bijlage 13 onderzoek flora en fauna Bovenkerkerweg en Maalderij
Tekst van het document
Buro SRO B.V. T.a.v. dhr. H. van Arendonk ’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht
Datum
6 juli 2018, herzien 1 april 2019
Kenmerk
BE/2018/358/r
Uw kenmerk
Email d.d. 7 juni 2018
Auteur(s)
K.J. Rebergen
Projectleider
C.J. Blom
Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Maalderij ong. te Amstelveen Aan de Maalderij ong. te Amstelveen zijn twee percelen gesitueerd. Het eerste perceel betreft een perceel met aantal bomen en struweel ten westen van de Maalderij en ten oosten van de maalderij is een deel van het perceel braakliggend en een deel bebouwd met een vrijstaande woning, Carels cafetaria en kringloopwinkel De Boemerang. De initiatiefnemer is voornemens de bebouwing te saneren en de bomen te kappen ten behoeve van 53 rijtjeswoningen. Het vigerende bestemmingsbeleid, agrarisch, voorziet niet in de ontwikkelingsmogelijkheid en dient derhalve te worden gewijzigd naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting om onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiele) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Tevens zijn de mogelijk effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op de instandhoudingsdoelen van beschermde natuurgebieden geëvalueerd. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V.
verzocht het plangebied te onderzoeken op de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en vigerend beleid. Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura2000 gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?
1
Planlocatie De planlocatie bevindt zich op het Bedrijventerrein Legmeer, binnen de bebouwde kom van Amstelveen. Het betreft twee percelen aan de oostzijde en westzijde van Maalderij. Het perceel aan de westzijde van Maalderij bevat een aantal bomen en struweel. Het perceel aan de oostzijde is deels een braakliggend kavel (begroeid met onkruid), Carels Cafetaria en deels bebouwd met een vrijstaande woning aan de Bovenkerkerweg 19 en kringloopwinkel De Boemerang aan de Maalderij 8. Tevens hoort de parkeerplaats van de kringloopwinkel ten zuiden van de planlocatie ook tot de planlocatie. Carels Cafeteria zal verplaats worden naar het perceel aan de westzijde. De vrijstaande woning is opgetrokken uit gemetselde muren en een afgerond zadeldak bestaande uit dakpannen. Carels Cafetaria is opgetrokken uit gemetselde muren met daarover houten panelen en een bitumen dak met zonnepanelen. Als laatste is de kringloopwinkel De Boemerang opgetrokken uit trespa platen en een bitumen dak. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving. De directe omgeving wordt gekenmerkt door stedelijk gebied (noord) en een bedrijventerrein (zuid). Tevens is er veel parkeergelegenheid, gemeentelijke groenstroken en waterlichamen en trottoir aanwezig.
Op een afstand van 0,36km ten noorden van de planlocatie is het waterlichaam de Grote Poel gelegen en op een afstand van 1,4km is de A9 gesitueerd.
Figuur 1
De planlocatie (rood kader) is gelegen aan de Maalderij ong. te Amstelveen (bron: arcgis.com).
Functieverandering en effecten De beoogde ingreep betreft het saneren van de bebouwing op de planlocatie en de realisatie van een nieuwe snackbar op de planlocatie aan de westzijde en 53 rijtjeswoningen op de planlocatie aan de oostzijde. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • sloop woning, snackbar en kringloopwinkel: sloopwerkzaamheden, afvoer materiaal; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • terrein bouwrijp maken: aanbrengen puinbed, aanleg nutsvoorzieningen e.d.; • realisatie snackbar en 53 woningen; algemene werkzaamheden; • revitalisatie terrein: algemene hoveniers-, bestratings- en overige werkzaamheden. Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocaties komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).
2
Methode Inventarisatie De inventarisatie is een oriënterend onderzoek waarbij gedetailleerd een beoordeling wordt gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. De quickscan bestaat uit veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek wordt het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet wordt op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 18 juni 2018. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 18 Celsius en windkracht 3-4 (Bft.) Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn de voormalige Flora- en faunawet, Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 van de Flora- en fauna wet, waarin de beschermde soorten waren opgenomen. Met deze nieuwe wet zijn circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten opgenomen in de bescherming. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten
en
andere
soorten.
Voor
alle
beschermde
soorten
geldt
een
ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. In een verordening van de provincie Noord-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Holland Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Veldmuis
Dwergspitsmuis
Konijn
Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
3
Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedsfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt definitie vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen en/of delen van beschermde vaatplanten waargenomen. De vegetatie op de planlocatie bestaat uit algemene vaatplanten. De waargenomen vaatplanten betreffen (niet limitatief): gewoon speenkruid, braam, robertskruid, haagwinde, grote brandnetel, schijnaardbei, klaproos, smalle weegbree, fluitenkruid, akkerdistel, kleine brandnetel, beuk, vergeet-mij-nietje, hortensia, grauwe abeel, hedera, berenklauw en beuk. Gezien de habitatpreferentie worden beschermde vaatplanten niet verwacht. Negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten kunnen uitgesloten worden. Grondgebonden zoogdieren De (directe) omgeving van de planlocatie bestaat uit stedelijk gebied en een bedrijventerrein.
In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: egel, haas, konijn en mol. Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. Op en rondom de planlocatie zijn tevens geen sporen als vraatsporen (leeggegeten eieren, huiden van kleine(re) zoogdieren, afgebeten veren, etc.), uitwerpselen, latrines, pootafdrukken of loopsporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de vrijstellingsregeling vallen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Gelet op de inrichting van de planlocatie, de omgeving en de afwezigheid van potentie is het uitgesloten dat de planlocatie een relevante functie heeft voor beschermde soorten die niet onder de vrijstellingsregeling vallen. Op de locatie is wel sprake van aspecifiek leefgebied voor zoogdiersoorten die algemeen voorkomen, dit betreft soorten zoals: egel en mol. Aannemelijk maken opportunistische en algemene soorten incidenteel gebruik van de planlocatie. Voor dergelijke soorten is in de direct omgeving voldoende geschikt leefgebied waar individuen zich naar toe kunnen begeven. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen in het kader van habitatrichtlijnsoorten of niet vrijgestelde overige soorten.
Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater, spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (Limpens et al. 1997; Dietz et al. 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: laatvlieger, watervleermuis, rossevleermuis, ruige dwergvleermuis en gewone dwergvleermuis (verspreidingsatlas NDFF, 2018). In de beoogde ontwikkeling worden een woning, snackbar en kringloopwinkel gesaneerd. Er ontbreken potentiele openingen (als ventilatiegaten, kierende kantpannen, open daklijsten) aan de bebouwing die kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaats van vleermuizen. De bebouwing is derhalve ongeschikt voor vleermuizen.
4
Figuur 2
In een grauwe abeel zijn diverse inrottingsholtes aanwezig. Vleermuizen hebben derhalve de mogelijkheid om de boom te gebruiken als vaste rust en verblijfslocatie.
Tevens worden er in de beoogde ontwikkeling een aantal bomen gekapt. In een van de bomen zijn een aantal inrottingsholten waargenomen die mogelijk als vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen dienen voor boombewonende vleermuizen als ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Voor de waargenomen openingen zijn tevens aanvliegroutes geschikt. Om uit te sluiten of de potentieel geschikte vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen daadwerkelijk gebruikt worden door vleermuizen dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aan- of afwezigheid van rust- en verblijfplaatsen en de functie van het plangebied voor vleermuizen. Indien dit onderzoek uitsluitsel geeft van de afwezigheid van vleermuizen dient er nog steeds rekening gehouden te worden met foeragerende vleermuizen. Maatregelen die getroffen moeten worden is het toepassen van vleermuisvriendelijke verlichting om negatieve effecten op de vleermuizen te voorkomen. Reptielen en amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde reptielen en amfibieën en/of sporen daarvan aangetroffen. In de directe omgeving is het voorkomen bekend van: ringslang, gewone pad, rugstreeppad, kleine watersalamander, meerkikker en bruine kikker (Creemers & Van Delft, 2009). Voor reptielen zijn kale (zandige) plekken, dichte heide en opgaande vegetatie afgewisseld met open structuren van essentieel belang.
Vergraafbare grond wordt gebruikt door hagedissen om holen te graven en eieren in af te zetten. De planlocatie is gelegen binnen de bebouwde kom van Amstelveen. Op de planlocatie ontbreken ontwikkelde natuurlijke vegetatiestructuren. Tevens wordt de planlocatie omgeving door stedelijk gebied en een bedrijventerrein.
5
Voor beschermde reptielen en amfibieën als levendbarende hagedis, zandhagedis, hazelworm, poelkikker en heikikker ontbreken functioneel leefgebied, geschikte voortplantingsplaatsen als poelen, vennen en vijvers en overwinteringslocaties als strooisellagen, kruidenrijke graslanden en dichte vegetatie. Het voorkomen van habitatrichtlijnsoorten en bijzondere nationaal beschermde soorten wordt niet verwacht. De rugstreeppad is voor de voortplanting afhankelijk van ondiepe wateren, die vrij snel opwarmen. Vaak wordt gebruik gemaakt van tijdelijke poeltjes en plassen. Dergelijke ondiepe wateren ontstaan vaak bij sloop- en bouwwerkzaamheden in regenachtige perioden in het voorjaar. Gelet op de afstand tot bekende populaties (<5km) van rugstreeppad kan kolonisatie door de soort gedurende de werkzaamheden niet uitgesloten worden (Ravon.nl; verspreidingsatlas.nl). Om kolonisatie van de soort en in het verlengde daarvan het aantasten van voortplantingswateren te voorkomen dienen maatregelen getroffen te worden. De aanwezigheid van de meer algemene, opportunistische amfibieën als gewone pad en bruine kikker kan echter niet worden uitgesloten. Voor de incidenteel aanwezige soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10).
Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Behoudens de algemene zorgplicht zijn geen bijzondere bepalingen van toepassing en kan overtreding van verbodsbepalingen in het kader van amfibieën en reptielen uitgesloten worden. Vissen Aangrenzend aan de oostelijk gelegen planlocatie is aan de westzijde een sloot aanwezig. De sloten zijn volledig bedekt met kroos en doordat het water helemaal is afgesloten, kan er geen zuurstof en licht meer door het water. De aanwezigheid van (beschermde) vissoorten op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. Insecten en ongewervelde In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen waarnemingen bekend van beschermde insecten en ongewervelde (verspreidingsatlas NDFF, 2018).
Vanwege de afwezigheid van specifieke abiotische omstandigheden en op basis van de huidige verspreidingsgegevens worden beschermde insecten en overige ongewervelden niet op de planlocatie verwacht. Negatieve effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde insecten en overige ongewervelden zijn derhalve uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: kokmeeuw, zwarte kraai, merel, houtduif, ekster en blauwe reiger. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Bij alle aanwezige bebouwing op de planlocatie ontbreekt het aan potentiele nestlocaties. Zowel de snackbar als de kringloopwinkel zijn opgetrokken uit een bitumen dak en de onderste rij dakpannen van de vrijstaande woning is ontoegankelijk. Tevens zijn er geen openingen (kierende kantpannen, losliggende dakpannen) waargenomen waar gierzwaluw gebruik van kunnen maken. uitgesloten.
6
Negatieve effecten ten aanzien van zowel huismus als gierzwaluw zijn
Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van roofvogels en uilen met jaarronde nestbescherming. Hierbij is gelet op de aanwezigheid van horsten, prooiresten, braakballen en uitwerpselen van de desbetreffende soorten. De afwezigheid van deze sporen geeft aan dat de planlocatie voor de desbetreffende soorten geen essentiële functie heeft. Negatieve effecten ten aanzien van uilen- en roofvogelsoorten kunnen uitgesloten worden. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) Op de percelen kunnen de bomen en het struweel mogelijk als nestlocaties voor algemene broedvogels dienen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van deze soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. De werkzaamheden kunnen worden opgestart buiten het broedseizoen en na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland.
Op een afstand van circa 6,3km is het Natura2000-gebied de Botshol (figuur 2). De planlocatie ligt op een afstand van 0,2km tot het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3).
Figuur 2
Het plangebied (rood kader) maakt geen deel uit van een beschermd landschapstype. De planlocatie
ligt
op
6,3km
afstand
van
het
Natura2000-gebied
Botshol
(bron:
natura2000.eea.europa.eu/).
7
Figuur 3
Het plangebied (rood kader) ligt op 0,2km afstand tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: maps.noord-holland.nl).
De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van de woning, snackbar en kringloopwinkel en de realisatie van een nieuwe snackbar en 53 rijtjeswoningen. De werkzaamheden gedurende de ontwikkeling kunnen leiden tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect). Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Echter leert de ervaring dat het projecteffect bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats dat de stikstofdepositie veelal onder de drempelwaarde van 0,05 mol/hectare/jaar blijft. In de beoogde ontwikkeling is er sprake van nieuwbouw. De nieuwe woningen dienen gebouwd te worden naar de nieuwste energie- en uitstooteisen waardoor ze zeer energiezuinig zullen zijn. De ontwikkeling resulteert derhalve naar verwachting niet in een significant verhoogde stikstofdepositie. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland is externe werking geen toetsingskader. Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming.
Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Er zijn kap- en rooiwerkzaamheden (a) voorzien op de planlocatie. Gezien het type houtopstand
8
is er geen sprake van een melding- en/of vergunningsplicht in het kader van de Wet Natuurbescherming. Gemeenten hebben veelal beleid omtrent het kappen/vellen van bomen en struiken opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen. Conclusies In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De planlocatie heeft echter aannemelijk geen essentiële functie voor beschermde soorten, behoudens mogelijk vleermuizen, waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Het is vooralsnog onduidelijk of de grauwe abelen een functie vervullen als verblijfslocatie voor boombewonende vleermuizen. Er dient dan ook aanvullend onderzoek naar vleermuizen plaats te vinden. Tevens maken vleermuizen mogelijk gebruik van de planlocatie als foerageergebied. De planlocatie en het omliggende terrein heeft (mogelijk) een functie voor algemeen voorkomende planten, zoogdieren, amfibieën, insecten en vogels.
De enkele solitaire bomen en struweel op de planlocatie is geschikt als broedlocatie voor algemene broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied en het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie
zijn
geen
houtopstanden
aanwezig
waarvoor
bij
kap
een
melding-
of
vergunningplicht geldt. Tabel 2 Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort +/-
-
-
-
-
-
n
n
n
+/-
+
n
n
Geschikt habitat Habitarichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat overige soort
-
+/-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek/ Aerius
Natura2000
6,3km
geen
n.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
0,2km
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding / vergunning
Struiken
ja
n.v.t.
n.v.t.
Bomen
ja
n.v.t.
n.v.t.
j1
-
broedvogels (j)
vissen
reptielen
amfibieën
vleermuizen
n (nee) / j (ja)
zoogdieren
+ = geschikt
vaatplanten
- = ongeschikt
broedvogels (a)
effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. Legenda
1 Voorafgaand aan de ontwikkeling dient te worden vastgesteld of de boom een functie heeft voor vleermuizen. Dit kan middels een aanvullend onderzoek m.b.v. batdetectors conform het vleermuisprotocol of middels een endoscopische inspectie. Indien er sprake is van een verblijfplaats is het de verwachting dat het bevoegd gezag (provincie NoordHolland) hiervoor ontheffing zal verlenen omdat er een wettelijk belang is (groot openbaar belang), de gunstige staat van instandhouding en de compenseerbaarheid van 1 verblijfplaats goed te onderbouwen c.q. uitvoerbaar is.
9
Uitvoerbaarheid Het saneren van de woning, snackbar en kringloopwinkel en de realisatie van een snackbar en 53 woningen leiden niet tot aantasting van beschermde gebieden en beschermde natuurwaarden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van vleermuizen en algemene zoogdieren, amfibieën en broedvogels. Voor deze soortgroepen dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun
leefgebied
vormen
geen
bezwaar
voor
de
beoogde
bestemmingsplanwijziging
(vrijstellingsbesluit). Conclusie Het saneren van de woning, snackbar en kringloopwinkel en realisatie van een snackbar en 53 woningen aan de Maalderij ong. te Amstelveen is uitvoerbaar conform het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodem bewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Ten aanzien van vleermuizen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanof afwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen ervan in één van de grauwe abelen op de planlocatie. De onderzoeksinspanning betreft bij onderzoek m.b.v. batdetectors 4 veldbezoeken in de periode 15 mei t/m 15 oktober (conform vleermuisprotocol).
Het endoscopisch onderzoek betreft een eenmalig uitgebreid onderzoek welke bij voorkeur in de periode april t/m september dient te worden uitgevoerd. Na uitvoering van eventuele maatregelen dienen de werkzaamheden uitsluiten tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden of een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden teneinde verstoring van vleermuizen in de directe omgeving te voorkomen. Hieronder kan onder andere worden verstaan: beperkte hoogte van lichtmasten, verlichting naar beneden richten en convergeren, toepassen van UV-vrije verlichting, gebruik van sterk bundellicht vermijden et cetera. • Het terrein ongeschikt houden voor rugstreeppadden (bijv. voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie te allen tijde kunnen vervullen.
10
• Ten aanzien van algemene broedvogels dienen de werkzaamheden opgestart/uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). De nesten van de kauw dienen buiten het broedseizoen verwijderd te worden. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, Versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Heikikker, Rana arvalis. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, Versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon)(redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht.
Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Weeda, E.J. et al, 2003. Nederlandse Oecologische Flora. IVN, 9789050111294.
Geraadpleegde websites natura2000.eea.europa.eu www.arcgis.com www.bij12.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.waarneming.nl www.webkaart.provincie-utrecht.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl
11
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie bv, ir. ing. K.J. Rebergen
Bijlage 1 Bijlage 2
Fotografische impressie Ecologie rugstreeppad
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie bv worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie bv is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie bv.
12
Bijlage 1 Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan Maalderij ong. te Amstelveen en betreft twee percelen, waarvan één perceel is afgebeeld op de foto. Dit perceel betreft een aantal bomen en struweel. Hier wordt tijdens de beoogde ontwikkeling een snackbar gerealiseerd.
Figuur 2
Het andere perceel is bebouwd met een kringloopwinkel, welke gesaneerd wordt in de beoogde ontwikkeling.
13
Figuur 3
Tevens wordt het gebouw van Carlo’s Cafetaria gesaneerd en de nieuwe snackbar wordt gerealiseerd op het tegenoverstaande perceel (figuur 1).
Figuur 4
Er is tevens een braakliggend kavel aanwezig op het perceel (en vrijstaande woning, rechts op de foto).
14
Bijlage 2
Ecologie rugstreeppad
Herkenning De rugstreeppad (Bufo calamita) is middelgrote pad met een lengte van circa 4,5-7 cm en korte poten. De rug heeft een grijsbruine kleur met groenige vlekken, de buik is lichtgrijs met grijszwarte vlekken. Over de gehele rug is karakteristieke lichtgele lengtestreep afgetekend. De ogen zijn geelgroen met een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwen door een paars/blauwe verkleuring van de keel. De rugstreeppad heeft een typische en harde roep die over een afstand van 1-3 km hoorbaar is (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).
Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Klimatologische veranderingen vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. Mannen komen hier doorgaans eerder aan dan vrouwen (Creemers & Van Delft, 2009). De voortplanting vindt plaats van april-september met een hoogtepunt van half april-mei. Habitat en verblijfplaatsen Het geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamisch milieu met vergraafbaar zand of fijne grond en pionierskarakter. Veelal bestaan deze uit onbeschaduwde laag begroeide terreinen met een macroreliëf. De vaste rust- en verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderscheiden in het voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. Het voortplantingshabitat is aquatisch de overige habitats terrestrisch. De functionele leefomgeving bestaat uit het terrein in en tussen deze habitats. De voorplantingslocatie bestaat uit veelal temporele, ondiepe en vegetatieloze wateren. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten.
De zomer enen winterlocaties bevinden zich in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft zich in of kruipt onder materialen zoals: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor het winterhabitat is dat deze plaatsen vorstvrij moeten zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatie omvangen en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatie specifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een populatie minimaal uit 50-200 dieren bestaat en in verbinding staat met andere populaties (RVO, 2011).
15