Bijlage-1-BP-3 Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven De Scheg Oost te Amstelveen, gemeente Amstelveen
projectnummer 466433 revisie 01 15 maart 2022
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven De Scheg Oost te Amstelveen, gemeente Amstelveen projectnummer 466433 revisie 01 15 maart 2022
Auteurs V. Uffink A.J. Brokke
Opdrachtgever VORM Conceptwoningen B.V. Schiehaven 13 3024 EC Rotterdam
datum vrijgave 15-03-2022
beschrijving revisie 01 Voor te leggen aan BG
gecontroleerd A.J. Brokke
vrijgave E. van Horssen-Maas
Inhoudsopgave
Blz.
Samenvatting
2
1
Inleiding
4
2
Vooronderzoek
6
2.1
Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen
6
3
Onderzoeksopzet
8
3.1 3.2
Doel- en vraagstelling Onderzoeksopzet
8 9
4
Onderzoeksresultaten
10
4.1 4.2 4.3
Bodemopbouw Sporen, structuren en vondsten Monsters
10 17 18
5
Conclusies en advies
19
5.1 5.2 5.3 5.4
Beantwoording onderzoeksvragen Conclusies Waardering (Selectie)advies
19 23 23 23
Literatuur en geraadpleegde bronnen
24
Lijst met afbeeldingen
25
Bijlage. Sporenlijst
26
Bijlage. Vondstenlijst
27
Bijlagen 1 2 3 4
Archeologische perioden AMZ-cyclus Sporenlijst Vondstenlijst
Kaartbijlagen 466433-AS Allesporenkaart
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
Administratieve gegevens Projectnummer Antea Group OM-nummer Provincie Gemeente Plaats Toponiem
466433 5110316100 Noord-Holland Amstelveen Amstelveen De Scheg Oost, J.C. van Hattumweg
Kaartblad 25-W Coördinaten 116895/476080 117285/475900 117220/475710 116810/475900 Opdrachtgever VORM Conceptwoningen B.V. Uitvoerder Antea Group Datum uitvoering september 2021 Projectteam E. van Horssen-Maas (projectleider) P.C. Teekens (senior KNA-archeoloog) V. Uffink (projectarcheoloog) Vrijgave conform KNA A.J. Brokke (senior KNA-archeoloog) Bevoegd gezag gemeente Amstelveen Deskundige bevoegd gezag E. van Rooijen Beheer documentatie Antea Group
Afbeelding 1. Uitsnede topografische kaart met de ligging van het plangebied.
Blad 1 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
Samenvatting In september 2021 heeft Antea Group in opdracht van VORM Conceptwoningen B.V. een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven uitgevoerd in voorbereiding op de planologische procedure op de voorgenomen ontwikkeling van De Scheg-Oost te Amstelveen, gelegen in de gemeente Amstelveen. Bij de voorgenomen werkzaamheden ontstaan bodemroeringen, waardoor eventuele archeologische resten verstoord kunnen raken. Conform het beleid van de gemeente Amstelveen is archeologisch onderzoek in het plangebied verplicht. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek is door Antea Group in 2021 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. van boringen uitgevoerd1. Antea Group heeft op basis van het vooronderzoek een proefsleuvenonderzoek (IVO-P, BRL4000, protocol 4003) geadviseerd binnen het zoekgebied zoals op afbeelding 1 (in blauw) is geschetst. Binnen dit zoekgebied wordt de aanwezigheid van een min of meer noord-zuid gerichte oeverwal, met een eventueel loopvlak en mogelijk bewoningsresten uit het neolithicum verwacht. Het bevoegd gezag heeft het advies van Antea Group overgenomen en heeft besloten dat het proefsleuvenonderzoek kan worden uitgevoerd. In onderhavig rapportage wordt verslag gedaan van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek en de daarbij behorende bevindingen en waardering.
Conclusie Vanuit het vooronderzoek was de verwachting, dat binnen het plangebied archeologische resten vanaf het neolithicum aangetroffen kunnen worden. Het argument hiervoor is dat de locatie in die perioden geschikt was voor bewoning. In de bodem werden tijdens het booronderzoek namelijk onder de bouwvoor oeverwalafzettingen geconstateerd. Ook werd in een deel van het gebied een vegetatiehorizont of laklaag aangetroffen. De kans op het aantreffen van een vondstlaag uit het neolithicum werd middelhoog tot hoog ingeschat. Op basis van het proefsleuvenonderzoek kan geconcludeerd worden dat er een vermoedelijk laag gelegen/laag opgeslibde oeverwal is aangetroffen, met in het zuidelijk deel van het onderzoeksgebied een al dan niet geërodeerde en zwak ontwikkelde vegetatiehorizont, met daarboven plaatselijk jongere verspoelde afzettingen. Hoewel deze verspoeling niet in alle werkputten is aangetroffen is de eventuele vegetatiehorizont hierdoor ter hoogte van de overige werkputten vermoedelijk geërodeerd. Dit kan tevens, of in combinatie, zijn gebeurd met de erosie van de top van de oeverafzettingen door ontginningen die in het gebied hebben plaatsgevonden. Op basis van de aangetroffen bodemopbouw is het gebied in het verleden niet of weinig geschikt geweest voor bewoning. Er zijn tijdens het onderzoek dan ook geen archeologische sporen en/of vondsten aangetroffen.
Er werd slechts één spoor aangetroffen dat van natuurlijke aard was en er is daarmee geen sprake van archeologische vindplaatsen. Advies Er zijn tijdens het onderzoek geen archeologische sporen en/of vondsten aangetroffen en er is dus geen sprake van archeologische vindplaatsen. Het advies is om het plangebied daarom vrij te geven van verder archeologisch onderzoek. 1
Modderkolk, M.W.J., Uffink, V., Sophie, G., Fens, R. 2021
Blad 2 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. Dit betreft een advies, het nemen van een selectiebesluit is aan het bevoegd gezag, in deze de gemeente Amstelveen.
Blad 3 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
1
Inleiding In september 2021 heeft Antea Group in opdracht van VORM Conceptwoningen B.V. een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven uitgevoerd in voorbereiding op de planologische procedure op de voorgenomen ontwikkeling van De Scheg-Oost te Amstelveen, gelegen in de gemeente Amstelveen. Bij de voorgenomen werkzaamheden ontstaan bodemroeringen, waardoor eventuele archeologische resten verstoord kunnen raken. Conform het beleid van de gemeente Amstelveen is archeologisch onderzoek in het plangebied verplicht. Het onderzoek is uitgevoerd als onderdeel van de AMZ-cyclus (zie bijlage 2). Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek is door Antea Group in 2021 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. van boringen uitgevoerd2. Antea Group heeft op basis van het vooronderzoek een proefsleuvenonderzoek (IVO-P, BRL4000, protocol 4003) geadviseerd binnen het zoekgebied zoals op afbeelding 1 en 3 (in blauw) is geschetst. Binnen dit zoekgebied wordt de aanwezigheid van een min of meer noord-zuid gerichte oeverwal, met een eventueel loopvlak en mogelijk bewoningsresten uit het neolithicum verwacht. Voor meer informatie over het vooronderzoek zie paragraaf 2.1. Het bevoegd gezag heeft het advies van Antea Group overgenomen en heeft besloten dat het proefsleuvenonderzoek kan worden uitgevoerd.
In onderhavig rapportage wordt verslag gedaan van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek en de daarbij behorende bevindingen en waardering. Dit onderzoek is uitgevoerd op basis van het hiervoor opgestelde PvE3 conform BRL 4000, protocol 4003 met daarin besloten de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. Voor de KNA-protocollen 4001 (PvE), 4002 (bureauonderzoek), 4003 (inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven) is Antea Group gecertificeerd conform de SIKB-BRL 4000 (Beoordelingsrichtlijn voor archeologie).
2
Modderkolk, M.W.J., Uffink, V., Sophie, G., Fens, R. 2021
3 Uffink, V. 2021-a.
Blad 4 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
Ligging onderzoekslocatie Het plangebied is momenteel in gebruik als akkerland (afbeelding 2). Ter plaatse van het uiterste noordoostelijke gedeelte staat een huis, adres J.C. van Hattumweg 3.
Afbeelding 2. Het plangebied geprojecteerd op een recente luchtfoto (2019) (bron: Esri & partners).
Blad 5 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
2
Vooronderzoek
2.1
Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen Er is in een eerder stadium al een bureauonderzoek en booronderzoek uitgevoerd door Antea Group.4 Op basis van de resultaten ligt het plangebied in het drooggemaakte Legmeer, de huidige Legmeerpolder. Typerend voor droogmakerijen is dat de oude getijdeafzettingen relatief ondiep gelegen zijn (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer). De getijdeafzettingen kunnen bestaan uit getijdeafzettingsvlaktes, maar ook uit verzande geulen of kreken, al dan niet met lage oeverwallen. Met name deze oeverwallen bepalen in grote mate de archeologische verwachting. Deze kunnen bewoond zijn geweest gedurende het neolithicum. Het uitgevoerde booronderzoek betrof een verkennend onderzoek. In een deel van het plangebied is de aanwezigheid van een oeverwalafzettingen met daarin een laklaag aangetoond. De aanwezigheid van een intacte oeverwal in boringen 17, 23 en 37 (respectievelijk gelegen op raai 2, 3 en 4) duidt op een min of meer noord-zuid gerichte element (zie afbeelding 3). De precieze omvang kan echter niet met een verkennend onderzoek worden bepaald. Ook is er op dit moment geen sprake van een archeologische vindplaats, maar wel is in ruwe lijnen de omvang van het zoekgebied voor een karterend onderzoek te bepalen.
Antea Group heeft daarom een proefsleuvenonderzoek (IVO-P, BRL4000, protocol 4003) geadviseerd binnen het zoekgebied zoals op afbeelding 1, 2 en 3 (in blauw) is geschetst. Dit gebied voor vervolgonderzoek betreft circa 120 x 60 m (7.200 m2). Binnen dit zoekgebied wordt de aanwezigheid van een min of meer noord-zuid gerichte oeverwal, met een eventueel loopvlak en mogelijk bewoningsresten verwacht. Buiten dit zoekgebied worden op grond van de resultaten uit het booronderzoek géén archeologische resten verwacht. Boorraai 1 (boringen 04, 05 en 06) is niet meegenomen omdat daar de top van het oeverwalpakket niet intact is.
4 Fleuren en Fens, 2021.
Blad 6 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
Afbeelding 3. Advieskaart vanuit de rapportage van het verkennend booronderzoek. Het adviesgebied bevindt zich ter plaatse van boringen 17, 23 en 37 (bron: Esri & partners).
Blad 7 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
3
Onderzoeksopzet
3.1
Doel- en vraagstelling Het doel van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek is in de eerste plaats het systematisch onderzoeken van het plangebied op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen (karteren). In de tweede plaats dient het onderzoek om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van deze archeologische resten vast te stellen (waarderen). Voorafgaand aan het onderzoek is conform BRL 4000, KNA 4.1, een PvE5 en een PvA6 opgesteld. Het onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen: 1.
Wat is de aard (complextype), omvang en fysieke kwaliteit van de aangetroffen vindplaats(en)? 2. Uit welke archeologische periode(n) dateert/dateren de vindplaats(en)? Kan er een fasering binnen de perioden worden aangebracht en, zo ja, welke? 3. Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied? Wat is de aard en datering van de verschillende bodemlagen? Zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Zijn er in het onderzoeksgebied aanwijzingen voor oeverafzettingen? 4. Zijn er tijdens het onderzoek archeologische vondsten aangetroffen? Zo ja, wat is de datering van de archeologische vondsten en tot welke materiaalcategorieën en/of vondsttypen behoren zij? 5. Wat is de conserveringstoestand van de verschillende aangetroffen materiaalcategorieën, inclusief eventueel aanwezig archeobotanisch en -zoölogisch materiaal? 6. Kunnen de aangetroffen sporen worden toegeschreven aan structuren? En zo ja, wat voor structuren en wat is de datering van deze structuren? 7. Hoe verhouden de aangetroffen archeologische resten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek? Zijn de onderzoeksresultaten in lijn met de verwachting, of wijken deze hier van af? 8. Bij aantreffen van één of meer vindplaatsen: wat is de waardestelling middels de KNAwaarderingscriteria en zijn de vindplaatsen behoudenswaardig? 9.
Indien het onderzoek geen of beperkte archeologische fenomenen oplevert, bijvoorbeeld alleen losse vondsten, welke verklaring is hiervoor dan te geven? Is er bijvoorbeeld sprake van: aantoonbare afwezigheid van bewoning en / of actief landgebruik; verstoring van recente antropogene aard; een landschap dat onaantrekkelijk was voor bewoning? beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door bodemprocessen; beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door werk- of weersomstandigheden? 10. Geeft het onderzoek aanleiding tot aanpassing van de archeologische verwachting op de kreekruggen/oeverwallen in Amstelveen?
5 Uffink, 2021. 6 Nater, 2021.
Blad 8 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
3.2
Onderzoeksopzet Datum uitvoering
20 t/m 22 september 2021
Veldteam
P.C. Teekens (senior KNA-archeoloog), V. Uffink (projectarcheoloog)
Weersomstandigheden
20 graden Celsius, zonnig
Afwijkingen op PvE/PvA
Er zijn tijdens de archeologische begeleiding geen afwijkingen geweest op het hiervoor opgesteld PvE7 en PvA8. Realisatie vrijgave m.b.t. archeologie ter verkrijging van een vergunning voor de voorgenomen werkzaamheden. Er waren geen specifieke randvoorwaarden.
Doelen en wensen opdrachtgever Randvoorwaarden
Binnen het onderzoeksgebied bestaat een verwachting op het aantreffen van oeverafzettingen en een laklaag. In de top van de oeverafzettingen kunnen archeologische bewoningsresten voorkomen uit het neolithicum. Op basis van de resultaten uit het verkennend booronderzoek werd een noord-zuid georiënteerde oeverwal verwacht. Er is gekozen om 7 werkputten aan te leggen, verspreidt over het plangebied. In eerste instantie zijn haaks op de verwachte oeverwal 3 werkputten gegraven. De overige 4 werkputten konden naar inzicht van de senior KNA-archeoloog in het overige deel van het gebied worden geplaatst. Deze zijn op de locaties zoals aangegeven in PvE en PvA geplaatst. De bevindingen in het veld hebben geen aanleiding gegeven tot verplaatsing van de oorspronkelijke werkputlocaties. In alle werkputten is een vlak aangelegd in de top van de oeverafzettingen, op een diepte van circa 0,7 m-mv (4,1 m -NAP), om zodoende eventuele bewoningsresten op te kunnen sporen. Alle werkzaamheden en vormen van documentatie zijn uitgevoerd conform de kwaliteitseisen uit de KNA 4.1 en volgens de omschrijvingen in het door het bevoegd gezag goedgekeurde PvE. Het (machinaal) uitgraven van werkputten is onder begeleiding van een senior KNA-archeoloog uitgevoerd. De vlakken zijn zoveel mogelijk ingemeten, evenals aangetroffen recente sporen. Profielen zijn aangelegd en gedocumenteerd.
Er was geen sprake van overlast door hemel- of grondwater. Ook de weersomstandigheden vormden geen belemmering voor de voortgang van het veldwerk. Er zijn tijdens het proefsleuvenonderzoek geen afwijkingen geweest op het PvE.
7 Uffink, V. 2021a. 8 Uffink, V. 2021b.
Blad 9 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
4
Onderzoeksresultaten
4.1
Bodemopbouw Werkput 1 Ter plaatse van werkput 1 is onder de bouwvoor (circa 50 cm dik, tot 5,4 m -NAP), bestaande uit matig zandige klei (Kz19) (S9001), sprake van een bruine, roestige, laag klei, soms met zandlensjes (Ks2/Ks310) (S9002), tot een diepte van circa 70 cm-mv (tot 5,6 m -NAP) (afbeelding 4). Dit pakket is geïnterpreteerd als een opgeslibde oeverafzetting. Onder S9002 is sprake van een pakket matig tot sterk siltige, sterk gelaagde klei (oeverafzettingen met zandlaagjes) (Ks2/Ks3) (S9003).
S9001
S9002 S9003
Afbeelding 4. Weergave van profiel 1.1 in werkput 1.
Werkput 2 In werkput 2 is een nagenoeg gelijke bodemopbouw aangetroffen als in werkputten 1, 2, 4, 5 en 6. De bouwvoor (Kz1) (S9001) heeft hier vrijwel dezelfde dikte van 50 cm (tot 5,4 m -NAP) (afbeelding 5). De onderliggende (Ks2/Ks3) S9002 (opgeslibde oeverafzettingen), is hier aanwezig tot een diepte van circa 80 cm-mv (tot 5,7 m -NAP). Onder de S9002 is sprake van een pakket matig tot sterk siltige, sterk gelaagde klei (oeverafzettingen met zandlaagjes) (Ks2/Ks3) (S9003).
9
Zwak zandige klei.
10
Zwak tot matig zandige klei.
Blad 10 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
S9001
S9002 S9003
Afbeelding 5. Weergave van profiel 2.2 in werkput 2.
Werkput 3 In werkput heeft de bouwvoor (Kz1) (S9001) een dikte van circa 40 cm (tot 5,3 m -NAP) (afbeelding 6). De onderliggende (Ks2/Ks3) S9002, is hier aanwezig tot een diepte van circa 80 cm-mv (5,7 m -NAP). Plaatselijk is tussen de bouwvoor (S9001) en de bruine roestige laag (S9002) een wat rommelige kleilaag aanwezig, die als een “verspoelingslaag” is geïnterpreteerd (Ks1) (S9004), tot een diepte van circa 60 cm-mv (5,5 m -NAP). In werkput 3 is onder S9004 tevens een zwak humeuze laag aangetroffen die vermoedelijk een slecht ontwikkelde vegetatiehorizont of laklaag betreft (Kz1) (S9005), met een dikte van ongeveer 10 cm (tot 5,5 m -NAP) (zie afbeelding 6 en 7). De laag heeft een gladde structuur en is vermoedelijk ontstaan onder droge omstandigheden op een laag gelegen/laag opgelibde oever. Zie voor een verder toelichting en interpretatie de conclusie aan het einde van de paragraaf bodemopbouw. Onder S9004, S9005 en S9002 ligt een pakket matig tot sterk siltige, sterk gelaagde klei (met zandlaagjes) (Ks2/Ks3) (S9003) op een diepte vanaf circa 80 cm (vanaf 5,7 m -NAP).
Blad 11 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
Afbeelding 6. Weergave van profiel 3.2 in werkput 3.
Afbeelding 7. Weergave van vlak 1 in werkput 3. In het vlak is de slecht ontwikkelde vegetatiehorizont (laklaag) zichtbaar.
Blad 12 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
Werkput 4 In werkput 4 is een soortgelijke bodemopbouw aanwezig is als in werkputten 1, 2, 4, 5 en 6 (afbeelding 8). De bouwvoor (Kz1) (S9001) heeft hier een dikte van 30 cm (5,2 m -NAP). De onderliggende (Ks2/Ks3) S9002 (oeverafzettingen), is hier aanwezig tot een diepte van circa 50 cm-mv (tot 5,4 m -NAP). Onder de S9002 ligt een pakket matig tot sterk siltige, sterk gelaagde klei (oeverafzettingen met zandlaagjes) (Ks2/Ks3) (S9003), op een diepte vanaf circa 50 cm-mv (5,4 m -NAP). In het oostelijke deel van de werkput is onder de S9002 tevens een licht zandige kleilaag (Kz1) aangetroffen met zandbandjes, waarin minder roest aanwezig was (S9007). In werkput 4 is ook een verdiept profielkolom aangelegd om de diepere bodemopbouw in kaart te brengen. Onder de S9003 is hier sprake van sterk zandige klei (op kleiig zand) (Kz3). Het gaat hier hoogstwaarschijnlijk om getij-afzettingen (S9006), aanwezig op een diepte vanaf 1 m-mv (5,9 m NAP).
S9001
S9002
S9003
S9006
Afbeelding 8. Weergave van profiel 4.2 in werkput 4.
Werkput 5 In werkput 5 is een nagenoeg gelijke bodemopbouw aangetroffen als in werkputten 1, 2, 4, 5 en 6. De bouwvoor (Kz1) (S9001) heeft hier een dikte van 50 cm (tot 5,4 m -NAP). Onderin laag S9001 zijn sporen van (sub) recent landgebruik (ploegen) te zien. De onderliggende (Ks2/Ks3) S9002 (opgeslibde oeverafzettingen), is hier aanwezig tot een diepte van circa 80 cm-mv (5,7 m NAP). Onder de S9002 ligt een pakket matig tot sterk siltige, sterk gelaagde klei (oeverafzettingen met zandlaagjes) (Ks2/Ks3) S9003.
Blad 13 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
S9001
S9002 S9003
Afbeelding 9. Weergave van profiel 5.1 in werkput 5.
Werkput 6 Ook in werkput 6 is de bodemopbouw vrijwel gelijk als in werkputten 1, 2, 4, 5 en 6. De bouwvoor (Kz1) (S9001) heeft hier een dikte van 50 cm (tot 5,4 m -NAP) (afbeelding 10). Onderin laag S9001 zijn sporen van (sub) recent landgebruik (ploegen) te zien. De onderliggende (Ks2/Ks3) S9002 (opgeslibde oeverafzttingen), is hier aanwezig tot een diepte van circa 70 cm-mv (5,6 m NAP). Onder de S9002 ligt een pakket matig tot sterk siltige, sterk gelaagde klei (oeverafzettingen met zandlaagjes) (Ks2/Ks3) S9003.
Afbeelding 10. Weergave van profiel 6.1 in werkput 6.
Blad 14 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
Werkput 7 Ter plaatse van werkput 7 is er tevens een gelijke bodemopbouw als in werkputten 1, 2, 4, 5 en 6 (afbeelding 11). De bouwvoor (Kz1) (S9001) heeft hier een dikte van 40 cm (tot 5,3 m -NAP). De onderliggende (Ks2/Ks3) S9002 (opgeslibde oeverafzettingen), is hier aanwezig tot een diepte van circa 70 cm-mv (5,6 m -NAP). Onder de S9002 ligt een pakket matig tot sterk siltige, sterk gelaagde klei (oeverafzettingen met zandlaagjes) (Ks2/Ks3) (S9003). Plaatselijk is tussen de bouwvoor (S9001) en (S9002) een wat rommelige kleilaag aanwezig, die als een “verspoelingslaag” is geïnterpreteerd (Ks1) (S9004), tot een diepte van circa 50 cm-mv (4,4 m -NAP). Onder de S9004 ligt de als zijnde opgeslibde oeverafzetting geïnterpreteerde (Ks2/Ks3) S9003, op een diepte vanaf 70 cm-mv (5,6 m -NAP).
S9001
S9002 S9003
Afbeelding 11. Weergave van profiel 7.1 in werkput 7.
Conclusie bodemopbouw Vanuit de resultaten van het vooraf uitgevoerde verkennend booronderzoek was al een overzicht gegeven van de bodemopbouw in het plangebied. Aan de oostkant van het plangebied bevindt zich een (in de ondergrond) vrij vlak gebied met een standaard opbouw van getijdeafzettingen tot circa 6 m - NAP, overstromingsafzettingen tot circa 5,5 m -NAP en een meermolmlaag (omgewerkt tot ploegvoor) tot het maaiveld op circa 5 m -NAP. Plaatselijk, maar vooral langs de westelijke rand van het terrein alsook langs de uiterste noordzijde, ligt het actuele maaiveld hoger en in het profiel gaat dit gepaard met een zandige kleilaag die bovenop het overstromingspakket ligt. Mede door de stratigrafische ligging op de overstromingsklei, alsook door de humeuze brokken in het pakket, wordt deze laag als ‘opgebracht’ geïnterpreteerd.
Blad 15 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
De zandige klei is vermoedelijk opgebracht bij het uitgraven van de Amstelveense Tocht en/of de perceelsloten. Ter hoogte van onderhavig onderzoeksgebied (daar waar de proefsleuven zijn aangelegd) bestaat de basis van het profiel uit getijdeafzettingen die in boringen 23 en 37 en 17 het hoogst opgeslibd (tot circa 5,5 m -NAP) zijn en daar worden geïnterpreteerd als een oeverwal. Deze afzetting is mogelijk ook aanwezig in boringen 04, 05 en 06 maar daar is (ten minste) de bovenzijde van het pakket niet intact. Waar intact bevindt zich bovenop deze oeverwal, aan de onderzijde van de jongere overstromingspakketten, een zeer dunne laklaag (alleen in boring 37 zeer duidelijk aanwezig). De interpretatie als oeverwal wordt ondersteund door een veelal slappe kleiafzetting aan de westzijde hiervan (boringen 20, 21, 40, 39 en 38) die mogelijk de vulling is in de randzone van een brede, ondiepe erosiegeul (met een restgeulachtige afzetting). Op basis van het proefsleuvenonderzoek is duidelijk geworden dat de top van hoogst opgeslibde oeverwalafzettingen (ter hoogte van boringen 23, 37 en 17) zich bevinden op een diepte tussen circa 5,2 en 5,4 m -NAP (zie tabel 4.1).
De top van de oeverwal ligt aan de noord kant van het onderzoeksgebied (ter plaatse van werkputten 1, 2, 5, 6, en 7) iets hoger, circa 10 tot 30 cm, (tussen 5,2 en 5,4 m -NAP) dan in het zuidelijk deel (werkput 3) (5,5 m -NAP). Dit is gemiddeld circa 10 cm hoger dan in het verkennend booronderzoek werd geconstateerd maar het verschil is klein. Hier kan dus bevestigd worden dat er ten opzichte van de westelijk gelegen ondiepe erosiegeul een noord-zuid georiënteerde oeverwal ligt, met opgeslibde afzettingen tot een maximale hoogte variërend van 5,2 tot 5,5 m -NAP. Werkput 1 2 3 4 5 6 7
Profiel 1.1 2.2 3.2 4.2 5.1 6.1 7.2
Diepte top oeverafzettingen 5,4 m -NAP 5,4 m -NAP 5,5 m -NAP 5,2 m -NAP 5,4 m -NAP 5,4 m -NAP 5,3 m -NAP
Tabel 4.1. Overzicht (diepte) top oeverafzettingen.
Tijdens het verkennend booronderzoek werd in boring 37 boven de oeverwalafzettingen een zwak gevormde laklaag (mogelijk loopvlak) aangetroffen en in iets mindere mate ook vegetatievlekken in boring 23 (beide op circa 0,7 m-mv). In boring 17 zijn wel mogelijke resten van de oeverwal aanwezig, maar geen vegetatievlakken of laklaag. Ter hoogte van boring 23 werden tijdens het proefsleuvenonderzoek (werkputten 2, 4 en 5) geen vegetatiebrokken aangetroffen. Wel werd er ter hoogte van boring 23 (werkput 3) een zwak ontwikkelde vegetatiehorizont aangetroffen. Opvallend is dat deze vegetatiehorizont alleen ter hoogte van werkput 3 aanwezig was. De laag heeft een gladde structuur en is dan ook vermoedelijk ontstaan onder droge omstandigheden op een laaggelegen/laag opgeslibde oever. De hoogteverschillen in de top van de oeverafzettingen, verspreidt over het onderzoeksgebied, zijn vrij minimaal (verschil van 10 tot 30 cm). Het vermoeden bestaat dat de vegetatiehorizont tijdens de ontwikkeling werd overspoeld. Een aanwijzing hiervoor vormt de rommelige kleilaag, direct boven de vegetatiehorizont, die als een “verspoelingslaag” is geïnterpreteerd (Ks1) (S9004). Deze verspoelingslaag werd alleen ter plaatse van werkput 3 en 7 aangetroffen.
Blad 16 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
Hoewel deze verspoeling niet in alle werkputten is aangetroffen is de eventuele vegetatiehorizont hierdoor ter hoogte van de overige werkputten geërodeerd. Dit kan tevens, of in combinatie, zijn gebeurd met de erosie van de top van de oeverafzettingen door ontginningen die in het gebied hebben plaatsgevonden. Al met al kan geconcludeerd worden dat het een laag gelegen/laag opgeslibde oeverwal is, met een al dan niet geërodeerde en zwak ontwikkelde vegetatiehorizont, met daarboven plaatselijk jongere verspoelde afzettingen. Op basis hiervan is het gebied in het verleden niet of weinig geschikt geweest voor bewoning.
4.2
Sporen, structuren en vondsten Ter plaatse van werkput 2 werd één mogelijk spoor aangetroffen (S0001) (afbeelding 12 en 13), dat gekenmerkt wordt door een ronde kuilachtige vorm met daarin (wat lijkt) zwarte plantenresten of houtskool . Na couperen en een diepe gutsboring (tot 2 m onder het vlakniveau) blijkt het echter te gaan om een natuurlijk fenomeen. Het spoor is dan ook niet verder gedocumenteerd. Het spoor had een vrij smalle en diepe vorm (dieper dan 1 m) en was grillig. Verder zijn er geen archeologische sporen en/of vondsten aangetroffen.
Afbeelding 12. Overzichtsfoto spoor 1 in werkput 2.
Blad 17 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
Afbeelding 13. Coupefoto spoor 1 in werkput 2.
4.3
Monsters Van de zwarte substantie in spoor 1 in werkput 2 is een monster meegenomen (vnr. 1), om eventueel te kunnen bepalen of het houtskool of plantenresten betreft. Omdat het hier vrijwel zeker om een natuurlijk fenomeen gaat wordt dit monster niet verder onderzocht.
Blad 18 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
5
Conclusies en advies
5.1
Beantwoording onderzoeksvragen 1. 2. 3.
Wat is de aard (complextype), omvang en fysieke kwaliteit van de aangetroffen vindplaats(en)? Dit is niet van toepassing. Er zijn geen archeologische vindplaatsen aangetroffen. Uit welke archeologische periode(n) dateert/dateren de vindplaats(en)? Kan er een fasering binnen de perioden worden aangebracht en, zo ja, welke? Niet van toepassing. Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied? Wat is de aard en datering van de verschillende bodemlagen? Zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Zijn er in het onderzoeksgebied aanwijzingen voor oeverafzettingen? Aard van de bodemlagen De basis van de bodemopbouw in het onderzochte gebied bestaat uit sterk zandige klei (op kleiig zand) (Kz3), die als getijdeafzettingen zijn geïnterpreteerd (S9006). Laag S9006 is in het kader van onderzoek naar de diepere ondergrond aangetroffen in werkput 4, op een diepte vanaf circa 1 m-mv (5,9 m -NAP). Hierboven ligt een pakket matig tot sterk siltige, sterk gelaagde klei (oeverafzettingen met zandlaagjes) (Ks2/Ks3) (S9003), die in alle putten zijn aangetroffen op een diepte vanaf circa 70 cm-mv (5,6 m-NAP). In alle werkputten was deze laag vrijwel intact. Hierboven is sprake van een top van opgeslibde oeverafzettingen, bestaande uit een bruine, roestige, laag klei, soms met zandlensjes (Ks2/Ks3) (S9002).
De top van laag S9002 werd in alle werpkutten aangetroffen op een diepte tussen 5,2 en 5,5 m -NAP. In het oostelijke deel van werkput 4 is onder de S9002 tevens een licht zandige kleilaag (Kz1) aangetroffen met zandbandjes, waarin minder roest aanwezig was (S9007). Boven S9002 bevindt zich in werkput 3 een zwak humeuze en slecht ontwikkelde vegetatiehorizont met een dikte van circa 10 cm (S9005) (circa 5,5 m-NAP). In de overige werkputten is deze vermoedelijke laklaag niet aangetroffen (zie voor een verdere interpretatie de conclusie bij vraag 9). In werkput 3 en 7 is plaatselijk tussen de bouwvoor (S9001) en (S9002) een wat rommelige kleilaag aanwezig, die als een “verspoelingslaag” is geïnterpreteerd (Ks1) (S9004), tot een diepte van maximaal 50 cm-mv (5,4 m -NAP). Boven S9002 ligt een bouwvoor van circa 50 cm dik, bestaande uit sterk humeuze en matig zandige klei (Kz1) (S9001) (tot gemiddeld 5,4 m -NAP). Voor een ruimtelijke weergave van de aangetroffen landschapstypen tijdens het verkennend booronderzoek en het proefsleuvenonderzoek zie afbeelding 14. Datering van de bodemlagen Op basis van bovenstaande is duidelijk dat in de diepere ondergrond vanaf circa 1 m-mv (5,9 m -NAP) getijdeafzettingen voorkomen.
De getijdeafzettingen (Laagpakket van Wormer, Formatie van Naaldwijk) zijn gevormd aan het begin van het Holoceen doordat in die periode grote moerassen en zoetwatermeren zich ver landinwaarts verplaatsten, waardoor het onderzoeksgebied steeds vaker overspoeld kon raken door de zee. De zandige afzettingen zijn in een wadachtig gebied in overwegend getijdegeulen, kreken en op daartussen liggende zandplaten afgezet. Ten westen van het onderzoeksgebied ligt mogelijk de randzone van een brede, ondiepe erosiegeul (met een restgeulachtige afzetting). Tijdens het verkennend booronderzoek werd dit verondersteld op basis van een veelal slappe kleiafzetting die daar is aangetroffen. Langs deze geul zijn tijdens het neolithicum oeverwallen ontstaan.
Blad 19 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
Op basis van de onderzoeksresultaten is duidelijk dat het onderzoeksgebied, ter hoogte van de werkputten, gelegen is op een dergelijke oeverwal, vanaf circa 70 cm-mv (5,6 m-NAP). Op de oeverwal kon zich een zogenaamde laklaag of vegetatiehorizont vormen (zie feitelijk ook tot de oeverafzettingen kan worden gerekend). Deze markeren het loopvlak in de fase waarin de oeverwallen (nagenoeg) droog kwamen te liggen en er vegetatie kon ontstaan. Alleen in werkput 3 werd een slecht ontwikkelde vegetatiehorizont aangetroffen (circa 5,5 m-NAP). Boven de oeverafzettingen komen plaatselijk jongere verspoelde afzettingen. Deze zijn aangetroffen in werkput 4 en 7, tot een diepte van maximaal 50 cm-mv (5,4 m -NAP). Mogelijk is deze verspoeling ontstaan door ontginningen die in het gebied hebben plaatsgevonden. Deze laag dateert daarmee vanaf de middeleeuwen. Hierboven ligt een bouwvoor van circa 50 cm dik (tot gemiddeld 5,4 m -NAP), die dateert uit de nieuwe tijd.
Afbeelding 14. Ruimtelijk overzicht, aangetroffen landschappelijke elementen. Het plangebied is weergegeven met een rode lijn. Het onderzoeksgebied is aangegeven met een blauwe lijn. De proefsleuven zijn aangegeven met werkputnummers.
4.
5.
Zijn er tijdens het onderzoek archeologische vondsten aangetroffen? Zo ja, wat is de datering van de archeologische vondsten en tot welke materiaalcategorieën en/of vondsttypen behoren zij? Uit S0001 is een monster genomen. Het betreft mogelijke plantenresten of houtskool. Het spoor is geïnterpreteerd als zijnde een natuurlijk fenomeen, het monster wordt daarom niet verder onderzocht. Wat is de conserveringstoestand van de verschillende aangetroffen materiaalcategorieën, inclusief eventueel aanwezig archeobotanisch en -zoölogisch materiaal? De conservering van het monster uit S0001 is goed vanwege de “natte” en daarmee conserverende eigenschappen van de matrix, ofwel de klei.
Blad 20 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
6. 7.
8. 9.
Kunnen de aangetroffen sporen worden toegeschreven aan structuren? En zo ja, wat voor structuren en wat is de datering van deze structuren? Niet van toepassing. Het aangetroffen spoor (S0001) is van natuurlijke aard. Hoe verhouden de aangetroffen archeologische resten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek? Zijn de onderzoeksresultaten in lijn met de verwachting, of wijken deze hier van af? Er zijn geen archeologische resten aangetroffen. Wat betreft de aangetroffen bodemopbouw tijdens het proefsleuvenonderzoek, is deze nagenoeg gelijk aan de opbouw die tijdens het verkennend booronderzoek is aangetroffen. Op basis van het vooronderzoek was de verwachting dat in het onderzoekgebied getijdeafzettingen verwacht uit het vroegholoceen, met daarop een noord west georiënteerde oeverwal (en mogelijke laklaag/vegetatiehorizont uit het neolithicum en mogelijk verspoelde afzettingen uit de periode van de middeleeuwse ontginningen. Zoals blijkt uit de beantwoording van onderzoeksvraag 3 sluit het verwachtingsmodel aan bij de resultaten van het proefsleuvenonderzoek. De enige afwijking tussen het vooronderzoek en het proefsleuvenonderzoek is een beperkt diepteverschil van de top van de oeverwal. De top van de oeverwal lag gemiddeld circa 10 cm hoger dan in het verkennend booronderzoek werd geconstateerd, op een diepte tussen 5,2 en 5,5 m -NAP.
De laklaag die tijdens het verkennend booronderzoek ter hoogte van werkput 3 werd geconstateerd is in die werkput ook aangetroffen. De verwachting was dat in de vegetatiehorizont/laklaag of in de top van de oeverafzettingen zich archeologische resten zouden bevinden. Er zijn echter geen archeologische resten aangetroffen. Bij aantreffen van één of meer vindplaatsen: wat is de waardestelling middels de KNAwaarderingscriteria en zijn de vindplaatsen behoudenswaardig? Niet van toepassing. Er zijn geen archeologische vindplaatsen aangetroffen. Indien het onderzoek geen of beperkte archeologische fenomenen oplevert, bijvoorbeeld alleen losse vondsten, welke verklaring is hiervoor dan te geven? Is er bijvoorbeeld sprake van: aantoonbare afwezigheid van bewoning en / of actief landgebruik; verstoring van recente antropogene aard; een landschap dat onaantrekkelijk was voor bewoning? beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door bodemprocessen; beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door werk- of weersomstandigheden? In het vroege holoceen was het plangebied onder invloed van de zee, waardoor opgeslibde getijdeafzettingen ontstonden. Zoals hierboven beschreven zijn de getijdeafzettingen in alle werkputten aangetroffen (zie afbeelding 14). Door natte omstandigheden waren deze afzettingen niet geschikt voor bewoning.
Hierin zijn dan ook geen archeologisch resten aangetroffen. Op basis van het verkennend booronderzoek ligt ten westen van het onderzoeksgebied mogelijk de randzone van een brede, ondiepe erosiegeul (met een restgeulachtige afzetting) (zie afbeelding 14), die zich heeft ingesneden in de getijdeafzettingen. Ter plaatse van deze restgeul was bewoning door natte omstandigheden ook niet mogelijk. Deze locatie is daarom ook niet geselecteerd voor nader proefsleuvenonderzoek. Tijdens het neolithicum is door opslibbing van sedimenten langs de restgeul en op de getijdeafzettingen een oeverwal ontstaan, waarvan de globale locatie tijdens het verkennend booronderzoek is vastgelegd (zie afbeelding 14). Ten oosten van de oeverwal gebied werd tijdens het verkennend booronderzoek een vlak gebied met getijde- en overstromingsafzettingen aangetroffen.
Blad 21 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
Door de natte omstandigheden was hier geen bewoning mogelijk. Daarom is gekozen om ook hier geen nader proefsleuvenonderzoek te doen. De locatie waar intacte oeverwalafzettingen zijn aangetroffen is tijdens het proefsleuvenonderzoek wel nader onderzocht. Omdat opgeslibde oeverwalafzettingen hoger (en vaak droger) in het landschap lagen kunnen in de top van deze afzettingen bewoningssporen uit het neolithicum voorkomen. Op basis van het proefsleuvenonderzoek is duidelijk geworden dat de top van hoogst opgeslibde oeverwalafzettingen (ter hoogte van boringen 23, 37 en 17) zich bevinden op een diepte tussen circa 5,2 en 5,4 m -NAP (zie tabel 4.1). De top van de oeverwal ligt aan de noord kant van het onderzoeksgebied (ter plaatse van werkputten 1, 2, 5, 6, en 7) iets hoger, circa 10 tot 30 cm, (tussen 5,2 en 5,4 m -NAP) dan in het zuidelijk deel (werkput 3) (5,5 m -NAP). Dit is gemiddeld circa 10 cm hoger dan in het verkennend booronderzoek werd geconstateerd maar het verschil is klein. Hier kan dus bevestigd worden dat er ten opzichte van de westelijk gelegen ondiepe erosiegeul een noord-zuid georiënteerde oeverwal ligt, met opgeslibde afzettingen tot een maximale hoogte variërend van 5,2 tot 5,5 m -NAP. Ter hoogte van boring 23 (werkput 3) is een zwak ontwikkelde vegetatiehorizont aangetroffen. Opvallend is dat deze vegetatiehorizont alleen ter hoogte van werkput 3 aanwezig was.
De laag heeft een gladde structuur en is dan ook vermoedelijk ontstaan onder droge omstandigheden op een laag gelegen oever. De hoogteverschillen in de top van de oeverafzettingen, verspreidt over het onderzoeksgebied, zijn vrij minimaal (verschil van 10 tot 30 cm). Het vermoeden bestaat dat de vegetatiehorizont tijdens de ontwikkeling werd overspoeld. Vandaar dat wordt gesproken van een laag gelegen oever omdat deze waarschijnlijk niet hoog genoeg was opgeslibt, zodat deze permanent/voor lange tijd droog lag. Een aanwijzing hiervoor vormt de rommelige kleilaag, direct boven de vegetatiehorizont, die als een “verspoelingslaag” is geïnterpreteerd (Ks1) (S9004). Deze verspoelingslaag werd alleen ter plaatse van werkput 3 en 7 aangetroffen. Hoewel deze verspoeling niet in alle werkputten is aangetroffen is de eventuele vegetatiehorizont hierdoor ter hoogte van de overige werkputten geërodeerd. Dit kan tevens, of in combinatie, zijn gebeurd met de erosie van de top van de oeverafzettingen door ontginningen. Vanaf de middeleeuwen werd het gebied namelijk ontgonnen waardoor een grote verveningplas “Het Legmeer” ontstond. Het is zeer waarschijnlijk dat de oeverafzettingen hierbij deels zijn aangetast.
De top van de oeverwal in werkput 3 lag iets lager dan in de overige werkputten (zie boven), mogelijk is deze hier daarom iets minder aangetast en is de vegetatiehorizont bewaard gebleven. Al met al kan geconcludeerd worden dat er een vermoedelijk laag gelegen/laag opgeslibde oeverwal is aangetroffen, met een al dan niet geërodeerde en zwak ontwikkelde vegetatiehorizont, met daarboven plaatselijk jongere verspoelde afzettingen. Op basis hiervan is het gebied in het verleden niet of weinig geschikt geweest voor bewoning. 10. Geeft het onderzoek aanleiding tot aanpassing van de archeologische verwachting op de kreekruggen/oeverwallen in Amstelveen? De verwachting voor het aantreffen van archeologische resten op de aangetroffen oeverwal, binnen het onderzoeksgebied, kan worden bijgesteld naar laag. Onderhavig onderzoek is te beperkt in omvang om een uitspraak te kunnen doen over de archeologische verwachting op kreekruggen/oeverwallen in de regio Amstelveen.
Blad 22 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
5.2
Conclusies Vanuit het vooronderzoek was de verwachting, dat binnen het plangebied archeologische resten vanaf het neolithicum aangetroffen kunnen worden. Het argument hiervoor is dat de locatie in die perioden geschikt was voor bewoning. In de bodem werden tijdens het booronderzoek namelijk onder de bouwvoor oeverwalafzettingen geconstateerd. Ook werd in een deel van het gebied een vegetatiehorizont of laklaag aangetroffen. De kans op het aantreffen van een vondstlaag/bewoningslaag uit het neolithicum werd middelhoog tot hoog ingeschat. Op basis van het proefsleuvenonderzoek kan geconcludeerd worden dat er een vermoedelijk laag gelegen/laag opgeslibde oeverwal is aangetroffen, met in het zuidelijk deel van het onderzoeksgebied een al dan niet geërodeerde en zwak ontwikkelde vegetatiehorizont, met daarboven plaatselijk jongere verspoelde afzettingen. Hoewel deze verspoeling niet in alle werkputten is aangetroffen is de eventuele vegetatiehorizont hierdoor ter hoogte van de overige werkputten vermoedelijk geërodeerd. Dit kan tevens, of in combinatie, zijn gebeurd met de erosie van de top van de oeverafzettingen door ontginningen die in het gebied hebben plaatsgevonden. Op basis van de aangetroffen bodemopbouw is het gebied in het verleden niet of weinig geschikt geweest voor bewoning. Er zijn tijdens het onderzoek dan ook geen archeologische sporen en/of vondsten aangetroffen.
Er werd slechts één spoor aangetroffen dat van natuurlijke aard was en er is daarmee geen sprake van archeologische vindplaatsen.
5.3
Waardering Omdat er geen vindplaatsen zijn aangetroffen is een waardering niet van toepassing.
5.4
(Selectie)advies Er zijn tijdens het onderzoek geen archeologische sporen en/of vondsten aangetroffen en er is dus geen sprake van archeologische vindplaatsen. Het advies is om het plangebied daarom vrij te geven van verder archeologisch onderzoek. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. Dit betreft een advies, het nemen van een selectiebesluit is aan het bevoegd gezag, in deze de gemeente Amstelveen. Antea Group Oosterhout, maart 2022
Blad 23 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
Literatuur en geraadpleegde bronnen Berendsen, H.J.A., 2004 (4e druk): De vorming van het land. Inleiding in de geologie en geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Fleuren, I. en R., Fens, 2021. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen De Scheg-Oost te Amstelveen, gemeente Amstelveen. Antea Group Archeologie 2020/227. Nater, C.I., 2021. Plan van Aanpak. Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven. De Scheg Oost te Amstelveen, gemeente Amstelveen. Antea Group Archeologie. Oosterhout. Uffink, V., 2021. Programma van Eisen. De Scheg Oost te Amstelveen, gemeente Amstelveen. Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven. Antea Group Archeologie. Oosterhout.
Blad 24 van 27
Antea Group Archeologie 2021/202 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 466433 15 maart 2022 revisie 01 VORM Conceptwoningen B.V.
Lijst met afbeeldingen Afbeelding 1. Uitsnede topografische kaart met de ligging van het plangebied. .............................1 Afbeelding 2. Het plangebied geprojecteerd op een recente luchtfoto (2019) (bron: Esri & partners). ...........................................................................................................................................5 Afbeelding 3. Advieskaart vanuit de rapportage van het verkennend booronderzoek. Het adviesgebied bevindt zich ter plaatse van boringen 17, 23 en 37 (bron: Esri & partners). ..............7 Afbeelding 4. Weergave van profiel 1.1 in werkput 1. ....................................................................10 Afbeelding 5. Weergave van profiel 2.2 in werkput 2. ....................................................................11 Afbeelding 6. Weergave van profiel 3.2 in werkput 3. ....................................................................12 Afbeelding 7. Weergave van vlak 1 in werkput 3. In het vlak is de slecht ontwikkelde vegetatiehorizont (laklaag) zichtbaar. .............................................................................................12 Afbeelding 8. Weergave van profiel 4.2 in werkput 4. ....................................................................13 Afbeelding 9. Weergave van profiel 5.1 in werkput 5.
....................................................................14 Afbeelding 10. Weergave van profiel 6.1 in werkput 6. ..................................................................14 Afbeelding 11. Weergave van profiel 7.1 in werkput 7. ..................................................................15 Afbeelding 12. Overzichtsfoto spoor 1 in werkput 2.......................................................................17 Afbeelding 13. Coupefoto spoor 1 in werkput 2. ............................................................................18 Afbeelding 14. Ruimtelijk overzicht, aangetroffen landschappelijke elementen. Het plangebied is weergegeven met een rode lijn. Het onderzoeksgebied is aangegeven met een blauwe lijn. De proefsleuven zijn aangegeven met werkputnummers. ...................................................................20 Bijlagen Archeologische perioden Beschrijving van de archeologische perioden AMZ-cyclus Beschrijving en weergave van de Archeologische Monumentenzorg Sporenlijst Overzicht met aangetroffen sporen Vondstenlijst Overzicht met aangetroffen vondsten Kaartbijlagen 466433.100-ASK 466433.100-ASK1 466433.100-ASK2 466433.100-ASK3 466433.100-ASK4 466433.100-ASK5 466433.100-ASK6 466433.100-ASK7
Overzichtskaart met de werkputten AlleSporenKaart van werkput 1 AlleSporenKaart van werkput 1 AlleSporenKaart van werkput 1 AlleSporenKaart van werkput 1 AlleSporenKaart van werkput 1 AlleSporenKaart van werkput 1 AlleSporenKaart van werkput 1
Blad 25 van 27
Bijlage 1: Archeologische perioden
Bijlage 1: Archeologische perioden Als bijlage op de resultaten en verzamelde gegevens wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewonersgeschiedenis in Nederland geschetst. Gedurende het paleolithicum (300.000-8800 voor Chr.) hebben moderne mensen (homo sapiens) onze streken tijdens de warmere perioden wel bezocht, doch sporen uit deze periode zijn zeldzaam en vaak door latere omstandigheden verstoord. De mensen trokken als jager-verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. De verschillende groepen jager-verzamelaars exploiteerden kleine territoria, maar verbleven, afhankelijk van het seizoen, steeds op andere locaties. In het mesolithicum (8800-4900 voor Chr.) zette aan het begin van het Holoceen een langdurige klimaatsverbetering in. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor geleidelijk een bosvegetatie tot ontwikkeling kwam en de variatie in flora en fauna toenam. Ook in deze periode trokken de mensen als jager-verzamelaars rond. Voorwerpen uit deze periode bestaan voornamelijk uit voor de jacht ontworpen vuurstenen spitsjes. De hierop volgende periode, het neolithicum (5300-2000 voor Chr.), wordt gekenmerkt door een overschakeling van jager-verzamelaars naar sedentaire bewoners, met een volledig agrarische levenswijze.
Deze omwenteling ging gepaard met een aantal technische en sociale vernieuwingen, zoals huizen, geslepen bijlen en het gebruik van aardewerk. Door de productie van overschot kon de bevolking gaan groeien en die bevolkingsgroei had tot gevolg dat de samenleving steeds complexer werd. Uit het neolithicum zijn verschillende grafmonumenten bekend, zoals hunebedden en grafheuvels. Het begin van de bronstijd (2000-800 voor Chr.) valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen, zoals bijlen. Het gebruik van vuursteen was hiermee niet direct afgelopen. Vuursteenmateriaal uit de bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Het aardewerk is over het algemeen zeldzaam. De grafheuveltraditie die tijdens het neolithicum haar intrede deed werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, eventueel omgeven door een greppel. In de ijzertijd (800-12 voor Chr.) werden de eerste ijzeren voorwerpen gemaakt. Ten opzichte van de bronstijd traden er in de aardewerktraditie en in het gebruik van vuursteen geen radicale veranderingen op. De mensen woonden in verspreid liggende hoeven of in nederzettingen van enkele huizen.
Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (celtic fields). In deze periode werden de kleigebieden ook in gebruik genomen door mensen afkomstig van de zandgebieden. Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand. Er zijn zogenaamde vorstengraven bekend in Zuid-Nederland, maar de meeste begravingen vonden plaats in urnenvelden. Met de Romeinse tijd (12 voor Chr. tot 450 na Chr.) eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als rijksgrens van het Romeinse Rijk ingesteld. Ter controle van deze zogenaamde limes werden langs de Rijn castella (militaire forten) gebouwd. De inheems leefwijze handhaafde zich wel, ook al werd de invloed van de Romeinen steeds duidelijker in soorten aardewerk (o.a. gedraaid) en een betere infrastructuur. Onder meer ten gevolge van invallen van Germaanse stammen ontstond er instabiliteit wat uiteindelijk leidde tot het instorten van de grensverdediging langs de Rijn. Over de middeleeuwen (450-1500 na Chr.), en met name de vroege middeleeuwen (450-1000 na Chr.), zijn nog veel zaken onbekend. Archeologische overblijfselen zijn betrekkelijk schaars. De politieke macht was na het wegvallen e van de Romeinen in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Vanaf de 10 eeuw ontstaat er weer enige stabiliteit en is een toenemende feodalisering zichtbaar.
Door bevolkingsgroei en gunstige klimatologische omstandigheden werd in deze periode een begin gemaakt met het ontginnen van bos, heide en veen. Veel van onze huidige steden en dorpen dateren uit deze periode. De hierop volgende periode 1500 – heden wordt aangeduid als nieuwe tijd.
Na Chr.
Archeologische periode-indeling conform ABR Periode Recent
Subperiode
Begin 1945
eind heden
Afkorting
Nieuwe Tijd
Late Nieuwe tijd Midden Nieuwe tijd Vroege Nieuwe tijd
1850 1650 1500
1945 1850 1650
NTC NTB NTA
Middeleeuwen
Late Middeleeuwen B Late Middeleeuwen A Vroege Middeleeuwen D Vroege Middeleeuwen C Vroege Middeleeuwen B Vroege Middeleeuwen A
1250 1050 900 725 525 450
1500 1250 1050 900 725 525
LMB LMA VMD VMC VMB VMA
Romeinse Tijd
Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A
350 270 150 70 25 -12
450 350 270 150 70 25
LROMB LROMA MROMB MROMA VROMB VROMA
IJzertijd
Late IJzertijd Midden IJzertijd Vroege IJzertijd
250 500 800
12 250 500
LIJZ MIJZ VIJZ
Bronstijd
Late Bronstijd Midden Bronstijd B Midden Bronstijd A Vroege Bronstijd
1100 1500 1800 2000
800 1100 1500 1800
LBR MBRB MBRA VBR
Neolithicum
Laat Neolithicum B Laat Neolithicum A Midden Neolithicum B Midden Neolithicum A Vroeg Neolithicum B Vroeg Neolithicum A
2450 2850 3400 4200 4900 5300
2000 2450 2850 3400 4200 4900
LNEOB LNEOA MNEOB MNOEA VNEOB VNEOA
Mesolithicum
Laat Mesolithicum Midden Mesolithicum Vroeg Mesolithicum
6450 7100 8800
5300 6450 7100
LMESO MMESO VMESO
Paleolithicum
Laat Paleolithicum B Laat Paleolithicum A Midden Paleolithicum Vroeg Paleolithicum
18.000 35.000 300.000
8800 18.000 35.000 300.000
LPALEOB LPALEOA MPALEO VPALEO
Ottoonse tijd Karolingische tijd Merovingische tijd
Steentijd
Voor Chr.
Metaaltijd
volksverhuizingstijd
Bijlage 2: Archeologische Monumentenzorg (AMZ)
Schema Archeologische Monumentenzorg (AMZ)
Schema Archeologische Monumentenzorg (AMZ) Verklarende woordenlijst Archeologische Monumentenzorg (AMZ) Archeologische begeleiding (STAP 5c) Een archeologische begeleiding wordt uitgevoerd wanneer proefsleuven of en opgraving niet mogelijk zijn door bijvoorbeeld civieltechnische beperkingen. Archeologische indicatoren Hiermee worden aanwijzingen in de bodem bedoeld die duiden op menselijke activiteiten in het verleden, zoals aardewerkscherven, houtskool, botmateriaal, vondstlagen, etc. Archis Archeologisch informatiesysteem voor Nederland. Een digitale databank met gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen. Bureauonderzoek (STAP 1) Het bureauonderzoek is een rapportage waarin een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel wordt opgesteld aan de hand van geomorfologische en bodemkaarten, de Archeologische Monumentenkaart (AMK), het Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS), historische kaarten en archeologische publicaties. Fysiek beschermen (STAP 4c) De archeologische resten blijven in de bodem behouden door bijvoorbeeld planaanpassingen. Geofysisch onderzoek Meetapparatuur brengt archeologische verschijnselen in de bodem driedimensionaal in kaart zonder te boren of te graven. Dit kan bijvoorbeeld door radar-, weerstandsonderzoek of elektromagnetische metingen.
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Dit model geeft op detailniveau voor het plangebied aan wat aan archeologische vindplaatsen aanwezig kan zijn. Op basis van dit verwachtingsmodel wordt bepaald of een inventariserend veldonderzoek nodig is en wat de juiste methode is om eventueel aanwezige archeologische resten aan te tonen. Inventariserend veldonderzoek (IVO) (STAP 2) Tijdens een inventariserend veldonderzoek worden archeologische waarden in het veld geïnventariseerd en gedocumenteerd. Waar is wat in de bodem aanwezig? De inventarisatie kan bestaan uit een inventariserend veldonderzoekoverig (door middel van een booronderzoek, veldkartering en/of geofysisch onderzoek) en/of een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. Wat de beste methode is, hangt sterk af van de omstandigheden en de aard van de vindplaats. Inventariserend veldonderzoek - overig (IVO-o) (STAP 2b of 2c) Bij een Inventariserend veldonderzoek - overig door middel van boringen (IVOo) worden boringen gezet door middel van een handboor of guts. Inventariserend veldonderzoek -proefsleuven (IVO-p) (STAP 2f) Proefsleuven zijn lange sleuven van twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar aanwijzingen zijn voor het aantreffen van archeologische vindplaatsen.
Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Verkennende fase (STAP 2b) Wanneer bij het bureauonderzoek onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om een gespecificeerd verwachtingsmodel op te stellen, wordt een inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd. In deze fase wordt onderzocht of de bodem nog intact is, wat de bodemopbouw is en hoe deze invloed heeft gehad op de locatiekeuze van de mens in het verleden. Het onderzoek is bedoeld om kansarme zones om archeologische resten aan te treffen uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek. Een verkennend onderzoek kent een relatief lage onderzoeksintensiteit en wordt meestal uitgevoerd door middel van boringen. Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Karterende fase (STAP 2c of 2f)
Tijdens een inventariserend veldonderzoek - karterende fase wordt het plangebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische sporen en/of vondsten. De intensiteit van onderzoek is groter dan in de verkennende fase, bijvoorbeeld door een groter aantal boringen per hectare of door het aanleggen van proefsleuven. Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Waarderende fase (STAP 2f) Tijdens de waarderende fase wordt aangegeven of de aangetroffen archeologische vindplaatsen behoudenswaardig zijn. Dat betekent dat de aard, omvang, datering, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats(en) wordt vastgesteld. Wanneer de waardering van de archeologische resten laag is, hoeft geen verder archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het plangebied wordt 'vrijgegeven'. Wanneer de resten behoudenswaardig zijn, wordt in eerste instantie behoud in situ (ter plekke in de bodem) nagestreefd. Wanneer dit door de voorgenomen ontwikkelingen niet mogelijk is, wordt vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van een opgraving of archeologische begeleiding. Vaak wordt deze fase gecombineerd uitgevoerd met het inventariserend veldonderzoek karterende fase. Opgraving (STAP 5c) Wanneer door de toekomstige ontwikkelingen aanwezige archeologische resten in de bodem niet behouden kunnen worden, wordt een opgraving uitgevoerd.
Tijdens de opgraving worden archeologische resten gedocumenteerd, gefotografeerd en bestudeerd. Hierdoor wordt informatie over het verleden zo goed mogelijk vastgelegd en behouden. Plan van Aanpak (PvA) (STAP 2a) Voor een booronderzoek is een Plan van Aanpak (PvA) noodzakelijk. Het PvA beschrijft hoe het veldwerk wordt uitgevoerd en uitgewerkt. Programma van Eisen (PvE) (STAP 2d of 5a) Voor het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek proefsleuven, archeologische begeleiding of opgraving is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk. Het PvE beschrijft het doel, vraagstelling en uitvoeringsmethode van het archeologisch onderzoek. Dit document wordt beschouwd als basisdocument voor archeologisch veldonderzoek waarmee de inhoudelijke kwaliteit gewaarborgd wordt. Het PvE wordt goedgekeurd door het bevoegd gezag (gemeente, provincie of het rijk). Quickscan In een quickscan wordt geïnventariseerd of en waar archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Selectieadvies (STAP 3) In het selectieadvies wordt op archeologisch inhoudelijke argumenten het advies gegeven welke delen van het plangebied vrijgegeven kunnen worden voor verdere ontwikkeling en welke delen behouden of opgegraven moeten worden. Selectiebesluit (STAP 4) De bevoegde overheid (gemeente, provincie of soms het rijk) geeft op basis van het selectieadvies aan welke maatregelen genomen worden.