in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen. Door Prevent Adviesgroep is een groepsrisicobertekening A9 opgesteld (zie bijlage bij “Toelichting ontwerp bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop”, datum 23 mei 2022, projectnummer 573D1 versie 02) en een toetsing externe veiligheid (zie bijlage bij “Toelichting ontwerp bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop”, datum 23 mei 2022, projectnummer 573D2V02). De resultaten hiervan zijn hieronder opgenomen.

Plaatsgebonden risico en plasbrandaandachtsgebied De normen voor het plaatsgebonden risico en plasbrandaandachtsgebieden vormen geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied. Groepsrisico Het groepsrisico is voor de Rijksweg A9 met RBM II berekend voor de bestaande (bestemde) situatie en de nieuw te bestemmen situatie. Voor de bestaande (bestemde) situatie bedraagt het groepsrisico 2 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico neemt door de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied toe tot 2,2 maal de oriëntatiewaarde (toename van 10 %). Door de wijzigingen aan de Rijksweg A9 (verbreding en realisatie overkappingen) neemt het groepsrisico voor de nieuwe omgevingssituatie in de toekomst af tot 1,5 maal de oriëntatiewaarde (afname van 25 % t.o.v. de bestaande, bestemde, situatie). Op grond van artikel 8 van het Bevt is een verantwoording van het groepsrisico vereist omdat het plangebied gelegen is op minder dan 200 meter van de Rijksweg A9 en het groepsrisico hoger is dan 1 maal de oriëntatiewaarde. Deze verantwoording vindt plaats in het (ontwerp) bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop. Gezien de niet significante bijdrage van het plangebied aan de hoogte van het berekende groepsrisico in de toekomstige situatie van de Rijksweg A9 bestaat er geen aanleiding om functies binnen het plangebied aan te passen om een lagere personendichtheid te realiseren.

Rampenbestrijding en zelfredzaamheid Na het optreden van een koude of warme BLEVE kunnen in het plangebied branden ontstaan die door de brandweer kunnen worden geblust. Hierbij is het van belang dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten. De toegang van de bioscoop ligt aan de noordzijde aan het stadsplein (bereikbaar via de Thomas Cookstraat). Aan de zuidzijde is het bioscoopgebouw gelegen aan de Meander en via twee rijrichtingen te bereiken (vanuit westelijke en oostelijke richting). De bereikbaarheid van de locatie is voldoende. Binnen het plangebied zijn geen nieuwe functies voorzien die specifiek gericht zijn op minder zelfredzame personen. Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Het Stadsplein en de daarop aansluitende Rembrandtweg bieden verder voldoende mogelijkheden voor ontvluchting/ontruiming noordelijke richting naar veilig gebied.

Mees Ruimte & Milieu | 21240.01

Pagina | 9

6

PLAATS VAN HET PROJECT INLEIDING EN LOCATIE In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het projectgebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden. Het plangebied is gelegen aan het Stadsplein in Amstelveen.

HET BESTAANDE GRONDGEBRUIK EN DE OMGEVING De projectlocatie is gesitueerd ten noorden van de A9 aan de zuidzijde van het Stadshart, aan het Stadsplein. Ten zuiden van de locatie bevindt zich de Meander, waar ook een bushalte is gerealiseerd. Figuur 1. Luchtfoto projectlocatie (bron: QGIS, eigen bewerking)

Binnen de locatie is de grond geasfalteerd, zijn er enkele parkeerplaatsen gelegen en enkele bomen aanwezig.

Mees Ruimte & Milieu | 21240.01

Pagina | 10

HET OPNAMEVERMOGEN VAN HET NATUURLIJK MILIEU Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze m.e.r.-beoordeling is een analyse uitgevoerd naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze m.e.r.beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt onderstaand beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.

Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In onderstaande tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor voorgenomen ontwikkeling

Wetlands

Conventie van Ramsar

In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig.

Kustgebieden

Het plangebied is niet gelegen in een kustgebied.

Berggebieden en bosgebieden

(o.a.) Wet natuurbescherming

Het plangebied is niet gelegen in een berg- of bosgebied.

Reservaten en natuurparken:  Nationale Landschappen  Nationale parken

Nationale Landschappen zijn benoemd in de Nota Ruimte. De Nationale Parken zijn onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland (NNN)

Het plangebied is niet in een Nationaal Landschap of Nationaal Park gelegen.

Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn)

Wet natuurbescherming

De projectlocatie is op ca. 6 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied “Botshol” gelegen. Onder deze tabel wordt hierop nader ingegaan.

Gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden.

Europese milieurichtlijnen (o.a. kaderrichtlijn Luchtkwaliteit en kaderrichtlijn Water)

De projectlocatie is niet gelegen in een gebied waar o.b.v. communautaire wetgeving reeds normen worden overschreden.

Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid

Landschappen van:  Historisch belang  Cultureel belang o Beschermd stads- en dorpsgezicht  Archeologisch belang

Mees Ruimte & Milieu | 21240.01

Amstelveen kent een bevolkingsdichtheid van 2.208 inwoners per vierkante kilometer land in 2021. Er kan daarom worden gesproken van een hoge bevolkingsdichtheid(conform cijfers CBS). Wet- en regelgeving:  Verdrag van Valletta  Erfgoedwet

Kenmerken:  De projectlocatie is niet gelegen in een gebied met een historisch belang.

Pagina | 11

Natura 2000-gebied Zoals in de tabel is opgenomen, is de projectlocatie in de nabijheid van een Natura 2000-gebied gelegen. Natura 2000-gebieden maken onderdeel uit van het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke dier- en plantensoorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. De voorgenomen ontwikkeling kan mogelijk een effect hebben op de in de nabijheid gelegen Natura 2000gebieden. Om die reden wordt in het volgende hoofdstuk nader op het aspect ecologie (gebiedsbescherming) ingegaan. Bevolkingsdichtheid Amstelveen heeft een bevolkingsdichtheid van 2.209 inwoners per vierkante kilometer in 2021(op basis van de gegevens van de Gemeente Amstelveen). Daarnaast wordt er een bevolkingsgroei verwacht van 28,3% in 2050 ten opzichte van 2020.

TOETSING OVERIGE GEVOELIGE GEBIEDEN Naast de gebieden die specifiek zijn genoemd in Bijlage III van de EU-Richtlijn, wordt eveneens getoetst of de projectlocatie gelegen is in gevoelige gebieden op grond van overige nationale of provinciale wet- en regelgeving. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor voorgenomen ontwikkeling

Natuurnetwerk Nederland

Provinciale verordening

De projectlocatie maakt geen deel uit van, en ligt niet in de nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Weidevogelleefgebied

Provinciale verordening

De projectlocatie is niet gelegen in of nabij een weidevogelleefgebied.

Stiltegebied

Provinciale verordening

De projectlocatie is niet gelegen in een stiltegebied.

Wet milieubeheer Bodembeschermingsgebied

Provinciale verordening

De projectlocatie is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied.

Grondwaterbeschermingsgebied

Provinciale verordening

De projectlocatie is niet gelegen in het grondwaterbeschermingsgebied.

Beschermingszone waterkering

Legger en Keur hoogheemraadschap Amstel, Gooi, Vecht

De projectlocatie is niet in of in een beschermingszone van een waterkering gelegen.

Gebied geschikt voor beschermde soorten

Wet natuurbescherming

De projectlocatie is mogelijk geschikt voor beschermde soorten. Onder deze tabel wordt hier nader op ingegaan.

Beschermde soorten Op de projectlocatie kunnen zich mogelijk beschermde dier- of plantensoorten bevinden. Om die reden wordt in het volgende hoofdstuk nader op het aspect ecologie (soortenbescherming) ingegaan.

Mees Ruimte & Milieu | 21240.01

Pagina | 12

7

KENMERKEN VAN HET POTENTIËLE EFFECT INLEIDING In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de voorgenomen activiteit, waarbij het gaat om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken (kenmerken van het project en plaats van het project). Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het project en de plaats van het project zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling zoals wordt besproken in de navolgende paragrafen is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie en expert-judgement. Dit is aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van de herontwikkeling.

TE BEOORDELEN ASPECTEN Uit hoofdstuk 2 blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de sloop van de nog aanwezige bebouwing op de projectlocatie en uit de realisatie van een bioscoop. De projectlocatie kent daarnaast een beperkt aantal kwetsbaarheden. Het is namelijk in de nabijheid gelegen van een Natura 2000-gebied en de ontwikkeling brengt geluidshinder met zich mee. Daarnaast kan de voorgenomen ontwikkeling op de locatie mogelijk invloed hebben op eventueel voorkomende beschermde soorten in het plangebied. Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken geldt de verwachting dat de ontwikkeling qua aard en omvang een beperkte invloed heeft op de omgeving. De onderdelen die mogelijk wel een effect met zich mee brengen worden hieronder in kaart gebracht en in de navolgende paragrafen nader uitgewerkt. Dit betreffen de onderdelen:  Archeologie en cultuurhistorie(paragraaf 4.3) De projectlocatie is gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde.  Verkeer (paragraaf 4.4) De beoogde ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende werking. De invloed hiervan is nader beoordeeld met behulp van een verkeerskundige onderzoek.  Geluid(hinder) (paragraaf 4.5) Gevolgen ten aanzien van geluidshinder zijn onderzocht met behulp van akoestisch onderzoek. De resultaten hiervan zijn in desbetreffende paragraaf opgenomen.

 Luchtkwaliteit (paragraaf 4.6) De invloed op de luchtkwaliteit is nader beoordeeld met specifiek onderzoek. De resultaten hiervan zijn beschreven de desbetreffende paragraaf.  Ecologie (paragraaf 4.7) Het project kan mogelijk leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde natuurgebieden en op beschermde flora en faunasoorten. Hiertoe is nader onderzoek uitgevoerd de resultaten hiervan zijn beschreven in de desbetreffende paragraaf.

Mees Ruimte & Milieu | 21240.01

Pagina | 13

CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE Het Stadshart van Amstelveen is betrekkelijk jong. De oudste delen van het Stadshart zijn onmiskenbaar producten van de tweede helft van de vorige eeuw. De planningsgeschiedenis van het centrum van Amstelveen begint in de jaren vijftig. Het centrum werd in de loop van 1961 geopend: “Plein 1960”. Het Binnenhof was een grote rechthoekige binnenplaats, waar men onder luifels rustig zou kunnen winkelen. Eind jaren tachtig werd duidelijk dat er iets met het centrum moest gebeuren. Uitbreidingen en vernieuwingen van concurrerende centra in de regio maakten het noodzakelijk om het centrum van Amstelveen een nieuwe impuls te geven. In 1989 werd dan ook het winkelcentrum “Plein 1960” gerenoveerd; het werd overdekt en uitgebreid. In 1991 koos de gemeenteraad opnieuw voor een impuls in de ontwikkeling van het Stadshart. In 1998 werd het Stadshart geopend. Aan de geplande cultuurstrip, met de muziekschool, volksuniversiteit en een nieuwe openbare bibliotheek, is pas in 1999 begonnen. Bij de ontwikkeling van de bioscoop is nadrukkelijk rekening gehouden met de inpasbaarheid in de omgeving. In het gebied zijn geen specifieke cultuur-historische waarden aanwezig deze worden dan ook niet negatief beïnvloed als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

Het Amstelveens grondgebied in het bestemmingsplangebied Amstelveen Stadshart, heeft een lage archeologische verwachtingswaarde. Alleen bij zeer grote bodemverstoringen met een oppervlakte groter dan 10.000 vierkante meter, en dieper dan 30 cm, is vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek nodig. Het gebied is afgegraven voor de turfwinning, ingepolderd, drooggemalen en opgespoten met zand. De archeologische verwachtingswaarde is er daarom laag. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten, ook niet wanneer in inventariserende onderzoeken de locatie vrij wordt gegeven voor de geplande ontwikkeling of wanneer het om een gebied gaat dat op de beleidsadvieskaart is aangegeven als van ‘lage waarde’. Mochten er tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen dan geldt conform artikel 53 van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg een meldingsplicht bij het bevoegd gezag, de gemeente Amstelveen.

VERKEER EN VERVOER In het Stadshart komen een aantal hoofdwegen bij elkaar: de A9, de Keizer Karelweg en de Beneluxbaan. Tevens loopt de Rembrandtweg vanuit de noordelijke wijken door tot in het centrum van de wijk. Het winkelcentrum is goed bereikbaar met fiets, openbaar vervoer en auto. Openbaar vervoer Het Stadshart is goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Er zijn directe busverbindingen met Amsterdam, Schiphol, Hoofddorp, Haarlem, Uithoorn, Aalsmeer, Mijdrecht en Wilnis. Ook heeft de metro een halte op het Buitenplein. Verkeersgeneratie Door Goudappel is in het kader van de te doorlopen planologische procedure een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van de verkeersaantrekkende werking van het beoogde initiatief. 'Uitgangspunten Verkeerskundige effectberekening Pathé Stadshart Amstelveen' (zie bijlage bij “Toelichting ontwerp bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop”, d.d. 23 maart 2022, kenmerk: 011317.20220323.N1.01). De resultaten hiervan zijn hieronder opgenomen: “Volgens de kencijfers van het CROW kan er bij een bioscoop met 1.200 zitplaatsen in een hoogstedelijke centrumomgeving uitgegaan worden van maximaal 227 motorvoertuigen per etmaal als verkeersgeneratie. Deze verkeersbewegingen worden veroorzaakt door personeel, leveranciers en bezoekers, en zal verdeeld worden over de verschillende parkeergarages en de achterzijde van de bioscoop (laden en lossen).

Mees Ruimte & Milieu | 21240.01

Pagina | 14

Daarnaast zorgt het verplaatsen van de ingang van de Schouwburggarage voor een wijziging van de verkeersstromen. Vanaf de nieuwe aansluiting vanaf de A9, rechtstreeks op de Meander, kan verkeer deze garage bereiken, zonder over de Keizer Karelweg te hoeven rijden. De gevolgen van deze wijziging van de verkeersstructuur zijn met name zichtbaar op de Meander, aan de achterzijde van de bioscoop: Aansluiting van de Meander op de op- en afritten van de A9 zorgt voor een toename van het verkeer op de Meander ten oosten van de locatie van de bioscoop van 2.200 motorvoertuigen per etmaal naar 3.800 motorvoertuigen per etmaal. Deze toename van verkeer kan de Meander verkeerstechnisch goed opvangen. De maximum capaciteit voor wegen met een vergelijkbare inrichting ligt op ongeveer 10.000 motorvoertuigen per etmaal. De verlengde Meander richting op- en afritten kent een verkeersintensiteit van 4.000 motorvoertuigen per etmaal (momenteel nog geen bestaande verbinding). Deze aansluiting van de Meander op de A9 is reeds in de ruimtelijke procedure omtrent de verbreding en verdieping van de A9 besloten. Het omklappen van de hellingbaan zorgt voor een groei tot ongeveer 3.900 motorvoertuigen per etmaal op de Meander ten oosten van de bioscoop en een groei tot 4.600 motorvoertuigen per etmaal voor de nieuwe verbinding met de A9.

De relatieve extra groei van de verkeersstromen op de Meander is daarmee gering. De bioscoop zorgt voor een extra verkeersgeneratie van ongeveer 200 motorvoertuigen per etmaal, met name op de verlengde Meander richting A9. Deze krijgt hierdoor 4.800 motorvoertuigen per etmaal. De toename van verkeer op de oostelijke Meander als gevolg van de bioscoop is verwaarloosbaar. Geconcludeerd kan worden dat de bestaande infrastructuur voldoende capaciteit kent voor het opvangen van extra verkeer ten gevolge van het omklappen van de hellingbaan van de Schouwburggarage naar de achterzijde van de Schouwburg, in combinatie met het toevoegen van een bioscoop met 1.200 zitplaatsen.”

GELUID Ten behoeve van de te doorlopen planologische procedure is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting bij de dichtstbijzijnde woningen als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Het door M+P raadgevende ingenieur BV opgesteld akoestisch rapport 'Akoestisch onderzoek bioscoop stadshart Amstelveen' d.d. 1 juni 2022, rapportnummer: M+P.MEES.22.06.1) is als bijlage bij “Toelichting ontwerp bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop”, bijgevoegd. De onderzoeksresultaten zijn in het rapport als volgt samengevat: “De nieuwe bioscoop wordt tegen de zuidkant van de Schouwburg geplaatst. In de nieuwe situatie zal de ingang van de schouwburggarage worden verplaatst naar de Meander en zullen de laad- en losactiviteiten van de Schouwburg en Poppodium P60 veranderen. Door deze nieuwe situatie verandert de geluidssituatie. Het laden en lossen geeft vanwege de binnen situatie minder geluid naar omwonenden en het wegrijden van een vrachtwagen wat meer.” Voor wat betreft de toekomstige verkeersbewegingen is er een te verwaarlozen invloed op geluid vanwege verkeer van – en naar de parkeergarage en bioscoop.

LUCHTKWALITEIT Door Mees ruimte & milieu is een rapport luchtkwaliteit opgesteld (zie bijlage bij “Toelichting ontwerp bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop”, datum 6 april 2022, projectnummer: 21240). In deze rapportage is een onderzoek gedaan naar het aspect luchtkwaliteit. Op basis van de verkeersaantrekkende werking van het project is geconstateerd dat het project in zijn geheel niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. Mees Ruimte & Milieu | 21240.01

Pagina | 15

De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens). Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 24 maart 2022) met bijbehorende grenswaarden. Tabel 1. Totale concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in nabijheid van de projectlocatie Jaar Totale concentratie rekenpunt 15917537 NO2 (µg/m3) PM10 (µg/m3)

PM2,5 (µg/m3)

2020

20,6

17,2

9,1

2030

15,1

15,5

7,8

Grenswaarden

40

40

25

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is. Uit dit onderzoek volgt dat de ontwikkeling van een nieuwe Pathé bioscoop aan het Stadsplein niet in betekende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit en wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide NO2, fijnstof PM10 en fijnstof PM2,5.

ECOLOGIE Het plangebied betreft een sterk verstedelijkt gebied. In het verstedelijkte gebied is sprake van beperkte natuurwaarden. Dit neemt niet weg dat er beschermde planten en dieren kunnen voorkomen. Met name diverse vleermuissoorten, huismussen en gierzwaluwen zijn bekend in deze omgeving voor te komen en deze soorten en hun verblijfplaatsen zijn strikt beschermd. In het kader van de te doorlopen planologische procedure is een quickscan Wet Natuurbescherming uitgevoerd voor dit project (zie bijlage bij “Toelichting ontwerp bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop”, d.d. 21 maart 2019, ref: 1600006A18R19341). Uit deze quickscan komt het volgende naar voren: Beschermde vaatplanten, mossen en korstmossen, reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelden zijn niet aanwezig of worden niet verwacht op basis van het ontbreken van geschikt biotoop.  Beschermde soorten die verwacht worden in het projectgebied zijn verschillende soorten vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats en algemene broedvogels.  De geplande werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op nieuwe vogelnesten van algemene broedvogels.  Voor de soortgroep vleermuizen zijn meerdere geschikte omstandigheden waargenomen zoals gaten en spleten waar deze soortgroep in kan voorkomen.

Vervolgonderzoek wordt aangeraden om gebruik van deze soortgroep in het projectgebied na te gaan.  Afhankelijk van op welke termijn de werkzaamheden worden uitgevoerd is het aan te bevelen om nogmaals een controle uit te voeren op aanwezigheid van vaste rust en verblijfplaatsen van bijvoorbeeld de buizerd.  Bij werkzaamheden dienen negatieve effecten op algemene grondgebonden zoogdieren en broedende vogels te voorkomen. Afhankelijk van op welke termijn de werkzaamheden worden uitgevoerd kan het Mees Ruimte & Milieu | 21240.01

Pagina | 16

raadzaam zijn nogmaals een controle uit te voeren op aanwezigheid van vaste rust en verblijfplaatsen van bijvoorbeeld de buizerd en roeken. Naar aanleiding van de conclusie van de quickscan is er een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen (zie bijlage bij “Toelichting ontwerp bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop”, d.d. 12 november 2019, ref: 1600006A20-R19-1042) Gedurende het onderzoek is binnen het projectgebied één soort vleermuis aangetroffen: In het projectgebied zijn enkele individuen van foeragerende en overvliegende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Voor deze soorten heeft het projectgebied geen essentiële functie als foerageergebied of vliegroute. Daarnaast zijn er geen vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig binnen de begrenzing van het projectgebied. Uit het vleermuisonderzoek kan het volgende geconcludeerd worden:  Het projectgebied heeft geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen;  Het projectgebied heeft geen functie als essentieel foerageergebied voor vleermuizen;  Het projectgebied heeft geen functie als essentiële vliegroute voor vleermuizen. Wanneer in de periode van april t/m november tussen zonsondergang en zonsopkomst geen gebruik gemaakt wordt van breed uitstralende bouwverlichting is geen verstoring van aanwezige vleermuizen aan de orde.

Gebiedsbescherming De beoogde ontwikkeling kan invloed hebben op kwetsbare gebieden in de omgeving zoals beschreven in paragraaf 3.3.2 “Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn.” De verkeersaantrekkende werking en mogelijk overig gebruik van fossiele brandstoffen kan leiden tot een stikstofdepositie in kwetsbare gebieden. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000¬gebied is aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Om de stikstofdepositie als gevolg van het project op Natura 2000 gebieden te bepalen is een stikstofdepositie berekening uitgevoerd door Mees ruimte & milieu (zie bijlage bij “Toelichting ontwerp bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop”, datum 6 april 2022, projectnummer: 21240, kenmerk KODU/2140.02.ST). De stikstofberekening gemaakt met behulp van de AERIUScalculator. De stikstofdepositieberekening heeft tot doel de NOx (stikstofoxiden) en NH3 (ammoniak) emissies door het voornemen inzichtelijk te maken en de toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden te berekenen.

De AERIUScalculator 2021 geeft als uitkomst van de berekening dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Hiermee is vastgesteld dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op dichtstbijzijnde kwetsbare gebieden.

Mees Ruimte & Milieu | 21240.01

Pagina | 17

8

CONCLUSIE De relevante milieuaspecten zijn beoordeeld in de voorgaande hoofdstukken. Hierbij is vastgesteld dat deze niet leiden tot dusdanige milieueffecten waarbij doorlopen van een m.e.r procedure een meerwaarde zal kunnen vervullen. Middels voorliggende aanmeldnotitie wordt het bevoegd gezag verzocht het besluit te nemen dat, gezien de kenmerken van het potentiële effect, geen nadere m.e.r.-beoordeling nodig is.

Mees Ruimte & Milieu | 21240.01

Pagina | 18

Mees Ruimte & Milieu | 21240.01

Pagina | 19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=31ee89db-19dc-4e00-8567-9904a6405303