CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 13 BP - Quickscan flora & fauna De Scheg Midden Amstelveen

Raadsvergadering 27 november 2024, gemeente amstelveenBij agendapunt: De Scheg Midden bestemmingsplan, exploitatieplan, beeldkwaliteitsplan en herziening grondexploitatie De Scheg8.935 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN DE SCHEG MIDDEN TE AMSTELVEEN Conceptrapport

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 4-7-2023

VERANTWOORDING

Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:

Uitvoering: Adres:

Gemeente Amstelveen Dhr. F. Hildebrand Laan Nieuwer-Amstel 1 1182 JR Amstelveen 020 5404952 f.hildebrand@amstelveen.nl

Tel: E-mail:

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 64 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com

Projectleider:

ing. S. van Lieshout

Auteur: Kwaliteitscontrole:

ing. J.C.H. den Hollander ing. S. van Lieshout

Projectcode: Status: Datum:

AMNA2309 Concept 4-7-2023

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.

Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2

SAMENVATTING

De gemeente Amstelveen is voornemens een woonwijk in het projectgebied “De Scheg Midden” te realiseren. Het projectgebied betreft een agrarisch gebied met kassen en akkerlanden en woningen. Tijdens de werkzaamheden zal de huidige bebouwing plaatsmaken voor een nieuwe woonwijk. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. De bebouwing en omliggende tuinen en groenstructuren in het projectgebied bieden potentiële verblijfplaatsen voor de bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel. Tijdens de geplande ontwikkeling kunnen mogelijk verblijfplaatsen van marterachtigen verloren gaan en kunnen individuen worden gedood. Het gehele projectgebied bied geschikt habitat voor de rugstreeppad. Tijdens de geplande ontwikkeling kunnen voortplantingsbiotoopbiotoop, landbiotoop en overwinteringsplaatsen van de rugstreeppad verloren gaan. Daarnaast kunnen er individuen van de rugstreeppad worden gedood. De bomen in het projectgebied kunnen door de ransuil als roestplaats worden gebruikt. De schuren en loodsen in het projectgebied kunnen mogelijk als nestlocatie door de steenuil en de kerkuil worden gebruikt. In de bomen in het projectgebied zijn twee potentieel jaarrond beschermde nesten waargenomen.

Door het blad aan de bomen zijn er mogelijk andere nesten aan het zicht onttrokken. De aanwezigheid van meer jaarrond beschermde nesten van vogels kan derhalve niet worden uitgesloten. Tijdens de geplande ontwikkelingen kunnen er mogelijk jaarrond beschermde nesten van vogels verloren gaan en vogels worden verstoord en/of gedood. De woningen in het projectgebied bieden potentiële nestlocaties voor de gierzwaluw en de huismus. Ten gevolge van de geplande werkzaamheden kunnen deze verloren gaan en kunnen individuen worden gedood. Met de werkzaamheden kan er daarnaast mogelijk essentieel leefgebied van de huismus verloren gaan. De bebouwing in het projectgebied biedt potentiële verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. Daarnaast zijn er in de bomen in het projectgebied holtes aanwezig die door boombewonende vleermuizen als verblijfplaats kunnen worden gebruikt. Het projectgebied en de directe omgeving kan door vleermuizen als foerageergebied en vliegroute worden gebruikt. Ten gevolge van de geplande werkzaamheden kunnen er mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan, kunnen er individuen worden verstoord of gedood en kunnen vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen verloren gaan. In het projectgebied kunnen algemene amfibieën, broedvogels, vissen en zoogdieren voorkomen.

Individuen van algemene soorten kunnen tijdens de werkzaamheden worden gedood. Het projectgebied is niet gelegen in het NNN of Natura 2000-gebieden Bij de geplande ontwikkeling in het projectgebied is in de realisatiefase een tijdelijke toename in emissie van stikstof te verwachten. In de gebruiksfase is er naar verwachting sprake van een verandering in de stikstofemissie. Derhalve is er een berekening van de stikstofemissie in de gebruiksfase met behulp van de “AERIUS-calculator” benodigd. Het projectgebied bevindt zich buiten de bebouwde kom van de gemeente Amstelveen. Voor de bomen in het projectgebied zijn de bepalingen uit de Wet natuurbescherming betreffend houtopstanden van toepassing. Op dit moment is het niet duidelijk welke bomen zullen worden gekapt. Indien er tijdens de werkzaamheden houtopstanden worden gekapt met een oppervlakte van 10 are of bomenrijen worden gekapt van ten minste 21 bomen, is een kapmelding verplicht bij de provincie Noord Holland. Op dit moment kan niet worden beoordeeld of de aanvraag van een kapmelding benodigd is. Er is nader onderzoek naar broedvogels met jaarrond beschermde nesten, de gierzwaluw, huismus, kleine marterachtigen, rugstreeppad, steenmarter en vleermuizen benodigd, alvorens men aan de werkzaamheden kan beginnen.

Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, kerkuil, ransuil, sperwer en de steenuil. Het onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in de bebouwing dient afgestemd te worden op de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Het onderzoek naar

3

verblijfplaatsen van vleermuizen in boomholtes dient afstemt te worden op de gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Er is een bomencheck in de winterperiode benodigd teneinde de aanwezigheid van potentieel jaarrond beschermde nesten en boomholtes in de bomen in en rond het projectgebied vast te stellen. Daarnaast is het aan te bevelen de gebouwen in het projectgebied inpandig te inspecteren op de aanwezigheid van sporen van beschermde soorten zoals vleermuizen en marterachtigen en specifiek op de aanwezigheid van nestlocaties van de kerkuil en de steenuil. Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) uit te voeren. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen van vogels plaatsvinden kunnen mogelijke nestlocaties van algemene broedvogels worden vernietigd en dienen mogelijk aanvullende maatregelen te worden genomen. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën, vissen en zoogdieren worden gedood.

Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën, vissen en zoogdieren te voorkomen. Deze maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol.

4

INHOUDSOPGAVE

1 Inleiding............................................................................................................................................. 6 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 6 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ...................................................................................................... 6 1.2.1 Gebiedsbescherming .................................................................................................................. 6 1.2.2 Soortbescherming ...................................................................................................................... 7 1.2.3 Houtopstanden ........................................................................................................................... 8 1.2.4 Ontheffing en gedragscode ........................................................................................................ 8 1.3 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 8 2 2.1 2.2

Projectgebied en ontwikkelingen .................................................................................................... 9 Projectgebied ................................................................................................................................. 9 Ontwikkelingen............................................................................................................................. 10

3 Soortbescherming .......................................................................................................................... 11 3.1 Bronnenonderzoek....................................................................................................................... 11 3.2 Habitatscan .................................................................................................................................. 11 3.2.1 Vleermuizen.............................................................................................................................. 11 3.2.2 Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................................... 12 3.2.3 Vogels ...................................................................................................................................... 13 3.2.4 Amfibieën.................................................................................................................................. 13 3.2.5 Reptielen .................................................................................................................................. 14 3.2.6 Vissen .......................................................................................................................................

14 3.2.7 Ongewervelden ........................................................................................................................ 14 3.2.8 Vaatplanten .............................................................................................................................. 14 3.2.9 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies .............................................................. 14 3.3 Effecten ........................................................................................................................................ 15 3.3.1 Effecten ontwikkelingen ............................................................................................................ 15 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming ....................................................... 16 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied ............................................................................... 16 3.4.2 Mitigerende maatregelen .......................................................................................................... 16 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming .......................................................................................... 17 4 4.1

Gebiedsbescherming ..................................................................................................................... 18 Effecten ........................................................................................................................................ 18

5

Houtopstanden ............................................................................................................................... 19

6 6.1 6.2

Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 21 Conclusies ................................................................................................................................... 21 Aanbevelingen ............................................................................................................................. 21

7 Literatuur......................................................................................................................................... 23 Bijlage 1: Foto-impressie .......................................................................................................................... 24 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten ........................................................................................... 26

5

1

INLEIDING

1.1

AANLEIDING EN DOEL De gemeente Amstelveen is voornemens een woonwijk langs de J.C. van Hattumweg te ontwikkelen. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen. In 2021 is reeds een quickscan voor het projectgebied uitgevoerd door Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Vanwege de actualiteit van het onderzoek en de uitbreiding van het projectgebied is opdracht gegeven deze quickscan uit te voeren.

1.2

NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1

GEBIEDSBESCHERMING

Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor de NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in de NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.

6

1.2.2

SOORTBESCHERMING

Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

7

1.2.3

HOUTOPSTANDEN

Houtopstanden De bepalingen voor wat betreft houtopstanden zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Hieronder zijn de meest relevante onderdelen uit dit hoofdstuk beschreven. De bepalingen in de Wet natuurbescherming kennen een aantal uitzonderingen. De belangrijkste uitzondering betreft dat de bepalingen geen betrekking hebben op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor het kappen van bomen die wel onder houtopstanden Wnb vallen geldt een meldplicht bij Gedeputeerde Staten en een herplantplicht.

1.2.4

ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE

Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.

1.3

LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden. In hoofdstuk 5 worden de effecten op de onder de Wet natuurbescherming beschermde houtopstanden beschreven waarbij de eventueel te nemen vervolgstappen zijn weergegeven.

8

2

PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN

2.1

PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Amstelveen in kilometerhokken: X: 116/ Y: 475 en X: 116/ Y: 476 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de ligging van het projectgebied weer.

Afbeelding 1: Ligging projectgebied

Het projectgebied is gelegen aan de zuidkant van Amstelveen en betreft een gebied met kassen, akkers en woningen. Het grootste deel van de akkers en grond direct rond de kassen is begroeid met gras. De kas aan de J.C. Van Hattumweg 7a wordt als opslagplaats van caravans gebruikt. De andere kassen worden actief gebruikt voor de teelt van orchideeën. Aan de westkant van het projectgebied zijn drie loodsen en een schuur aanwezig. Twee loodsen zijn volledig opgebouwd uit plaatmateriaal. De resterende loods is opgebouwd uit een combinatie van stenen, hout en plaatmateriaal. De schuur betreft een voormalige hooischuur met een puntdak. De gevel van de schuur is betimmerd met houten planken en het dak is bedekt met metalen platen. Tussen de loodsen is dicht struweel aanwezig. Rondom de kassen en akkers zijn ondiepe sloten met steil oplopende oevers aanwezig. Tot het projectgebied zijn voor deze quickscan tevens de woningen aan de Noorddammerweg, J.C. van Hattemweg en Meerlandenweg betrokken. Langs deze wegen zijn bomenrijen en ondiepe watergangen aanwezig. Noorddammerweg In de eerdere quickscan maakten slechts twee gebouwen aan de Noorddammerweg onderdeel uit van het projectgebied. De gebouwen op nummer 78a-01 en 78b betreffen beide kassen die zijn opgebouwd uit plaatmateriaal en glas. Ten westen van de kas op 78a-01 is een gazon en een waterreservoir aanwezig.

Het terrein aan de westkant van 78b-1 bestaat uit gazon en enkele struiken. In deze quickscan zijn alle aangrenzende woningen meegenomen welke (aan de Noorddammerweg) zijn opgebouwd uit baksteen en een (zadel)dak met dakpannen hebben. Op het perceel van de Noorddammerweg 76a zijn drie wilgen met boomholtes en een rij met coniferen aanwezig. Een deel van deze woning is opgebouwd uit hout. Op het perceel zijn meerdere bomen en struiken aanwezig met een ondergroei van voornamelijk ruigtesoorten. Het perceel van nummer 78a is voornamelijk begroeid met gras, er zijn enkele bomen en een hoge struik aanwezig. De watergang grenzend aan het perceel is beschoeid met planken. Achter de woning zijn silo’s aanwezig die zijn opgebouwd uit plaatmateriaal. De gevel van de woning op nummer 80 is bedekt met pleisterwerk en houten gevelbeplating. Het perceel is begroeid met gras en langs de rand zijn meerdere gekandelaberde bomen en struiken aanwezig. Op het perceel zijn vier schuren aanwezig, waarvan er twee zijn opgebouwd uit hout en de andere twee uit plaatmateriaal.

9

J.C. van Hattemweg De gebouwen aan de J.C. van Hattemweg betreffen kassen en woningen. Het terrein ten noorden van de kas op nummer 7a betreft braakliggend terrein en het terrein voor 7-01 is volledig begroeid met gras. De woningen aan de J.C. van Hattemweg zijn opgebouwd uit bakstenen en hebben een zadeldak met dakpannen. Voor de woningen is een watergang aanwezig die aan de kant van de woningen is beschoeid met planken. De tuin van nummer 9 bestaat uit gras met enkele struiken en hagen. Voor de woning op nummer 7b is een tuin met sierhagen aanwezig. De tuin van nummer 7 is volledig begroeid met een verscheidenheid aan planten, struiken en bomen. Ten zuiden van de woning zijn meerdere bomen aanwezig met daartussen een takkenstapel. De tuin van nummer 5a bestaat voornamelijk uit gras met bij de oprit meerdere losstaande coniferen en een heg van coniferen. De tuin van nummer 5 bestaat uit gazon en meerdere (hoge) struiken en bomen. De loods naast de woning is opgebouwd uit plaatmateriaal. Meerlandenweg De kas aan de Meerlandenweg 1b in het projectgebied is opgebouwd uit plaatmateriaal en glas. Naast de kas is een grasveld aanwezig. Het gebouw aan de Meerlandenweg 3a betreft een loods dat is opgebouwd uit plaatmateriaal dat aan drie kanten is ingesloten door een kas. Ten zuiden van de loods staan vier watertanks.

De woningen aan de Meerlandenweg 1 en 3 zijn opgebouwd uit bakstenen en hebben een zadeldak met dakpannen. Beide woningen hebben een dakoverstek en bij de zijgevels is gevelbetimmering aanwezig. De tuinen bestaan uit gazon, struiken en voornamelijk lage beplanting. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.

2.2

ONTWIKKELINGEN De gemeente Amstelveen is voornemens het gehele projectgebied “De Scheg” te herontwikkelen van een gebied met voornamelijk kassen en landbouwgrond naar een woonwijk. In het gebied worden rijenwoningen, 2 onder 1 kapwoningen en vrijstaande woningen gerealiseerd. Het streven is om in elke straat een groenstrook te realiseren en waar mogelijk groen te realiseren. In het projectgebied worden meerdere watergangen en waterpartijen gerealiseerd. Op afbeelding 2 is een voorlopig ontwerp van de nieuwe situatie weergegeven. Onderstaande rapportage beperkt zich tot “De Scheg Midden”.

Afbeelding 2: Voorlopig ontwerp nieuwe situatie (bron: gemeente Amstelveen)

10

3

SOORTBESCHERMING

3.1

BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.

Voor de provincie Noord-Holland zijn middels artikel 4 van de “Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland” soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten. Daarnaast geldt in de provincie Noord-Holland een meldingsplicht bij aanvang van de werkzaamheden indien gebruik wordt gemaakt van deze vrijstelling.

3.2

HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 22 mei 2023 en is uitgevoerd door ing. J.C.H. den Hollander. Tijdens de habitatscan was het droog, zonnig, 18 °C en windkracht 2. 3.2.1

VLEERMUIZEN

De schuur en loodsen aan de westkant van het projectgebied bieden potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. Achter de houten gevelbetimmering op de hooischuur en loods zijn ruimtes aanwezig die door vleermuizen als verblijfplaatsen kunnen worden gebruikt. In de vier loodsen zijn openingen aanwezig die toegang kunnen geven tot de binnenruimte in de loods. Deze gebouwen waren tijdens de quickscan niet toegankelijk en derhalve niet onderzocht op de aanwezigheid van sporen. De ruimtes in de loodsen en de schuur kunnen door vleermuizen als verblijfplaats worden gebruikt. De overige gebouwen bieden tevens potentiële verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. Het gebouw aan de Meerlandenweg 3a in het projectgebied biedt geen potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. Tussen het plaatmateriaal op de gevel en het dak zijn geen openingen, kieren of ruimtes aanwezig die door vleermuizen als invliegopening kunnen worden gebruikt. Het plaatmateriaal is bovendien te glad om als landingsplaats door vleermuizen te kunnen worden benut. Alle woningen langs de Noorddammerweg, J.C. van Hattumweg en Meerlandenweg bieden potentiële verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen.

In de woningen zijn kieren en openingen aanwezig, zoals open stootvoegen, gaten bij dakranden, ruimtes onder dakpannen, kieren bij kozijnen en ruimtes achter gevelbetimmering die door vleermuizen als invliegopening en verblijfplaats kunnen worden gebruikt. In de wilgen op het perceel van Noorddammerdijk 76a zijn meerdere boomholtes aanwezig. Deze boomholtes bieden potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen. De bomen in de tuinen van de woningen grenzend aan het projectgebied konden niet volledig worden onderzocht op de aanwezigheid van holtes. Het is

11

aan te bevelen in de winterperiode, als er geen blad aan de bomen zit, een bomencheck naar de aanwezigheid van boomholtes uit te voeren. De bomenrijen langs de wegen naast het projectgebied en watergangen in het projectgebied kunnen door vleermuizen als vliegroute worden gebruikt. De bomen, struiken en watergangen in en rond het projectgebied bieden luwte en insecten en kunnen door vleermuizen als foerageergebied worden gebruikt.

3.2.2

GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN

In de omgeving van het projectgebied zijn de boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel bekend voor te komen. De loodsen en schuur aan de westkant binnen het projectgebied bieden potentiële verblijfplaatsen voor marterachtigen. De loodsen en schuren zijn (gedeeltelijk) toegankelijk en rond de schuren is dicht (braam)struweel aanwezig dat als verblijfplaats kan worden gebruikt. De kassen in het projectgebied zijn tijdens de quickscan niet inpandig onderzocht. De kassen kunnen mogelijk door marterachtigen als verblijfplaats worden gebruikt. De tuinen van de woningen bieden eveneens potentiële verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen en de steenmarter. In een groot aantal tuinen is dicht struweel aanwezig en/of stapels met takken en stenen, welke door marterachtigen als verblijfplaats kunnen worden gebruikt (zie afbeelding 3). In de tuin van de woningen aan de J.C. van Hattemweg 7 is een grote takkenstapel aanwezig, welke als verblijfplaats kan worden gebruikt, zie afbeelding 4.

Afbeelding 3 en 4: Potentiële verblijfplaatsen marterachtigen

Het projectgebied biedt geschikte verblijfplaatsen voor de bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel. De boommarter komt voornamelijk voor in bosgebieden. In het projectgebied is te weinig aaneengesloten (bos)gebied aanwezig om als leefgebied van de boommarter te kunnen functioneren. Het projectgebied is daarnaast niet verbonden met bosgebieden in de omgeving. De dichtstbijzijnde waarneming van de boommarter is afkomstig uit het Amsterdamse bos. Tussen dit gebied en het projectgebied is een grote woonwijk aanwezig, derhalve is het projectgebied niet bereikbaar voor de boommarter. In de bomen in en buiten het projectgebied zijn geen grote boomholtes waargenomen die door de boommarter als verblijfplaats kunnen worden gebruikt. De boommarter wordt in het projectgebied niet verwacht voor te komen. In de omgeving zijn waarnemingen van de eekhoorn en de waterspitsmuis bekend. De eekhoorn komt voornamelijk voor in bosgebieden. In het projectgebied zijn onvoldoende aaneengesloten (bos)gebieden die als leefgebied door de eekhoorn kunnen worden gebruikt. De dichtstbijzijnde populatie van de eekhoorn bevindt zich in het Amsterdamse bos. Tussen het bos en het projectgebied is een grote woonwijk aanwezig. Hierdoor staat het projectgebied niet in verbinding met bosgebieden en bekende populaties van de eekhoorn in de omgeving.

Nesten van de eekhoorn worden niet in het projectgebied verwacht voor te komen. De waterspitsmuis komt voor rond watergangen met helder water en ontwikkelde oever- en watervegetatie. De oevers van de watergangen in het projectgebied zijn over het algemeen steil en de rietkraag langs de watergangen is smal of afwezig. De watergangen zijn daarnaast ondiep en kunnen een deel van het jaar droog liggen. Door het ontbreken van een ontwikkelde oevervegetatie en voldoende voedsel wordt de waterspitsmuis niet in het projectgebied verwacht voor te komen. In het projectgebied kunnen mogelijk algemene zoogdieren, zoals de egel, haas, konijn, vos en verschillende soorten muizen voorkomen.

12

3.2.3

VOGELS

Alle woningen bieden potentiële nestlocaties voor de gierzwaluw. Alle woningen hebben een (zadel)dak met dakpannen. De overhangende dakpannen kunnen potentieel door de gierzwaluw als invliegopening worden gebruikt en ruimtes onder de dakpannen kunnen als nestlocatie worden gebruikt. De overige loodsen, schuren en kassen in het projectgebied bieden geen potentiële nestlocaties voor de gierzwaluw. In deze overige gebouwen zijn geen potentiële invliegopeningen en geschikte ruimtes voor nestlocaties aanwezig. Alle woningen bieden geschikte nestlocaties voor de huismus. Ruimtes onder dakpannen kunnen door de huismus als invliegopening en nestlocatie worden gebruikt. De tuinen rondom de woningen kunnen onderdeel uitmaken van het essentieel leefgebied van de huismus. De overige kassen en andere vormen van bebouwing bieden geen potentiële nestlocaties voor de huismus. Tijdens de habitatscan zijn er in het projectgebied en nabij de omliggende woningen geen individuen van de huismus waargenomen. Binnen het projectgebied zijn meerdere waarnemingen van de ransuil bekend. De bewoner van de J.C. van Hattemweg 7 heeft in 2021 reeds genoemd dat er jaarlijks in de winter een aantal individuen van de ransuil in de bomen in de tuin aanwezig zijn. In en direct naast het projectgebied zijn meerdere groenblijvende bomen aanwezig die als roestplaats door de ransuil kunnen worden gebruikt.

Eén van deze als geschikt aangewezen bomen, was ten tijde van de habitatscan deels geknakt waardoor twee potentieel jaarrond beschermde nesten zichtbaar zijn geworden (afbeelding 5 en 6).

Afbeelding 5 en 6: Potentieel jaarrond beschermde nesten in projectgebied

In de bomen in de rest van het projectgebied zijn geen potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels waargenomen. Niet alle bomen waren echter volledig te overzien. Het is mogelijk dat door het blad aan de bomen potentieel jaarrond beschermde nesten aan het zicht waren onttrokken. Hierdoor is het niet mogelijk om de aanwezigheid van potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels in en rond het projectgebied uit te sluiten. Een aanvullende bomencheck in de winterperiode is aan te bevelen om de aanwezigheid van potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels aan te tonen, dan wel uit te sluiten. De schuren, loodsen en kassen in het projectgebied zijn tijdens de habitatscan niet volledig onderzocht. Het is onduidelijk of de gebouwen geschikte nestlocaties voor de kerkuil en de steenuil bieden. Het is aan te bevelen een inpandige inspectie in de gebouwen uit te voeren om de potentiële aanwezigheid van vaste rustplaatsen of nestlocaties van de kerkuil en de steenuil te beoordelen. De bebouwing en groenstructuren in en rond het projectgebied kunnen door algemene broedvogels als nestlocatie worden gebruikt.

3.2.4

AMFIBIEËN

In de omgeving is de rugstreeppad bekend voor te komen. De ondiepe watergangen in het projectgebied bieden geschikt voortplantingsbiotoop voor de rugstreeppad. De oevers en akkers kunnen door de rugstreeppad als landbiotoop worden gebruikt. De kassen bieden geschikt overwinteringsbiotoop voor de rugstreeppad en rond de woningen en kassen zijn meerdere geschikte schuilplaatsen, zoals stapels met takken en stenen aanwezig. Het projectgebied biedt geschikt habitat voor de rugstreeppad. De rugstreeppad is in het verleden veelvuldig door Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. aangetroffen.

13

De watergangen in het projectgebied bieden eveneens geschikt habitat voor algemene amfibieën, zoals de bastaardkikker en de gewone pad.

3.2.5

REPTIELEN

In de omgeving zijn waarnemingen van de ringslang bekend. Dit betreft waarnemingen uit de Amstelveense Poel, het Amsterdamse Bos en de Vinkeveense Plassen. In het projectgebied zijn geen potentiële broeihopen aanwezig die door de ringslang als voortplantingsbiotoop kunnen worden gebruikt. Het projectgebied is geschikt als foerageergebied voor de ringslang en de oevers van de watergangen kunnen door de ringslang als zonplaats worden gebruikt. Tussen de bekende populaties van de ringslang en het projectgebied zijn meerdere barrières aanwezig, zoals grote wegen en woonwijken. Door het ontbreken van geschikte broeihopen en gezien de afstand van het projectgebied tot bekende populaties van de ringslang worden er geen beschermde functies voor de ringslang in het projectgebied verwacht voor te komen.

3.2.6

VISSEN

In de omgeving van het projectgebied zijn geen beschermde vissen bekend voor te komen. De watergangen in het projectgebied zijn veelal ondiep en kunnen hierdoor snel opdrogen. Gezien de habitatkenmerken van de watergangen en de verspreiding van beschermde vissoorten in de omgeving, worden er geen beschermde vissen in het projectgebied verwacht voor te komen. In de watergangen die niet droog vallen kunnen mogelijk algemene vissen voorkomen.

3.2.7

ONGEWERVELDEN

De onderzochte groep ongewervelden bestaat onder andere uit vlinders, libellen en weekdieren. In de omgeving zijn waarnemingen van de platte schijfhoren bekend. Deze waterslak komt voornamelijk voor in watergangen met helder water en een ontwikkelde watervegetatie. Door het ontbreken van watervegetatie in de watergangen wordt de platte schijfhoren niet in het projectgebied verwacht voor te komen. Vanwege het ontbreken van waardplanten voor beschermde vlinders en watergangen met een ontwikkelde oever- en watervegetatie voor libellen en weekdieren, worden er geen beschermde ongewervelden in het projectgebied verwacht voor te komen.

3.2.8

VAATPLANTEN

In de omgeving van het projectgebied zijn standplaatsen van dreps, karthuizeranjer, naakte lathyrus en wilde ridderspoor bekend. Dreps komt voornamelijk voor op kalkarme akkers en de karthuizeranjer is te vinden op voedselarme en stikstofarme gronden. Naakte lathyrus komt in het midden van het land voor langs droge spoorbermen en wilde ridderspoor heeft zijn standplaats op kalkhoudende zandige klei. De akkers in het projectgebied zijn begroeid met gras dat wordt gemaaid of worden actief gebruikt voor de teelt van gewassen. De voedselrijke grond van de bieden geen geschikte standplaatsen voor bovengenoemde beschermde vaatplanten. Door het ontbreken van geschikt habitat worden er geen beschermde vaatplanten in het projectgebied verwacht voor te komen.

3.2.9

MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES

Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In tabel 1 is beschreven welke beschermde soorten en functies in het projectgebied niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies in het projectgebied Soort / soortgroep

Functies

Bescherming Wnb

Mogelijk aanwezig in:

Algemene amfibieën, vissen en

Leefgebied

Artikel 3.10 (Bijlage A)

Hele projectgebied

zoogdieren* Broedvogels Broedvogels

met

Nesten

Artikel 3.1 (VR)

Gebouwen en groenstructuren

jaarrond

Nesten

Artikel 3.1 (VR)

Bomen, loodsen en schuren

hermelijn,

Verblijfplaats(en)

Artikel 3.10 (Bijlage A)

Kassen,

beschermde nesten Bunzing, steenmarter en wezel Gierzwaluw Huismus

schuren

Nestlocaties

Artikel 3.1 (VR)

Bebouwing

Nestlocaties

Artikel 3.1 (VR)

Bebouwing

Artikel 3.1 (VR)

Kassen, loodsen en schuren

Essentieel leefgebied Kerkuil

loodsen,

en

groenstructuren

Nesten

en

vaste

Tuinen en groenstructuren

rustplaats

14

Ransuil

Nestlocaties

Artikel 3.1 (VR)

(Wintergroene) bomen

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)

Gehele projectgebied

Artikel 3.1 (VR)

Kassen, loodsen en schuren

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)

Bebouwing, loodsen en schuren

Roestplaats Rugstreeppad

Voortplantingsbiotoop Overwinteringsplaatsen

Steenuil

Nesten

en

vaste

rustplaats Vleermuizen

Verblijfplaats(en)

Boomholtes Noorddammerdijk 76a Foerageergebied Vliegroutes *Vrijgesteld in de provincie Noord-Holland

Gehele projectgebied Lijnvormige structuren

3.3

EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. 3.3.1

EFFECTEN ONTWIKKELINGEN

De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Tijdelijke effecten De geplande werkzaamheden zullen mogelijk gepaard gaan met effecten van tijdelijke invloed door geluid en trillingen. Dit verstoort mogelijk de algemene amfibieën, (broed)vogels en zoogdieren die gebruik maken van het projectgebied. Permanente effecten In het projectgebied zijn mogelijk nesten en vaste rustplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig. Tijdens de geplande werkzaamheden kunnen er mogelijk nesten of rustplaatsen verloren gaan en kunnen er vogels worden verstoord of gedood In het projectgebied zijn potentiële verblijfplaatsen voor de bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel aanwezig. Tijdens de werkzaamheden kunnen er verblijfplaatsen worden vernietigd en individuen van marterachtigen worden gedood. Tijdens de werkzaamheden kan voortplantings- en overwinteringsbiotoop van de rugstreeppad verloren gaan. Daarnaast kunnen er individuen worden verstoord of gedood. In het projectgebied zijn mogelijk nesten van de gierzwaluw en de huismus aanwezig. Ten gevolge van de geplande werkzaamheden kunnen deze verloren gaan en kunnen individuen worden gedood. Tijdens de werkzaamheden kan er daarnaast mogelijk essentieel leefgebied van de huismus verloren gaan.

Met het amoveren van het projectgebied kunnen er mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan er kunnen daarnaast individuen worden verstoord of gedood. Tijdens de werkzaamheden kunnen daarnaast potentiële vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen verloren gaan. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) plaatsvinden kunnen mogelijke nestlocaties van algemene broedvogels worden vernietigd en (jonge) vogels worden gedood. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën, vissen en zoogdieren worden gedood. Tabel 3: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep

Effect

Verbodsbepaling

Algemene amfibieën, vissen

Opzettelijk doden

Artikel 3.10 (Bijlage A)

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

en zoogdieren* Broedvogels

15

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Broedvogels met jaarrond

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

beschermde nesten

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Bunzing, hermelijn,

Opzettelijk doden

Artikel 3.10 (Bijlage A)

steenmarter en wezel

Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 3.10 (Bijlage A)

Gierzwaluw

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Opzettelijk doden

Artikel 3.1 (VR) Lid 1

Huismus

Kerkuil, steenuil en ransuil

Rugstreeppad

Vleermuizen

Opzettelijk vernielen / beschadigen nest

Artikel 3.1 (VR) Lid 2

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.1 (VR) Lid 4

Opzettelijk doden

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2

Opzettelijk vernielen / beschadigen voortplantingshabitat

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4

Opzettelijk doden

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1

Opzettelijk verstoren

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2

Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4

3.4

AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING

3.4.1

AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED

Het projectgebied herbergt mogelijk functies voor beschermde soorten. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het is aan te bevelen nader onderzoek te doen naar nestlocaties van broedvogels met een categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd nest, verblijfplaatsen van marterachtigen, voortplantingshabitat van de rugstreeppad en verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen. Het is noodzakelijk om in de winterperiode een bomencheck en inpandig onderzoek naar de aanwezigheid van functies of individuen van beschermde soorten uit te voeren. Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, kerkuil, ransuil, sperwer en de steenuil. Het onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in de bebouwing dient afgestemd te worden op de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en de ruige dwergvleermuis. Het onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in boomholtes dient op basis van de grootte van de holtes, afgestemd te worden op de gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis.

3.4.2

MITIGERENDE MAATREGELEN

Om overtreding op de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de volgende maatregelen te worden genomen. Er zijn mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties of vaste rustplaatsen van de vogels (categorie 1 t/m 4) aanwezig. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van nestlocaties zullen (indien nestlocaties aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden; Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van marterachtigen aanwezig binnen het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden; Er zijn in de bomen en gebouwen in en naast het projectgebied mogelijk verblijfplaatsen van boombewonende en gebouwbewonende vleermuizen aanwezig. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden; In de winterperiode dienen de bomen in en rond het projectgebied te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van boomholtes voor vleermuizen en potentieel jaarrond beschermde nesten van vogels. Daarnaast is het aan te bevelen in de winterperiode alle gebouwen te inspecteren op de aanwezigheid van sporen van beschermde soorten en nestlocaties van de kerkuil en de steenuil;

16

-

-

-

-

3.4.3

Het projectgebied biedt geschikt voortplantingsbiotoop voor de rugstreeppad. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van de rugstreeppad zullen (indien individuen worden waargenomen) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden; Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zullen bomen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen; Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën, vissen en zoogdieren worden gedood. Hiervoor geldt een meldplicht bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling; De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten. In een ecologisch werkprotocol moet worden uitgewerkt hoe het doden van dieren kan worden voorkomen.

ONTHEFFING WET NATUURBESCHERMING

De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming kan op voorhand niet worden uitgesloten. Uit aanvullende onderzoeken zal moeten blijken of er beschermde functies of dieren in het projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten met de werkzaamheden mogelijk gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor beschermde soorten en verstoring niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Hier kunnen voorwaarden in de vorm van mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.

17

4

GEBIEDSBESCHERMING

Binnen het projectgebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ligt op ruim 6 kilometer van het projectgebied en betreft “Boltshol”. Op circa 750 meter van het projectgebied ligt een gedeelte van het NNN, zie afbeelding 7. Dit betreft de ecologische verbindingszone “Bovenkerkerpolder”.

Afbeelding 7: Projectgebied ten opzichte van beschermde natuur (bron: geoapps.noord-holland.nl)

4.1

EFFECTEN Het projectgebied bevindt zich niet in de nabijheid van beschermde natuur. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunne een toename in stikstofemissie tot gevolg hebben. De emissie van stikstof is onder te verdelen in de emissie tijdens de realisatiefase en de emissie tijdens de gebruiksfase. Tijdens de geplande ontwikkeling in het projectgebied is in de realisatiefase een tijdelijke toename in emissie van stikstof te verwachten. De werkzaamheden zullen leiden tot een tijdelijke toename in het aantal verkeersbewegingen in de omgeving van het projectgebied. De langdurige inzet van groot materieel kan tevens zorgen voor een tijdelijk toename in stikstofemissie. In de gebruiksfase is er naar verwachting sprake van een verandering in de stikstofemissie. In de nieuwe situatie is er mogelijk een toename in het aantal verkeersbewegingen in het projectgebied. Of de woningen in de gebruiksfase zullen leiden tot een toename in stikstofemissie is afhankelijk van de bouw van de woningen en of deze worden aangesloten op het gasnetwerk. Er is een berekening van de stikstofemissie in de gebruiksfase met behulp van de “AERIUS-calculator” benodigd.

18

5

HOUTOPSTANDEN

In de Wet natuurbescherming zijn houtopstanden van minimaal 10 are en bomenrijen van meer dan 20 bomen buiten de bebouwde komgrenzen in het kader van de Wet natuurbescherming beschermt. Indien er kapwerkzaamheden van houtopstanden plaatsvinden welke zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, is een kapmelding bij de Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland verplicht. De bomen in het projectgebied bevinden zich buiten de door de gemeenteraad van Amstelveen vastgestelde bebouwde kom in het kader van de Boswet, zie afbeelding 8. De bepalingen uit de Wet natuurbescherming voor houtopstanden is derhalve van toepassing op de bomen in het projectgebied.

Afbeelding 8: Grenzen bebouwde kom Amstelveen (APV Amstelveen)

In Artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming zijn een aantal uitzonderingen opgenomen: b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed; f. uit populieren of wilgen bestaande: 1. wegbeplantingen; 2. beplantingen langs waterwegen, en 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g. het dunnen van een houtopstand; h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013. 19

Een gedeelte van de houtopstanden in het projectgebied, vallen niet onder de uitzonderingen uit artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming. Op dit moment is het niet duidelijk welke bomen zullen worden gekapt. Indien er tijdens de werkzaamheden houtopstanden worden gekapt met een oppervlakte van 10 are of bomenrijen worden gekapt van ten minste 21 bomen, is een kapmelding verplicht bij de provincie Noord Holland. Op dit moment kan niet worden beoordeeld of de aanvraag van een kapmelding benodigd is.

20

6

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

6.1

CONCLUSIES De bebouwing en omliggende tuinen en groenstructuren in het projectgebied bieden potentiële verblijfplaatsen voor de bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel. Tijdens de geplande ontwikkeling kunnen mogelijk verblijfplaatsen van marterachtigen verloren gaan en kunnen individuen worden gedood. Het gehele projectgebied bied geschikt habitat voor de rugstreeppad. Tijdens de geplande ontwikkeling kunnen voortplantingsbiotoop, landbiotoop en overwinteringsplaatsen van de rugstreeppad verloren gaan. Daarnaast kunnen er individuen van de rugstreeppad worden gedood. De bomen in het projectgebied kunnen door de ransuil als roestplaats worden gebruikt. De schuren en loodsen in het projectgebied kunnen mogelijk als nestlocatie door de steenuil en de kerkuil worden gebruikt. In de bomen in het projectgebied zijn twee potentieel jaarrond beschermde nesten waargenomen. Door het blad aan de bomen zijn er mogelijk andere nesten aan het zicht onttrokken. De aanwezigheid van meer jaarrond beschermde nesten van vogels kan derhalve niet worden uitgesloten. Tijdens de geplande ontwikkelingen kunnen er mogelijk jaarrond beschermde nesten van vogels verloren gaan en vogels worden verstoord en/of gedood. De woningen in het projectgebied zijn geschikt voor nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus.

Ten gevolge van de geplande werkzaamheden kunnen deze verloren gaan en kunnen individuen worden gedood. Met de werkzaamheden kan er daarnaast mogelijk essentieel leefgebied van de huismus verloren gaan. De bebouwing in het projectgebied biedt potentie als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Daarnaast zijn er in de bomen in het projectgebied holtes aanwezig die door boombewonende vleermuizen als verblijfplaats kunnen worden gebruikt. Het projectgebied en de directe omgeving kan door vleermuizen als foerageergebied en vliegroute worden gebruikt. Ten gevolge van de geplande werkzaamheden kunnen er mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan, kunnen er individuen worden verstoord of gedood en kunnen potentiële vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen verloren gaan. In het projectgebied kunnen algemene amfibieën, broedvogels, vissen en zoogdieren voorkomen. Individuen van algemene soorten kunnen tijdens de werkzaamheden worden gedood. Het projectgebied is niet gelegen in het NNN of Natura 2000-gebieden Tijdens de geplande ontwikkeling in het projectgebied is in de realisatiefase een tijdelijke toename in emissie van stikstof te verwachten. In de gebruiksfase is er naar verwachting sprake van een verandering in de stikstofemissie.

Derhalve is er een berekening van de stikstofemissie in de gebruiksfase met behulp van de “AERIUS-calculator” benodigd. Het projectgebied bevindt zich buiten de bebouwde kom van de gemeente Amstelveen. Voor de bomen in het projectgebied zijn de bepalingen uit de Wet natuurbescherming betreffend houtopstanden van toepassing. Op dit moment is het niet duidelijk welke bomen zullen worden gekapt. Indien er tijdens de werkzaamheden houtopstanden worden gekapt met een oppervlakte van 10 are of bomenrijen worden gekapt van ten minste 21 bomen, is een kapmelding verplicht bij de provincie Noord Holland. Op dit moment kan niet worden beoordeeld of de aanvraag van een kapmelding benodigd is.

6.2

AANBEVELINGEN Er is nader onderzoek naar broedvogels met jaarrond beschermde nesten, gierzwaluw, huismus, kleine marterachtigen, rugstreeppad, steenmarter en vleermuizen benodigd, alvorens men aan de werkzaamheden kan beginnen. Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, kerkuil, ransuil, sperwer en de steenuil. Het onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in de bebouwing dient afgestemd te worden op de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en de ruige dwergvleermuis. Het onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in boomholtes dient afgestemd te worden op de rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis.

21

Er is een bomencheck in de winterperiode benodigd ten einde de aanwezigheid van potentieel jaarrond beschermde nesten en boomholtes in de bomen in en rond het projectgebied vast te stellen. Daarnaast is het aan te bevelen de gebouwen in het projectgebied inpandig te inspecteren op de aanwezigheid van sporen van beschermde soorten en specifiek op de aanwezigheid van nestlocaties van de kerkuil en de steenuil. Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) uit te voeren of maatregelen te treffen om de vestiging van broedgevallen van algemene vogels te voorkomen. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen van vogels plaatsvinden kunnen mogelijke nestlocaties van algemene broedvogels worden vernietigd. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën, vissen en zoogdieren worden gedood. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën, vissen en zoogdieren te voorkomen. Deze maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=3ccde02e-db1a-4b5a-a65c-d97e8ed41f5a