Bijlage 11 Quick Scan natuurwetgeving Mr. G. Groen van Prinstererlaan114
Tekst van het document
G&G‐advies QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen Toetsing in het kader van de natuurwetgeving
L. Hartog
2018
Opdrachtgever Forum Capital B. V.
G&G‐advies QS2018‐13
Versie Concept Eindrapport
Datum 6 februari 2018
Gecontroleerd door: R. de Beer De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdracht‐ gever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn.
Bovendijk 35‐G
Hazenkoog 35‐A
2295 RV Kwintsheul
1822 BS Alkmaar
www.vandergoesengroot.nl
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
3
Inhoudsopgave 1
2
3
Inleiding
5
1.1
Aanleiding voor het onderzoek ............................................................................... 5
1.2
Doel van het onderzoek........................................................................................... 5
1.3
Het plangebied......................................................................................................... 6
1.4
Werkzaamheden...................................................................................................... 6
1.5
Leeswijzer ................................................................................................................ 6
Methode
7
2.1
Soorten .................................................................................................................... 7
2.2
Gebieden.................................................................................................................. 8
Beschermde soorten Wnb
9
3.1
Beschrijving aanwezige biotopen ............................................................................ 9
3.2
Beschermde soorten.............................................................................................. 11 3.2.1 Planten .................................................................................................................... 11 3.2.2 Vissen ...................................................................................................................... 11 3.2.3 Amfibieën ................................................................................................................ 11 3.2.4 Vogels ...................................................................................................................... 12 3.2.5 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................... 13 3.2.6 Vleermuizen ............................................................................................................ 14 3.2.7 Overige fauna .......................................................................................................... 15
3.3
4
5
Conclusie beschermde soorten ............................................................................. 15
Effectbeoordeling en maatregelen
16
4.1
Vogels..................................................................................................................... 16
4.2
Vleermuizen ........................................................................................................... 17
4.3
Conclusie effectbeoordeling .................................................................................. 18
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving
19
5.1
Natura 2000 ........................................................................................................... 19
5.2
Natuurnetwerk Nederland .................................................................................... 19
5.3
Weidevogelgebieden ............................................................................................. 19
5.4
Houtopstanden ...................................................................................................... 19
5.5
Overige relevante wetgeving................................................................................. 20
5.6
Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving ........................... 20
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
4
6
Conclusies
21
6.1
Beschermde soorten Wnb .....................................................................................21
6.2
Overige natuurwetgeving ......................................................................................21
6.3
Zorgplicht ...............................................................................................................21
6.4
Aanbevelingen ter bevordering van stadsnatuur ..................................................22
7
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur
23
8
Bijlagen
24
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
1
5
Inleiding 1.1
Aanleiding voor het onderzoek Er bestaan plannen een locatie aan de Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen (gemeente Amstelveen, Provincie Noord Holland) her in te richten. Dit plan valt juridisch onder ‘ruimtelijke inrichting en ontwikkeling’. Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (Wnb) of dat het plan gevolgen heeft voor nabij gelegen beschermde gebieden. In opdracht van ‘Forum Capital B.V.’ heeft Ecologisch Onderzoeks‐ en Adviesbureau Van der Goes en Groot in het kader van de huidige natuurwetgeving een quickscan uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek bestond uit een bronnenstudie en een veldbezoek.
1.2
Ligging van het plangebied.
Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het (mogelijke) voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Wnb. Tevens wordt onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of op beschermde gebieden kunnen veroorzaken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
6
Op grond van het onderzoek wordt geadviseerd omtrent te nemen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten en omtrent de noodzaak ontheffing of vergunning aan te vragen. Een uitgebreide beschrijving van de getoetste wetgeving is te vinden in Bijlage 1.
1.3
Het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het onderzoeksgebied aangegeven. Het plangebied is stedelijke gelegen in het centrum van Amstelveen ten noorden van de A9. Het plangebied is geheel omgeven door dichte bebouwing met her en der groenstroken en laanbeplanting.
1.4
Werkzaamheden De aanwezige bebouwing zal gesloopt worden en plaats maken voor nieuwbouw. Een deel van aanwezig groen binnen het plangebied zal verwijderd worden. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit het verwijderen van de vegetatie‐toplaag, het vergraven van de bodem, sloop van gebouwen en het kappen en rooien van struiken en bomen.
1.5
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de biotopen, die aanwezig zijn in het plangebied, beschreven en wordt aangegeven welke soorten aanwezig (kunnen) zijn binnen en nabij het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van het werk en welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft of‐ en welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied. Ten slotte bevat hoofdstuk 6 de conclusies. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de gebruikte en aanbevolen literatuur. In de bijlage is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruike‐ lijke procedures bij een vergunnings‐ en/of ontheffingsaanvraag.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
2
7
Methode Hieronder wordt aangegeven hoe is onderzocht welke soorten te verwachten zijn binnen het plangebied. Speciale aandacht is uit‐ gegaan naar díe beschermde soorten waarvoor, indien aanwezig, specifieke maatregelen moeten worden getroffen of ontheffing moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van dit plan. Daarnaast is gekeken of het plangebied tot een beschermd natuurgebied behoort.
2.1
Soorten Bronnenstudie Op basis van literatuurgegevens en informatie, samengebracht in bijvoorbeeld de Nationale Databank Flora‐ en Fauna (NDFF), is bekeken in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied. Voor het onderzoek van de NDFF is het kilometerhok onderzocht waarbinnen het plangebied is gelegen en de acht daaromheen gelegen kilometerhokken, rekening houdend met relevante, over‐ eenkomstige biotopen tussen plangebied en omgeving. In de database is gezocht naar gegevens van beschermde of soorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen die niet zijn vrijgesteld. Hierbij is gekeken naar waarnemingen in de afgelopen 10 jaar. Vervolgens is een interpretatie gedaan met betrekking tot de aard en de waarde van de waarnemingen (bijvoorbeeld overvliegend of verblijvend, de onderzoeksinspanning en de kans dat de situatie ter plaatse veranderd is). Naast het onderzoek van de NDFF zijn relevante verspreidings‐ atlassen en eventueel andere literatuur en websites geraadpleegd om de ecologische vereisten van soorten in samenhang met de verspreiding te bekijken. Potentiebeoordeling Het plangebied is op 25 februari 2018 bezocht om enerzijds de aan‐ wezige en aangrenzende biotopen te beschrijven en anderzijds eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar).
Verwerking Met behulp van analyse en expertkennis is op basis van de verzamel‐ de gegevens en de aangetroffen biotopen een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied. Op grond van de plannen is (voor zover mogelijk) een korte effect‐ beoordeling gemaakt van de plannen op de te verwachten soorten.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
8
Als negatieve gevolgen niet zijn uit te sluiten wordt aangegeven of specifieke maatregelen moeten worden genomen en/of ontheffing dient te worden aangevraagd.
2.2
Gebieden Op de gebiedendatabase van het Ministerie van Economische Zaken is gekeken in hoeverre het plangebied is gelegen binnen of nabij de begrenzing van beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuur‐ netwerk Nederland (NNN)), zie: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx Aan de hand van Provinciale of gemeentelijke informatie, toeganke‐ lijk via internet, is bekeken of het plangebied gelegen is in andere relevante beschermde gebieden, zie bijvoorbeeld: https://noord‐holland‐extern.tercera‐ro.nl/MapViewer/ of voor Zuid Holland: https://ruimtelijkeplannen.zuid‐holland.nl/VRM/ Als dit het geval is, wordt bekeken of negatieve effecten te verwachten zijn en of nadere toetsing noodzakelijk is.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
3
9
Beschermde soorten Wnb In dit hoofdstuk worden eerst de biotopen beschreven die aanwezig zijn binnen het plangebied. Vervolgens worden de beschermde soorten beschreven per soortgroep. In de beschrijving wordt per soortgroep eerst aangegeven welke soorten (volgens opgave van het NDFF en literatuur) in het verleden of tijdens het afgelegde veld‐ bezoek zijn aangetroffen. Vervolgens wordt vermeld welke soorten op grond van aanwezige biotopen te verwachten zijn en welke gebruiksfuncties het plangebied kan hebben voor deze soorten.
3.1
Beschrijving aanwezige biotopen Binnen het plangebied zijn een aantal verschillende biotopen aanwezig. Hieronder worden deze biotopen elk apart beschreven. Bebouwing Er staat een groot gebouw (voormalig bedrijfsgebouw) met vier etages (inclusief begane grond) en een deel met drie etages. Het dak is plat en bedekt met bitumen. De muren zijn opgebouwd met bakstenen. Er zijn veel ramen met rondom kozijnen aanwezig. Langs alle zijdes van het gebouw zijn spouwgaten in de muur aanwezig. Verder zijn ook kieren en spleten zichtbaar op veel plaatsen langs kozijnen en langs de afdekrand van het dak. Bosplantsoen Op de westzijde van het terrein is een deel bosplantsoen dat onder het bouwvlak valt. Het betreft een aantal hoge bomen als berk, Zwarte els en populier met ondergroei van struiken wat struiken zoaals Sneeuwbes. Er zijn niet veel lage kruiden aanwezig in het dikke bladerdek op de bodem. Wel zijn de eerste bladen van Daslook en Aronskelk al zichtbaar en groeit er Klimop. Er liggen verspreid enkele takkenhopen.
Noordzijde van het aanwezige gebouw.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
10
Voor zover zichtbaar zijn er geen grote gaten of spleten in de grote populier of andere bomen te zien. Langs het parkeerterrein staan lage haagjes en enkele jonge bomen. Er staan ook bomenrijen langs het gebouw. Aan de westkant lei‐ bomen (iepen), deze bevatten veel takgaten. Aan de oostkant staan ook iepen. Hier zijn bij één boom enkele takgaten waargenomen. Langs de noordkant staan eiken zonder gaten en of spleten. Gazon Aan de noordzijde is kort gemaaid gazon aanwezig. Het is kruidenrijk met o.a. Madelief, hoornbloem, Hondsdraf en Kruipende boterbloem. Daarnaast is veel Haakmos in de grasmat aanwezig. Overig Op het terrein is een klein, laag, open fietsenhok aanwezig. De zijkanten zijn van hout en het dak is van golfplaat. De verharding op het terrein betreffen de parkeerplaatsen en een stoep langs en naar het gebouw.
De eerste blaadjes van de Daslook komen al boven de grond.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
3.2
Beschermde soorten
3.2.1
Planten
11
Aangetroffen soorten Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde flora waargenomen. Rond het plangebied is in het verleden Grote bosaardbei en Kartuizer anjer (NDFF 2008‐2018). Potentie plangebied In het plangebied wordt geen beschermde flora verwacht. Er is geen zanderig, stenig biotoop aanwezig voor Karthuizer anjer. De waarneming van Grote bosaardbei is buiten het normale verspreidingsgebied van deze soort. Het kan mogelijk om een (niet beschermde) aanplant gaan. Het is een zeer zeldzame soort van kalkrijke grond. Binnen het plangebied ontbreekt dit biotoop en hiermee wordt uitgesloten dat Grote bosaardbei aanwezig is. Diverse soorten planten, (korst)mossen en wolfsklauwen die onder de Wet natuurbescherming beschermd zijn, worden niet in het plangebied verwacht, de soorten komen nagenoeg alleen voor in natuurgebieden.
3.2.2
Vissen Omdat geen water in het plangebied aanwezig is, kunnen geen (beschermde) vissoorten voorkomen.
3.2.3
Amfibieën Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde, niet vrijgestelde amfibieën waargenomen. De Rugstreeppad is bekend van de omgeving van het plangebied, de soort werd op 1,5 km van het plangebied vastgesteld (NDFF 2008‐ 2018). De Rugstreeppad is een beschermde soort die wordt genoemd als soort beschermd onder de Habitatrichtlijn (zie Bijlage 1.2.1). Potentie plangebied In het plangebied is geen voortplantingswater aanwezig voor amfibieën. In het plangebied is wél geschikt landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut door algemene soorten amfibieën zoals Gewone pad, Kleine water‐ salamander en Bruine kikker. De dieren kunnen wegkruipen onder opgeslagen materialen, stronken en takken of in verlaten muizen‐ holen e.d. Al deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Noord‐Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
12
Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Rugstreeppad, ondanks dat de soort in het verleden in de omgeving werd aan‐ getroffen. In het plangebied ligt geen geïsoleerd, ondiep water dat door de dieren kan worden gebruikt voor voortplanting. In het plangebied is ook geen geschikt vorstvrij, droog en vergraafbaar zanderig landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode als landbiotoop kan worden benut door deze soort. Als in het plangebied graafwerkzaamheden plaatsvinden of zand wordt opgebracht, is het niet te verwachten dat Rugstreeppadden het gebied kunnen intrekken.
3.2.4
Vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Het bevoegd gezag maakt onderscheid tussen soorten met niet‐jaarrond beschermde nesten, soorten met jaarrond beschermde nesten (ingedeeld in vier categorieën) en de zogenaamde ‘categorie 5‐soorten’ (zie verder Bijlage 1.2.5). Aangetroffen soorten met niet‐jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden diverse vogelsoorten waargenomen: Boomkruiper, Ekster, Koolmees (alle cat. 5), Halsbandparkiet, Houtduif (2 ex.), Kauw (5 ex.), Merel, Roodborst en Zilvermeeuw (8 ex.). In een Zwarte els is een klein nest waargenomen, dit is mogelijk van Houtduif. Net buiten het plangebied staat een Christusdoorn met een klein en een wat groter nest, mogelijk van Houtduif en Ekster. Potentie plangebied soorten met niet‐jaarrond beschermde nesten In het bosplantsoen binnen plangebied kunnen enkele algemene bos‐ en struweelvogels tot broeden komen zoals bijvoorbeeld Houtduif, Merel, Winterkoning en Heggemus. Het dak van het gebouw biedt mogelijk broedgelegenheid aan Kauw en Storm‐ of Zilvermeeuw. Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden geen vogels met jaarrond beschermde nesten of sporen (nesten) daarvan waargenomen. In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Huismussen (cat. 2) vastgesteld. De soort broedt op meerdere plaatsen rondom het plangebied (NDFF 2008‐2018).
Verder zijn waarnemingen bekend van Sperwer en Havik. Deze soorten broeden in het Amsterdamse bos. Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten Omdat in het plangebied geen geschikte bebouwing aanwezig is en geen grote nesten in bomen of andere sporen van verblijvende roofvogels of uilen werden waargenomen, wordt uitgesloten dat
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
13
vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in het plangebied. Huismussen broeden in huizen met zadeldaken en dakpannen of in schuren, vaak aan de rand van (dorpse) bebouwing. Binnenstedelijke gebouwen met platte daken zijn niet geschikt. Deze soort stelt aan zijn leefgebied ook aanvullende eisen zoals de aanwezigheid van dekking biedende struiken in bijvoorbeeld tuinen, zandplekken en/of voederplaatsen. Bosplantsoen is minder geschikt als biotoop. Gierzwaluwen gebruiken vooral gebouwen in de binnenstad om in te nestelen. De Gierzwaluw nestelt graag onder dakpannen, daklood of in houten daklijsten. Gebouwen met platte daken zonder speciale kasten zijn niet geschikt voor de soort. Het bosplantsoen en de omliggende gazons en tuin kan als foerageergebied worden gebuikt van de in de buurt vastgestelde Sperwer.
3.2.5
Grondgebonden zoogdieren Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde, niet vrijgestelde zoogdieren waargenomen. Rond het plangebied zijn in het verleden Bunzing, Eekhoorn, en Wezel waargenomen (NDFF 2008‐2018). De soorten zijn beschermde soorten die wordt genoemd als ‘andere soort’ (zie Bijlage 1.2.1). Potentie plangebied Het is mogelijk dat in het gebied enkele (kleine) zoogdieren voor‐ komen zoals Egel en verschillende algemene soorten (spits)muizen. Al deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Noord‐ Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. In het plangebied zijn geen (oude) holen van Konijn, Mol, of Vos aanwezig die in gebruik kunnen zijn door Kleine marterachtigen. Daarnaast zijn geen sporen in de vorm van prooiresten, uitwerpselen en loopsporen gevonden. Tevens zijn rond het plangebied bebouwing en mensen (en huisdieren) aanwezig zodat noodzakelijke rust voor de dieren ontbreekt en geen uitwisseling met meer natuurlijk habitat mogelijk is. Er wordt dan ook geen marterachtigen verwacht binnen het plangebied. De waarnemingen van Eekhoorn in de omgeving zijn gedaan in grotere, dichtere parken, zoals het Broersepark, recreatiegebied De Braak en vooral het Amsterdamse bos.
Het bosplantsoen nabij het plangebied is relatief, klein, open en te druk en hiermee geen geschikt leefgebied voor de Eekhoorn.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
14
3.2.6
Vleermuizen Vleermuizen kunnen op zeer duidelijk te onderscheiden manieren van een leefgebied gebruik maken. Belangrijke gebruiksfuncties zijn verblijfplaats, foerageergebied of (deel van) een vliegroute. Aangetroffen vleermuizen Er zijn in het verleden in de omgeving van het plangebied alleen losse waarnemingen van langsvliegende en plaatselijk foeragerende vleermuizen verricht (NDFF 2008‐2018). Potentie verblijfplaatsen Precieze locaties van verblijfplaatsen zijn alleen vast te stellen met gericht nachtelijk onderzoek tenzij uit te sluiten is dat potentie hiervoor aanwezig is. De waargenomen spouwgaten en spleten in de muren van het gebouw geven mogelijk toegang tot voor vleermuizen geschikte holtes. Te denken valt aan gebouwbewonende soorten zoals Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger. De takgaten die zijn waargenomen in verschillende bomen zijn (heel) ondiep (regenwater kan hierin blijven staan) en niet geschikt als (tijdelijke) verblijfplaats voor boom bewonende soorten zoals Ruige dwergvleermuis, Watervleermuis, grootoorvleermuis of Rosse vleermuis. Potentie foerageergebied Het plangebied is (marginaal) geschikt voor foeragerende vleermuizen. De (schaarse) aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken.
Spouwgaten in de muren geven mogelijk toegang tot voor vleermuizen beschikbare holtes.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
15
Potentie vliegroute Gezien de ligging, de vorm en de grootte van het plangebied kan geen sprake zijn van een belangrijke functie als vliegroute voor vleermuizen.
3.2.7
Overige fauna Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor andere beschermde diersoorten in verband met het ontbreken van geschikt biotoop.
3.3
Conclusie beschermde soorten Op grond van §3.2.1 t/m §3.2.7 zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in Tabel 1. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soort‐ groepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt onderzocht welke gevolgen voor deze soort‐ groepen worden verwacht door het uitvoeren van de plannen.
Eerder volgens literatuuropgave vastgestelde soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in/nabij het plangebied (kolom 2) en verwachte voorkomen daarvan binnen het plangebied (kolom 3). *Vaste rust‐ en verblijfplaatsen.
Beschermde, niet vrijgestelde soorten Planten Vissen Amfibieën Vogelsoorten met niet‐jaarrond beschermde nesten Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen verblijfplaats foerageergebied vliegroute Overige beschermde fauna
Van der Goes en Groot
Aangetroffen nabij het plangebied (literatuur) ja nee ja
Potentieel aanwezig binnen het plangebied nee nee nee
ja
ja
ja
nee*
nee
nee*
nee ja ? nee
ja ja nee nee
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
16
4
Effectbeoordeling en maatregelen Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van Tabel 1. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).
4.1
Vogels Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien en kappen van struiken en bomen het slopen van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatie‐toplaag. Soorten met niet‐jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoor‐ beeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk – voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels – het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt! ‘Categorie 5’‐soorten Gezien de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied zullen de (mogelijk) aanwezige vogelsoorten die genoemd worden als ‘categorie 5’‐soort (Ekster, Kauw), kunnen uitwijken naar alternatief leefgebied. Er gelden geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die een jaarrond beschermde status van nesten van deze soorten rechtvaardigen.
Overigens geldt ook voor deze soorten dat activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats moeten vinden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
4.2
17
Vleermuizen Verblijfplaatsen Bij de sloop van het gebouw zouden vaste rust‐ of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen beschadigd of vernield kunnen worden. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soort(en). Hierbij dient ook de naaste omgeving van het plangebied betrokken te worden. Als verblijvende vleermuizen aanwezig zijn dienen vervangende en geschikte verblijfplaatsen te worden aangeboden. Er is tijdelijke compensatie en permanente compensatie noodzakelijk. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Projectplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt.
Spleten onder de dakrand geven mogelijk toegang tot voor vleermuizen geschikte holtes.
Foerageergebied Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Na realisatie van de plannen zal vanwege de gerealiseerde bebouwing de beschutting toenemen en zal het terrein geschikt blijven voor foeragerende vleermuizen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
18
4.3
Conclusie effectbeoordeling Negatieve effecten van de plannen op beschermde soort(en) (indien aanwezig) zijn niet uit te sluiten. Het gaat om vleermuizen. Er is vervolgonderzoek noodzakelijk naar deze beschermde soorten. In Tabel 2 staan de perioden aangegeven wanneer dit onderzoek kan worden uitgevoerd. Tevens wordt het aantal bezoekrondes vermeld.
Optimale periode voor uit te voeren vervolg‐ onderzoek naar beschermde soorten of soortgroepen die zijn aangetroffen of worden verwacht in het plangebied. *=Te combineren met andere bezoeken.
Soort/Soortgroep Vleermuizen
Optimale periode Gebiedsfunctie
Periode
Kraam/zomerverblijf
Paarverblijven en zwermen
Gewone dwergvleermuis
half mei ‐ half juli
augustus‐oktober
Ruige dwergvleermuis
(juni ‐ half juli‐nvt)
augustus ‐ oktober
juni ‐ half juli
nvt
Laatvlieger
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
Aantal bezoeken Aantal bezoeken beide 2
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
5
19
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving In hoofdstuk 3 en 4 is beschreven welke beschermde soorten kunnen voorkomen en welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben. De Wet Natuurbescherming kent naast soortbescherming ook gebiedsbeschermende wet‐ en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000‐gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 1.3). Naast bepalingen uit de Wnb kunnen gebieden ook beschermd zijn onder de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Hieronder wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied.
5.1
Natura 2000 Het plangebied ligt op meer dan drie kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000‐gebied, Botshol. Gezien de grote afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen negatieve gevolgen verwacht van de plannen. Er hoeft geen nadere toetsing uitgevoerd te worden.
5.2
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN‐gebieden kunnen verbinden (zie Figuur 2). Er worden derhalve geen negatieve gevolgen verwacht op wezenlijke kenmerken en waarden van NNN‐ gebieden.
5.3
Weidevogelgebieden Het gebied is niet begrensd als een bijzonder te beschermen weide‐ vogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied (zie Figuur 2). Er kunnen geen negatieve gevolgen zijn voor beschermde weidevogelleefgebieden.
5.4
Houtopstanden Er worden geen buiten de (volgens de Wnb bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m². Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting. Op grond hiervan wordt het plangebied niet beschermd als bijzondere houtopstand.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
20
5.5
Overige relevante wetgeving Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.
5.6
Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving dan die beschreven in hoofdstuk 3 en 4 aan de orde is bij uitvoering van de plannen.
Ligging van het plangebied (rood omrand) ten opzichte van beschermde Weidevogelleefgebieden en het NNN‐ netwerk (EHS in legenda).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
6
21
Conclusies 6.1
Beschermde soorten Wnb Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien het aanwezige biotoop, het oppervlak, de geografische ligging en informatie uit de vakliteratuur over waarnemingen en populaties in de omgeving, zullen van de amfibieën en grond‐ gebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten gelden geen verbodsbepalingen als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. Een ontheffing is dan niet nodig. In het plangebied kunnen broedvogels met niet‐jaarrond be‐ schermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uitgesloten zijn, is onderzoek naar in gebruik zijnde verblijf‐ plaatsen van vleermuizen noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2).
Worden tijdens de veldinventarisatie één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijk‐ baar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
6.2
Overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving aan de orde is dan die hierboven beschreven in §6.1.
6.3
Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Teneinde de zorgplicht na te leven kan
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
22
men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren: Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodem bewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten; Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten. Bij de sloop‐ en bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.
6.4
Aanbevelingen ter bevordering van stadsnatuur Met behulp van enkele eenvoudige maatregelen kan de natuur in de stad versterkt worden en krijgen planten en dieren ook in nieuwe ontwikkelingslocaties de ruimte. Hiervoor worden voor dit plan de volgende aanbevelingen gedaan: Het plaatsen van vleermuiskasten of geschikt maken of open houden van spouwmuren van nieuwbouw voor vleermuizen; Plaatsen van voorzieningen voor Huismussen, Spreeuwen en Gierzwaluwen d.m.v. speciale dakpannen, vogelvides of inmetselstenen; Beplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten die insecten, vogels en vlinders kunnen aantrekken. Dergelijke maatregelen bevorderen de leefbaarheid van een woonwijk aanzienlijk. Ook dragen deze maatregelen sterk bij aan een versnelling van het natuurlijk evenwicht in een nieuwbouw‐ situatie. Dit kan typische problemen als muggen‐ en vliegen‐ overlast of muizenplagen van nieuwbouwprojecten voorkomen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
7
23
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BIJLSMA, ROB.G., 1993 Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kennis‐ centrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland ‐ Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., O VON HELVERSEN & D. NILL, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord‐West Afrika. Tirion Natuur. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. HERDER, J.E., J. KRANENBERG, D. HOOGENBOOM, J. HAMERS & K. DEKKER (RED), 2012. Atlas van de Noord‐Hollandse vissen. Landschap Noord‐Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen. HOOGENBOOM, D.M., F. VISBEEN, J. WONDERGEM, W. RUITENBEEK (RED.), 2014. Atlas van de Noord‐Hollandse zoogdieren. Landschap Noord‐Holland, Heiloo & Noord‐Hollandse Zooddier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord‐Holland, Noordhol‐ landse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem.
LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. SCHARRINGA, C.J.G., W. RUITENBEEK & P.J. ZOMERDIJK, 2010. Atlas van de Noord‐Hollandse broedvogels 2005‐2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord‐Holland, Landschap Noord‐Holland. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998‐2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD (NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING VZZ EN GEGEVENSAUTORITEIT NATUUR). Vleermuisprotocol 2017, 13 maart 2017.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
24
8
Bijlagen
Bijlage 1
Huidige natuurwetgeving
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
Bijlage 1 Huidige natuurwetgeving Bijlage 1.1 Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora‐ en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 1.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000‐gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijker‐ wijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voor‐ komen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”
Bijlage 1.2 Soortbescherming Bijlage 1.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de HRL en soorten genoemd in de VRL. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 3.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.
Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld. Zoogdieren
DR
FL
FR
GL
GR
L
NB
NH
OV
UT
ZL
ZH
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Aardmuis
+
Bosmuis
+
+
+
+
+
+
Bunzing
+
+
+
+
+
+
Dwergmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Dwergspitsmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Eekhoorn
+
Egel
+
+
Gewone bosspitsmuis
+
Haas
+
+
+
+
+
+
Hermelijn
+
+
+
+
+
+
Huisspitsmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Konijn
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Ondergrondse woelmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Ree
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Rosse woelmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Steenmarter
+
Tweekleurige bosspitsmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Veldmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Vos
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Wezel
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Wild zwijn Woelrat
+ +
Amfibieën en reptielen
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Bastaardkikker
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Bruine kikker
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Gewone pad
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Hazelworm Kleine watersalamander
+ +
+
+
+
+
Levendbarende hagedis Meerkikker
+ +
+
Van der Goes en Groot
+
+
+
+
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
Bijlage 1.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatricht‐ lijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied op‐ zettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bijlage 1.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings‐ en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaats‐ vindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 1.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) worden over‐ treden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goed‐ gekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden be‐ oordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de
¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 1.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. Ontheffing is in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. Ontheffing is in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. Ontheffing is in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van (groot) openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
Ontheffing is nodig in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan. Bijlage 1.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaats‐ vinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust‐ of verblijf‐ plaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘broedvogels met jaarrond beschermde nesten’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina. De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf wordt zowel de verblijfplaats betrokken als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie.
Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Categorie 4 4 2 3 4 2 3 3 3 4 2 3 4 1 4 4
Toelichting codes Vogelsoorten waarvan de nesten in principe jaarrond zijn beschermd met beschermingscategorie: 1 = soorten die ook buiten het broedsei‐ zoen het nest gebruiken als vaste rust‐ of verblijfplaats; 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop; 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing; 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in staat zijn een nest te maken.
Voor soorten met jaarrond beschermde nesten kan, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voort‐ plantings‐ en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als geen schade optreedt en de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, zal de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen. Categorie 5‐soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook soorten met jaarrond beschermde nesten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’.
Bijlage 1.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goed‐ gekeurde gedragscode hoeft bij werkzaamheden in het kader van natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogel‐ soorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld en er moet een belang zijn voor het project vergelijkbaar met genoemde belangen uit de VRL, HRL of de ‘andere soorten’.
Bijlage 1.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000‐gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschap‐ pelijke‐ of natuurwaarden. Bijlage 1.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU‐landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000‐gebieden. Een overzicht van Natura 2000‐gebieden is te vinden op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0 Habitattoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000‐ gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen.
Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend. Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings‐ en verstoringstoets. Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Het bevoegd gezag geeft een
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
vergunning af als de verslechtering of verstoring in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen aanvaardbaar is. Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000‐gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000‐ netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000‐gebieden en daar voor schade kan zorgen. Om de mate van stikstofvervuiling te volgen en te reguleren is de zogenaamde ‘Programmatische Aanpak Stikstof’ (PAS) in werking getreden. Boven bepaalde ‘drempelwaardes’ kan een project vanwege neergeslagen stikstof meldings‐ of vergunning plichtig zijn.
Bijlage 1.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 1.4.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Ingrepen in gebieden die horen bij het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) worden in principe niet toegestaan, tenzij bijvoorbeeld uitgesloten is dat de ingreep een negatief effect heeft op het netwerk of de ingreep een groot maatschappelijk belang dient. Getoetst wordt of een ingreep van invloed is op ‘wezenlijke kenmerken en waarden’, het NNN kent geen toetsing op ‘externe werking’. Als een ingreep wordt toegestaan, moeten eventuele nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen en de resterende schade moet worden gecompenseerd. Uitgangspunt bij het toestaan van ingrepen is dat netto sprake moet zijn van een versterking van het netwerk. Bijlage 1.4.2 Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘weidevogelleefgebieden’ van de Provincie Noord‐Holland. Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn. Bijlage 1.4.3 Houtopstanden Houtopstanden groter dan 10 are of bomenrijen bestaand uit meer dan 20 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom, zijn beschermd.
Men dient vergunning of ontheffing te verkrijgen indien dergelijke houtopstanden moeten worden gekapt of gerooid. In sommige gevallen is een herplantplicht aan de orde.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing
Zie Bijlage 1.2.1 Geen ontheffing nodig
Zie Bijlage 1.2.2 Geen ontheffing nodig
Zie Bijlage 1.2.3
Zie Bijlage 1.2.3 Geen ontheffing mogelijk
Ontheffing onder voorwaarden mogelijk
Bijlage 1.5 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 3 te worden gevolgd. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat nega‐ tieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Meester G. Groen van Prinstererlaan te Amstelveen
Bijlage 1.5.1 Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van: Een projectplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatieven‐ studie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven. Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier‐ en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3‐5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevings‐ vergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen. Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Ook hierbij dient een projectplan en inventarisatie bijgevoegd te worden. De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeeft als onderdeel van de omgevingsvergunning.
De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd. Ook het volgen van gedrags‐ codes wordt gehandhaafd door de provincie. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes of het stilleggen van werkzaamheden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
QS2018‐13
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
Hazenkoog 35A Bovendijk 35‐G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl