CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 11 Quick scan Wet Natuurbescherming Stadsplein Bioscoop

Raadsvergadering 9 november 2022, gemeente amstelveenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop5.696 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING PATHE BIOSCOOP AMSTELVEEN

Ref.: 1600006A18-R19-341 Versie definitief 21 maart 2019

Pathe bioscoop Opdrachtgever

Pathe bioscoop

RPS advies- en ingenieursbureau bv Auteur J. Willemsen

Contactpersoon

Rens Koekenbier

Projectleider

M. van Rensen

Plaats

Amstelveen

Gecontroleerd door

S. Tummers

Projectreferentie Versie

1600006A18-R19-341 definitief

Totaal aantal pagina’s

18

Handtekening

Akkoord Tom Denayere Teamleider Team Landschap en Natuur

Versie

Omschrijving

definitief

Rapport datum

Vervaldatum rapport

21-3-2019

Geen enkel deel van dit rapport mag aan derden openbaar worden gemaakt zonder schriftelijke toestemming van RPS advies- en ingenieursbureau bv of van de opdrachtgever. Alleen aan het originele complete rapport kunnen rechten worden ontleend. Dit rapport mag UITSLUITEND in zijn geheel worden gereproduceerd.

rps.nl Ref.: 1600006A18-R19-341 | Versie definitief | 21 maart 2019 Pagina 2 van 18

INHOUDSOPGAVE 1. 1.1 1.2 1.3 1.4

INLEIDING............................................................................................................................... 4 Aanleiding ................................................................................................................................ 4 Doel van het onderzoek ........................................................................................................... 4 Onderzoeksvragen ................................................................................................................... 4 Leeswijzer ................................................................................................................................ 4

2 2.1 2.2

PROJECTOMSCHRIJVING ..................................................................................................... 5 Projectgebied ........................................................................................................................... 5 Werkzaamheden en planning ................................................................................................... 6

3 3.1 3.2 3.3 3.4

WERKWIJZE QUICKSCAN ..................................................................................................... 7 Bureaustudie ............................................................................................................................ 7 Veldbezoek .............................................................................................................................. 7 Effectanalyse voorgenomen ingreep......................................................................................... 8 Maatregelen ............................................................................................................................. 8

4 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.1.5 4.1.6 4.1.7 4.1.8 4.1.9

AANWEZIGE EN TE VERWACHTEN SOORTEN .................................................................... 9 Vaatplanten.............................................................................................................................. 9 Mossen en korstmossen .......................................................................................................... 9 Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................................... 9 Vleermuizen ........................................................................................................................... 10 Vogels.................................................................................................................................... 10 Reptielen ............................................................................................................................... 12 Amfibieën............................................................................................................................... 12 Vissen .................................................................................................................................... 12 Ongewervelden ...................................................................................................................... 13

5 5.1 5.2 5.3

EFFECTANALYSE ................................................................................................................ 14 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................................... 14 Vleermuizen ........................................................................................................................... 14 Vogels.................................................................................................................................... 14

6

VOORZORGSMAATREGELEN ............................................................................................. 16

7 7.1 7.2

CONCLUSIE EN ADVIES ...................................................................................................... 17 Conclusie ............................................................................................................................... 17 Advies vervolgonderzoek ....................................................................................................... 17

8

BRONNEN............................................................................................................................. 18

BIJLAGEN 1. 2.

Natuurwetgeving Foto’s projectgebied

rps.nl Ref.: 1600006A18-R19-341 | Versie definitief | 21 maart 2019 Pagina 3 van 18

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding

Ten behoeve van de plannen voor de Pathé bioscoop moeten werkzaamheden worden uitgevoerd aan gevels van bestaande gebouwen. Dit is zowel aan de orde bij gevels aan de achterzijde van de schouwburg, als aan de gevels aan de voorzijde van de schouwburg aan het Stadsplein. Daarnaast moeten zes bomen worden verwijderd. Bij alle ruimtelijke ingrepen moet worden getoetst of er sprake is van strijdigheid met de Wet natuurbescherming (bijlage 1). Voor het onderhavige project is daarom een quickscan uitgevoerd. De quickscan is gericht op het onderdeel ‘Soortenbescherming’.

1.2

Doel van het onderzoek

Het doel van de quickscan is inzicht te krijgen in de beschermde planten- en diersoorten die voorkomen of kunnen voorkomen binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden en wat de effecten zijn van de ingreep op deze soorten. De gegevens voortvloeiend uit de quickscan geven duidelijkheid of een aanvullend onderzoek en een daaruit volgende toetsing aan de Wet natuurbescherming (natuurtoets) noodzakelijk is.

1.3

Onderzoeksvragen

Het uitvoeren van werkzaamheden aan de Pathé bioscoop in Amstelveen kan gevolgen hebben voor de ter plaatse voorkomende beschermde flora en fauna. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. De onderzoeksvragen zijn als volgt: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Welke beschermde soorten zijn binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden aanwezig of op basis van de aanwezige biotopen niet uit te sluiten? Is aanvullend soortgericht onderzoek noodzakelijk om te kunnen vaststellen of beschermde soorten binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden aanwezig zijn? Zo ja voor welke soorten? Welke effecten ondervinden de aanwezige en te verwachten beschermde soorten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep, betreft het hier negatieve effecten die leiden tot overtreding van verbodsbepalingen? Welke voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten te voorkomen en daarmee overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen? Welke maatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten te mitigeren of te compenseren? Is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk?

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is de ligging van het projectgebied beschreven en de werkzaamheden die uitgevoerd worden. In hoofdstuk 3 is de onderzoeksmethode beschreven. In hoofdstuk 4 wordt de soortenanalyse beschreven van de soorten die verwacht worden en welke soorten er gevonden zijn tijdens de quickscan. In hoofdstuk 5 wordt de effectanalyse besproken, in hoofdstuk 6 worden de vervolgonderzoeken beschreven, in hoofdstuk 7 worden de voorzorgsmaatregelen beschreven die noodzakelijk zijn om de werkzaamheden goed te laten verlopen en tot slot hoofdstuk 8 waar de conclusies beschreven zijn.

rps.nl Ref.: 1600006A18-R19-341 | Versie definitief | 21 maart 2019 Pagina 4 van 18

2

PROJECTOMSCHRIJVING

2.1

Projectgebied

Het projectgebied is gelegen in Amstelveen in de provincie Noord-Holland en in de gemeente Amstelveen. Ten noorden, westen, zuiden en oosten liggen verschillende woonwijken zoals Keizer Karelpark en Randwijck. Ten zuiden van het projectgebied loopt de A9 van Schiphol naar Diemen. In figuur 2.1 is de ligging van het projectgebied in Amstelveen weergegeven. Figuur 2.2 geeft een beeld van het projectgebied via de luchtfoto.

Figuur 2.1: ligging van het projectgebied (rode omlijning)

Figuur 2.2: luchtfoto met de ligging van het projectgebied (rode omlijning)

rps.nl Ref.: 1600006A18-R19-341 | Versie definitief | 21 maart 2019 Pagina 5 van 18

Het projectgebied ligt ongeveer in het midden van Amstelveen ten noorden van de A9. Het projectgebied zelf ligt aan de Meander en het Stadsplein. Het projectgebied heeft de volgende Amersfoort-coördinaten: 119479. Het projectgebied bestaat vooral uit gebouwen, straten en wegen en op verschillende plekken bomen, struiken en overig groen (grasvelden). De bioscoop is aan de oostzijde gelegen aan een busstation en ten noorden grenst de bioscoop aan het Stadsplein waar winkels gevestigd zijn. In afbeelding 2.3 is een impressie weergegeven van het projectgebied.

Afbeelding 2.3: impressie van het projectgebied 1) achterzijde bioscoop, 2) winkelstraat aan de noordzijde, 3) bomen en struiken ten zuiden van het projectgebied.

2.2

Werkzaamheden en planning

Werkzaamheden De volgende werkzaamheden worden mogelijk uitgevoerd ten behoeve van de bouw van de Pathé bioscoop in Amstelveen. De exacte werkzaamheden zijn ten tijde van het opstellen van deze rapportage nog niet bekend. ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Verwijderen zes bomen binnen het projectgebied. Verwijderen en aanpassen huidige infrastructuur. Verrichten bouwwerkzaamheden achterzijde huidig gebouw schouwburg. Verrichten bouwwerkzaamheden voorzijde schouwburg (zijde Stadsplein) ten behoeve van de entree van de bioscoop. Inrichten werkterrein.

Planning De uitvoeringsperiode en -duur van het project is nog niet bekend.

rps.nl Ref.: 1600006A18-R19-341 | Versie definitief | 21 maart 2019 Pagina 6 van 18

3

WERKWIJZE QUICKSCAN

Om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden, wordt een bureaustudie uitgevoerd naar bestaande, beschikbare verspreidingsgegevens. Daarnaast vindt een veldbezoek plaats. In dit hoofdstuk is de werkwijze van de quickscan beschreven.

3.1

Bureaustudie

Grote delen van Nederland zijn in de afgelopen jaren reeds onderzocht op aanwezige beschermde soorten. De gegevens afkomstig van deze onderzoeken worden grotendeels gepubliceerd in boeken (soortverspreidingsatlassen), rapportages of zijn op internet (o.a. Verspreidingsatlas NDFF) te raadplegen. Beschikbare gegevens in de Nationale databank Flora en Fauna (NDFF) zijn geraadpleegd. Door deze bestaande verspreidingsgegevens te raadplegen, wordt inzicht verkregen in de aanwezige beschermde soorten in of in de directe omgeving van het projectgebied. De beschikbare gegevens zijn beoordeeld op de bruikbaarheid. Verspreidingsgegevens van vissen, amfibieën, reptielen, zoogdieren, vogels, insecten en weekdieren mogen maximaal 5 jaar oud zijn, planten maximaal 10 jaar. Hierbij gelden echter enkele uitzonderingen waardoor verspreidingsgegevens van sommige soorten niet ouder dan 1 of 3 jaar mogen zijn. De bestaande gegevens worden veelal op uurhok- (5*5 km) of kilometerhokniveau (1*1 km) weergegeven. Een nadeel hiervan is dat dan nog niet met zekerheid bekend is of de betreffende planten- of diersoort ook daadwerkelijk in het projectgebied voorkomt en wat de functie van het gebied is voor deze soort. Daarnaast kan het voorkomen dat gebieden niet onderzocht zijn (of slechts op enkele soortgroepen), of dat de verspreidingsgegevens niet beschikbaar zijn gesteld.

3.2

Veldbezoek

Inzicht in het voorkomen van beschermde soorten wordt verkregen door het uitvoeren van een oriënterend veldbezoek. De inventarisatie is uitgevoerd door ter zake kundige1 ecologen van RPS. Het veldwerk is door een ecoloog uitgevoerd. In het onderstaande overzicht is weergegeven door welke ecoloog en op welke data het veldbezoek heeft plaatsgevonden. Daarbij zijn voor de volledigheid ook de weersomstandigheden vermeld (bron: www.knmi.nl). Tabel 3.1: overzicht van de data en weersomstandigheden waarop de inventarisaties zijn uitgevoerd Veldbezoek

Weersomstandigheden

Datum

Temp.

Windkracht

13 februari 2019

5 °C

1 – 2 Bft

Onderzoeker

Onderzoeken

Bewolking

Ter zake kundige

Doel onderzoek

Ja

J. (Jasper) Willemsen

Quickscan

Het veldonderzoek is op basis van zicht- en geluidswaarnemingen uitgevoerd, vanaf het maaiveld. Daarnaast is met het veldbezoek een beeld verkregen van de aanwezige biotopen en het landgebruik van het gebied. Met deze informatie wordt beoordeeld of de planten- en diersoorten die in de bestaande

1

Een ecologisch deskundige is een persoon die in een bepaalde situatie en voor specifieke soorten gevraagd wordt te adviseren en/of begeleiden, en daarbij aantoonbare ervaring en kennis heeft. De persoon voldoet aan één of meerdere eisen die door het Minist erie van LNV zijn gesteld aan een ter zake kundige. RPS is daarnaast lid van de Branchevereniging Netwerk Groene Bureaus.

rps.nl Ref.: 1600006A18-R19-341 | Versie definitief | 21 maart 2019 Pagina 7 van 18

verspreidingsgegevens (zoals de NDFF) zijn genoemd, ook in het projectgebied kunnen voorkomen of verwacht kunnen worden. Daardoor is het mogelijk de quickscan in een periode van het jaar uit te voeren waarin niet alle soortgroepen aanwezig of actief zijn.

3.3

Effectanalyse voorgenomen ingreep

Met de verzamelde gegevens uit de bureaustudie en het veldbezoek is beoordeeld of de voorgenomen ingreep (voor zover bekend voor een deelgebied) leidt tot negatieve effecten op de aanwezige en/of te verwachten beschermde soorten en hun leefgebied. In hoeverre het mogelijk is om een complete effectanalyse te maken, is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens en duidelijkheid over de uit te voeren werkzaamheden en uitvoeringsplanning. In deze analyse zijn de effecten op de korte termijn (ten tijde van de werkzaamheden) als op de lange termijn (na afloop van de ingreep) meegenomen. Vervolgens is beoordeeld of overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming aan de orde is.

3.4

Maatregelen

Negatieve effecten op beschermde planten en dieren dienen zo veel mogelijk te worden voorkomen. Indien negatieve effecten door de voorgenomen effecten aan de orde zijn, worden in eerste instantie voorzorgsmaatregelen opgenomen om de negatieve effecten alsnog te voorkomen. Wanneer voorzorgsmaatregelen niet afdoende zijn om overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen, dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen in een aparte natuurtoetsrapportage opgenomen te worden.

rps.nl Ref.: 1600006A18-R19-341 | Versie definitief | 21 maart 2019 Pagina 8 van 18

4

AANWEZIGE EN TE VERWACHTEN SOORTEN

Hieronder is beschreven welke beschermde of bedreigde soorten in het gebied voorkomen of verwacht kunnen worden. Onderstaande is het resultaat van de bureaustudie en het veldonderzoek. Afhankelijk van in welke periode van het jaar het veldonderzoek heeft plaatsgevonden, is het mogelijk om per soort aan te geven wat de functie van het projectgebied is voor de soort (bijvoorbeeld leef-, voortplantings- en/of foerageergebied). In bijlage 2 zijn enkele foto’s weergegeven van het projectgebied. Voor het projectgebied is per soortgroep eerst vermeld welke waarnemingen van soorten vermeld zijn vanuit de NDFF. Vervolgens is vermeld welke soorten (en of sporen en geluiden) tijdens het veldbezoek zijn waargenomen. Op basis van de aanwezige biotopen wordt tot slot aangegeven voor welke soorten het projectgebied een functie heeft, bijvoorbeeld als voortplantingsbiotoop, winterbiotoop of onderdeel van een groter foerageergebied.

4.1.1

Vaatplanten

Waarnemingen NDFF: geen beschermde vaatplanten gemeld. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten waargenomen. Soorten zoals straatgras, gewoon varkensgras, madeliefje en paardenbloem zijn waargenomen evenals gecultiveerde soorten zoals hortensia, wingerd en verschillende perkplanten zoals potentilla en rosea. Dit zijn algemeen in Nederland voorkomende soorten. Beschermde soorten worden niet verwacht op basis van afwezigheid van geschikt biotoop.

4.1.2

Mossen en korstmossen

Waarnemingen NDFF: geen waarnemingen vermeld van mossen en korstmossen. Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde mossen en korstmossen waargenomen. Soorten zoals groot dooiermos, muurschotelkorst, fijn laddermos en gewoon muisjesmos zijn waargenomen. Dit zijn algemeen in Nederland voorkomende soorten. Door de afwezigheid van geschikt biotoop voor beschermde mossen en korstmossen is het voorkomen van beschermde mossen en korstmossen ook uitgesloten.

4.1.3

Grondgebonden zoogdieren

Waarnemingen NDFF: geen waarnemingen vermeld van grondgebonden zoogdieren. Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde en/of algemene grondgebonden zoogdieren waargenomen. Zowel op zicht als sporen zijn grondgebonden zoogdieren niet waargenomen. Geschikt biotoop voor verschillende muizensoorten is aanwezig. Soorten zoals bosmuis, veldmuis en huismuis komen voor in en rond bebouwing en onder/tussen struiken. Deze geschikte omstandigheden zijn aanwezig in en rond het projectgebied. Hierdoor is het niet uitgesloten dat verschillende algemene muizensoorten binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden voorkomen. Door de aanwezigheid van voedselresten en overig zwerfafval is het gebied geschikt voor de bruine rat. Dit is een algemeen in Nederland voorkomende soort die niet beschermd is via de Wet natuurbescherming. Voor kleine marterachtigen zoals hermelijn en wezel is geen geschikte habitat aanwezig. Deze marterachtigen komen voor in gebieden met weilanden, ruigtes en bosachtig gebied. Geen van deze leefgebieden is aanwezig in en rond het projectgebied en er wordt geen melding gemaakt van deze soorten. Geschikt leefgebied ligt op grote afstand van het projectgebied.

rps.nl Ref.: 1600006A18-R19-341 | Versie definitief | 21 maart 2019 Pagina 9 van 18

Het projectgebied is geschikt voor egels. Deze soort komt voor in bebouwde gebieden waar tuinen met ruigtes, bladeren en houtstapels aanwezig zijn. Rond de bioscoop zijn geen geschikte leefgebieden aanwezig voor egels, maar wel tussen de struiken in de perkjes en tussen de ruigtes en struiken grenzend aan het projectgebied.

4.1.4

Vleermuizen

Waarnemingen NDFF: geen waarnemingen vermeld van vleermuizen. Op basis van bekende landelijke verspreidingsgegevens kunnen vleermuissoorten als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger in en rond het projectgebied voorkomen. Vaste rust- en/of verblijfplaatsen Tijdens het veldonderzoek zijn in en rond de bioscoop en aangrenzende gebouwen meerdere spleten, gaten en loshangende platen waargenomen waar vleermuizen in kunnen verblijven. Deze geschikte locaties zijn op een dusdanige hoogte dat met behulp van een inspectiecamera vanaf het maaiveld niet gecontroleerd kon worden of het daadwerkelijk geschikt is en of vleermuizen aanwezig zijn. Omdat er meerdere geschikte locaties aanwezig zijn in het projectgebied voor vleermuizen, is vervolgonderzoek naar het voorkomen van verblijvende vleermuizen aan te raden. Rond het projectgebied zijn ook verschillende geschikte locaties waargenomen waar vleermuizen kunnen verblijven. Huizen en gebouwen hebben losliggende dakpannen, open stootvoegen met toegang tot de spouwmuur en spleten waar vleermuizen tussen kunnen kruipen. Foerageergebied en vaste vliegroutes Het gebied is geschikt voor vleermuizen om te foerageren. De aanwezigheid van verschillende watergangen en bomen(rijen) in en in de directe omgeving van het projectgebied maakt het gebied geschikt voor foeragerende vleermuizen.

Het voorkomen van foeragerende en overvliegende vleermuizen is niet zonder meer uit te sluiten

4.1.5

Vogels

Broedvogels Waarnemingen NDFF: diverse struweel-, boom- en watervogels

Tijdens het veldonderzoek zijn verschillende broedvogels waargenomen. Dit zijn algemeen voorkomende soorten in Nederland zoals houtduif, stadsduif, ekster en merel. Tijdens het veldonderzoek is een niet in gebruik zijnde nest van een ekster waargenomen ten zuiden van de bioscoop, net buiten het projectgebied (zie figuur 4.1 en figuur 4.2). Op het moment van het veldonderzoek is het nest niet in gebruik. Het nest is niet verwaarloosd of beschadigd waardoor eksters het nest in een nieuwe broedperiode weer in gebruik kunnen nemen. Figuur 4.1: Eksternest ten zuiden van het projectgebied

rps.nl Ref.: 1600006A18-R19-341 | Versie definitief | 21 maart 2019 Pagina 10 van 18

Figuur 4.2: Locatie aangetroffen nest, net ten zuiden van het projectgebied (begrenzing projectgebied is aangegeven met de paarse stippellijn)

Van overige vogels zijn geen nesten waargenomen in de bomen binnen het projectgebied. Wel zijn meerdere nesten rond het projectgebied waargenomen van houtduiven, merels en nestkastjes van pimpelmees en koolmees. Vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats Waarnemingen NDFF: geen waarnemingen vermeld van vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats. Tijdens het veldonderzoek zijn geschikte leefgebieden, aan de rand van het projectgebied, voor verschillende vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats waargenomen, soorten zoals buizerd, roek, huismus en gierzwaluw.

Tijdens het veldonderzoek zijn geen nesten van vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats waargenomen. Afwezigheid van deze verblijfplaatsen is echter niet uit te sluiten. Buizerd Tijdens het veldonderzoek zijn geen nesten van deze soort waargenomen en ook zijn geen buizerds waargenomen in en rond het projectgebied. Deze soort broedt hoog in bomen waar ze individuele nesten maken in de toppen van een boom. De aanwezige bomen in en rondom van het projectgebied zijn voldoende hoog. Door de ligging in het stadscentrum is geschikt foerageergebied voor de buizerd afwezig. Roek Roeken broeden in kolonies in toppen van bomen. De soort gebruikt vaak laanbomen, solitaire bomen en bossen om hun nesten in de bomen te maken. Deze nesten worden meerdere jaren gebruikt als broedlocatie. Tijdens het veldonderzoek zijn geen roeken waargenomen en hun nesten zijn ook niet waargenomen. De aanwezige bomen zijn geschikt voor nesten. Binnen of in de directe omgeving van het projectgebied is geen geschikt foerageergebied voor roeken aanwezig. rps.nl Ref.: 1600006A18-R19-341 | Versie definitief | 21 maart 2019 Pagina 11 van 18

Huismus Huismus heeft zijn nest onder dakpannen en andere geschikte holtes bij gebouwen. In de directe omgeving moet geschikt leefgebied aanwezig zijn met onder andere struiken en andere vegetatie. De gebouwen (schouwburg en aangrenzende gebouwen) in het projectgebied bieden geen geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen voor huismus. In de naastgelegen woonwijken is wel te verwachten dat huismus voorkomt en dat daar ook voldoende leefgebied beschikbaar is. Gierzwaluw Gierzwaluw broedt onder dakpannen en speciaal voor deze soort gemaakte nestkasten. De soort komt voor in bebouwd gebied zoals dorpen en steden. Tijdens het veldonderzoek zijn geen gierzwaluwen waargenomen omdat deze voor de overwintering in Afrika zijn weggetrokken. In en rond de bioscoop zijn geen geschikte nestlocaties van deze soort waargenomen. In de omliggende woonwijken zijn wel geschikte locaties waargenomen.

4.1.6

Reptielen

Waarnemingen NDFF: geen waarnemingen vermeld van reptielen Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde reptielen waargenomen. Ook zijn geen verblijfplaatsen van reptielen, zoals ringslang waargenomen zoals broeihopen. De watergang ten zuiden van het projectgebied bevat geen natuurvriendelijke oevers waar reptielen gebruik van kunnen maken en er is weinig tot geen oevervegetatie aanwezig. Het is daardoor uitgesloten dat beschermde reptielen kunnen voorkomen in en rond het projectgebied door ontbreken van geschikt biotoop.

4.1.7

Amfibieën

Waarnemingen NDFF: geen waarnemingen vermeld van amfibieën Tijdens het veldonderzoek zijn geen amfibieën waargenomen vanwege de overwintering. Het projectgebied zelf heeft geen functie als leefgebied voor amfibieën. De watergang ten zuiden van het projectgebied kan functioneren als voortplantingsbiotoop en leefgebied van algemene amfibieënsoorten zoals bruine kikker, meerkikker en gewone pad. Door het ontbreken van geschikt biotoop worden soorten zoals heikikker, poelkikker en kamsalamander niet verwacht in en rond het projectgebied. Gezien de aard van de werkzaamheden wordt kolonisatie van de rugstreeppad niet verwacht.

4.1.8

Vissen

Waarnemingen NDFF: geen waarnemingen vermeld van vissen Binnen het projectgebied is geen open water aanwezig waardoor beschermde vissoorten ook niet voorkomen.

rps.nl Ref.: 1600006A18-R19-341 | Versie definitief | 21 maart 2019 Pagina 12 van 18

4.1.9

Ongewervelden

Waarnemingen NDFF: geen waarnemingen vermeld van ongewervelden Tijdens het veldonderzoek zijn geen ongewervelden waargenomen. Door de afwezigheid van geschikt biotoop en de afwezigheid van geschikte waardplanten, wordt het voorkomen van beschermde ongewervelden uitgesloten in het projectgebied.

rps.nl Ref.: 1600006A18-R19-341 | Versie definitief | 21 maart 2019 Pagina 13 van 18

5

EFFECTANALYSE

Het verwijderen van verschillende bomen en het aanpassen van gevels, muren en andere onderdelen ten behoeve van de bouw van de bioscoop kunnen negatieve effecten hebben op aanwezige (beschermde) soortgroepen. De soortgroepen grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en broedvogels kunnen van de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten ondervinden. In dit hoofdstuk wordt beschreven welke negatieve effecten dit zijn. In hoofdstuk 6 zijn voorzorgsmaatregelen beschreven om negatieve effecten te voorkomen.

5.1

Grondgebonden zoogdieren

Bij het uitvoeren van de werkzaamheden kunnen grondgebonden zoogdieren tijdelijk negatieve effecten ondervinden. Delen van hun leefgebied worden tijdelijk ongeschikt, dan wel verstoord. Hierbij kunnen voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van algemene muizensoorten, egels en andere algemene grondgebonden zoogdieren vernield of beschadigd raken en individuen worden gedood. Voor alle grondgebonden zoogdieren geldt wel dat in de directe omgeving voldoende leefgebied beschikbaar blijft, waar deze ten tijde van de uitvoering naar toe kunnen trekken. Op de lange termijn blijft geschikt leefgebied aanwezig, aangezien de uitvoering van werkzaamheden niet zal leiden tot verandering van de aard van het gebied. Voor algemene grondgebonden zoogdieren geldt een vrijstelling van overtreding van verbodsbepalingen via een provinciale verordening van de provincie Noord-Holland. Mits voldaan wordt aan het naleven van de zorgplicht is voor deze soorten een ontheffingsaanvraag niet nodig.

5.2

Vleermuizen

In de gevels van de gebouwen binnen het projectgebied zijn verschillende geschikte locaties waargenomen waar vleermuizen kunnen verblijven. Het uitvoeren van verschillende bouwwerkzaamheden aan de gevels kan leiden tot het overtreden van verschillende verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij dan om mogelijk opzettelijk doden van soorten, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren beschadigen of vernielen en dieren opzettelijk verstoren. Het uitvoeren van aanvullend vleermuisonderzoek wordt aangeraden om te onderzoeken of en welke functie het projectgebied heeft voor welke vleermuissoorten.

5.3

Vogels

Vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats Ten tijde van het veldbezoek voor de quickscan zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats in de bomen aangetroffen. Afhankelijk van op welke termijn de werkzaamheden worden uitgevoerd, kan het raadzaam zijn nogmaals een controle uit te voeren op aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van bijvoorbeeld de buizerd en roek. Ten aanzien van soorten als huismus en gierzwaluw die buiten het projectgebied kunnen voorkomen, worden geen negatieve effecten verwacht. Voor het project vinden geen werkzaamheden plaats aan rps.nl Ref.: 1600006A18-R19-341 | Versie definitief | 21 maart 2019 Pagina 14 van 18

omliggende woningen en de bij behorende tuinen. Broedvogels Ten tijde van de uitvoering van werkzaamheden is het mogelijk dat broedende vogels aanwezig zijn op de werklocaties en of in de directe omgeving daarvan. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Deze verbodsbepaling geldt te allen tijde, ongeacht het jaargetijde. Deze effecten kunnen ook aan de orde zijn voor broedende vogels die net buiten de begrenzing van het projectgebied een nest hebben (zoals het waargenomen nest, getoond in figuur 4.2). Om overtreding van deze verbodsbepaling te voorkomen dienen voorzorgsmaatregelen te worden genomen (zie hoofdstuk 6).

rps.nl Ref.: 1600006A18-R19-341 | Versie definitief | 21 maart 2019 Pagina 15 van 18

6

VOORZORGSMAATREGELEN

Negatieve effecten op beschermde dieren dienen zo veel mogelijk te worden voorkomen. In dit hoofdstuk zijn de voorzorgsmaatregelen opgenomen ter voorkoming van verstoring of schade aan beschermde natuurwaarden. Hiermee wordt de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats gegarandeerd. Het nemen van de onderstaande opgenomen voorzorgsmaatregelen is noodzakelijk om een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Zorgplicht Voor alle soorten, ongeacht bescherming via natuurwetgeving of niet, geldt te allen tijde de zorgplicht waarbij eenieder voldoende zorg in acht dient te nemen voor de in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Maatregelen die invulling geven aan de algemene zorgplicht zijn: ▪ ▪

Werken in één richting zodat soorten de kans krijgen te vluchten naar een veilige omgeving. Kort maaien van de aanwezige vegetatie (<10 cm) voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. Hierdoor wordt beschutting voor algemene grondgebonden zoogdieren tijdelijk weggenomen. Vrijkomend maaisel moet worden afgevoerd of geplaatst buiten het werkterrein.

Broedvogels Het verstoren van broedende vogels en het wegnemen of vernielen van eieren zijn niet toegestaan onder de Wet natuurbescherming. Een vaste broedperiode of -seizoen bestaat niet, de kans op aanwezigheid van broedende vogels is het grootst in de periode maart-augustus. De periode en duur van het broeden zijn afhankelijk van de vogelsoort en de weersomstandigheden. Kapwerkzaamheden worden bij voorkeur uitgevoerd in de periode september-februari. De kans dat nesten dan in gebruik zijn, is in die periode minimaal. Voorafgaand aan het verwijderen van de boom met aanwezige nesten dient een ter zake kundige ecoloog een controle uit te voeren op aanwezigheid van broedende vogels. Om overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen, dienen de volgende voorzorgsmaatregelen te worden nageleefd: ▪ ▪ ▪

▪

Voorafgaand aan de start van de werkzaamheden moet het terrein gecontroleerd worden op de aanwezigheid van broedende vogels. Indien broedende vogels aanwezig zijn, zal in overleg met een ter zake kundige ecoloog worden bepaald welke afstand tot de broedlocatie aangehouden moet worden. Wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn, kan het projectgebied ongeschikt worden gemaakt door het verwijderen van de aanwezige vegetatie (ruigtes, korte vegetatie en struiken) en Vrijkomend maaisel en takken worden afgevoerd tot buiten het werkterrein. Wanneer verstoring van broedende vogels en wegnemen of vernielen van eieren niet voorkomen kan worden, dient het werk uitgesteld te worden tot de jonge vogels zijn uitgevlogen en het nest niet meer gebruikt wordt.

rps.nl Ref.: 1600006A18-R19-341 | Versie definitief | 21 maart 2019 Pagina 16 van 18

7

CONCLUSIE EN ADVIES

7.1

Conclusie

Ten behoeve van de voorgenomen werkzaamheden aan de Pathé bioscoop en het verwijderen van meerdere bomen is een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Uit deze quickscan komt het volgende naar voren: ▪ ▪

▪ ▪

▪

▪

Beschermde vaatplanten, mossen en korstmossen, reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelden zijn niet aanwezig of worden niet verwacht op basis van het ontbreken van geschikt biotoop. Beschermde soorten die verwacht worden in het projectgebied zijn verschillende soorten vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats en algemene broedvogels. De geplande werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op nieuwe vogelnesten van algemene broedvogels. Hiervoor zijn in hoofdstuk 7 voorzorgsmaatregelen opgenomen. Voor de soortgroep vleermuizen zijn meerdere geschikte omstandigheden waargenomen zoals gaten en spleten waar deze soortgroep in kan voorkomen. Vervolgonderzoek wordt aangeraden om gebruik van deze soortgroep in het projectgebied na te gaan. Afhankelijk van op welke termijn de werkzaamheden worden uitgevoerd is het aan te bevelen om nogmaals een controle uit te voeren op aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van bijvoorbeeld de buizerd. Werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden zoals beschreven in hoofdstuk 6 om negatieve effecten op algemene grondgebonden zoogdieren en broedende vogels te voorkomen.

7.2

Advies vervolgonderzoek

Vleermuizen Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het vastgestelde Vleermuisprotocol (versie maart 2017). Voor het onderzoek wordt in de periode 15 mei - 30 september in 4 tot 5 onderzoeksrondes vastgesteld wat de functie van de projectlocatie is voor vleermuizen. Met deze onderzoeksinspanning wordt een volledig beeld verkregen van het gebruik van het gebied door vleermuizen. Na het onderzoek naar aanwezige vleermuizen wordt een rapport opgesteld waarin genoteerd wordt wat de resultaten zijn, welke soorten zijn gevonden en welk gedrag ze vertonen. In het rapport wordt ook een effectbeoordeling gemaakt over de mogelijke effecten die de werkzaamheden hebben op aanwezige vleermuizen. Om een effectbeoordeling op te kunnen stellen, is het wel nodig om concrete informatie van de gemeente te krijgen over de voorgenomen werkzaamheden. Aan de hand van de effectbeoordeling wordt beoordeeld of mitigerende maatregelen en een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig zijn. Vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats Afhankelijk van op welke termijn de werkzaamheden worden uitgevoerd kan het raadzaam zijn nogmaals een controle uit te voeren op aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van bijvoorbeeld de buizerd en roeken.

rps.nl Ref.: 1600006A18-R19-341 | Versie definitief | 21 maart 2019 Pagina 17 van 18

8

BRONNEN

Geraadpleegde internetpagina’s: ▪ ▪ ▪ ▪

ndff-ecogrid.nl www.verspreidingsatlas.nl www.ravon.nl www.vlindernet.nl

rps.nl Ref.: 1600006A18-R19-341 | Versie definitief | 21 maart 2019 Pagina 18 van 18

Bijlage 1. Natuurwetgeving Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Al enige jaren is sprake van decentralisatie op het gebied van de diverse ‘groene taken’. Met de Wet natuurbescherming is de tendens van decentralisatie formeel bekrachtigd en zijn enkele nieuwe instrumenten toegevoegd. De Wet natuurbescherming moet op termijn (2018) opgaan in de Omgevingswet. De bepalingen en instrumenten uit de Wet natuurbescherming zijn hier al (grotendeels) op voorbereid. Het bevoegd gezag gaat over naar de provincie. Ten aanzien van projecten op nationale schaal blijft de Rijksdienst van Ondernemend Nederland bevoegd gezag. Voor de Wet natuurbescherming zijn ten aanzien van de Soortenbescherming twee richtlijnen en een nationaal beschermingsregime van toepassing: ▪ ▪ ▪

Vogelrichtlijn Habitatrichtlijn Nationale soorten

Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn is een Europese richtlijn die in 1979 is vastgesteld en is gericht op de bescherming van vogelsoorten binnen de Europese Unie (EU). De richtlijn verplicht de lidstaten tot de instandhouding van de in het wild levende vogelsoorten op hun grondgebied en heeft betrekking op de bescherming van vogels, hun eieren, nesten en leefgebieden. De richtlijn draagt tevens zorg voor de extra bescherming van broed- en trekvogels die: ▪ ▪ ▪ ▪

met uitsterven worden bedreigd; gevoelig zijn voor veranderingen in de leefomgeving; als bijzonder zeldzaam beschouwd worden; bescherming nodig hebben vanwege de eisen die ze aan hun habitat stellen.

Verbodsbepalingen Artikel 3.1 Lid 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Lid 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Lid 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Lid 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.

Habitatrichtlijn De Europese Habitatrichtlijn is complementair aan de Vogelrichtlijn en richt zich op de bescherming van bijzondere planten- en diersoorten (uitgezonderd vogels) en hun leefgebieden. Deze richtlijn is inclusief het Verdrag van Bern (bijlage II) en het Verdrag van Bonn (bijlage I). De in de Habitatrichtlijn genoemde maatregelen zijn gericht op: ▪ ▪

het behoud van natuurlijke habitat en ecosystemen; de bescherming van leefgebieden van bepaalde dieren en planten.

Met de richtlijn wordt getracht een Europees ecologisch netwerk tot stand te brengen (Natura 2000), zodat migratie van planten- en diersoorten binnen de EU mogelijk wordt gemaakt. In bijlage I van de Habitatrichtlijn wordt de beschermde habitat genoemd. In bijlage II zijn de planten- en diersoorten genoemd, waarvan de habitat beschermd moet worden om deze soorten in stand te houden. Een aantal van deze soorten heeft een prioritaire status, wat inhoudt dat niet alleen de soort, maar ook de leefomgeving hiervan als beschermd beschouwd moet worden. In bijlage IV worden de soorten genoemd die strikte bescherming genieten. Het is verboden deze soorten te doden, te vangen, te verontrusten of hun habitat aan te tasten. Veel soorten uit bijlage IV zijn ook genoemd in bijlage II.

Verbodsbepalingen Artikel 3.5 Lid 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Lid 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Lid 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Lid 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Lid 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Nationale soorten De nationale soorten betreffen een bescherming van een lijst met zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers (onderdeel A) en planten (onderdeel B). Het betreffende bevoegd gezag stelt in een verordening vast voor welke van deze soorten de verbodsbepalingen onverminderd gelden en voor welke soorten een vrijstelling geldt.

Verbodsbepalingen Artikel 3.10 Lid 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde "houtopstanden"). Het verbod op het geheel of gedeeltelijk vellen van houtopstanden is niet van toepassing op: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Houtopstanden binnen de grenzen van de bebouwde kom. Houtopstanden op erven of in tuinen. Fruitbomen en windschermen om boomgaarden. Naaldbomen, bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan 20 jaar. Kweekgoed. Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs watergangen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. Dunnen van een houtopstand. Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa welke ten minste eens per tien jaar worden geoogst. En bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid als aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 meter en aangelegd na 1 januari 2013.

De herplantplicht van houtopstanden geldt niet voor maatregelen ten behoeve van natuurontwikkelingen (in het kader van het halen van instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden en opgelegde mitigatie of compensatie in het kader van vergunningen of ontheffingen) en het creëren of onderhouden van brandgangen. Provincies kunnen vrijstellingsregels of nadere regels voor een ontheffing voor herplantplicht opstellen. Rode lijsten Op Rode lijsten staan soorten die worden bedreigd in hun voortbestaan. In Nederland is inmiddels voor negen soortgroepen een Rode lijst gepubliceerd in de Staatscourant: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

vogels dagvlinders zoogdieren reptielen en amfibieën paddenstoelen libellen

▪ ▪ ▪

krekels en sprinkhanen korstmossen zoetwatervissen.

De Rode lijsten komen voort uit het Verdrag van Bern. Dit verdrag vraagt bijzondere aandacht voor soorten die met uitsterven worden bedreigd en kwetsbaar zijn. Rode Lijst soorten genieten geen wettelijke bescherming. Provinciale en gemeentelijke overheden en terreinbeherende instanties worden geacht rekening te houden met de Rode lijsten bij het uitvoeren van beheer en het formuleren van beleid.

Bijlage 2. Foto’s projectgebied

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=03a2f3e8-9459-4829-8018-2ebbcefc6bae