Bijlage 1. Was wordt lijst inhoudelijke wijzigingsvoorstellen Amstelveen
Tekst van het document
Was/ wordt lijst inhoudelijke wijzigingsvoorstellen Amstelveen 2024 In de ‘bestaande tekst’ zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert, cursief gezet en – als het een facultatieve bepaling betreft – eveneens onderstreept (aangezien dan de hele bepaling cursief is i.v.m. het facultatieve karakter). In de ‘nieuwe tekst’ zijn de nieuwe woorden en leestekens vet gedrukt. Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd Bestaande tekst Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder:
Nieuwe tekst Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder:
-
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 (bijlage 1);
-
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 (bijlage 1);
-
beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet
-
beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet
-
bevoegd gezag:bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;
-
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;
-
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;;
-
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
-
college: het college van burgemeester en wethouders;
-
college: het college van burgemeester en wethouders;
-
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
-
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet
-
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
-
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
1
-
heempark: heembeplantingsvoorzieningen met een duidelijk parkachtige aanleg, waarbij voornamelijk gebruik is gemaakt van inheemse plantensoorten, dat wil zeggen soorten die tot de wilde flora van Nederland (kunnen) worden gerekend;
-
-
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
heempark: heembeplantingsvoorzieningen met een duidelijk parkachtige aanleg, waarbij voornamelijk gebruik is gemaakt van inheemse plantensoorten, dat wil zeggen soorten die tot de wilde flora van Nederland (kunnen) worden gerekend;
-
-
openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
-
-
rechthebbende: degene die over een zaak of dier zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;
-
-
vaartuigen: hetgeen in artikel 1 van de gemeentelijke Woonschepenverordening daaronder wordt verstaan;
rechthebbende: degene die over een zaak of dier zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
-
-
weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 , daaronder wordt verstaan.
vaartuigen: hetgeen in artikel 1 van de gemeentelijke Woonschepenverordening daaronder wordt verstaan;
-
weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 , daaronder wordt verstaan.
Artikel 2.10 lid 2 en lid 10 en 11 worden als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1.Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien:
Nieuwe tekst Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1.Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien:
a.het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of
a.het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of
2
b.het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
b.het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
2.Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,20 m wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 m op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.
2.Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,50 m wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 m op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.
3.Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclameborden. 4.Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5.In afwijking van het vierde lid is geen ontheffing nodig: a. voor de bij besluit van het college aangewezen voorwerpen, onder de voorwaarden dat deze voorwerpen maximaal 6 maanden worden geplaatst en minimaal 4 weken voor de plaatsing melding is gedaan middels een door het college vastgesteld meldingsformulier. Het eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing, of; b.indien op basis van de ‘Amstelveense richtlijn voor tijdelijke verkeersmaatregelen’ toestemming is verleend door de wegbeheerder, mits de daarbij gestelde voorwaarden worden nageleefd. 6.Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking. 7.De voorwerpen als bedoeld in lid vijf mogen worden geplaatst, tenzij het college binnen vier weken na ontvangst van de melding schriftelijk heeft laten weten dat de gewenste plaatsing niet aan een of meer van de voorwaarden van lid vijf voldoet.
3.Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclameborden. 4.Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5.In afwijking van het vierde lid is geen ontheffing nodig: a. voor de bij besluit van het college aangewezen voorwerpen, onder de voorwaarden dat deze voorwerpen maximaal 6 maanden worden geplaatst en minimaal 4 weken voor de plaatsing melding is gedaan middels een door het college vastgesteld meldingsformulier. Het eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing, of; b. indien op basis van de ‘Amstelveense richtlijn voor tijdelijke verkeersmaatregelen’ toestemming is verleend door de wegbeheerder, mits de daarbij gestelde voorwaarden worden nageleefd. 6.Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking. 7.De voorwerpen als bedoeld in lid vijf mogen worden geplaatst, tenzij het college binnen vier weken na ontvangst van de melding schriftelijk heeft laten weten dat de gewenste plaatsing niet aan een of meer van de voorwaarden van lid vijf voldoet.
3
8.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a.evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b.terrassen als bedoeld in artikel 2:27; c.standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; en d.overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 9.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale wegenverordening. 10. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
8.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a.evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b.terrassen als bedoeld in artikel 2:27; c.standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; en d.overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 9.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale wegenverordening. 10. Het verbod in het eerste lid is tevens niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. 11. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:24 lid 1 sub f wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:24 Begripsomschrijving
Nieuwe tekst Artikel 2:24 Begripsomschrijving
4
1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
a. bioscoopvoorstellingen;
a. bioscoopvoorstellingen;
b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid aanhef en onder g van de Gemeentewet;
b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid aanhef en onder g van de Gemeentewet;
c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening.
f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:39 van deze verordening.
Artikel 2.71 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2.71 Begripsbepaling
Nieuwe tekst Artikel 2.71. Begripsbepaling
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1. van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan: vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1. van het vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 2.76 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2.76
Nieuwe tekst Artikel 2.76 Veiligheidsrisicogebied
5
vervallen
De burgemeester kan, overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet, bij verstoringen van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2.77 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2.77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1. De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats
Nieuwe tekst Artikel 2.77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1. De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats
2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van aangewezen voor een ieder toegankelijke plaatsen: openbare parkeerplaatsen of openbare parkeerterreinen
2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van aangewezen voor een ieder toegankelijke plaatsen: openbare parkeerplaatsen of openbare parkeerterreinen
3. Na een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid brengt de burgemeester dit ter kennis aan de leden van de Raadscommissie voor Algemeen bestuur en middelen.
3. Na een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid brengt de burgemeester dit ter kennis aan de leden van de gemeenteraad.
Artikel 2.78 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2.78 Gebiedsontzegging 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde
Nieuwe tekst Artikel 2.78 Gebiedsontzegging 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid en zedelijkheid aan een persoon die strafbare 6
verstorende handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 48 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 8 weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 8 weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen 6 maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.
3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.
4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
4. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gedaan als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 3:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3:1 Begripsbepaling
Nieuwe tekst Artikel 3:1 Begripsbepaling
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; b. sekswerker: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;
7
c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; f. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: 1.
de exploitant; 2. de beheerder; 3. de prostituee; 4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; 5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6:2 van deze verordening; 6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiec.q. seksbedrijf waaronder tevens begrepen een erotischemassagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; d. escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig aan een sekswerker gelegenheid geven tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling door te bemiddelen tussen de sekswerker en de derde met het oog op prostitutie die plaats vindt op een ander adres dan de woning van de sekswerker of een seksinrichting; e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; f. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; g.
beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: 1. de exploitant; 2. de beheerder; 3. de sexwerker; 4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; 5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6:2 van deze verordening;
8
6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. i. Sekswerk: het tegen betaling verrichten van seksuele handelingen met of voor een ander; j. Prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het aan een sexwerker gelegenheid geven tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling; k. Seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot: a. Het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, of; b. Het verrichten van seksuele handelingen voor een derde tegen betaling.
Artikel 3.4 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.4: Seksinrichtingen
Nieuwe tekst Artikel 3.4: Seksinrichtingen
1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.
1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.
2. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:
2. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:
a. de persoonsgegevens van de exploitant;
a. de persoonsgegevens van de exploitant;
b. de persoonsgegevens van de beheerder; en
b. de persoonsgegevens van de beheerder; en
c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.
c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.
3. Er wordt voor in totaal ten hoogste drie escortbedrijven vergunning verleend.
9
4. Er wordt voor in totaal ten hoogste twee seksinrichtingen vergunning verleend.
3. Er wordt voor in totaal ten hoogste twee seksinrichtingen vergunning verleend.
5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 5. Vergunningplichtige seksinrichtingen en escortbedrijven zijn verplicht een bedrijfsplan, conform de gemeentelijke Leidraad, te hanteren én aan te leveren bij de gemeente.
Artikel 3.13 , lid 2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3.13, lid 2: Weigeringsgronden
Nieuwe tekst Artikel 3.13, lid 2: Weigeringsgronden
2. Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, achterwege gelaten, in het belang van:
2. Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, achterwege gelaten, als:
a. het voorkomen of beperken van overlast;
a. er sprake is van nadelige beïnvloeding van de openbare orde,
b. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;
b. er sprake is van nadelige beïnvloeding van de woon- en leefomgeving,
c. de veiligheid van personen of goederen;
c. als er nadelige beïnvloeding is van de veiligheid of gezondheid van de sekswerker of klanten door de aanwezigheid van een seksbedrijf, of,
d. de verkeersvrijheid of -veiligheid; e. de gezondheid of zedelijkheid; of
d. het bedrijfsplan niet voldoet aan de eisen die gesteld worden aan een dergelijk plan.
10
f. de arbeidsomstandigheden van de prostituee.
11
Na artikel 3.13 wordt het volgende artikel ingevoegd, luidende: Bestaande tekst -
Nieuwe tekst Artikel 3.13a: Intrekkingsgronden De vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 1:6, ingetrokken indien: a. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees rechtvaardigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de veiligheid en/of de gezondheid van de sekswerkers of klanten, b. de exploitant of beheerder het toezicht op de naleving belemmert of bemoeilijkt, of c. er gedurende een termijn van drie maanden geen feitelijk gebruik wordt gemaakt van de vergunning.
Artikel 4:15 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:15 Verbod hinderlijke, ontsierende of gevaarlijke reclame
Nieuwe tekst Artikel 4:15 Verbod hinderlijke, ontsierende of gevaarlijke reclame
1.Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en hinder zijn betrokken bij de afweging.
Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ontsierende en/of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
2.Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.
12
Artikel 5:6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. 1.Het is verboden een kampeerwagen, camper, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen, woonwagen of een ander dergelijk voertuig dat voor recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd, langer dan drie achtereenvolgende dagen te doen of te laten staan op of aan de weg.
Nieuwe tekst Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. 1.Het is verboden een kampeerwagen, camper, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen, woonwagen of een ander dergelijk voertuig dat voor recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd, langer dan drie achtereenvolgende dagen te doen of te laten staan op of aan de weg.
2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. 4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
3.Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5.18 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5.18: Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
Nieuwe tekst Artikel 5.18: Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben; 2. Het College weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan; 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd:
1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben; 2. Het college kan nadere regels stellen voor het verlenen van een standplaatsvergunning.
13
a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
3. Het College weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan; 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd: a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
14