Bijlage 12 Ecologisch werkprotocol TAM-plan Kronenburg
Tekst van het document
KRONENBURG UILENSTEDE TE AMSTELVEEN Ecologisch Werkprotocol
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 3-9-2024
VERANTWOORDING
Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:
RoosRos Architecten Mevr. M. de Jongh Claude Debussylaan 223 1082 MC Amsterdam margaretha@roosros.nl
Uitvoering: Adres: Tel: E-mail:
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 64 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com
Projectleider:
J.I. Andringa MSc.
Auteur: Kwaliteitscontrole:
J.I. Andringa MSc. ing. S. van Lieshout
Projectcode: Datum:
RREC2401 3-9-2024
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.
Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland.
2
Samenvatting
Overzicht per perceel Perceel
Te nemen maatregelen
Periode
A, B, D en E
Sloopwerkzaamheden en bouwrijp maken indien
Globaal maart – augustus
mogelijk buiten broedseizoen uitvoeren, anders is een broedvogelinspectie noodzakelijk. Nachtelijke verlichting minimaliseren en bij voorkeur geen
werkzaamheden
in
nachtelijke
uren
April – oktober
om
verstoring vleermuizen te voorkomen. Schouw voorafgaand aan verwijderen groen op
November – maart
aanwezigheid overwinterende soorten zoals egel. Werkzaamheden aan watergangen alleen uitvoeren bij temperaturen tussen 0 tot 25 °C (buitentemperatuur).
Gehele jaar
In het geval van opsluiting van aquatische soorten is afvangen door ecoloog noodzakelijk. C
Sloopwerkzaamheden en bouwrijp maken indien
Globaal maart – augustus
mogelijk buiten broedseizoen uitvoeren, anders is een broedvogelinspectie noodzakelijk. Nachtelijke verlichting minimaliseren en bij voorkeur geen
werkzaamheden
in
nachtelijke
uren
April – oktober
om
verstoring vleermuizen te voorkomen. Schouw voorafgaand aan verwijderen groen op
November – maart
aanwezigheid overwinterende soorten zoals egel. Werkzaamheden aan watergangen alleen uitvoeren bij temperaturen tussen 0 tot 25 °C (buitentemperatuur).
Gehele jaar
In het geval van opsluiting van aquatische soorten is afvangen door ecoloog noodzakelijk. Specifiek voor C Navraag doen bij DUWO of de geplaatste tijdelijke
(Ruim) voor start sloopwerkzaamheden
vleermuiskasten op de gebouwen kunnen blijven hangen totdat nieuwbouw gereed is. Indienen
melding
start
werkzaamheden
Minimaal 5 dagen voor start werkzaamheden
omgevingsdienst.
G
Gebouw ongeschikt maken voor vleermuizen en
Voor aanvang sloopwerkzaamheden. Alleen mogelijk
aansluitend controleronde vleermuizen en natuurvrij
in periode 1 april – 15 augustus en 15 oktober – 1
verklaring ecoloog.
november (harde voorwaarde ontheffing)
Realisatie 4 inbouwkasten in nieuwbouw
Tijdens bouwwerkzaamheden
Sloopwerkzaamheden en bouwrijp maken indien
Globaal maart – augustus
mogelijk buiten broedseizoen uitvoeren, anders is een broedvogelinspectie noodzakelijk.
3
Nachtelijke verlichting minimaliseren en bij voorkeur geen
werkzaamheden
in
nachtelijke
uren
April – oktober
om
verstoring vleermuizen te voorkomen. Schouw voorafgaand aan verwijderen groen op
November – maart
aanwezigheid overwinterende soorten zoals egel. Werkzaamheden aan watergangen alleen uitvoeren bij temperaturen tussen 0 tot 25 °C (buitentemperatuur).
Gehele jaar
In het geval van opsluiting van aquatische soorten is afvangen door ecoloog noodzakelijk. Specifiek voor G Navraag doen bij DUWO of de geplaatste tijdelijke
(Ruim) voor start sloopwerkzaamheden
vleermuiskasten op de gebouwen kunnen blijven hangen totdat nieuwbouw gereed is. Indienen
melding
start
werkzaamheden
Minimaal 5 dagen voor start werkzaamheden
omgevingsdienst.
F
Gebouw ongeschikt maken voor vleermuizen en
Voor aanvang sloopwerkzaamheden. Alleen mogelijk
aansluitend controleronde vleermuizen en natuurvrij
in periode 1 april – 15 augustus en 15 oktober – 1
verklaring ecoloog.
november (harde voorwaarde ontheffing)
Realisatie 16 inbouwkasten in nieuwbouw
Tijdens bouwwerkzaamheden
Sloopwerkzaamheden en bouwrijp maken indien
Globaal maart – augustus
mogelijk buiten broedseizoen uitvoeren, anders is een broedvogelinspectie noodzakelijk. Nachtelijke verlichting minimaliseren en bij voorkeur geen
werkzaamheden
in
nachtelijke
uren
April – oktober
om
verstoring vleermuizen te voorkomen. Schouw voorafgaand aan verwijderen groen op
November – maart
aanwezigheid overwinterende soorten zoals egel. Werkzaamheden aan watergangen alleen uitvoeren bij temperaturen tussen 0 tot 25 °C (buitentemperatuur).
Gehele jaar
In het geval van opsluiting van aquatische soorten is afvangen door ecoloog noodzakelijk. Specifiek voor F Opstellen inrichting-
en
beheersplan
Kleine
(Ruim) voor start werkzaamheden
marterachtigen en indienen omgevingsdienst. Indienen
melding
start
werkzaamheden
Minimaal 5 dagen voor start werkzaamheden
omgevingsdienst. Verwijderen groenstructuren en aanleg voorzieningen
1 september – 15 maart (harde voorwaarde ontheffing)
marterachtigen onder begeleiding ecoloog.
4
Overzicht per type werkzaamheden Maatregelen verwijderen bomen en groenstructuren Mitigerende
-
De werkzaamheden worden buiten het broedseizoen van vogels uitgevoerd;
maatregelen
-
Indien er toch werkzaamheden in het broedseizoen voor vogels worden uitgevoerd, wordt er voorafgaand aan werkzaamheden een inspectie naar de aanwezigheid van broedgevallen uitgevoerd. Deze inspectie dient te worden uitgevoerd door een deskundige* op het gebied van broedvogels;
-
De werkzaamheden worden overdag uitgevoerd om verstoring van vleermuizen te voorkomen;
-
Indien er groenstructuren in de periode november t/m maart worden verwijderd, dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een controle te worden uitgevoerd op de aanwezigheid van overwinterende amfibieën en zoogdieren zoals de egel.
-
De werkzaamheden dienen zo veel mogelijk richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd, waardoor de aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen
Periode
vluchten. De optimale periode voor het verwijderen van groenstructuren betreft september en oktober. Buiten deze periode dient er rekening te worden gehouden met broedgevallen van vogels en/of (overwinterende) amfibieën en zoogdieren.
Onverwachte
Indien tijdens werkzaamheden onverhoopt toch broedgevallen van vogels worden aangetroffen,
aanwezigheid
dienen de werkzaamheden direct te worden gestaakt en wordt een deskundige op het gebied van broedvogels ingeschakeld. De werkzaamheden kunnen worden hervat, wanneer de deskundige een bevredigende oplossing heeft gevonden om schade aan het broedgeval te voorkomen. Indien er winterverblijfplaatsen van amfibieën of zoogdieren worden aangetroffen, dienen deze intact te blijven tot na de winterperiode. In overleg met de betrokken ecoloog wordt bepaald wanneer de werkzaamheden kunnen worden hervat. Maatregelen werkzaamheden watergangen
Mitigerende
-
Er wordt één kant opgewerkt, richting open water, zodat dieren voor de werkzaamheden kunnen uitvluchten. Indien dit niet mogelijk is dienen de aanwezige dieren in de watergang
maatregelen
te worden afgevangen door een deskundige* op het gebied van amfibieën en vissen. -
Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd bij een watertemperatuur van rond of onder het vriespunt of indien de watertemperatuur hoger is dan 25 °C. De exacte temperatuur grenzen worden door een deskundige ecoloog bepaald;
-
De werkzaamheden worden gedurende de dag uitgevoerd en er wordt geen gebruik gemaakt van nachtelijke verlichting.
Gebied A/B
Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen de aanwezige amfibieën en vissen te worden weggevangen. Deze werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd of begeleid door een deskundige op het gebied van amfibieën en vissen. Daarnaast dienen de werkzaamheden aan de waterpartij in de maanden september en oktober te worden uitgevoerd.
Gebieden C/D/F
Indien er een tijdelijke damwand wordt geplaats om de oever van de watergang in de deelgebieden aan te passen, dienen de aanwezige dieren tussen de damwand en de oever te worden afgevangen. Indien er geen delen van de watergang worden afgezet, kunnen de werkzaamheden doorgang vinden zonder het afvangen van de aanwezige individuen.
Periode
De optimale periode om dempingswerkzaamheden uit te voeren is in september en oktober. Buiten deze periode dient rekening te worden gehouden met de voortplanting van amfibieën en vissen, (late) broedgevallen van watervogels en met overwinterende amfibieën.
Onverwachte
Indien tijdens werkzaamheden onverhoopt toch beschermde amfibieën of vissen worden
aanwezigheid
aangetroffen, dienen de werkzaamheden direct te worden gestaakt en wordt een deskundige op het gebied van amfibieën, broedvogels en vissen ingeschakeld. De werkzaamheden kunnen worden hervat, wanneer de deskundige een bevredigende oplossing heeft gevonden om schade aan de soort te voorkomen.
Minimaal vijf werkdagen voorafgaand aan de werkzaamheden moet een melding worden gedaan van de start werkzaamheden via het digitale meldformulier ‘Formulier start ruimtelijke ingreep’ op de website van Omgevingsdienst Noord-Holland Noord.
5
Maatregelen ongeschikt maken voor vleermuizen en amoveren gebouwen C en G Mitigerende
-
maatregelen
Gebouw C dient ongeschikt gemaakt te worden voor vleermuizen. Dit wordt gedaan door de witte asbesthoudende platen op de trap te verwijderen.
-
Voorafgaand aan de asbestsanering van de trap van gebouw C wordt een controleronde
-
Gebouw G wordt ongeschikt gemaakt doormiddel van het verwijderen van alle
naar de aanwezigheid van vleermuizen uitgevoerd. zonneschermen op het gebouw. -
De werking van de maatregelen voor het ongeschikt maken van de gebouwen voor vleermuizen zal worden onderzocht door middel van een inspectie met behulp van een batdetector. Deze inspectie zal worden uitgevoerd onder voor vleermuizen gunstige weersomstandigheden (minimaal 10°C, droog en maximaal windkracht 4 Bft.).
-
Als tijdens de inspectie blijkt dat er nog vleermuizen in het gebouw aanwezig zijn, moeten er aanvullende maatregelen worden genomen om het gebouw ongeschikt te maken. Deze maatregelen worden door de betrokken deskundige bepaald. Hierna dient een extra controle naar de werkzaamheden van deze nieuwe maatregelen te worden uitgevoerd.
-
De sloop zal alleen in gang worden gezet, indien door de betrokken deskundige op basis van de inspectie is vastgesteld dat er zich geen vleermuizen of andere dieren in het
Periode
gebouw bevinden. Nader te bepalen
Onverwachte
Indien tijdens werkzaamheden onverhoopt toch vleermuizen worden aangetroffen, dienen de
aanwezigheid
werkzaamheden direct te worden gestaakt en wordt een deskundige op het gebied van vleermuizen ingeschakeld. De werkzaamheden kunnen worden hervat, wanneer de deskundige een bevredigende oplossing heeft gevonden.
Plaatsing inbouwkasten nieuwe gebouwen C en G Gebouw C
Ter compensatie van de zomerverblijfplaats in gebouw C worden er in de zuidgevel van het nieuwe gebouw grenzend aan de watergang vier inbouwbouwkasten van het type IBVL06 van Vivara Pro of vergelijkbaar geplaatst, zie bijlage 3.
Gebouw G
Ter compensatie van de drie zomerverblijfplaatsen en de paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis worden er in het nieuwe gebouw in deelgebied G 16 inbouwkasten van het type IBVL06 van Vivara Pro of vergelijkbaar geplaatst. De locaties voor de kasten zijn: vier permanente kasten in de oostgevel van de woontoren, vier kasten in de zuidgevel van de woontoren, vier kasten in de westgevel van de woontoren en vier kasten in de zuidgevel van het middelhoge gebouw, zie bijlage 3.
Voorwaardes plaatsing
-
De inbouwkasten dienen op minimaal zes meter hoogte, maar het liefst zo hoog mogelijk
-
Er dient een vrije aanvliegroute te zijn van en naar de nieuwe verblijfplaatsen. De
kasten
in het gebouw te worden gerealiseerd; verblijfplaats mag niet (in de toekomst) worden geblokkeerd door een boom; -
De verblijfplaatsen dienen niet bereikbaar te zijn voor roofdieren zoals de huiskat en kleine
-
Op de nieuwe verblijfplaatsen mag geen direct kunstlicht worden geschenen.
marterachtigen;
Minimaal vijf werkdagen voorafgaand aan de werkzaamheden moet een melding worden gedaan van de start werkzaamheden via het digitale meldformulier ‘Formulier start ruimtelijke ingreep’ op de website van Omgevingsdienst Noord-Holland Noord. Alle maatregelen bunzing deelgebied F Ongeschikt maken terrein
-
Deelgebied F dient voorafgaand aan de grondwerkzaamheden ongeschikt gemaakt worden voor kleine marterachtigen. Dit dient te gebeuren door het verwijderen van opgaande begroeiing en het kort maken van de vegetatie (maximaal 10 cm) en deze kort te houden tijdens de werkzaamheden; De werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd met een messenmaaier. Maaien door klepelen, chopperen of met behulp van een maai/zuigcombinatie is niet toegestaan.
6
-
Voorafgaand aan het ongeschikt maken dient er een controleronde te worden uitgevoerd waarbij wordt gelet op de mogelijke verblijvende marterachtigen. Indien marterachtigen worden aangetroffen bij een potentiële verblijfplaats, dienen de werkzaamheden te worden uitgesteld en een “niet werken zone” van minimaal 25 meter rond de verblijfplaats te worden ingesteld. Door de betrokken ecoloog wordt bepaald wanneer de werkzaamheden kunnen worden hervat;
-
Het ongeschikt maken dient te gebeuren in één richting naar te behouden groen. In dit geval betekend dat er vanaf de zuidkant naar de noordkant dient te worden gewerkt.
-
Het ongeschikt maken dient plaats te vinden tussen 1 september en 15 maart en daarmee buiten de kwetsbare periode van de bunzing. Tijdens het ongeschikt maken dient er rekening te worden gehouden met overwinterende dieren, bijvoorbeeld de egel;
Aanleg takkenril
-
Het ongeschikt maken mag niet plaatsvinden in een periode van vorst en/of sneeuw.
-
Met behulp van het kap- en snoeiafval worden er takkenrillen in het project gerealiseerd. Deze takkenril wordt aan de noordkant van het projectgebied gerealiseerd, zie bijlage 3. De takkenril dient een minimale afmeting te hebben van minimaal 1 bij 1 bij 150 meter (HxBxL).
-
De kapwerkzaamheden en het realiseren van de takkenrillen wordt ecologisch begeleid door een deskundige ecoloog.
Permanente
-
verblijfplaats
In of rond deelgebied F moet een marterhoop worden gerealiseerd. Op bijlage 3 is een mogelijke locatie binnen het projectgebied weergegeven. Een tweede optie is om de marterhoop in het nabijgelegen park ’t kleine Loopveld te realiseren;
-
De marterhoop dient een minimale afmeting van één meter hoog, twee meter breed en drie meter lang te hebben. In de marterhoop dient minimaal één betonnen u-element of neststeen te worden geplaats en er dient te worden voldaan aan de voorwaarden uit het Kennisdocument Kleine marterachtigen;
-
In overleg met de eigenaar van het terrein wordt een inrichtings- en beheerplan opgesteld, zodat er wordt voldaan aan de eisen van de ontheffing en het Kennisdocument Kleine marterachtigen.
7
INHOUDSOPGAVE
1 1.1 1.2
Inleiding ...................................................................................................................................... 9 Aanleiding en doel.................................................................................................................... 9 Leeswijzer................................................................................................................................ 9
2 Werkgebied, ingreep en planning ............................................................................................ 10 2.1 Werkgebied............................................................................................................................ 10 2.1.1 Gebiedsomschrijving ........................................................................................................... 10 2.1.2 Natuurwaarden ................................................................................................................... 11 2.2 Ingreep .................................................................................................................................. 13 2.3 Planning ................................................................................................................................ 14 2.4 Update Omgevingswet ........................................................................................................... 14 2.4.1 Rode lijst soorten ................................................................................................................ 14 2.4.2 Risico’s door stil leggen project............................................................................................ 15 3 Ecologische maatregelen .........................................................................................................
16 3.1 Algemeen .............................................................................................................................. 16 3.1.1 Vrijgestelde soorten ............................................................................................................ 16 3.1.2 Melding start werkzaamheden ............................................................................................. 16 3.2 Verwijderen groenstructuren alle deelgebieden ....................................................................... 16 3.3 Dempen / aanleggen watergangen alle deelgebieden.............................................................. 17 3.4 Tijdelijke voorzieningen vleermuizen gebouwen C en G........................................................... 18 3.5 Ongeschikt maken gebouwen C en G ..................................................................................... 19 3.6 Permanente verblijfplaatsen vleermuizen gebouwen C en G .................................................... 20 3.7 Ongeschikt maken terrein voor marterachtigen deelgebied F ................................................... 21 3.8 Tijdelijke maatregelen bunzing deelgebied F ........................................................................... 21 3.9 Permanente maatregelen bunzing deelgebied F......................................................................
21 3.10 Borging .................................................................................................................................. 22 Bijlage 1: Kaart resultaten inventarisaties............................................................................................ 23 Bijlage 2: Rode lijst soorten ................................................................................................................ 25 Bijlage 3: Locatie permanente maatregelen......................................................................................... 28
8
1
INLEIDING
1.1
AANLEIDING EN DOEL De initiatiefnemers zijn voornemens een ruimtelijke ontwikkeling uit te voeren in het projectgebied “Kronenburg Uilenstede” te Amstelveen. De werkzaamheden betreffen de herontwikkeling van de zone tussen de kantoren Kronenburg en Studentencampus Uilenstede. Hierbij zullen gebouwen worden geamoveerd en zal het projectgebied worden heringericht. In 2019 is door Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd. Hierbij zijn vier zomerverblijfplaatsen en één paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Er is daarnaast een individu van de bunzing waargenomen tijdens onderzoek met cameravallen. Er is op basis van het onderzoek geconcludeerd dat er in het projectgebied een verblijfplaats van de bunzing aanwezig is. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen, is een ontheffing aangevraagd voor het opzettelijk verstoren van individuen van de gewone dwergvleermuis (Artikel 3.5 lid 2 Wnb), het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis (Artikel 3.5 lid 4 Wnb) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de bunzing (Artikel 3.10 Wnb). Deze ontheffing is op 8 september 2021 verleend met zaaknummer OD.339970. De ontheffing is geldig van 1 september 2021 t/m 1 september 2031. In 2024 is de Omgevingswet ingegaan.
Ontheffingen verleend onder de Wet natuurbescherming zijn geldig onder de Omgevingswet. Om de werkzaamheden conform de eisen uit de ontheffing uit te voeren is onderstaand werkprotocol opgesteld. 1.2
LEESWIJZER Hoofdstuk 2 bestaat uit een omschrijving van het werkgebied, de geplande ingreep en de planning van de werkzaamheden. In hoofdstuk 3 worden de te treffen maatregelen beschreven.
9
2
WERKGEBIED, INGREEP EN PLANNING
2.1
WERKGEBIED
2.1.1
GEBIEDSOMSCHRIJVING
Het projectgebied is gelegen in de provincie Noord-Holland in de Amstelveen in kilometerhok X: 120 / Y: 481 (Rijksdriehoekscoördinaten). Het projectgebied omvat de panden aan de Laan van Kronenburg 2, 4-14 en 7, Professor E.M. Meijerslaan 12, Professor W.H. Keesomlaan 6-14, Uilenstede 475 en de omliggende terreinen, groenzones, parkeerplaatsen en watergangen. Afbeelding 1 geeft de ligging van het projectgebied weer.
Afbeelding 1: Ligging projectgebied en huidige situatie
Het projectgebied is opgedeeld in deelgebieden aan de hand van de exploitanten die gebruik maken van de gebouwen of gebieden, zie afbeelding 2. Deelgebied A1, A2 en B Het gebouw aan de Uilenstede 475 in deelgebied A2 betreft een kantorenpand met twee verdiepingen. Het gebouw heeft een plat dak. De gevel is opgebouwd uit betonnen platen die zijn afgewisseld met ramen. Naast het gebouw is in deelgebied B een parkeerplaats aanwezig die omringd is door een haag. Het gebouw aan de Professor E.M. Meijerslaan 12 betreft een parkeergarage die is opgebouwd uit beton. Tegen de betonnen muren zijn golfplaten bevestigd en op het dak zijn parkeerplaatsen aanwezig. Deelgebied A1 en de omliggende gebieden betreffen een braakliggend terrein met een ondiepe plas, een gedeelte van een park en een watergang. Deelgebied C en D Het gebouw aan de Laan van Kronenburg 2 betreft een kantorenpand met vijf verdiepingen en een plat dak. De gevels zijn opgebouwd uit palen, ramen en panelen. Het pand aan de Laan van Kronenburg 4-10 is een zeshoekig kantorenpand met vier verdiepingen. Het gebouw heeft een plat dak en de gevel bestaat grotendeels uit ramen. Rondom de gebouwen aan de Laan van Kronenburg is een parkeerplaats aanwezig met enkele vrijstaande bomen. Aan de oost- en zuidkant van het deelgebied is een watergang aanwezig. Deelgebied E Het deelgebied bevat het kantorenpand aan de Professor W.H.
Keesomlaan 6-14 en de aangrenzende parkeerplaats. Het gebouw heeft zes verdiepingen, is opgebouwd uit bakstenen en heeft een golvend dak. Op de bovenste verdiepingen is houten betimmering aanwezig.
10
Deelgebied F Deelgebied F bevat het braakliggende terrein aan de Laan van Kronenburg. Ten oosten van het projectgebied is een watergang aanwezig. Langs de randen van het terrein staan rijen met bomen en struiken en verspreid over het terrein staan vrijstaande bomen. Deelgebied G Het gebouw in deelgebied G aan de Laan van Kronenburg 7 bestaat uit twee verdiepingen en heeft een plat dak. De gevel is opgebouwd uit bakstenen en heeft een spouwmuur met open stootvoegen. Langs de dakrand is houten betimmering en een aluminium dakrand aanwezig. Rond het gebouw zijn groenstructuren aanwezig die bestaan uit bomen en struiken.
Afbeelding 2: Deelgebieden in het projectgebied (Bron: Gemeente Amstelveen)
2.1.2
NATUURWAARDEN
In deze paragraaf worden de aangetroffen functies van beschermde flora en fauna beschreven. In bijlage 1 zijn deze op kaart weergegeven. In 2019 is door Adviesbureau ATKB verkennend natuuronderzoek uitgevoerd middels een quickscan ecologie. Uit de quickscan is gebleken dat het projectgebied mogelijk functies herbergt voor beschermde amfibieën, flora, kleine marterachtigen en vleermuizen. In 2019 is door Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van functies voor de kartuizer anjer, kleine marterachtigen, rugstreeppad en vleermuizen. Hieronder zijn de resultaten per soort(groep) beschreven. Kartuizer anjer In het projectgebied is de beschermde kartuizer anjer niet aangetroffen. De aanwezigheid van beschermde flora kan hiermee worden uitgesloten. Kleine marterachtigen Op 16 mei 2019 zijn vier cameravallen, waarvan twee wezelcamera’s en twee losse camera’s, in het projectgebied geplaatst. Op 26 mei 2019 om 00:52 is op een cameraval eenmalig een passerende bunzing waargenomen. Deze cameraval stond aan de noordzijde van het braakliggende terrein, zie bijlage 1. Op basis van deze waarneming kan worden geconcludeerd dat het projectgebied deel uit maakt van het leefgebied van de bunzing. In de directe omgeving van de cameraval zijn potentiële verblijfplaatsen aanwezig in de vorm van stapels hout en dicht struweel.
In het projectgebied zijn tevens voldoende prooidieren aanwezig. Het projectgebied en de directe omgeving zijn geschikt als foerageergebied voor de bunzing, door de aanwezigheid van verruigde groenstructuren. Daarnaast grenst het 11
projectgebied aan nabijgelegen parken, watergangen en groenvoorzieningen. De bunzing heeft een groot territorium met hierin verschillende vaste rust- en verblijfplaatsen. Op basis van de waarneming is een verblijfplaats van de bunzing in het projectgebied te verwachten. Daarnaast zijn op de camerabeelden meerdere algemene en provinciaal vrijgestelde zoogdieren waargenomen, namelijk: de gewone bosmuis, egel, haas en de huisspitsmuis. Er zijn tevens meerdere algemene vogels waargenomen zoals de koolmees, tjiftjaf en de zanglijster. Op de parkeerplaatsen en tussen de groenstructuren aan Laan van Kronenburg 2, 4 en 12 zijn meerdere individuen van het konijn waargenomen. Rugstreeppad In het projectgebied zijn tijdens de inventarisatie op 1 mei 2019 roepende individuen van de bastaardkikker, gewone pad en de meerkikker waargenomen. Zowel tijdens de ronde op 1 mei als op 16 mei 2019 zijn er geen individuen van de rugstreeppad waargenomen. Op 15 juli 2019 heeft er onderzoek naar de aanwezigheid van larven van de rugstreeppad plaatsgevonden. Tijdens dit onderzoek is er enkel een larve van een groene kikker spec. waargenomen. Hiermee kan de aanwezigheid van de beschermde rugstreeppad in het projectgebied worden uitgesloten. Vleermuizen Er zijn in totaal vier zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis in het projectgebied waargenomen.
Drie zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis zijn aangetroffen in het gebouw aan de Laan van Kronenburg 7. Het betreft twee zomerverblijfplaatsen met één individu aan de noordkant van het gebouw in de spouwmuur en één zomerverblijfplaats met één individu aan de zuidkant van het gebouw onder oude zonneschermen. De vierde zomerverblijfplaats 4 bevindt zich in het gebouw aan de Laan van Kronenburg 2 en betreft een verblijfplaats van drie individuen van de gewone dwergvleermuis. De zomerverblijfplaats bevindt zich op de derde etage in het trappenhuis aan de zuidkant van het gebouw. Binnen het projectgebied zijn foeragerende individuen van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en de ruige dwergvleermuis waargenomen. Gedurende de inventarisaties zijn twee baltsterritoria van de gewone dwergvleermuis aangetroffen, waarvan één baltsterritorium binnen het projectgebied aanwezig is. Het baltsterritorium binnen het projectgebied bevindt zich bij de westgevel van het gebouw aan Laan van Kronenburg 7. Gedurende langere tijd vloog een baltsend individu van de gewone dwergvleermuis langs de gevel heen en weer en vertoonde duidelijk binding met de bebouwing. Dit is een indicatie dat er een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in de bebouwing aan Laan van Kronenburg 7 aanwezig is.
De exacte locatie van de paarverblijfplaats kon in verband met het nachtelijke tijdstip van inventariseren en het ontbreken van invliegende vleermuizen niet worden vastgesteld. Het baltsterritorium in het projectgebied vertegenwoordigd een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Het tweede baltsterritorium bevindt zich buiten het projectgebied aan de zuidgevel van Uilenstede 510-512. Gedurende de langere tijd is hier een baltsend individu van de gewone dwergvleermuis waargenomen, die duidelijk binding vertoonde met de bebouwing aan de Uilenstede 510-512. Dit is een duidelijke indicatie dat er een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in dit gebouw buiten het projectgebied aanwezig is. In de zuidgevel van Uilenstede 510-512 is ook een paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis vastgesteld. Tijdens de inventarisaties zijn foeragerende individuen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis waargenomen. Tijdens de inventarisaties is geen zwermgedrag van vleermuizen waargenomen dat kan duiden op de mogelijke aanwezigheid van een (massa)winterverblijfplaats. In het westen van het projectgebied is een vliegroute van de gewone dwergvleermuis waargenomen.
Tijdens de inventarisaties zijn vier individuen van de gewone dwergvleermuis waargenomen die vanaf de appartementencomplexen ten westen van het projectgebied via de brug naar het park vlogen. De groenstructuren en watergangen worden door meerdere individuen van de gewone dwergvleermuis en enkele individuen van de laatvlieger, rosse vleermuis en de ruige dwergvleermuis gebruikt als foerageergebied. Tijdens het kraamseizoen zijn circa acht individuen van de gewone dwergvleermuis gelijktijdig foeragerend waargenomen in het projectgebied. De watergangen in het projectgebied zijn voornamelijk van belang als foerageergebied. Gezien de lage foerageeractiviteit van vleermuizen rond de bebouwing en te bebouwen zones, is de bebouwing in het projectgebied niet van belang voor het foerageergebied. De vliegroute van de gewone dwergvleermuis is niet essentieel, omdat het om een beperkt aantal individuen gaat en de watergang en bomenrij langs de weg Uilenstede en enkele andere locaties als alternatieve vliegroutes kunnen worden benut.
12
2.2
INGREEP De ontwikkelingen in het projectgebied betreffen het herinrichten van het gehele projectgebied. De gebouwen op perceel A2, C en G worden geamoveerd. Op de percelen A1, A2, C, F en G wordt nieuwbouw gerealiseerd. De gebouwen op perceel B, D en E worden gerenoveerd en/of uitgebouwd. Op afbeelding 3 is de voorlopige plankaart van de nieuwe situatie weergegeven. De functie van het projectgebied zal veranderen.
Afbeelding 3: Voorlopige plankaart nieuwe situatie (bron: gemeente Amstelveen)
Deelgebieden A1, A2 en B In deelgebied A2 wordt een O-vormig gebouw met studentenkamers gerealiseerd en er komt ruimte voor horeca. In bouwdeel B wordt een supermarkt/foodcourt gerealiseerd. De exacte plannen voor bouwdeel A1 en het gebouw ten zuiden van A1 zijn nog niet bekend. Ten oosten van het deelgebied wordt de ondiepe plas op het braakliggende terrein uitgegraven en aangesloten op de watergang in het park Kronenburg. Rond de watergang wordt een park gecreëerd. Deelgebieden C en D Er worden in deelgebied C drie nieuwe gebouwen gerealiseerd. Het gebouw in deelgebied D wordt alleen intern verbouwd. Een deel van de bomen in de deelgebieden blijven behouden, de andere bomen worden gekapt. Daarnaast wordt de oever van de watergang aangepast. Deelgebied E Het gebouw in deelgebied E wordt inpandig getransformeerd. Een deel van de bovenste verdieping wordt verwijderd. Er vinden geen veranderingen plaats aan de groenstructuren rond het gebouw. Deelgebied F Binnen het deelgebied worden drie gebouwen gerealiseerd. Hiervoor wordt het grootste deel van de groenstructuren verwijderd. Een deel van de bomenrijen en boomgroepen aan de noordzijde en oostzijde van het deelgebied blijven behouden. Aan de noordzijde wordt mogelijk een parkeerplaats gerealiseerd.
Aan de zuidkant en westkant van het deelgebied wordt een nieuwe watergang gerealiseerd en de oever van de bestaande watergang wordt aangepast.
13
Deelgebied G In het deelgebied wordt een gebouw gerealiseerd dat bestaat uit twee woongedeeltes met maximaal zeven verdiepingen en een woontoren. De bomen aan de zuidzijde van het perceel blijven behouden.
2.3
PLANNING In onderstaande tabel is de voorlopige planning voor de verschillende deelgebieden weergegeven. De duur van alle werkzaamheden zal naar verwachting meer dan 5 jaar in beslag nemen. De planning in tabel 1 is nog incompleet en zal worden vervangen als meer informatie bekend is. Tabel 1: Voorlopige planning (bron: RoosRos)
Fasering Kronenburg clusters C, F en E Cluster Cluster C Cluster F Cluster E Cluster B
Gebouw C1/C2 C3 F1/F2 F3/F4 E B
BoPa
Fasering Kronenburg cluster A2 Cluster Cluster A
Gebouw A2
BoPa week 52 2024
Fasering Kronenburg cluster G Cluster Cluster G
Gebouw G
BoPa NTB
Indiening AO week 47 2024 week 31 2025 week 31 2025 week 23 2026 week 32 2028 NTB
TO gereed week 25 2025 NTB NTB NTB NTB NTB
VDVI Prijs/Contractvorming week 26 2025 NTB NTB NTB NTB NTB
10-7-2024 Start Bouw week 40 2025 NTB NTB NTB NTB NTB
Indiening AO NTB
TO gereed NTB
Maarssen/Zadelhoff Prijs/Contractvorming NTB
10-7-2024 Start Bouw NTB
Indiening AO NTB
TO gereed NTB
Duwo Prijs/Contractvorming NTB
10-7-2024 Start Bouw NTB
2.4
UPDATE OMGEVINGSWET Door een beslissing van de rechter is het project in 2022 stilgelegd. Op 17 juli 2024 is er een ecologisch schouw uitgevoerd in het projectgebied uitgevoerd door ing. J.C.H. den Hollander. Het doel van de schouw was om de huidige ecologische waarde in het projectgebied in kaart te brengen. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in dienst getreden. In de Omgevingswet is een specifieke zorgplicht opgenomen die onder andere Rode lijstsoorten strenger beschermd. Voor het projectgebied is een literatuurstudie uitgevoerd om te beoordelen of er Rode lijstsoorten in en rond het projectgebied voorkomen. Tijdens deze schouw is beoordeeld of er habitat aanwezig is voor beschermde soorten en Rode lijstsoorten. Tijdens deze schouw is er een inschatting gemaakt of in het projectgebied beschermde soorten zich hebben gevestigd waarvoor geen ontheffing is aangevraagd en een risico kunnen vormen bij de uitvoering van de ontwikkeling. Daarnaast is beoordeeld of er aanvullende maatregelen moeten worden genomen in het kader van de specifieke zorgplicht. 2.4.1
RODE LIJST SOORTEN
In bijlage 2 is een overzicht gegeven van de Rode lijst soorten die in een straal van 1 kilometer rond het projectgebied voorkomen. Per soort is aangegeven of er habitat aanwezig is voor de soort. Met habitat worden groeiplaatsen voor planten en schimmels, verblijfplaatsen of nesten voor dieren of primair leefgebied bedoeld. In het projectgebied is leefgebied voor zoogdieren van de Rode lijst aanwezig. Het gaat met name om de kleine marterachtigen: de bunzing, hermelijn en de wezel en het konijn en de haas. Habitat is voornamelijk aanwezig op percelen B en F. De bebouwing biedt potentieel verblijfplaatsen voor de laatvlieger. Tijdens het vleermuisonderzoek in 2019 zijn geen verblijfplaatsen van de laatvlieger in het projectgebied aangetoond. Andere Rode lijst soorten worden door het ontbreken van potentieel habitat niet in het projectgebied verwacht voor te komen.
14
2.4.2
RISICO’S DOOR STIL LEGGEN PROJECT
Tijdens de schouw is geconcludeerd dat er geen nieuw habitat is ontstaan voor beschermde soorten. Het projectgebied biedt nog steeds leefgebied voor beschermde vleermuizen en zoogdieren. De belangrijkste risico’s die door het stil leggen van de werkzaamheden zijn ontstaan, zijn de verplaatsing van soorten naar andere kavels en de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuissoorten waar geen ontheffing voor is verleend. Als tijdens controlerondes verblijfplaatsen worden geconstateerd van soorten waarvoor geen ontheffing is verleend, kunnen werkzaamheden tijdelijk worden stil gelegd. Er dient dan contact op te worden genomen met de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord en er dient een passende oplossing te worden gevonden.
15
3
ECOLOGISCHE MAATREGELEN
3.1
ALGEMEEN Onderstaand wordt voor de verschillende werkzaamheden beschreven welke maatregelen dienen te worden genomen om het overtreden van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Eveneens is beschreven voor welk deelgebied de maatregelen van toepassing zijn 3.1.1
VRIJGESTELDE SOORTEN
In het projectgebied komen mogelijk algemeen beschermde soorten amfibieën, vissen en zoogdieren voor. Middels de provinciale verordening zijn deze bij ruimtelijke ingrepen vrijgesteld. De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen. Voor de provincie Noord-Holland zijn middels artikel 4 van de “Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland” soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten. *Zorgplicht Voor alle soorten - beschermd én onbeschermd - geldt de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Op grond hiervan dient zoveel als redelijkerwijs mogelijk is schade aan deze soorten te worden voorkomen.
3.1.2
MELDING START WERKZAAMHEDEN
Minimaal vijf werkdagen voorafgaand aan de werkzaamheden moet een melding worden gedaan van de start werkzaamheden via het digitale meldformulier ‘Formulier start ruimtelijke ingreep’ op de website van Omgevingsdienst Noord-Holland Noord.
3.2
VERWIJDEREN GROENSTRUCTUREN ALLE DEELGEBIEDEN Het is aan te bevelen alle werkzaamheden voor het verwijderen van bomen en groenstructuren buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) uit te voeren, om verstoring van broedgevallen van vogels te voorkomen. Indien er toch werkzaamheden in het broedseizoen voor vogels worden uitgevoerd, dient er voorafgaand aan werkzaamheden een inspectie naar de aanwezigheid van broedgevallen uitgevoerd. Deze inspectie dient te worden uitgevoerd door een deskundige* op het gebied van broedvogels. Als er tijdens de inspectie broedgevallen van vogels worden aangetroffen, kunnen de werkzaamheden niet plaatsvinden totdat de vogel klaar is met broeden en de kuiken geen gebruik meer maken van de nestlocatie. De werkzaamheden voor het verwijderen van groenstructuren worden overdag uitgevoerd om verstoring van vleermuizen te voorkomen. Alleen in afstemming met de betrokken ecoloog mogen in de nachtelijke uren werkzaamheden aan de groenstructuren worden uitgevoerd. De groenstructuren maken mogelijk onderdeel uit van leefgebied en overwinteringsgebied van algemene amfibieën en zoogdieren. In de periode november t/m maart dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een controle te worden uitgevoerd op de aanwezigheid van overwinterende amfibieën en zoogdieren, zoals de egel. Maatregelen verwijderen bomen en groenstructuren Mitigerende
-
De werkzaamheden worden buiten het broedseizoen van vogels uitgevoerd;
maatregelen
-
Indien er toch werkzaamheden in het broedseizoen voor vogels worden uitgevoerd, wordt er voorafgaand aan werkzaamheden een inspectie naar de aanwezigheid van broedgevallen uitgevoerd. Deze inspectie dient te worden uitgevoerd door een deskundige* op het gebied van broedvogels;
-
De werkzaamheden worden overdag uitgevoerd om verstoring van vleermuizen te voorkomen;
-
Indien er groenstructuren in de periode november t/m maart worden verwijderd, dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een controle te worden uitgevoerd op de aanwezigheid van overwinterende amfibieën en zoogdieren zoals de egel.
16
-
De werkzaamheden dienen zo veel mogelijk richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd, waardoor de aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen
Periode
vluchten. De optimale periode voor het verwijderen van groenstructuren betreft september en oktober. Buiten deze periode dient er rekening te worden gehouden met broedgevallen van vogels en/of (overwinterende) amfibieën en zoogdieren.
Onverwachte
Indien tijdens werkzaamheden onverhoopt toch broedgevallen van vogels worden aangetroffen,
aanwezigheid
dienen de werkzaamheden direct te worden gestaakt en wordt een deskundige op het gebied van broedvogels ingeschakeld. De werkzaamheden kunnen worden hervat, wanneer de deskundige een bevredigende oplossing heeft gevonden om schade aan het broedgeval te voorkomen. Indien er winterverblijfplaatsen van amfibieën of zoogdieren worden aangetroffen, dienen deze intact te blijven tot na de winterperiode. In overleg met de betrokken ecoloog wordt bepaald wanneer de werkzaamheden kunnen worden hervat.
3.3
DEMPEN / AANLEGGEN WATERGANGEN ALLE DEELGEBIEDEN Tijdens de werkzaamheden worden er nieuwe watergangen en vijvers gerealiseerd en (delen) van watergangen gedempt. Om het doden van algemene amfibieën en vissen te voorkomen dienen onderstaande maatregelen te worden genomen. Tijdens het dempen van watergangen, wordt er vanaf één kant opgewerkt richting open water. Hierdoor kunnen de dieren voor de werkzaamheden uitvluchten. Indien de werkzaamheden niet richting een te handhaven watergang of open water kunnen worden uitgevoerd, dienen de aanwezige dieren met behulp van een schepnet te worden weggevangen. Deze werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd of begeleid door een deskundige op het gebied van amfibieën en vissen. Deelgebied A/B Aangezien de waterpartij in het deelgebied niet is aangesloten op een van de omliggende watergangen, dienen de aanwezige amfibieën en vissen te worden weggevangen voordat er kan worden aangevangen met de werkzaamheden in dit deel van het projectgebied. Deze werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd of begeleid door een deskundige op het gebied van amfibieën en vissen. Daarnaast dienen de werkzaamheden aan de waterpartij in de maanden september en oktober te worden uitgevoerd.
Deelgebieden C/D/F Indien er een tijdelijke damwand wordt geplaats om de oever van de watergang in de deelgebieden aan te passen, dienen de aanwezige dieren tussen de damwand en de oever te worden afgevangen. Indien er geen delen van de watergang worden afgezet, kunnen de werkzaamheden doorgang vinden zonder het afvangen van de aanwezige individuen. Wel dient er rekening te worden gehouden onderstaande mitigerende maatregelen. Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd aan de bestaande watergangen bij een temperatuur van rond of onder het vriespunt of indien de watertemperatuur hoger is dan 25 °C. Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten de voortplantingsperiode van amfibieën en vissen uit te voeren. De optimale periode om dempingswerkzaamheden uit te voeren is in september en oktober, mits de watertemperatuur lager is dan 25 °C en boven het vriespunt. De werkzaamheden worden gedurende de dag uitgevoerd en er wordt geen gebruik gemaakt van nachtelijke verlichting. De nieuwe watergangen en vijvers dienen pas met de huidige watergangen te worden verbonden als deze gereed zijn. Indien nodig dienen de verbindingen met een damwand of vergelijkbare structuur te worden gescheiden.
17
Maatregelen werkzaamheden watergangen Mitigerende
-
Er wordt één kant opgewerkt, richting open water, zodat dieren voor de werkzaamheden kunnen uitvluchten. Indien dit niet mogelijk is dienen de aanwezige dieren in de watergang
maatregelen
te worden afgevangen door een deskundige* op het gebied van amfibieën en vissen. -
Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd bij een watertemperatuur van rond of onder het vriespunt of indien de watertemperatuur hoger is dan 25 °C. De exacte temperatuur grenzen worden door een deskundige ecoloog bepaald;
-
De werkzaamheden worden gedurende de dag uitgevoerd en er wordt geen gebruik gemaakt van nachtelijke verlichting.
Gebied A/B
Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen de aanwezige amfibieën en vissen te worden weggevangen. Deze werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd of begeleid door een deskundige op het gebied van amfibieën en vissen. Daarnaast dienen de werkzaamheden aan de waterpartij in de maanden september en oktober te worden uitgevoerd.
Gebieden C/D/F
Indien er een tijdelijke damwand wordt geplaats om de oever van de watergang in de deelgebieden aan te passen, dienen de aanwezige dieren tussen de damwand en de oever te worden afgevangen. Indien er geen delen van de watergang worden afgezet, kunnen de werkzaamheden doorgang vinden zonder het afvangen van de aanwezige individuen.
Periode
De optimale periode om dempingswerkzaamheden uit te voeren is in september en oktober. Buiten deze periode dient rekening te worden gehouden met de voortplanting van amfibieën en vissen, (late) broedgevallen van watervogels en met overwinterende amfibieën.
Onverwachte
Indien tijdens werkzaamheden onverhoopt toch beschermde amfibieën of vissen worden
aanwezigheid
aangetroffen, dienen de werkzaamheden direct te worden gestaakt en wordt een deskundige op het gebied van amfibieën, broedvogels en vissen ingeschakeld. De werkzaamheden kunnen worden hervat, wanneer de deskundige een bevredigende oplossing heeft gevonden om schade aan de soort te voorkomen.
3.4
TIJDELIJKE VOORZIENINGEN VLEERMUIZEN GEBOUWEN C EN G De tijdelijke voorzieningen voor de zomer- en paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis bestaan uit 20 duurzame vleermuiskasten van het type VK WS 02 van Vivara Pro die op 15 februari 2021 in de omgeving zijn geplaatst. De verblijfplaatsen worden hiermee in viervoud gemitigeerd. De kasten zijn op circa 5 tot 6 meter hoogte op vijf verschillende gevels geplaatst. Dit betreft de zuidgevel van Uilenstede 98, zuidgevel van Uilenstede 120, zuidgevel van Uilenstede 230, zuidgevel Uilenstede 500 en westgevel van de Laan van Kronenburg 9. De kasten zijn op 50 tot 250 meter afstand van de verblijfplaatsen in gebouw G en op circa 300 meter van de verblijfplaats in gebouw C gerealiseerd. In verband met de omvang van het projectgebied was het niet mogelijk alle vleermuiskasten binnen 200 meter van de huidige verblijfplaatsen en buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden te realiseren. Op afbeelding 4 zijn de locaties van de kasten op kaart weergegeven.
18
Afbeelding 4: Locatie tijdelijke vleermuiskasten
3.5
ONGESCHIKT MAKEN GEBOUWEN C EN G Gebouw C Het ongeschikt maken van gebouw C wordt gedaan door de witte asbesthoudende platen op de trap voorzichtig te verwijderen. Het ongeschikt maken van het gebouw wordt door de aanwezigheid van asbest door de asbestsaneerders uitgevoerd. Doordat directe ecologische begeleiding tijdens het ongeschikt maken van het gebouw praktisch niet haalbaar is, worden de werkzaamheden vooraf volledig doorgesproken met de uitvoerders. Er is voor gekozen om vlak voor het ongeschikt maken van het gebouw een controleronde uit te voeren naar de aanwezigheid van broedvogels en vleermuizen. Hierdoor is vooraf duidelijk of er broedgevallen of vleermuizen aanwezig zijn en waar deze zich in het gebouw bevinden. Indien er broedgevallen van vogels bij het gebouw aanwezig zijn, zullen passende maatregelen worden getroffen om het verstoren of vernielen van het broedgeval te voorkomen. Na de asbestsanering en vóór de sloop wordt een controleronde uitgevoerd om de effectiviteit van de maatregelen te kunnen beoordelen. Tijdens deze ronde zal er eveneens aandacht worden besteed aan de aanwezigheid van broedgevallen van vogels. Indien er tijdens de controleronde vleermuizen worden aangetroffen in het gebouw, zullen er aanvullende maatregelen worden genomen om het gebouw ongeschikt te maken voor vleermuizen.
De sloop zal alleen in gang worden gezet, indien door de betrokken deskundige op basis van een aanvullende inspectie is vastgesteld dat er geen broedgevallen van vogels of vleermuizen in het gebouw aanwezig zijn. Gebouw G Het ongeschikt maken van gebouw G bestaat uit het verwijderen van alle zonneschermen op het gebouw. Na het ongeschikt maken en vóór de sloop wordt een controleronde naar de aanwezigheid van vleermuizen uitgevoerd. Indien er tijdens de controleronde vleermuizen in het gebouw worden aangetroffen, worden er extra maatregelen worden getroffen om het gebouw volledig ongeschikt te maken voor vleermuizen. De sloop zal alleen in gang worden gezet, indien door de betrokken deskundige op basis van een aanvullende inspectie is vastgesteld dat er geen vleermuizen in het gebouw aanwezig zijn. Logboek De uitgevoerde werkzaamheden en resultaten van het ongeschikt maken en de ecologische begeleiding worden gerapporteerd in een ecologisch logboek. Maatregelen ongeschikt maken voor vleermuizen en amoveren gebouwen C en G Mitigerende maatregelen
-
Gebouw C wordt ongeschikt gemaakt voor vleermuizen door de witte asbesthoudende platen op de trap te verwijderen.
19
-
Voorafgaand aan de asbestsanering van de trap van gebouw C wordt een controleronde
-
Gebouw G wordt ongeschikt gemaakt doormiddel van het verwijderen van alle
naar de aanwezigheid van broedvogels en vleermuizen uitgevoerd. zonneschermen op het gebouw. -
De werking van de maatregelen voor het ongeschikt maken van de gebouwen voor vleermuizen zal worden onderzocht door middel van een inspectie met behulp van een batdetector. Deze inspectie zal worden uitgevoerd onder voor vleermuizen gunstige weersomstandigheden (minimaal 10°C, droog en maximaal windkracht 4 Bft.).
-
Als tijdens de inspectie blijkt dat er nog vleermuizen in het gebouw aanwezig zijn, moeten er aanvullende maatregelen worden genomen om het gebouw ongeschikt te maken. Deze maatregelen worden door de betrokken deskundige bepaald. Hierna dient een extra controle naar de werkzaamheden van deze nieuwe maatregelen te worden uitgevoerd.
-
De sloop zal alleen in gang worden gezet, indien door de betrokken deskundige op basis van de inspectie is vastgesteld dat er zich geen vleermuizen of andere dieren in het gebouw bevinden.
Periode
Alleen mogelijk in periode 1 april – 15 augustus en 15 oktober – 1 november (harde voorwaarde
Onverwachte
ontheffing). Indien tijdens werkzaamheden onverhoopt toch vleermuizen worden aangetroffen, dienen de
aanwezigheid
werkzaamheden direct te worden gestaakt en wordt een deskundige op het gebied van vleermuizen ingeschakeld. De werkzaamheden kunnen worden hervat, wanneer de deskundige een bevredigende oplossing heeft gevonden.
3.6 PERMANENTE VERBLIJFPLAATSEN VLEERMUIZEN GEBOUWEN C EN G Ter compensatie van de zomerverblijfplaats in gebouw C worden er in de zuidgevel van het nieuwe gebouw grenzend aan de watergang vier inbouwbouwkasten van het type IBVL06 van Vivara Pro of vergelijkbaar geplaatst. Deze kasten worden in dezelfde gevel gerealiseerd als de huidige zomerverblijfplaats. In bijlage 3 zijn de locaties waar de permanente kasten in het nieuwe gebouw moeten worden gerealiseerd weergegeven. Deze locaties dienen in de bouwtekeningen te worden opgenomen. Ter compensatie van de drie zomerverblijfplaatsen en de paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis worden er in het nieuwe gebouw in deelgebied G 16 inbouwkasten van het type IBVL06 van Vivara Pro of vergelijkbaar geplaatst. De kasten worden in de oostgevel, de zuidgevel én de westgevel van het nieuwe gebouw geplaatst. De locaties voor de kasten zijn: vier permanente kasten in de oostgevel van de woontoren, vier kasten in de zuidgevel van de woontoren, vier kasten in de westgevel van de woontoren en vier kasten in de zuidgevel van het middelhoge gebouw. Deze locaties zijn in bijlage 3 weergegeven en dienen te worden opgenomen in de bouwtekening. Voor het plaatsen van de permanente inbouwkasten gelden de volgende maatregelen uit het Kennisdocument van de gewone dwergvleermuis: -
De inbouwkasten dienen op minimaal zes meter hoogte, maar het liefst zo hoog mogelijk in het gebouw te worden gerealiseerd; Er dient een vrije aanvliegroute te zijn van en naar de nieuwe verblijfplaatsen. De verblijfplaats mag niet (in de toekomst) worden geblokkeerd door een boom; De verblijfplaatsen dienen niet bereikbaar te zijn voor roofdieren zoals de huiskat en kleine marterachtigen; Op de nieuwe verblijfplaatsen mag geen kunstlicht worden geschenen. Plaatsing inbouwkasten nieuwe gebouwen C en G
Gebouw C
Ter compensatie van de zomerverblijfplaats in gebouw C worden er in de zuidgevel van het nieuwe gebouw grenzend aan de watergang vier inbouwbouwkasten van het type IB VL 06 van Vivara Pro of vergelijkbaar geplaatst, zie bijlage 3.
Gebouw G
Ter compensatie van de drie zomerverblijfplaatsen en de paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis worden er in het nieuwe gebouw in deelgebied G 16 inbouwkasten van het type IB VL 06 van Vivara Pro of vergelijkbaar geplaatst. De locaties voor de kasten zijn: vier permanente kasten in de oostgevel van de woontoren, vier kasten in de zuidgevel van de woontoren, vier kasten in de westgevel van de woontoren en vier kasten in de zuidgevel van het middelhoge gebouw, zie bijlage 3.
20
Voorwaardes plaatsing
-
De inbouwkasten dienen op minimaal zes meter hoogte, maar het liefst zo hoog mogelijk
-
Er dient een vrije aanvliegroute te zijn van en naar de nieuwe verblijfplaatsen. De
kasten
in het gebouw te worden gerealiseerd; verblijfplaats mag niet (in de toekomst) worden geblokkeerd door een boom; -
De verblijfplaatsen dienen niet bereikbaar te zijn voor roofdieren zoals de huiskat en kleine
-
Op de nieuwe verblijfplaatsen mag geen kunstlicht worden geschenen.
marterachtigen;
3.7
ONGESCHIKT MAKEN TERREIN VOOR MARTERACHTIGEN DEELGEBIED F Minimaal één week voorafgaand aan grondwerkzaamheden in deelgebied F, dient het deelgebied ongeschikt worden gemaakt voor de bunzing. Dit dient te gebeuren door het verwijderen van opgaande begroeiing en het kort maken van de vegetatie (maximaal 10 cm) en kort te houden tijdens de werkzaamheden. De werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd met een messenmaaier. Maaien door klepelen, chopperen of met behulp van een maai/zuigcombinatie is niet toegestaan. Voorafgaand aan het ongeschikt maken dient er een controleronde te worden uitgevoerd waarbij wordt gelet op de mogelijke verblijvende marterachtigen. Indien marterachtigen worden aangetroffen bij een potentiële verblijfplaats, dienen de werkzaamheden te worden uitgesteld en een “niet werken zone” van minimaal 25 meter rond de verblijfplaats te worden ingesteld. Door de betrokken ecoloog wordt bepaald wanneer de werkzaamheden kunnen worden hervat. Het ongeschikt maken dient te gebeuren in één richting naar te behouden groen. In dit geval betekend dat er vanaf de zuidkant naar de noordkant dient te worden gewerkt. Het ongeschikt maken dient plaats te vinden tussen 1 september en 15 maart en daarmee buiten de kwetsbare periode van de bunzing. Tijdens het ongeschikt maken dient er rekening te worden gehouden met overwinterende dieren zoals de egel.
Winterverblijfplaatsen van de egel mogen niet worden verstoord. Het ongeschikt maken mag niet plaatsvinden in een periode van vorst en/of sneeuw.
3.8
TIJDELIJKE MAATREGELEN BUNZING DEELGEBIED F Ten behoeve van het bouwrijp maken van de locatie zullen er bomen en struiken worden gekapt. Met behulp van het kap- en snoeiafval worden er takkenrillen in het project gerealiseerd. Deze takkenril wordt aan de noordkant van het projectgebied gerealiseerd, zie bijlage 3. De takkenril dient een minimale afmeting te hebben van 1 bij 1 bij 150 meter (HxBxL). Deze takkenrillen kunnen tijdens de werkzaamheden fungeren als schuilmogelijkheid voor de bunzing. De kapwerkzaamheden en het realiseren van de takkenrillen wordt ecologisch begeleid door een deskundige ecoloog. 3.9
PERMANENTE MAATREGELEN BUNZING DEELGEBIED F
In het projectgebied wordt een marterhoop gerealiseerd. Op bijlage 3 is een mogelijke locatie binnen het projectgebied weergegeven. Een tweede optie is om de marterhoop in het nabijgelegen park ’t kleine Loopveld te realiseren. De marterhoop dient een minimale afmeting van één meter hoog, twee meter breed en drie meter lang te hebben. In de marterhoop dient minimaal één betonnen u-element of neststeen te worden geplaats en er dient te worden voldaan aan de voorwaarde uit de handreiking kleine marterachtigen van de Provincie Noord-Holland. Deze maatregelen worden opgenomen in een inrichtingsplan en beheerplan. Alle maatregelen bunzing deelgebied F Ongeschikt maken
-
Deelgebied F dient voorafgaand aan de grondwerkzaamheden ongeschikt gemaakt worden voor kleine marterachtigen. Dit dient te gebeuren door het verwijderen van
terrein
opgaande begroeiing en het kort maaien van de vegetatie (maximaal 10 cm) en kort te houden tijdens de werkzaamheden; De werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd met een messenmaaier. Maaien door klepelen, chopperen of met behulp van een maai/zuigcombinatie is niet toegestaan. -
Voorafgaand aan het ongeschikt maken dient er een controleronde te worden uitgevoerd waarbij wordt gelet op de mogelijke verblijvende marterachtigen. Indien marterachtigen worden aangetroffen bij een potentiële verblijfplaats, dienen de werkzaamheden te worden uitgesteld en een “niet werken zone” van minimaal 25 meter rond de verblijfplaats te worden ingesteld. Door de betrokken ecoloog wordt bepaald wanneer de werkzaamheden kunnen worden hervat;
21
-
Het ongeschikt maken dient te gebeuren in één richting naar te behouden groen. In dit geval betekend dat er vanaf de zuidkant naar de noordkant dient te worden gewerkt.
-
Het ongeschikt maken dient plaats te vinden tussen 1 september en 15 maart en daarmee buiten de kwetsbare periode van de bunzing. Tijdens het ongeschikt maken dient er rekening te worden gehouden met overwinterende dieren;
Aanleg takkenril
-
Het ongeschikt maken mag niet plaatsvinden in een periode van vorst en/of sneeuw.
-
Met behulp van het kap- en snoeiafval worden er takkenrillen in het project gerealiseerd. Deze takkenril wordt aan de noordkant van het projectgebied gerealiseerd, zie bijlage 3. De takkenril dient een minimale afmeting te hebben van 1 bij 1 bij 150 meter (HxBxL).
-
De kapwerkzaamheden en het realiseren van de takkenrillen wordt ecologisch begeleid door een deskundige ecoloog.
Permanente
-
verblijfplaats
In of rond deelgebied F moet een marterhoop worden gerealiseerd. Op bijlage 3 is een mogelijke locatie binnen het projectgebied weergegeven. Een tweede optie is om de marterhoop in het nabijgelegen park ’t kleine Loopveld te realiseren;
-
De marterhoop dient een minimale afmeting van één meter hoog, twee meter breed en drie meter lang te hebben. In de marterhoop dient minimaal één betonnen u-element of neststeen te worden geplaats en er dient te worden voldaan aan de voorwaarde uit de handreiking kleine marterachtigen van de Provincie Noord-Holland;
-
In overleg met de eigenaar van het terrein wordt een inrichtings- en beheerplan opgesteld, zodat er wordt voldaan aan de eisen van de ontheffing en de handreiking kleine marterachtigen van de Provincie Noord-Holland.
3.10
BORGING De uitvoering van de werkzaamheden dient conform dit werkprotocol te worden uitgevoerd. Dit werkprotocol en een kopie van de ontheffing dient op het werkterrein aanwezig te zijn. Alle betrokken partijen dienen van het bestaan van dit werkprotocol op de hoogte te zijn gebracht door de initiatiefnemer en de inhoud hiervan te kennen. Dit project wordt ecologisch begeleid door Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Dit bureau heeft ruime ervaring op het gebied van vleermuizen en broedvogels. De deskundige* welke bij dit project is betrokken, is: J.I. Andringa MSc. Ecoloog Tel.: 06-10832677 E-mail: joke@eco-logisch.com Door beroepsmatig als ecoloog actief te zijn met het inventariseren en monitoren van vleermuizen en broedvogels, alsmede het uitbrengen van Wet natuurbescherming (voorheen Flora- en faunawet) gerelateerde adviezen en mitigerende maatregelen voor deze soortgroepen, is deskundigheid verkregen.
22
Bijlage 1:
Kaart resultaten inventarisaties
23
24
Bijlage 2:
Rode lijst soorten
Tabel 1: Overzicht Rode lijstsoorten in de omgeving van het projectgebied Soortgroep
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Rode Lijststatus
Habitat aanwezig
Amfibieën
Rugstreeppad
Epidalea calamita
Gevoelig
Nee
Geleedpotigen - Insecten
Leptocerus
Leptocerus tineiformis
Kwetsbaar
Nee
Insecten - Dagvlinders
Bruin blauwtje
Aricia agestis
Gevoelig
Nee
Insecten - Dagvlinders
Grote vos
Nymphalis polychloros
Kwetsbaar
Nee
Insecten - Vliegen en Muggen
Gewoon platvoetje
Platycheirus clypeatus
Gevoelig
Nee
Insecten - Vliegen en Muggen
Scheefvlekplatvoetje
Platycheirus peltatus
Gevoelig
Nee
Insecten - Wespen, Bijen en Mieren
Blauwe metselbij
Osmia caerulescens
Kwetsbaar
Nee
Korstmossen
Gewoon schorsmos
Hypogymnia physodes
Gevoelig