CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Motivatie ‘TAM - omgevingsplan hoofdstuk 22c – Bodem Amstelveen’

Raadsvergadering 12 maart 2025, gemeente amstelveenBij agendapunt: Vaststellen ‘Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) - omgevingsplan hoofdstuk 22c – Bodem Amstelveen’19.951 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Tweede en derde lid: Het tweede lid bepaalt dat ­ in aanvulling op artikel 22.128, eerste en tweede lid van dit omgevingsplan ­ ook gegevens en bescheiden worden verstrekt over de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding, bedoeld in artikel 22.130 van dit omgevingsplan, gaan verrichten. Het bevoegd gezag kan op basis hiervan controleren of voor milieukundige begeleiding bij graven een erkenning aanwezig is. Wijzigingen in deze gegevens moeten direct worden doorgegeven aan het bevoegd gezag. Als sprake is van een spoedreparatie van ondergrondse infrastructuur, dan geldt deze verplichting tot het verstrekken van gegevens en bescheiden voorafgaand aan de activiteit niet. Vierde lid: De resultaten van het verkennend bodemonderzoek worden verstrekt in een digitaal (PDF­) bestand (het gehele bodemonderzoeksrapport) en een XML­bestandsformaat met (meet)gegevens over de bodem. Een bestandsformaat XML (volgens uitwisselingsformaat SIKB0101) is de standaard voor de bodembranche. Hiermee kunnen de resultaten van het bodemonderzoek, na beoordeling, geautomatiseerd en dus snel worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van Zaanstad en zijn daarmee snel door iedereen online te raadplegen. Het XML­bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat.

Zie voor de verdere eisen die worden gesteld aan de aanlevering van bodemonderzoeksresultaten bijlage II bij dit TAM omgevingsplan hoofdstuk 22c .

Artikel 22 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur In dit artikel is de verplichting opgenomen om na een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur op een locatie in zone 4 van de Bodemkwaliteitskaart (zie de zonekaart in bijlage I), op een locatie in een niet­gezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart (zie de zonekaart in bijlage I) of in de openbare weg, informatie over de uitgevoerde graafwerkzaamheden te verstrekken als sprake is van afvoer van grond. Het kan hierbij immers gaan om het afvoeren van sterk verontreinigde grond, waarop toezicht gewenst is. Het verstrekken van gegevens en bescheiden over de uitgevoerde werkzaamheden als sprake is van afvoer van grond, is ook verplicht in gevallen waarin op grond van de voormalige Wet bodembescherming een zogenaamde ernst, geen spoed­beschikking is vastgesteld. Een dergelijke beschikking betekent dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, maar dat spoedige sanering niet nodig is. De sanering kan op een natuurlijk moment plaatsvinden, bijvoorbeeld bij herontwikkeling van de locatie. De gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het bevoegd gezag door de opdrachtgever, de uitvoerend aannemer of een derde zoals een adviseur of directievoerder, betrokken bij het project. In het artikel is aangegeven welke gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt.

De gegevens en bescheiden bevatten een omschrijving van de werkzaamheden, zoals de begrenzing van de activiteit (in horizontale en verticale richting), de data waarop de werkzaamheden zijn uitgevoerd en de aanleiding en het doel van de werkzaamheden. Artikel 23 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie Bodemwerkzaamheden vinden niet steeds op een vaste locatie plaats, maar op wisselende locaties. Ook zijn de werkzaamheden vaak kortdurend. Er kan aan meerdere informatie­ of meldplichten voor het uitvoeren van verschillende activiteiten zijn voldaan op één perceel. Het is dan niet altijd duidelijk onder welke informatie­ of meldplicht de aannemer werkzaamheden uitvoert. Dat maakt het houden van toezicht lastig. Daarom is in dit artikel een plicht opgenomen om gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 22.128 van dit omgevingsplan of artikel 21 van dit TAM omgevingsplan hoofdstuk 22c , op locatie beschikbaar te hebben. Artikel 1.18, vierde lid, onder b over het verstrekken van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek in XML­format (SIKB0101) geldt niet voor het beschikbaar hebben van onderzoeksgegevens op de locatie. Een digitaal (PDF­)bestand van het bodemonderzoeksrapport of een geprint exemplaar van het bodemonderzoeksrapport op locatie is voldoende.

Artikel 24 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond (hekwerk) Voor graven in sterk verontreinigde grond was een bepaling opgenomen in de voormalige Regeling uniforme saneringen dat de ontgravingslocatie en buiten de ontgravingslocatie liggende depots zijn omgeven door een hekwerk. Deze bepaling is echter is niet overgenomen in de bruidsschatregels over kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Een dergelijke eis valt onder de zorgplicht van artikel 22.44 van het omgevingsplan. Het is wenselijk dat voor degene die de activiteit verricht (aannemer) duidelijk is wat in het kader van de zorgplicht van hem wordt verwacht. Daarom wordt in dit artikel expliciet geregeld dat een hekwerk moet worden geplaatst rondom de ontgravingslocatie of op een andere manier moet worden voorkomen dat de locatie wordt betreden door derden. Dit is een concretisering van de specifieke zorgplicht waarmee een voormalige bepaling wordt gecontinueerd.

Een afzetting is vooral van belang als de medewerkers die het graven uitvoeren de locatie hebben verlaten en de ontgravingsput of de opslag van uitgenomen grond er onbewaakt bij liggen. Het artikel is erop gericht om te voorkomen dat derden (bijvoorbeeld spelende kinderen) in contact komen met de (sterke) verontreiniging, en om te voorkomen dat (sterk) verontreinigde grond in de omgeving verspreid raakt. Artikel 25 Grond gescheiden houden Dit artikel bepaalt dat partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen en verschillende grondsoorten gescheiden worden gehouden. Soms zal het gescheiden houden op basis van het (voor)onderzoek kunnen plaatsvinden. Bijvoorbeeld men graaft in verschillende te onderscheiden lagen zoals aangeduid op de Bodemkwaliteitskaart, of er is een bodemonderzoek uitgevoerd waaruit het verschil in kwaliteitsklassen kan worden afgeleid. In andere gevallen zal het gescheiden houden zoveel mogelijk op basis van waarneming plaatsvinden, bijvoorbeeld door grondsoorten (van verschillende kwaliteit) gescheiden te houden die visueel waarneembeer van elkaar afwijken. In paragraaf 3.3 van het Beleidskader Bodem onder de Omgevingswet gemeente Amstelveen wordt dit nader toegelicht voor graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (meer dan 25m3 grondverzet). Deze toelichting in het beleidskader is ook relevant voor kleinschalig graven.

Eerste lid: Bij het ontgraven van grond wordt onderscheid gemaakt in partijen van verschillende kwaliteitsklassen en verschillende grondsoorten. Dit geldt ook bij het terugplaatsen van grond in de bodem. Het gescheiden houden van partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen en verschillende grondsoorten is voorgeschreven om ongewenste verspreiding van verontreinigde grond zoveel mogelijk te voorkomen en doelmatige (circulaire) afvalverwerking en duurzaam bodemgebruik te bevorderen. Bij het ontgraven wordt de grond direct ingedeeld in een kwaliteitsklasse (mits dit uit het (voor)onderzoek is af te leiden). De indeling vindt plaats op basis van de kwaliteitsklassen die in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn opgenomen. Het gaat dan om grond die voldoet aan de kwaliteitsklassen landbouw/natuur, wonen en industrie. Bij graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit kan ook matig verontreinigde grond vrijkomen. Deze grond kan niet (zonder reiniging) worden hergebruikt op een andere locatie. Tweede lid: De partijen die bij het ontgraven zijn ingedeeld en gescheiden, moeten ook bij het tijdelijk opslaan gescheiden worden gehouden (anders heeft het gescheiden houden bij ontgraven geen zin). Tussen de deelpartijen wordt enige afstand aangehouden of er wordt een fysieke scheidingswand aangebracht.

Artikel 26 Tijdelijk uitnemen van grond In dit artikel zijn de eisen opgenomen waaraan voldaan moet worden bij het tijdelijk uitnemen van grond bij het kleinschalig graven. Eerste lid: Net als bij de activiteit graven (meer dan 25m3 graafvolume) in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in het Besluit activiteiten leefomgeving, mag bij kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, grond worden teruggeplaatst na tijdelijk uitnemen mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. De voorwaarden zijn dat de grond zonder te zijn bewerkt, in het ontgravingsprofiel waar het uit vandaan kwam, en onder dezelfde omstandigheden wordt teruggeplaatst. Anders dan de zinsnede «op of nabij het ontgravingsprofiel» bij kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde, laat het criterium «in hetzelfde ontgravingsprofiel» in dit artikel weinig speelruimte.

Er is geen sprake van terugplaatsen «onder dezelfde omstandigheden» als bijvoorbeeld grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst naar onder de grondwaterspiegel (of andersom) of als grond afkomstig uit de onderlaag wordt teruggeplaatst als toplaag. Tweede lid: Door een bewerking kunnen de fysische of chemische eigenschappen van de grond wijzigen, waardoor het terugbrengen van de bewerkte grond als een nieuwe toepassing moet worden beschouwd. Een uitzondering is gemaakt voor het uitzeven van bodemvreemde bestanddelen. Als dit uitzeven niet gericht is op het veranderen van de milieuhygiënische kwaliteit, wordt dit niet aangemerkt als een bewerking. Het gaat hierbij vaak om het verwijderen van bodemvreemde bestanddelen zoals puin of afval die om andere dan milieuhygiënische redenen uit de partij wordt verwijderd, voordat deze wordt teruggebracht. Derde lid: Tijdens of na afloop van graven kan het nodig zijn om de grond tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de graafwerkzaamheden weer wordt teruggebracht in de bodem of omdat de grond naar elders moet worden afgevoerd. Dit artikel staat de tijdelijke opslag van vrijkomende grond toe gedurende de looptijd van de werkzaamheden en gedurende maximaal acht weken na het beëindigen van de graafwerkzaamheden.

De periode van acht weken is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of het cunet (een uitgraving in een natuurlijke ondergrond) op te slaan. Het is onwenselijk dat de grond langer dan 8 weken is opgeslagen, door mogelijke blootstelling van derden aan een eventuele verontreiniging en mogelijke verspreiding van verontreinigde grond in de omgeving. Als het voornemen bestaat om de grond langer dan de toegestane periode op te slaan of de vrijgekomen grond op een andere locatie dan de ontgravingslocatie op te slaan, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie. Voor een korte overschrijding van de termijn kan eventueel een maatwerkvoorschrift worden aangevraagd waarmee de termijn van 8 weken wordt verlengd. In dit artikel staan geen regels die verplichten tot maatregelen om te voorkomen dat de bodem ter plaatse van de tijdelijke opslag verontreinigd raakt, of dat emissies zich verspreiden naar de omgeving. De achtergrond hiervan is dat de opslag doorgaans een kortdurend karakter kent en plaatsvindt op de locatie van ontgraving, waardoor meestal de uitkomende grond een vergelijkbare kwaliteit heeft als de onderliggende bodem.

Als dit laatste niet het geval is, kunnen maatregelen aan de orde zijn op basis van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan. Het nemen van bodembeschermende maatregelen als het aanbrengen van een folie is in principe niet nodig. Dit kan anders zijn wanneer de uitgegraven grond een slechtere kwaliteit heeft, bijvoorbeeld bij de ontgraving van een plek met minerale olie verontreinigde grond. In dat geval kan van de initiatiefnemer op basis van de specifieke zorgplicht verwacht worden dat maatregelen worden genomen ter bescherming van de onderliggende bodem, zoals het aanbrengen van een folie. Een ander voorbeeld is dat bij droge condities voorkomen moet worden dat verwaaiing of verstuiving van het opgeslagen materiaal kan plaatsvinden. Dit kan gerealiseerd worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van grond in afsluitbare containers. Artikel 27 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen Eerste lid, aanhef en onder a: Hierin is bepaald dat grond met een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, na het tijdelijk uitnemen, niet wordt teruggebracht in de bodem.

De interventiewaarde bodemkwaliteit geeft aan wanneer de functionele eigenschappen van de bodem voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd, als gevolg van verontreiniging van de bodem.

In het eerste lid onder a wordt uitgegaan van de interventiewaarde bodemkwaliteit voor de vaste bodem. Door het benoemen van de specifieke mobiele stoffen (zie tabel 27) wordt duidelijkheid aan de initiatiefnemer gegeven wanneer sprake is van een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. De in de tabel opgenomen stoffen zijn de meest voorkomende mobiele stoffen in stedelijke omgeving. Ook bij andere stoffen kunnen zich situaties voordoen waarbij terugplaatsen van de grond in de bodem niet gewenst is vanwege verspreiding of gezondheidsrisico’s. Bijvoorbeeld bij naftaleen, cyanide, sommige bestrijdingsmiddelen, zware metalen. Hierbij kan het gaan om bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een afwijkende pH­waarde in de bodem waardoor een verontreiniging met metalen mobiel kan worden. Dat de verontreiniging met de genoemde stoffen mobiel is, zal in de meeste gevallen pas blijken uit grondwateronderzoek. Niet altijd is een interventiewaarde of signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering beschikbaar. In alle situaties geldt de zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Eerste lid, onder b: Voor PFAS is aangesloten bij de INEV’s (Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging.

De INEV’s zijn afgeleid door het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en gelden als de meest actuele wetenschappelijke inzichten. Het is ongewenst dat grond met een PFAS­verontreiniging boven de genoemde waarden wordt teruggeplaatst vanwege de verwachte effecten op het milieu en de gezondheid. Tweede lid: De aard van de verontreinigingen bepaalt in samenhang met de aanwezige bodemopbouw en ­samenstelling of er sprake is van een mobiele dan wel immobiele verontreinigingssituatie. Onder de oude systematiek (de Circulaire bodemsanering 2013) werd een verontreiniging mobiel genoemd als deze zich kan verplaatsen door het grondwater en onder invloed van de grondwaterstroming. Een immobiele verontreiniging verspreidt zich daarentegen niet of nauwelijks omdat de stof gebonden is aan de bodemdeeltjes. Dit onderscheid wordt ook in dit omgevingsplan gehanteerd. In het eerste lid, onder a is bepaald dat grond met een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde bodemkwaliteit niet wordt teruggeplaatst in de bodem. Uit een grondwateronderzoek kan echter blijken dat de stof in de specifieke omstandigheden op de locatie toch niet (erg) mobiel is. Dit kan bijvoorbeeld komen door de bodemopbouw.

Om die reden is in dit lid opgenomen dat als uit een grondwateronderzoek blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit activiteiten leefomgeving niet worden overschreden voor deze stoffen, het eerste lid, onder a, niet van toepassing is. Artikel 28 Kwaliteitsborging uitvoeren kleinschalig graven Graven in een bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit komt vaak voor. In Nederland hebben ongeveer 600 organisaties een erkenning om de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving te mogen uitvoeren volgens de BRL SIKB 7000. Circa 170 organisaties mogen deze activiteit milieukundig begeleiden volgens de BRL SIKB 6000. Ook bij kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit moet gewerkt worden conform deze normdocumenten. De milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven is geregeld in artikel 22.130 van dit omgevingsplan. Tweede lid: Dit lid regelt in welke situaties de activiteit onder milieukundige begeleiding moet plaatsvinden. Milieukundige begeleiding is nodig als de graafwerkzaamheden dieper reiken dan een eerder in het kader van een bodemsanering aangebrachte afdeklaag, zoals bijvoorbeeld een leeflaag of andere duurzame afdeklaag.

De milieukundige begeleiding moet uitgevoerd worden volgens de BRL SIKB 6000. Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige begeleider een logboek bij. Na afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige begeleider in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL SIKB 6000.

Volgens de BRL SIKB 6000 is een continue aanwezigheid van de milieukundige doorgaans niet nodig. De milieukundige moet aanwezig zijn bij kritische werkzaamheden, dus bij die werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de leefomgeving. In dit geval is het moment van doorgraven en weer herstellen van de afdeklaag het kritische moment. Paragraaf 1.2.3 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, anders dan kleinschalig graven Artikel 29 Toepassingsbereik Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de regels in deze paragraaf gaan over de activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit die is aangewezen in artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving. De interventiewaarde bodemkwaliteit is opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. In artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving staat dat het graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit een milieubelastende activiteit is als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3. Voor het uitvoeren van de activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit gelden de regels uit paragraaf 4.119 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Op grond van artikel 2.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving is het mogelijk om maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. De maatwerkregels in deze paragraaf van het TAM omgevingsplan hoofdstuk 22c gelden in afwijking van of aanvulling op de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij het graven in de bodem met een bodemvolume van 25 m3 of minder gelden de paragrafen over kleinschalig graven in dit omgevingsplan. Zie ook de paragrafen 1.2.1 en 1.2.2 van dit TAM omgevingsplan hoofdstuk 22c over kleinschalig graven. Bij graven gaat het om alle graafwerkzaamheden in de bodem. Daarbij kan het gaan om het graven voor het leggen van kabels en leidingen waarbij de grond weer wordt teruggebracht (tijdelijk uitnemen). Maar het kan ook gaan om het afgraven van bodem voor het bouwen van een ondergrondse parkeergarage waarbij de afgegraven grond wordt afgevoerd. Artikel 30 Voorafgaand bodemonderzoek Eerste lid: Voordat de activiteit graven in de bodem wordt uitgevoerd, wordt een zogenoemd vooronderzoek bodem verricht. Volgens het Besluit activiteiten leefomgeving moet er een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd als uit het vooronderzoek bodem blijkt dat er sprake is van een verdenking op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging.

In het Besluit activiteiten leefomgeving wordt ten opzichte van het oude recht, de Wet bodembescherming, eerder afgezien van het verkennend bodemonderzoek. Voor sommige gebieden binnen de gemeente Amstelveen is dit ongewenst. In dit lid is daarom opgenomen dat bij het uitvoeren van de activiteit binnen bepaalde gebieden in Amstelveen verplicht is om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren, ook als uit het vooronderzoek bodem geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging volgt. Het gaat om de volgende gebieden: zone 4 van de Bodemkwaliteitskaart (zie de zonekaart in bijlage I), wordt gekenmerkt door een heterogene bodemverontreiniging. Gemiddeld is sprake van een bodemverontreiniging boven de interventiewaarde. Vanwege deze heterogeniteit, en het vermoedelijk aanwezig zijn van een bodemverontreiniging boven de interventiewaarde,

wordt een verkennend bodemonderzoek verplicht gesteld. Een verkennend bodemonderzoek in deze zone zal meestal uitwijzen dat sprake is van een bodemkwaliteit boven de interventiewaarde, maar de uitkomst kan in sommige gevallen ook zijn dat sprake is van een bodemkwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde. In het eerste geval gelden de regels voor graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde zoals opgenomen in deze paragraaf. De openbare weg is niet opgenomen in de Bodemkwaliteitskaart. Om deze reden kan geen betrouwbare uitspraak worden gedaan over de te verwachten bodemkwaliteit op de graaflocatie. Daarom is voor het ontgraven van grond in de openbare weg een verkennend bodemonderzoek verplicht gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, of de regels over graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit van toepassing zijn. Sommige gebieden op de Bodemkwaliteitskaart zijn niet gezoneerd vanwege het ontbreken van (representatieve) informatie over de bodemkwaliteit (zie de zonekaart in bijlage I). Dit is de reden waarom een verkennend bodemonderzoek verplicht wordt gesteld.

Hieruit zal blijken of de regels voor graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, of de regels over graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit van toepassing zijn. Tweede lid: Een verkennend onderzoek is niet nodig als het bevoegd gezag al over voldoende informatie beschikt. Het moet hierbij gaan om recente en voor de graaflocatie relevante (representatieve) onderzoeksresultaten. In het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet gemeente Amstelveen is dit nader uitgewerkt. In het uitgevoerde vooronderzoek bodem worden deze onderzoeksresultaten beschreven. Artikel 31 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit Eerste lid: In artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving is opgenomen welke gegevens en bescheiden ten minste een week voor het begin van de activiteit aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt. Het gaat om het verstrekken van informatie over de begrenzing van de locatie, de verwachte begindatum van de activiteit en de verwachte duur van de activiteit.

In aanvulling daarop volgt uit het eerste lid dat een verkennend of nader bodemonderzoek (asbest), bedoeld in de artikelen 5.7b tot en met 5.7e van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 30, samen met het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, ten minste één week voor het begin van de activiteit wordt aangeleverd. Met deze informatie wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van de onderzoeksresultaten van het verkennend (of nader) bodemonderzoek (asbest). Tweede lid: Als alleen een vooronderzoek bodem is uitgevoerd, hoeft het niet te worden verstrekt aan het bevoegd gezag. Deze situatie kan zich voordoen als er geen verdenking bestaat op het voorkomen van een specifieke verontreiniging, en de graaflocatie ook niet gelegen is in de gebieden genoemd in artikel 30, eerste lid. Derde lid: De resultaten van het bodemonderzoek worden verstrekt in een digitaal (PDF­) bestand (het gehele bodemonderzoeksrapport) en een XML­bestandsformaat met (meet)gegevens over de bodem. Een bestandsformaat XML (volgens uitwisselingsformaat SIKB0101) is de standaard voor de bodembranche. Hiermee kunnen de resultaten van het bodemonderzoek, na beoordeling, geautomatiseerd en dus snel worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en zijn daarmee snel door iedereen online te raadplegen.

Het XML­bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Zie voor de verdere eisen die worden gesteld aan de aanlevering van bodemonderzoeksresultaten bijlage II bij dit TAM omgevingsplan hoofdstuk 22c.

Artikel 32 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie Bodemwerkzaamheden vinden niet steeds op een vaste locatie plaats, maar op wisselende locaties. Ook zijn de werkzaamheden vaak kortdurend. Er kan aan meerdere informatie­ of meldplichten voor het uitvoeren van verschillende activiteiten zijn voldaan op één perceel. Het is dan niet altijd duidelijk onder welke informatie­ of meldplicht de aannemer werkzaamheden uitvoert. Dat maakt het houden van toezicht lastig. Daarom is in dit artikel een plicht opgenomen om gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving en de verrichte bodemonderzoeken op locatie beschikbaar te hebben. Artikel 31, derde lid, onder b over het verstrekken van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek in XML­format (SIKB0101) is niet van toepassing op het beschikbaar hebben van bodemonderzoeksgegevens op de locatie. Een digitaal (PDF­)bestand van het bodemonderzoeksrapport of een geprint exemplaar van het bodemonderzoeksrapport op locatie is voldoende. Artikel 33 Grondsoorten gescheiden houden Eerste lid: Op grond van artikel 4.1222 van het Besluit activiteiten leefomgeving moet grond gescheiden worden gehouden in verschillende te onderscheiden kwaliteitsklassen.

Het gescheiden houden van partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen is door het rijk voorgeschreven om ongewenste verspreiding van verontreinigde grond zoveel mogelijk te voorkomen en doelmatige (circulaire) afvalverwerking en duurzaam bodemgebruik te bevorderen. In het Besluit activiteiten leefomgeving staat geen verplichting om grondsoorten gescheiden te houden voor graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde. Vanuit circulariteit is dit wenselijk. Daarom staat in dit artikel een verplichting voor het gescheiden houden van grondsoorten. Ook het gescheiden houden van grondsoorten bevordert de mogelijkheden van circulair werken. Vanuit civieltechnisch oogpunt is het gewenst dat verschillende grondsoorten zoals klei, zand of veen zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden, zodat de hergebruiksmogelijkheden van de grond niet worden beperkt. Het is bijvoorbeeld mogelijk om klei of veen, die visueel te onderscheiden is (afwijkende kleur of structuur) van de ophooglaag van zand, apart te houden bij het graven. Met deze aanvullende verplichting in het eerste lid wordt aan de circulaire ambities uit de Omgevingsvisie Amstelveen bijgedragen. Tweede lid: In dit lid is aangesloten op de formulering van artikel 4.1223, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, dat geldt voor het gescheiden houden van kwaliteitsklassen.

Het is wenselijk ook voor scheidbare grondsoorten een plicht tot het gescheiden opslaan op te nemen (anders heeft het gescheiden houden bij ontgraven geen zin). Tussen de deelpartijen moet enige afstand worden aangehouden of er moet een fysieke scheidingswand worden aangebracht. Artikel 34 Geen grond met PFAS terugplaatsen Voor PFAS in de vaste bodem is aangesloten bij de INEV’s (Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging). De INEV’s zijn afgeleid door het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en gelden als de meest actuele wetenschappelijke inzichten. Het is ongewenst dat grond met een PFAS­verontreiniging boven de opgenomen waarden wordt teruggeplaatst vanwege de verwachte effecten op het milieu en de gezondheid. Ook bij andere stoffen kunnen zich situaties voordoen waarbij terugplaatsen van de grond in de bodem niet gewenst is vanwege verspreiding of gezondheidsrisico’s. Bijvoorbeeld bij naftaleen, cyanide, sommige bestrijdingsmiddelen, zware metalen. Hierbij kan sprake van bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een afwijkende pH­waarde in de bodem waardoor een verontreiniging met metalen mobiel kan worden.

Dat de verontreiniging met de genoemde stoffen mobiel is, zal in de meeste gevallen pas blijken uit grondwateronderzoek. Niet altijd is een interventiewaarde of signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering beschikbaar. In alle situaties geldt de zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Paragraaf 1.2.4 Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, anders dan kleinschalig graven Artikel 35 Toepassingsbereik Eerste lid: In het eerste lid is bepaald dat de regels in deze paragraaf gaan over de activiteit graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit die is aangewezen in artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving. De interventiewaarde bodemkwaliteit is opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor het uitvoeren van de activiteit graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit gelden de regels uit paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Op grond van artikel 2.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving is het mogelijk om maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. De maatwerkregels in deze paragraaf van het TAM omgevingsplan hoofdstuk 22c gelden in afwijking van of in aanvulling op de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving.

In artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving staat dat het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit een milieubelastende activiteit is als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25m3. Voor het uitvoeren van de activiteit graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit gelden de regels uit paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Op grond van artikel 2.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving is het mogelijk om maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. De maatwerkregels in deze paragraaf van het TAM omgevingsplan hoofdstuk 22c gelden in afwijking van of aanvulling op de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij het graven in de bodem met een bodemvolume van 25 m3 of minder gelden de paragrafen over kleinschalig graven in dit omgevingsplan. Zie ook de paragrafen 1.2.1 en 1.2.2 van dit TAM omgevingsplan hoofdstuk 22c over kleinschalig graven. Bij graven gaat het om alle graafwerkzaamheden in de bodem. Daarbij kan het gaan om het graven voor het leggen van kabels en leidingen waarbij de grond weer wordt teruggebracht (tijdelijk uitnemen). Maar het kan ook gaan om het afgraven van bodem voor het bouwen van een ondergrondse parkeergarage waarbij de afgegraven grond wordt afgevoerd.

Bij het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit gaat het om een te ontgraven bodemvolume van meer dan 25 m3. Dit houdt in dat als sprake is van kleinschalig grondverzet (het ontgraven van een bodemvolume van 25 m3 of minder) de regels in deze paragraaf niet gelden. Artikel 36 Voorafgaand bodemonderzoek Eerste lid: Voordat de activiteit graven in de bodem wordt uitgevoerd, wordt een zogenoemd vooronderzoek bodem verricht. Het uitgangspunt van het Besluit activiteiten leefomgeving is dat als uit het uitgevoerde vooronderzoek bodem blijkt dat sprake is van een verdenking op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem, een verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd.

In het Besluit activiteiten leefomgeving wordt ten opzichte van het oude recht, de Wet bodembescherming, eerder afgezien van het verkennend bodemonderzoek. Voor sommige gebieden binnen de gemeente Amstelveen is dit ongewenst. In dit lid is daarom opgenomen dat bij het uitvoeren van de activiteit binnen bepaalde gebieden in Amstelveen verplicht is om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren, ook als uit het vooronderzoek bodem geen verdenking op een specifieke bodemverontreiniging volgt. Het gaat om de volgende gebieden: zone 4 van de Bodemkwaliteitskaart (zie de zonekaart in bijlage I), wordt gekenmerkt door een heterogene bodemverontreiniging. Gemiddeld is sprake van een bodemverontreiniging boven de interventiewaarde. Vanwege deze heterogeniteit, en het vermoedelijk aanwezig zijn van een bodemverontreiniging boven de interventiewaarde, wordt een verkennend bodemonderzoek verplicht gesteld. Een verkennend bodemonderzoek in deze zone zal meestal uitwijzen dat sprake is van een bodemkwaliteit boven de interventiewaarde, maar de uitkomst kan in sommige gevallen ook zijn dat sprake is van een bodemkwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde. In het eerste geval gelden de regels voor graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde zoals opgenomen in deze paragraaf. De openbare weg is niet opgenomen in de Bodemkwaliteitskaart.

Om deze reden kan geen betrouwbare uitspraak worden gedaan over de te verwachten bodemkwaliteit op de graaflocatie. Daarom is voor het ontgraven van grond in de openbare weg een verkennend bodemonderzoek verplicht gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, of de regels over graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit van toepassing zijn. Sommige gebieden op de Bodemkwaliteitskaart zijn niet gezoneerd vanwege het ontbreken van (representatieve) informatie over de bodemkwaliteit (zie de zonekaart in bijlage I). Dit is de reden waarom een verkennend bodemonderzoek verplicht wordt gesteld. Hieruit zal blijken of de regels voor graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, of de regels over graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit van toepassing zijn. Tweede lid: Een verkennend (of nader) onderzoek is niet nodig als het bevoegd gezag al over voldoende informatie beschikt. Het moet hierbij gaan om recente en voor de graaflocatie relevante (representatieve) onderzoeksresultaten. In het Beleidskader bodem onder de Omgevingswet gemeente Amstelveen is dit nader uitgewerkt. In het uitgevoerde vooronderzoek bodem worden deze onderzoeksresultaten beschreven.

Artikel 37 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit Eerste lid: In artikel 4.1225 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bij de melding het verstrekken van bodemonderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 Bal verplicht gesteld. In artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aanvullende informatie gevraagd voor het begin van de activiteit. In aanvulling hierop wordt volgens het eerste lid een verkennend bodemonderzoek, bedoeld in artikel 36, ten minste vier weken voor het begin van de activiteit graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit ingediend. Met deze informatie wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van de onderzoeksresultaten van het verkennend bodemonderzoek. Tweede lid: De resultaten van het verkennend bodemonderzoek worden verstrekt in een digitaal (PDF­) bestand (het gehele bodemonderzoeksrapport) en een XML­bestandsformaat met (meet)gegevens over de bodem. Een bestandsformaat XML (volgens uitwisselingsformaat SIKB0101) is de standaard voor de bodembranche. Hiermee kunnen de resultaten van het bodemonderzoek, na beoordeling, geautomatiseerd en dus snel worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en zijn daarmee snel door iedereen online te

raadplegen. Het XML­bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Zie voor de verdere eisen die worden gesteld aan de aanlevering van bodemonderzoeksresultaten bijlage II bij dit TAM omgevingsplan hoofdstuk 22c. Artikel 38 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie Bodemwerkzaamheden vinden niet steeds op een vaste locatie plaats, maar op wisselende locaties. Ook zijn de werkzaamheden vaak kortdurend. Er kan aan meerdere informatie­ of meldplichten voor het uitvoeren van verschillende activiteiten zijn voldaan op één perceel. Het is dan niet altijd duidelijk onder welke informatie­ of meldplicht de aannemer werkzaamheden uitvoert. Dat maakt het houden van toezicht lastig. Daarom is in dit artikel de verplichting opgenomen om de gegevens en bescheiden die zijn ingediend voor de activiteit, zoals de meldplicht, de informatieplichten en de verrichte bodemonderzoeken, op locatie beschikbaar te hebben. Artikel 37, tweede lid, onder b over het verstrekken van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek in XML­format (SIKB0101) is niet van toepassing op het beschikbaar hebben van onderzoeksgegevens op de locatie. Een digitaal (PDF­)bestand van het bodemonderzoeksrapport of een geprint exemplaar van het bodemonderzoeksrapport op locatie is voldoende.

Artikel 39 Actuele risico’s Als bij het graven sprake is van actuele risico’s door het onverwacht aantreffen van asbest, asbestverdacht materiaal of een andere verontreiniging wordt het bevoegd gezag hierover direct geïnformeerd. Met een actueel risico wordt bedoeld de kans op ontoelaatbare blootstelling aan verontreinigende stoffen of het verspreiden van deze stoffen in de fysieke leefomgeving tijdens de sanering door het aantreffen van een verontreinigingssituatie die niet was voorzien bij de melding. Aanvullende maatregelen kunnen nodig zijn om de leefomgeving te beschermen. Een voorbeeld van een aanvullende maatregel is het nat houden van opslag van asbesthoudende grond om verstuiving te voorkomen. In sommige gevallen zal een wijziging van de melding moeten worden ingediend. Door het bevoegd gezag te informeren wordt het bevoegd gezag in de gelegenheid gesteld de situatie te beoordelen en aan te geven welke vervolgstappen nodig zijn. Artikel 40 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond (hekwerk) Voor graven in sterk verontreinigde grond was een regel opgenomen in de voormalige Regeling uniforme saneringen dat de ontgravingslocatie en buiten de ontgravingslocatie liggende depots zijn omgeven door een hekwerk. Deze regel is echter is niet overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Een dergelijke eis valt onder de zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het is wenselijk dat voor degene die de activiteit verricht (aannemer) duidelijk is wat in het kader van de zorgplicht van hem wordt verwacht. Daarom wordt dit artikel expliciet geregeld dat een hekwerk of andere afzetting wordt geplaatst rondom de ontgravingslocatie bij graven in sterk verontreinigde grond. Dit is een concretisering van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarmee een voormalige regel wordt gecontinueerd. Een afzetting is vooral van belang als de medewerkers die het graven uitvoeren de locatie hebben verlaten en de ontgravingsput of de opslag van uitgenomen grond er onbewaakt bij liggen. Het artikel is erop gericht om te voorkomen dat derden (bijvoorbeeld spelende kinderen) in contact komen met de (sterke) verontreiniging, en om te voorkomen dat (sterk) verontreinigde grond in de omgeving verspreid raakt. Artikel 41 Grondsoorten gescheiden houden

Eerste lid: In het Besluit activiteiten leefomgeving staat geen verplichting om grondsoorten gescheiden te houden voor wat betreft licht verontreinigde grond die (naast matige en sterk verontreinigde grond) kan vrijkomen bij de activiteit graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Het gaat om grond met de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen of industrie. In artikel 4.1230, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteit leefomgeving is het gescheiden houden van grondsoorten wel geregeld voor matig of sterk verontreinigde grond (met het oog op reinigbaarheid). Vanuit circulariteit is het ook wenselijk om het gescheiden houden van grondsoorten verplicht te stellen voor licht verontreinigde grond. Daarom staat in dit artikel een verplichting voor het gescheiden houden van grondsoorten, ook als het licht verontreinigde grond betreft. Vanuit civieltechnisch oogpunt is het gewenst dat verschillende grondsoorten zoals klei, zand of veen zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden, zodat de hergebruiksmogelijkheden van de grond niet worden beperkt. Het is bijvoorbeeld mogelijk om klei of veen, die visueel te onderscheiden is door de afwijkende kleur of structuur van de ophooglaag van zand, apart te houden bij het graven.

Met de aanvullende verplichting in het eerste lid wordt aan de circulaire ambities uit de Omgevingsvisie Amstelveen bijgedragen. Tweede lid: In dit lid is aangesloten bij de formulering van artikel 4.1231, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, dat geldt voor het gescheiden opslaan van matig en sterk verontreinigde grond op grondsoort. Het is wenselijk om ook als het gaat om licht verontreinigde grond een verplichting tot het gescheiden opslaan op grondsoort op te nemen, anders heeft het gescheiden houden bij ontgraven geen zin. Tussen de deelpartijen wordt enige afstand aangehouden of er wordt een fysieke scheidingswand aangebracht. Artikel 42 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen Eerste lid, onder a: Hierin is bepaald dat grond met een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, na het tijdelijk uitnemen, niet wordt teruggebracht in de bodem. De interventiewaarde bodemkwaliteit geeft aan wanneer de functionele eigenschappen van de bodem voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd, als gevolg van verontreiniging van de bodem. In het eerste lid onder a wordt uitgegaan van de interventiewaarde bodemkwaliteit voor de vaste bodem.

Door het benoemen van de specifieke mobiele stoffen (zie tabel 42) wordt duidelijkheid aan de initiatiefnemer gegeven wanneer sprake is van een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. De in de tabel opgenomen stoffen zijn de meest voorkomende mobiele stoffen in stedelijke omgeving. Ook bij andere stoffen kunnen zich situaties voordoen waarbij terugplaatsen van de grond in de bodem niet gewenst is vanwege verspreiding of gezondheidsrisico’s. Bijvoorbeeld bij naftaleen, cyanide, sommige bestrijdingsmiddelen, zware metalen. Hierbij kan sprake van bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een afwijkende pH­waarde in de bodem waardoor een verontreiniging met metalen mobiel kan worden. Dat de verontreiniging met de genoemde stoffen mobiel is, zal in de meeste gevallen pas blijken uit grondwateronderzoek. Niet altijd is een interventiewaarde of signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering beschikbaar. In alle situaties geldt de zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Eerste lid, onder b: Voor PFAS in de vaste bodem is aangesloten bij de INEV’s (Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging). De INEV’s zijn afgeleid door het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en gelden als de meest actuele wetenschappelijke inzichten.

Het is ongewenst dat grond met een PFAS­verontreiniging boven de genoemde waarden wordt teruggeplaatst vanwege de verwachte effecten op het milieu en de gezondheid.

Tweede lid: De aard van de verontreinigingen bepaalt in samenhang met de aanwezige bodemopbouw en ­samenstelling of er sprake is van een mobiele dan wel immobiele verontreinigingssituatie. Onder de oude systematiek (de Circulaire bodemsanering 2013) werd een verontreiniging mobiel genoemd als deze zich kan verplaatsen door het grondwater en onder invloed van de grondwaterstroming. Een immobiele verontreiniging verspreidt zich daarentegen niet of nauwelijks omdat de stof gebonden is aan de bodemdeeltjes. Dit onderscheid wordt ook in dit omgevingsplan gehanteerd. In het eerste lid, onder a is bepaald dat grond met een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde bodemkwaliteit niet wordt teruggeplaatst in de bodem. Uit een grondwateronderzoek kan echter blijken dat de stof in de specifieke omstandigheden op de locatie toch niet (erg) mobiel is. Dit kan bijvoorbeeld komen door de bodemopbouw. Om die reden is in dit lid opgenomen dat als uit een grondwateronderzoek blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit activiteiten leefomgeving niet worden overschreden voor deze stoffen, het eerste lid, onder a niet van toepassing is.

Voor de normen waaraan een grondwateronderzoek moet voldoen, is aansluiting gezocht bij de normen voor een verkennend of nader bodemonderzoek in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Afdeling 1.3 Saneren Artikel 43 Toepassingsbereik In paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels opgenomen over het saneren van de bodem. Artikel 2.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving biedt de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkregels in het omgevingsplan. In deze afdeling van het TAM omgevingsplan hoofdstuk 22c zijn maatwerkregels opgenomen die de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving over saneren aanvullen, of daarvan afwijken. Onder het saneren van de bodem valt niet het saneren van het grondwater of de waterbodem. Een waterbodem is bijvoorbeeld de bodem van een sloot, rivier of een meer. Artikel 44 Verwijderen verontreiniging met vluchtige stoffen Eerste lid: Volgens artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn twee standaard saneringsaanpakken mogelijk, namelijk afdekken (artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving) en verwijderen (artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving). Ook een combinatie van beide aanpakken is mogelijk. Bij de aanwezigheid van vluchtige stoffen voorziet artikel 4.1245 van het Besluit activiteiten leefomgeving in aanvullende maatregelen tegen uitdamping als sprake is van het bouwen van een bodemgevoelig gebouw. Vluchtige stoffen die niet worden verwijderd tijdens sanering kunnen bij uitdamping ophopen in een bodemgevoelig gebouw.

In de saneringspraktijk onder de voormalige Wet bodembescherming was dit regelmatig een probleem als bij sanering geen volledige verwijdering had plaatsgevonden. Maatregelen tegen uitdamping verliezen vaak na enige tijd hun werking. Een vloer zal bijvoorbeeld na verloop van tijd minder dampdicht worden. Een dampdichte doorvoer van leidingen vergt onderhoud en is kwetsbaar. Mechanische ventilatie vergt ook onderhoud en de aandacht voor deze maatregelen kan na verloop van tijd verslappen. Een robuuste saneringsmaatregel is daarom gewenst. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevatten geen voorkeur voor de saneringsaanpak verwijderen in geval van vluchtige stoffen op de plaats van een bodemgevoelig gebouw. Om hetzelfde niveau van bescherming te bieden als onder de Wet bodembescherming en het Besluit uniforme saneringen (zoals deze golden voor de inwerkingtreding van de

Omgevingswet) is in het eerste lid volledige verwijdering van de bodemverontreiniging met vluchtige stoffen op de plek van het gebouw als uitgangspunt genomen. Tweede lid: In dit lid wordt verwezen naar tabel 44 waarin de vluchtige stoffen zijn benoemd. Bij de keuze om welke vluchtige stoffen het gaat is aansluiting gezocht bij de vluchtige stoffen die in de toelichting bij artikel 4.1245 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden genoemd: "Bij vluchtige verbindingen moet gedacht worden aan vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xylenen) en vluchtige koolwaterstoffen, die zowel in de vaste bodem als in het grondwater kunnen voorkomen". Dit zijn voor wat betreft de vaste bodem de stofgroepen ‘aromatische verbindingen’ en ‘gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen’ van bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze zijn opgenomen in de tabel. Ook de aanwezigheid van andere stoffen dan genoemd in de tabel kan tot gezondheidsrisico’s door uitdamping leiden. Bijvoorbeeld kwik (kwikdamp), naftaleen en vluchtige oliën. In alle situaties geldt de zorgplicht op grond van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Derde lid: Soms zijn er fysieke beperkingen aan het verwijderen van de verontreiniging, bijvoorbeeld door grote kabels of leidingen in de bodem, of zit de verontreiniging op grote diepte.

Het is dan mogelijk met een maatwerkvoorschrift af te zien van volledige verwijdering. Als volledige verwijdering van de verontreiniging redelijkerwijs niet haalbaar is, en onaanvaardbare uitdamping niet kan worden uitgesloten, moeten aanvullende maatregelen als bedoeld in artikel 4.1245 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden genomen om uitdamping tegen te gaan. Ter controle moeten na afloop binnenluchtmetingen worden uitgevoerd (artikel 4.1246, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving). Bij een verontreiniging met kwik is de GGD­richtlijn medische milieukunde ‘Kwik in het binnenmilieu en gezondheid’ (RIVM 2011) van belang. De Toxicologische Toelaatbare Concentratie in Lucht (TCL) zoals opgenomen in bijlage XIIIb bij het Besluit kwaliteit leefomgeving mag niet worden overschreden (artikel 4.1246, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving). De resultaten van de binnenluchtmetingen worden als onderdeel van het evaluatieverslag bij beëindiging van de activiteit (artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving) verstrekt aan het bevoegd gezag. Artikel 45 Geen mobiele verontreiniging herschikken In dit artikel is bepaald dat verontreinigde grond in sommige gevallen niet mag worden herschikt onder de afdeklaag.

Eerste lid, onder a: In dit onderdeel is bepaald dat grond met een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde bodemkwaliteit niet wordt herschikt onder de afdeklaag. De interventiewaarde bodemkwaliteit is opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. De interventiewaarde bodemkwaliteit geeft aan wanneer de functionele eigenschappen van de bodem voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderddoor verontreiniging van de bodem. Door het benoemen van de specifieke mobiele stoffen (zie tabel 45) wordt duidelijkheid gegeven wanneer sprake is van een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. De in de tabel opgenomen stoffen zijn de meest voorkomende mobiele stoffen in stedelijke omgeving. Ook bij andere stoffen kunnen zich situaties voordoen waarbij herschikken niet gewenst is vanwege verspreiding of gezondheidsrisico’s. Bijvoorbeeld bij naftaleen, cyanide, sommige bestrijdingsmiddelen, zware metalen. Hierbij kan sprake van bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een afwijkende pH­waarde in de bodem waardoor

een verontreiniging met metalen mobiel kan worden. Dat de verontreiniging met de genoemde stoffen mobiel is, zal in de meeste gevallen pas blijken uit grondwateronderzoek. Niet altijd is een interventiewaarde of signaleringsparameter beschikbaar. In alle situaties geldt de zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Eerste lid, onder b: Voor PFAS zijn waarden opgenomen die aansluiten bij de INEV’s (Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging),. De INEV’s zijn afgeleid door het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en gelden als de meest actuele wetenschappelijke inzichten. Het is ongewenst dat grond met een PFAS­verontreiniging boven de genoemde waarden wordt herschikt onder de afdeklaag vanwege de verwachte effecten op het milieu en de gezondheid. Tweede lid: De aard van de verontreinigingen bepaalt in samenhang met de aanwezige bodemopbouw en ­samenstelling of er sprake is van een mobiele dan wel immobiele verontreinigingssituatie. Onder de oude systematiek (de Circulaire bodemsanering 2013) werd een verontreiniging mobiel genoemd als deze zich kan verplaatsen door het grondwater en onder invloed van de grondwaterstroming. Een immobiele verontreiniging verspreidt zich daarentegen niet of nauwelijks omdat de stof gebonden is aan de bodemdeeltjes. Dit onderscheid wordt ook in dit omgevingsplan gehanteerd.

In het eerste lid, onder a, is bepaald dat grond met een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde bodemkwaliteit niet wordt herschikt onder de afdeklaag. Uit een grondwateronderzoek kan echter blijken dat de stof in de specifieke omstandigheden op de locatie toch niet (erg) mobiel is. Dit kan bijvoorbeeld komen door de bodemopbouw. Om die reden is in het tweede lid opgenomen dat als uit een grondwateronderzoek blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit activiteiten leefomgeving niet worden overschreden voor deze stoffen, het eerste lid, onder a, niet van toepassing is. De signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering komen overeen met de interventiewaarden voor grondwater uit de voormalige Circulaire bodemsanering 2013 onder de Wet bodembescherming. Artikel 46 Terugsaneerwaarden gelijk aan gebiedsspecifieke kwaliteitseisen toepassen grond Bij een sanering van de bodem wordt volgens artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving gesaneerd tot aan de kwaliteitseis die hoort bij de functie van de locatie (functie landbouw/natuur, wonen of industrie). Gemeenten hebben echter beleidsruimte om gebiedsspecifieke waarden voor het toepassen van grond en baggerspecie vast te stellen.

Dit betekent dat de gemeente met maatwerkregels hogere of lagere waarden kan vastleggen dan het Besluit activiteiten leefomgeving standaard voorschrijft in artikel 4.1272. De gemeente Amstelveen heeft dit gedaan. Deze gebiedsspecifieke waarden gelden als terugsaneerwaarden. Anders zou de situatie kunnen ontstaan in het geval van een soepelere lokale eis, dat grond die gesaneerd wordt, vervolgens via de activiteit toepassen mag worden teruggebracht. Of de sanering gaat juist niet ver genoeg in geval van een strengere lokale eis. Van een versoepeling van de toepassingseisen is sprake wanneer het binnen de gemeente Amstelveen gaat om een woonfunctie zonder tuin (bebouwing) in zone 3 of 4 van de Bodemkwaliteitskaart (zie de zonekaart in bijlage I). Hierbij mag ook grond van klasse industrie worden toegepast als deze grond afkomstig is uit de eigen gemeente of de gemeenten waarvan de bodemkwaliteitskaart is geaccepteerd als basis voor een milieuverklaring bodemkwaliteit, al staat de locatie op de bodemfunctieklassenkaart ingedeeld onder de bodemfunctieklasse ‘wonen.’ Deze soepeler toepassingseis geldt dus ook als terugsaneerwaarde. Dit betekent dat bij de saneringsaanpak verwijderen, de

grond minimaal tot de normwaarden behorend bij bodemfuctieklasse industrie wordt verwijderd. Er is ook sprake van een versoepeling van de toepassingseisen als het gaat om het toepassen van grond met kwaliteitsklasse industrie in zone 1A van de Bodemkwaliteitskaart (zie de zonekaart in bijlage I), als deze grond afkomstig is uit de eigen gemeente of de gemeenten waarvan de bodemkwaliteitskaart is geaccepteerd als basis voor een milieuverklaring bodemkwaliteit. Deze soepeler toepassingseis geldt dus ook als terugsaneerwaarde. Dit betekent dat bij de saneringsaanpak verwijderen, de grond minimaal tot de normwaarden behorend bij bodemfunctieklasse industrie wordt verwijderd. Er zijn ook toepassingseisen aangescherpt binnen de gemeente Amstelveen. Dit geldt voor de strengere norm voor lood bij de bodemfunctie wonen met tuin en kinderspeelplaatsen in zone 2, 3 of 4 van de Bodemkwaliteitskaart (zie de zonekaart in bijlage I). Deze strengere toepassingseis voor lood geldt dus ook als terugsaneerwaarde. Dit wil zeggen dat voor lood bij de saneringsaanpak verwijderen, in de tuin of andere buitenruimte bij een woning of een kinderspeelplaats (bij een kinderdagverblijf of school) een verdergaande sanering is vereist dan tot de normwaarde voor bodemfunctieklasse wonen.

Artikel 47 Maatwerk In bepaalde gevallen is het nodig om aanvullende voorschriften te stellen op de regels in de afdelingen 1.2 en 1.3 of, al dan niet op verzoek van degene die de activiteit verricht, af te wijken van die regels. Daarom is in dit artikel een bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften opgenomen. Bij de formulering daarvan is aangesloten op artikel 2.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 48 Zorgplicht

Afdeling 1.4 Maatwerk

Algemene toelichting staalslakken en grondstabilisatie Staalslak is een bijproduct van de staalproductie. Het ontstaat bij de omzetting van ruwijzer naar staal. De gestolde staalslak is een steenachtig materiaal. Voor staalslakken gelden toepassingsvoorwaarden, zoals “droogligging” (boven het grondwaterniveau) en geen contactmogelijkheid met oppervlaktewater, vanwege de zeer hoge pH­waarde (zuurgraad). Voor bouwstoffen waarvan het risico schuilt in de plaats en de wijze van de toepassing zelf, zoals bij staalslakken(mengsels) en bij grondstabilisatie, is een meldingsplicht vooraf vanuit oogpunt van preventie dringend gewenst. De toepassing van deze bouwstoffen met een hoge pH­waarde (zuurgraad) is landelijk onvoldoende gereguleerd. Het huidige wettelijk kader biedt geen mogelijkheid tot een meldplicht vooraf. De Omgevingswet maakt het opleggen van deze meldplicht wel mogelijk. In navolging van het advies en de notitie van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) over dit onderwerp (gedateerd 20 september 2021, documentnummer 20875625) zijn omgevingsplanregels uitgewerkt over een meldplicht voorafgaand aan het toepassen van risicovolle bouwstoffen zoals staalslakken, conform het advies van de OD NZKG. Om de regels zo spoedig mogelijk in werking te laten treden, zijn ze opgenomen in dit TAM omgevingsplan hoofdstuk 22c.

De toepassing van staalslakken en grondstabilisatie kan significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben. Het gaat bij deze toepassingen doorgaans om zeer grote hoeveelheden. Het risico bij toepassing van staalslakken(mengsels) en grondstabilisatie bestaat met name uit de hoge pH­waarde. Die kan bij mensen leiden tot brandwonden en kan schadelijk zijn voor de ecologie in het oppervlaktewater, waardoor bijvoorbeeld vissterfte kan optreden. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat toepassingsvoorwaarden voor bouwstoffen (paragraaf 4.123 van het Bal) en een specifieke zorgplicht (artikel 2.11 van het Bal). In de praktijk kan de zorgplicht ­ omdat toezichthouders niet op de hoogte zijn van een voorgenomen toepassing ­ pas door het bevoegd gezag worden ingezet als de ongewenste situatie al is ontstaan. Om te voorkomen dat ongewenste nadelige effecten pas na toepassing van staalslakken of grondstabilisatie naar voren komen, is het nodig om hiervoor in het omgevingsplan een meldplicht op te nemen in aanvulling op de algemene regels in het Bal voor het toepassen van bouwstoffen. Met een meldplicht is het bevoegd gezag in de gelegenheid om vooraf te toetsen of aan de toepassingsvoorwaarden en aan de zorgplicht wordt voldaan.

Het bevoegd gezag kan zo nodig een maatwerkvoorschrift stellen ter bescherming van de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.13 van het Bal. Bij staalslakken is een meldplicht vooral van belang bij bouwstoffen met meer dan 20% staalslakken, hoewel risico’s bij hydraulisch menggranulaat (5 tot 20% staalslakken) niet geheel zijn uitgesloten. Bij bodemstabilisatie is voor wat betreft de pH­waarde in de meeste gevallen de omvang van het werk bepalend voor mogelijke significante nadelige gevolgen (dit hangt af van de toegepaste bindmiddelen). Daarom wordt voor de meldplicht voor bodemstabilisatie een ondergrens aangehouden van 1000 m2. De specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal is bij de toepassing van bouwstoffen altijd van toepassing. De specifieke zorgplicht kan inhouden dat maatregelen worden genomen om nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, of in het uiterste geval dat van toepassing wordt afgezien als de nadelige gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt. Artikelsgewijze toelichting Artikel 49 Toepassingsbereik

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=106c383b-c687-40ab-8049-c4fcf2f5646d