8. Gewijzigde Gemeenschappelijke regeling Groengebied Amstelland was-wordt
Tekst van het document
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst;
Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
Gemeenschappelijke regeling Groengebied Amstelland Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland, de raden en colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Amsterdam, Amstelveen, Diemen en Ouder-Amstel wijzigen de regeling als volgt; overwegende dat het noodzakelijk is om het op basis van artikel 8, lid 1 Wet gemeenschappelijke regelingen ingestelde openbaar lichaam Groengebied Amstelland, zoals ingeschreven in de provinciale en gemeentelijke registers, te wijzigen in verband met de invoering van een nieuw bestuursmodel voor de schappen in Noord-Holland, de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022;
de wijziging van de Gemeentewet waardoor de stadsdelen van Amsterdam als deelgemeenten (stadsdelen) zijn ontmanteld;
overwegende dat het noodzakelijk is om de gemeenschappelijke regeling Groengebied Amstelland aan te passen in verband met de binnengemeentelijke decentralisatie van de gemeente Amsterdam waarbij afgesproken is dat de centrale stad van Amsterdam en de stadsdeelraden van Oost/Watergraafsmeer en Zuidoost elk één vertegenwoordiger afvaardigen naar het algemeen bestuur van het openbaar lichaam Groengebied Amstelland;
overwegende dat het noodzakelijk is over te gaan tot wijziging van de bijdragepercentages van de participanten; gelet op: de bepalingen, vervat in hoofdstuk IV van de Wet gemeenschappelijke regelingen; besluiten: de gemeenschappelijke regeling Groengebied Amstelland als volgt gewijzigd vast te stellen.
HOOFDSTUK I: ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Begripsbepalingen
1. Deze regeling verstaat onder: a. ‘recreatieschap': b. 'deelnemers'
het openbaar lichaam, genoemd in artikel 2, tweede lid van deze regeling; :
c. 'provinciale staten' d. 'gemeenteraad'
alle aan de regeling rechtspersonen;
deelnemende
publiekrechtelijke
lichamen
en
: Provinciale Staten van Noord-Holland; : de raden van de aan deze regeling deelnemende gemeenten;
e. 'gedeputeerde staten' : Gedeputeerde Staten van Noord-Holland; f. 'gebied' gelegen
: het gebied als bedoeld in artikel 2, lid 1 van deze regeling, inclusief daarbinnen wateren, wegen en vaarwegen voor zover niet uitdrukkelijk uitgezonderd;
g. 'gemeente' 'stadsdeelraad'
: de deelnemende gemeenten : De commissies als bedoeld in artikel 82 en 87 van de Gemeentewet voor de stadsdelen Oost/Watergraafsmeer en Zuidoost van de gemeente Amsterdam
i. 'basisplan'
: In 1980 vastgesteld beleidskader met afspraken ten aanzien van de functies en inrichting van het gebied met het oog op de belangen van openluchtrecreatie, natuur, landschap en landbouw
j. 'deelplan' : Uitwerkingsplan zoals genoemd in het basisplan met een beschrijving van de aanpak ter realisering van de afspraken uit het basisplan voor een specifiek deelgebied of een specifieke functie binnen het gebied. k. 'uitvoeringsorganisatie’: Organisatie belast met de uitvoering van door het bestuur van het recreatieschap opgedragen taken. l. 'uitvoeringsorgaan' : Bestuursorgaan van de uitvoeringsorganisatie .
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst;
2.
Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
Waar in of krachtens deze regeling artikelen van de Provinciewet of enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, komt in die artikelen in de plaats van:
a. 'de provincie', 'de gemeente':
het recreatieschap;
b. 'provinciale staten', 'gemeenteraad ': c. 'gedeputeerde staten' en 'burgemeester en wethouders': d. 'de commissaris van de Koning’ en 'de burgemeester':
het algemeen bestuur;
HOOFDSTUK II
het dagelijks bestuur; de voorzitter.
DOEL EN OPENBAAR LICHAAM
Artikel 2 Doel en werkgebied
1. Deze regeling heeft ten doel binnen een gebied, als aangegeven op de bij deze regeling behorende en als zodanig gewaarmerkte tekening:
a. het bevorderen van een evenwichtige ontwikkeling van de openluchtrecreatie; b. het tot stand brengen en bewaren van een evenwichtig natuurlijk milieu; c. het tot stand brengen en onderhouden van een harmonisch landschap, dat is afgestemd op het onder a en b geformuleerde en dat rekening houdt met een gezonde agrarische bedrijfsvoering.
2. Ter verwezenlijking van dat doel is er een openbaar lichaam, genaamd 'Groengebied Amstelland,' dat gevestigd is te Amstelveen.
3. Wanneer het recreatieschap enig zakelijk dan wel persoonlijk recht verwerft op gronden, grenzend aan het in het eerste lid bedoelde gebied, is deze regeling ook van toepassing op (het gebied van) die gronden, indien het bevoegde bestuur van de deelnemer, tot het grondgebied waarvan deze behoren, bij aangetekende brief heeft medegedeeld hiermede in te stemmen. De in het eerste lid bedoelde tekening wordt overeenkomstig aangepast en aanvullend gewaarmerkt. Artikel 3 Taken en bevoegdheden 1. Ter verwezenlijking van de in artikel 2 genoemde doelen worden aan het recreatieschap de volgende taken toegekend: a. het adviseren van de deelnemers omtrent planologische en andere maatregelen ten aanzien van het gebied, b. het jaarlijks opstellen en het aanpassen van een jaarbegroting en van een meerjarenbegroting, die geldt voor de periode, volgend op het jaar waarvoor de jaarbegroting geldt, c. het periodiek opstellen dan wel aanpassen van een beleidsplan, dat onder meer omvat een prioriteiten- en investeringsschema en het opmaken en vaststellen van plannen voor de werken van het recreatieschap, waaronder begrepen basis- en deelplannen alsmede beheerplannen, d. het uitoefenen van toezicht op de naleving van bepalingen in wetten, reglementen en verordeningen in het gebied, het uitoefenen van de gemeentelijke taken ingevolge de Wet op de openluchtrecreatie in het gebied,
e. het verwerven, ruilen, bezwaren en vervreemden van roerende en onroerende zaken, vorderingen of persoonlijke rechten en tot het verhuren, verpachten of op ander wijze in gebruik geven van de eigendommen van het recreatieschap, f.
het aangaan van geldleningen.
g. besluiten tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, voor zover dit past binnen het in artikel 2 gestelde belang. 2.
Ter verwezenlijking van de in artikel 2 genoemde doelen worden aan het bestuur van het recreatieschap de volgende bevoegdheden toegekend: a. het vaststellen van verordeningen, op overtreding waarvan een geldboete van de tweede categorie kan worden gesteld,
2
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst;
Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
b. het heffen van rechten, als bedoeld in artikel 229, 1e lid onder a en b, van de Gemeentewet en in artikel 223, eerste lid onder b van de Provinciewet, de rechten waarvan heffing krachtens bijzondere wetten geschiedt en de heffing bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer, c.
het uitoefenen van de gemeentelijke bevoegdheden, ingevolge artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht (ongeklede recreatie), indien en voor zover het algemeen bestuur heeft verklaard daartoe over te gaan,
d. het uitoefenen van de bevoegdheid van burgemeester en wethouders, als bedoeld in artikel 8.2, eerste lid van de Wet milieubeheer voor wat betreft het gestelde in bijlage 1, categorie 19, sub g, onder 1 van het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit Milieubeheer (gemotoriseerde modelvliegtuigen, -vaartuigen, -voertuigen) indien en voor zover het algemeen bestuur heeft verklaard daartoe over te gaan, e. Het uitoefenen van de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang zoals bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 122 van de Provinciewet indien en voor zover de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van door het bestuur van het recreatieschap vastgestelde regels. 3.
Binnen het kader van het in artikel 2, eerste lid omschreven doel kunnen de aan het recreatieschap toekomende taken en bevoegdheden worden uitgebreid dan wel beperkt bij gelijkluidend besluit van alle deelnemers, zonder dat daartoe wijziging van deze regeling noodzakelijk is. De deelnemers dragen op de gebruikelijke wijze zorg voor de bekendmaking van dat besluit.
4.
Indien de raad van een gemeente, op het grondgebied waarvan de verordening betrekking heeft, schriftelijk heeft bericht, dat naar zijn mening de verordening geheel of ten dele niet dient te gelden voor bepaald aangewezen gebieden van deze gemeente, worden deze gebieden uitgesloten van de werkingssfeer van de betreffende bepalingen van de verordening. Deze uitsluiting geldt slechts indien: a. een gemeentelijke verordening voorziet in hetzelfde onderwerp, en b. door de raad van deze gemeente voorzien is in een mandaatregeling met betrekking tot de voor het beheer en toezicht noodzakelijke bevoegdheden voor het uitvoeringsorgaan dat door het recreatieschap is belast met het beheer over het gebied.
5. In de door het algemeen bestuur vast te stellen verordening als bedoeld in lid 2 wordt een eventuele uitsluiting als bedoeld in het vierde lid, vermeld met verwijzing naar de voor deze gebieden geldende gemeentelijke verordening.
6. Het algemeen bestuur stelt een verordening vast, waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop in een vroegtijdig stadium ingezetenen van de provincie alsmede belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het beleid van het recreatieschap worden betrokken. 7.
a. Onverminderd het bepaalde in de Wgr worden de volgende ontwerpbesluiten van het algemeen bestuur ter zienswijze aan de gemeenteraden en provinciale staten van de deelnemers gezonden: -
het opstellen dan wel aanpassen van een basisplan of een meerjarenbeleidsplan;
-
het vaststellen van verordeningen, al dan niet door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven, strekkende tot de uitoefening van de belangen en de taken van het recreatieschap;
-
het vaststellen van een legesverordening;
-
besluit tot oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen , indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen belang.
-
het instellen van een bestuurscommissie;
b.
Onder een zienswijze in de zin van dit artikel wordt verstaan dat de gemeenteraden onderscheidenlijk provinciale staten hun wensen en bedenkingen kenbaar kunnen maken.
c.
Het algemeen bestuur kan bij andere besluiten bepalen of zienswijzen worden gevraagd.
d.
Het algemeen bestuur bepaalt de wijze waarop en de termijn waarbinnen zienswijzen kunnen worden ingediend.
3
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst;
Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
Artikel 4 Voor zover wettelijke regels zich daartegen niet verzetten kan het algemeen bestuur bij verordening de uitoefening van bepaald aangewezen bestuursbevoegdheden andere organen mandateren. Het algemeen bestuur gaat niet over tot het vaststellen van een verordening, door strafbepalingen of bestuursdwang te handhaven, dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de raden van elk der deelnemende gemeenten en provinciale staten. Het dagelijks bestuur zendt het ontwerp van die verordening aan de deelnemers. Alle deelnemers zenden binnen drie maanden na ontvangst van het ontwerp van die verordening schriftelijk bericht aan het algemeen bestuur.
HOOFDSTUK IlI: ALGEMEEN BESTUUR Paragraaf 1 Algemeen bestuur Artikel 4 Samenstelling 1.
Het algemeen bestuur bestaat uit 7 leden, te weten:
a. een vertegenwoordiger, aan te wijzen door provinciale staten, uit zijn midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de leden van gedeputeerde staten;
b. drie vertegenwoordigers van de gemeente Amsterdam, aan te wijzen door de raad van die gemeente, uit zijn midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de leden van het college van burgemeester en wethouders één vertegenwoordiger van elke aan de regeling deelnemende gemeente, aan te wijzen door de raad van die gemeente, uit zijn midden, de leden van het college van burgemeester en wethouders inbegrepen;
c. één vertegenwoordiger van elke overige aan de regeling deelnemende gemeente (Amstelveen, Ouderkerk a/d Amstel en Diemen), aan te wijzen door de raad van die gemeente, uit zijn midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de leden van het college van burgemeester en wethouders één vertegenwoordiger van elk van de stadsdelen Oost/Watergraafsmeer en -Zuidoost van de gemeente Amsterdam, aan te wijzen door de stadsdeelraad van dat stadsdeel, uit hun midden, de leden van het dagelijks bestuur inbegrepen.
2.
De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor een periode van vier jaar. Zolang de leden lid zijn van provinciale staten, gedeputeerde staten, college van burgemeester en wethouders, gemeenteraden, dagelijks bestuur van de stadsdeelraad of stadsdeelraden, dan wel gemandateerd en bevoegd zijn, behouden zij het lidmaatschap van het algemeen bestuur tot hun opvolgers zijn benoemd.
3.
De aanwijzing van de gemeentelijke vertegenwoordigers in het algemeen bestuur vindt plaats in de eerste vergadering van de gemeenteraden en stadsdeelraden in nieuwe samenstelling na gehouden gemeenteraads- en stadsdeelraadverkiezingen.
4.
De aanwijzing van de provinciale vertegenwoordigers in het algemeen bestuur vindt plaats in de eerste vergadering van provinciale staten in nieuwe samenstelling na gehouden statenverkiezingen.
5.
De raad onderscheidenlijk provinciale staten kunnen voor elk lid van het algemeen bestuur dat zij hebben aangewezen, tevens één plaatsvervangend lid aanwijzen, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Hetgeen in deze regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt. De gemeentelijke respectievelijk provinciale vertegenwoordigers in het algemeen bestuur treden af op de dag waarop de leden van de gemeenteraden/stadsdeelraden respectievelijk de leden van provinciale staten aftreden.
6.
Het lid dat ter vervulling van een buiten de gewone tijd van aftreden opengevallen plaats tot lid van het algemeen bestuur is aangewezen treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats het is benoemd zou hebben moeten aftreden.
7.
Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur door ontslag, overlijden of om een andere reden vacant komt, wijst de raad van de gemeente waar het voormalig lid uit afkomstig was onderscheidenlijk wijzen provinciale staten een nieuw lid aan.
4
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst;
Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
Het aanwijzen van leden ter vervulling van plaatsen die door ontslag, overlijden of om een andere reden openvallen, vindt plaats binnen acht weken na dat openvallen.
8.
Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, in dienst van het recreatieschap of anderszins daaraan ondergeschikt
Artikel 5 Werkwijze
1. Het algemeen bestuur vergadert tenminste tweemaal per jaar, en verder zo vaak dit door één of meer leden van het algemeen bestuur schriftelijk en onder opgave van redenen wordt gevraagd. In het laatste geval wordt de vergadering binnen drie weken gehouden
2. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter aan. 3. Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van de bepalingen van deze regeling, een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen. Dit reglement alsmede de daarin aangebrachte wijzigingen worden zo spoedig mogelijk na vaststelling openbaar gemaakt en ter kennis gebracht van de deelnemers. De minister belast met de zorg voor de openluchtrecreatie, natuur- en landschapsbeheer kan een vertegenwoordiger aanwijzen om als adviseur aan de vergadering van het algemeen bestuur deel te nemen.
4. Het algemeen bestuur en de leden van het algemeen bestuur hebben de bevoegdheid personen uit te nodigen als adviseur aan een vergadering deel te nemen dan wel zich te doen bijstaan door één of meer (al dan niet ambtelijke) adviseurs. Het reglement van orde voor de vergaderingen van het algemeen bestuur kan hieromtrent nadere regels stellen.
5. Een lid onderscheidenlijk zijn plaatsvervanger, alsmede de vertegenwoordiger van de minister belast met de zorg voor de openluchtrecreatie, natuur- en landschapsbeheer, kan staande de beraadslagingen vragen de beslissing over het aan de orde zijnde onderwerp aan te houden voor nader overleg met het orgaan dat hem heeft aangewezen.
6. Een aanhouding als bedoeld in het vorige lid wordt door de voorzitter verleend tot aan de volgende vergadering. Indien de voorzitter van oordeel is dat de urgentie dan wel het belang van de zaak geen uitstel duldt, beslist de vergadering.
7. Op het houden en de orde van de vergaderingen van het algemeen bestuur is artikel 52 lid 1 onder f van de Wgr van overeenkomstige toepassing.
8. Het algemeen bestuur maakt zijn agenda, vergaderstukken en verslagen uit eigen beweging openbaar, met inachtneming van de artikelen 5.1 en 5.2 van de Wet open overheid Artikel 6 Openbaarheid van vergaderingen
1.
In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten over: a. b. c. d. e.
het vaststellen en wijzigen van de begroting en de vaststelling van de jaarrekening; het vaststellen, wijzigen of intrekken van door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven verordeningen; het vaststellen van de legesverordening, het oprichten van of deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen en instellen van commissies als bedoeld in artikel 25 van de Wgr.
Artikel 7 Stemmen en besluitvorming 1. Het algemeen bestuur neemt besluiten bij gewone meerderheid van stemmen, tenzij in deze regeling anders is bepaald, waarbij ieder bestuurslid een stem heeft. 2. Besluiten tot oprichting van en deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen worden genomen bij unanimiteit.
5
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst;
Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
Paragraaf 5 Vergoeding/tegemoetkoming Artikel 16 Artikel 8 Vergoeding/tegemoetkoming Het algemeen bestuur kan ten behoeve van de leden, plaatsvervangende leden en adviseurs van het algemeen en dagelijks bestuur, alsmede ten behoeve van de leden en plaatsvervangende leden van de in artikel 13 bedoelde commissie(s) een regeling vaststellen voor een op jaarbasis te bepalen vergoeding voor hun werkzaamheden en tegemoetkoming in de kosten. HOOFDSTUK IV: DAGELIJKS BESTUUR Paragraaf 2 Dagelijks bestuur Artikel 9 Samenstelling 1.
2. 3.
Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en tenminste twee leden, aan te wijzen door het algemeen bestuur uit zijn midden, met dien verstande dat de voorzitter en de leden niet afkomstig kunnen zijn uit dezelfde gemeente. De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag waarop zij aftreden als lid van het algemeen bestuur. De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur, nadat en voor zover hernieuwde aanwijzing, van leden van het algemeen bestuur heeft plaatsgevonden, dan wel door ontslag, overlijden of om een andere reden een plaats in het dagelijks bestuur is opengevallen.
Artikel 10 Werkwijze 1.
De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn besloten.
2.
Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of wanneer een lid hem dit schriftelijk verzoekt onder opgave van de te behandelen onderwerpen. Indien een vergadering is gevraagd, wordt zij binnen twee weken gehouden.
3.
Ieder lid van het dagelijks bestuur heeft één stem.
4.
Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
5.
Het dagelijks bestuur maakt de agenda’s en besluitenlijsten uit eigen beweging openbaar, met inachtneming van de artikelen 5.1. en 5.2 van de Wet open overheid.
Het dagelijks bestuur regelt zelf haar werkwijze en vergaderingen Artikel 11 Taken en bevoegdheden 1. Het dagelijks bestuur is bevoegd: a. het dagelijks bestuur van het recreatieschap te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet of de regeling het algemeen bestuur hiermee is belast; b. beslissingen van het algemeen bestuur voor te bereiden en uit te voeren; c.
regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam;
d. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 55a van de Wgr; e. te besluiten namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover dit het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist.
6
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst;
Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
2. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor: a. het opstellen van agenda’s en verslagen van vergaderingen van het algemeen bestuur; b. de informatievoorziening aan het algemeen bestuur. de voorbereiding van besluiten van het algemeen bestuur, het toezicht op de uitvoering van het beleid van het algemeen bestuur, advisering aan de uitvoeringsorganisatie met betrekking tot de wijze van uitvoering van het beleid van het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur is bevoegd om in onvoorziene en dringende gevallen afwijkingen in de uitvoering van door het algemeen bestuur vastgestelde plannen en begrotingen goed te keuren. Het algemeen bestuur kan deze bevoegdheid van het dagelijks bestuur inperken door het stellen van nadere regels
HOOFDSTUK V: DE VOORZITTER Paragraaf 3
De voorzitter, vice-voorzitter en secretaris
Artikel 12 Benoeming en taak
1. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter en een vicevoorzitter aan. 2. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.
3. De vicevoorzitter vervangt de voorzitter indien deze verhinderd is. 4. Indien door het recreatieschap een geding wordt gevoerd tegen of een rechtshandeling gepleegd met een rechtspersoon, die door dezelfde persoon wordt vertegenwoordigd als de voorzitter van het recreatieschap, wordt het recreatieschap vertegenwoordigd door de vicevoorzitter, ook indien door de wederpartij alsnog een andere vertegenwoordiger mocht zijn aangewezen. De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. Met instemming van de voorzitter kan het algemeen bestuur bij verordening ook aan anderen vertegenwoordigingsbevoegdheid toekennen. De vice-voorzitter wordt door het dagelijks bestuur aangewezen uit zijn midden. De secretaris wordt door het dagelijks bestuur aangewezen uit zijn midden. De vice-voorzitter vervangt de voorzitter in voorkomende gevallen en als zodanig bevoegd het openbaar lichaam in en buiten rechte te vertegenwoordigen
HOOFDSTUK VI: COMMISSIES Paragraaf 4 Artikel 13 Bestuurscommissies 1.
Het algemeen bestuur kan voor bepaalde belangen een bestuurscommissie instellen.
2.
Het algemeen bestuur bepaalt de bevoegdheden en samenstelling van de bestuurscommissies.
Het algemeen bestuur kan commissies van advies instellen. Het algemeen bestuur kan bij verordening voor deelgebieden of bepaalde aangelegenheden bestuurscommissies instellen zoals bedoeld in de artikelen 52, juncto 25 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, waaraan bevoegdheden van algemeen bestuur, dagelijks bestuur en voorzitter kunnen worden overgedragen.
7
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst;
Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een bestuurscommissie als bedoeld in het vorige lid dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de raden van elk der deelnemende gemeenten en provinciale staten.
HOOFDSTUK VII: INLICHTINGEN EN VERANTWOORDING Artikel 14 Interne verantwoording en inlichtingenplicht
1.
2. 3.
De leden van het dagelijks bestuur verstrekken - tezamen dan wel afzonderlijk - aan het algemeen bestuur alle inlichtingen, voor zover dat niet strijdig is met het openbaar belang, die door het algemeen bestuur dan wel één of meer leden daarvan, hetzij mondeling in een vergadering van het algemeen bestuur, hetzij schriftelijk worden verlangd en wel door: a.
mondelinge beantwoording van de gestelde vragen in dezelfde vergadering van het algemeen bestuur;
b.
toezending van bepaald aangewezen stukken binnen drie weken na ontvangst van het verzoek daartoe;
c.
schriftelijke beantwoording van de gestelde vragen binnen zes weken na ontvangst daarvan.
Indien een beroep wordt gedaan op het openbaar belang, kan het algemeen bestuur besluiten, dat in een besloten vergadering terzake mededelingen worden gedaan. De voorzitter is het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde en te voeren bestuur en verstrekt alle door het algemeen bestuur dan wel één of meer leden daarvan verlangde inlichtingen. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.
De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur gevoerde en te voeren bestuur nodig is.
Artikel 15 Externe verantwoording en inlichtingenplicht 1.
Een lid van het algemeen bestuur verschaft de raad onderscheidenlijk provinciale staten die hem als lid heeft aangewezen, alle inlichtingen die door één of meer leden van die raad onderscheidenlijk provinciale staten worden verlangd.
2.
Een lid van het algemeen bestuur is aan de raad onderscheidenlijk provinciale staten die hem als lid heeft aangewezen, verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.
3.
De leden van het dagelijks bestuur verschaffen inlichtingen aan de raden onderscheidenlijk provinciale staten.
4.
Provinciale staten en de gemeenteraden stellen ieder regels vast omtrent: a.
de wijze waarop een door hen aangewezen lid van het algemeen bestuur aan hen de door één of meer leden van provinciale staten, gemeenteraden of stadsdeelraden gevraagde inlichtingen dient te verstrekken;
b.
de wijze, waarop een door hen aangewezen lid van het algemeen bestuur door hen ter verantwoording kan worden geroepen;
c.
hun bevoegdheid een door hen aangewezen lid van het algemeen bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid niet meer hun vertrouwen bezit.
Artikel 16 Informatieverstrekking door het bestuur 1.
Het algemeen bestuur geeft aan de raden en provinciale staten alle inlichtingen, voor zover dat niet strijdig is met het bepaalde in artikel 52 juncto artikel 23 van de Wgr, die door één of meer leden van de raden en provinciale staten schriftelijk worden verlangd en wel door: a.
toezending van bepaalde aangewezen stukken binnen drie weken na ontvangst van het verzoek daartoe;
b.
schriftelijke beantwoording van de gestelde vragen binnen zes weken na ontvangst daarvan.
8
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst;
Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
2.
Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de voorzitter en commissies geven de raden en provinciale staten alle inlichtingen die de raden onderscheidenlijk provinciale staten nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.
3.
Het algemeen bestuur zendt in ieder geval de volgende stukken, zodra die zijn vastgesteld respectievelijk door het dagelijks bestuur zijn ontvangen, ter kennisneming aan de raden en provinciale staten toe: a.
plannen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder c;
b.
de reglementen van orde voor de vergaderingen van het algemeen bestuur;
c.
het jaarverslag van het recreatieschap, en
d.
Koninklijke besluiten die betrekking hebben op stukken of aangelegenheden van het recreatieschap.
Paragraaf 6 Informatieplicht Het algemeen bestuur zendt in ieder geval de volgende stukken, zodra die zijn vastgesteld respectievelijk door het bestuur is ontvangen, ter kennisneming toe: - plannen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b; de begroting en bijbehorende meerjarenbegroting; de rekening; - verordeningen, al dan niet door strafbedreiging of politiedwang te handhaven; de reglementen van orde voor de vergaderingen van het algemeen bestuur; de agenda's voor de vergaderingen van het algemeen bestuur; - de verslagen van de vergaderingen van het algemeen bestuur; - het accountantsrapport over de rekening. De deelnemers zijn verplicht aan het schap inlichtingen te verschaffen omtrent plannen en maatregelen die voor het schap van belang zijn.
HOOFDSTUK VIII: BELEID, UITVOERING EN VERANTWOORDING
Artikel 17 Verantwoording/verslaglegging 1.
Het algemeen bestuur stelt, op voorstel van de uitvoeringsorganisatie, het meerjarig bedrijfsplan en jaarplannen vast.
2.
Vaststelling en wijziging van het basisplan en deelplannen vindt plaats met algemene instemming van het algemeen bestuur.
3.
Het algemeen bestuur behoeft voor vaststelling of wijziging van het basisplan de schriftelijke goedkeuring van de deelnemers. Het algemeen bestuur kan bij verordening een procedure vaststellen voor het opstellen en vaststellen van een meerjarig beleidsplan als bedoeld in artikel 3, onder d, alsmede wijzigingen hierop, waarin de betrokkenheid wordt beschreven van: - de deelnemers aan de regeling, - de uitvoeringsorganisatie, - de belangenorganisaties van gebruikers, recreanten en ondernemers, - de eigenaren van zakelijke rechten in het gebied.
Artikel 18 Mandaat Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur dan wel de voorzitter kunnen hun bevoegdheden inzake de hun opgedragen taken met inachtneming van afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht mandateren of machtigen of volmacht verlenen zowel binnen het openbaar lichaam als aan een uitvoeringsorganisatie. Het algemeen bestuur kan in een organisatieverordening de benodigde taak- en bevoegdheidsverdeling vaststellen ten behoeve van de uitvoering van besluiten door een ambtelijke uitvoeringsorganisatie.
9
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst;
Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
Wanneer de uitvoering van besluiten door het algemeen bestuur wordt opgedragen aan een nietambtelijke uitvoeringsorganisatie wordt als onderdeel van de opdrachtovereenkomst een mandaatregeling vastgesteld. Het algemeen bestuur kan in de organisatieverordening of opdrachtovereenkomst bepalen dat het hoofd van de uitvoeringsorganisatie als adviseur zorg draagt voor de beleidsvoorbereiding van het algemeen bestuur alsmede voorziet in de secretariële en administratieve ondersteuning van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur. Het algemeen bestuur brengt jaarlijks verslag uit van de werkzaamheden van het schap gedurende het voorafgaande jaar. Het jaarverslag wordt algemeen verkrijgbaar gesteld. Het algemeen bestuur kan in een organisatieverordening of mandaatregeling nadere regels stellen met betrekking tot periodieke rapportages door de uitvoeringsorganisatie.
HOOFDSTUK IX: FINANCIËLE BEPALINGEN Artikel 19 Geld- en financieringsmiddelen De geldmiddelen van het recreatieschap worden gevormd door: a. de bijdragen van de deelnemers, die worden bepaald met inachtneming van de regels in de door het algemeen bestuur vastgestelde Verordening financieel beheer; b. subsidies, andere bijdragen dan de onder a bedoelde, schenkingen, legaten en erfstellingen; c. geldleningen; d. exploitatieopbrengsten, waaronder begrepen eenmalige vergoedingen uit het in beheer zijnde recreatiegebied; e. overige inkomsten. belasting als toegelaten ingevolge gemeenschappelijke regelingen
artikel
54,
eerste
lid,
onder
a,
van
de W et
Een besluit van het algemeen bestuur tot het sluiten van geldleningen of tot het aangaan van rekening-courantovereenkomsten ter financiering van zijn uitgaven behoeft de instemming van alle leden van het algemeen bestuur. Artikel 23 Het algemeen bestuur stelt bij verordening voorschriften vast met betrekking tot het financieel beheer, welke voorschriften onder meer regelen inhouden betreffende: de wijze waarop de betalingen geschieden en de ontvangsten en de inkomsten -behoudens de belastingen - worden geïnd; de inrichting van de financiële administratie; de controle op het geldelijk beheer en de financiële administratie; de verzekering van de gelden en eigendommen van het schap; de wijze van fraudeverzekering; de belegging van kasgelden; de organisatie van het financieel beheer. Artikel 24 De jaarlijks door het dagelijks bestuur op te stellen ontwerpbegroting en meerjarenbegroting van het schap worden opgesteld binnen de grenzen van het vastgestelde basisplan, deelplannen en meerjarenbeleidsplan.
De bedragen van de meerjarenbegroting worden telkenjare voor wat de loonkosten betreft herzien aan de hand van het indexcijfer van regelingslonen voor volwassen werknemers per maand, sector overheid, op 31 december van het aan dat boekjaar voorafgaande jaar, zoals dit cijfer voor de eerste maal na laatstgenoemd tijdstip is bekendgemaakt en voor wat de overige kosten betreft aan de hand van de hiervoor vastgestelde percentages van de meerjarenraming van de rijksbegroting.
10
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst;
Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
Begrotingsvoorstellen die afwijken van het bepaalde in voorgaande leden worden door het dagelijks bestuur met een afzonderlijke toelichting voorgelegd aan het algemeen bestuur. In de jaarbegroting en meerjarenbegroting wordt aangegeven de naar raming door elke deelnemer voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft verschuldigde bijdrage aan het schap. Artikel 25 Het dagelijks bestuur biedt tijdig de ontwerpbegroting en de meerjarenbegroting, vergezeld van een toelichting, aan het algemeen bestuur en aan de deelnemers. Het algemeen bestuur stelt de begroting, meerjarenbegroting en eventueel gewijzigd investeringsschema tijdig voor het begrotingsjaar vast nadat de deelnemers in de gelegenheid zijn gesteld hierop te reageren en zendt deze onmiddellijk na vaststelling aan de deelnemers.
Het bepaalde in de vorige leden is met uitzondering van de daargenoemde tijdstippen van toezending en vaststelling mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting Artikel 26 Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks de ontwerpjaarrekening van het schap eventueel vergezeld van zijn opmerkingen en vergezeld van een verantwoording van zijn financieel beleid tijdig aan het algemeen bestuur en aan de deelnemers onder overlegging van een afschrift van het verslag van het onderzoek naar de deugdelijkheid van de jaarrekening, ingesteld door de hiertoe door het algemeen bestuur aangewezen registeraccountant(s). De deelnemers kunnen schriftelijk bezwaren tegen de jaarrekening indienen bij het dagelijks bestuur binnen twee maanden na toezending van de rekening. Bij de vaststelling van de jaarrekening beslist
het algemeen bestuur op de door de deelnemers ingediende bezwaren. Artikel 27 Het nadelig saldo over enig boekjaar van een door het algemeen bestuur vastgestelde jaarrekening wordt gebracht ten last van de deelnemers volgens een door de deelnemers bij het aangaan van deze regeling overeengekomen of later gewijzigde verdeelsleutel, welke als bijlage bij deze regeling is gevoegd en van deze regeling deel uitmaakt. Geen van de deelnemers is gehouden in de netto-lasten met betrekking tot de financiering van de investeringen en het beheer en onderhoud meer bij te dragen dan - afgezien van de stijging van die lasten die een gevolg is van loon- en prijsstijgingen (indexcijfer en percentages als bedoeld in artikel 24 tweede lid) - is geraamd als aan het schap verschuldigde bijdrage als bedoeld in artikel 24, vierde lid, behoudens het bepaalde in het derde lid van dat artikel. De geraamde bijdragen à fonds perdu met betrekking tot de investeringen dienen, zodra met de daarmee samenhangende werkzaamheden is begonnen, naar behoefte beschikbaar te worden gesteld. Deze behoefte wordt bepaald krachtens besluit van het dagelijks bestuur. Wanneer de begroting een exploitatietekort aanwijst, over de deelnemers om te slaan, zijn deze gehouden hun in de begroting geraamde bijdrage bij wijze van voorschot te voldoen, in twee termijnen en wel op 1 januari en 1 juli van het begrotingsjaar.
Indien van de deelnemers de in het derde en vierde lid bedoelde voorschotten later zijn ontvangen dan de krachtens besluit van het dagelijks bestuur, ingevolge het derde lid bepaalde data respectievelijk de in het vierde lid genoemde data, komen de hieruit voortvloeiende kosten voor rekening van die deelnemers naar rato van de grootte van de verschuldigde voorschotten gerelateerd aan de termijn waarmee die data zijn overschreden. Voor die kostentoerekening is basis de debetrente van de door het schap aangegane rekeningcourantovereenkomst. Artikel 28 Indien de vastgestelde jaarrekening sluit met een exploitatieoverschot, besluit het algemeen bestuur of dit: - geheel of gedeeltelijk zal worden toegevoegd aan de reserve, dan wel;
11
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst;
Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
- geheel of gedeeltelijk zal worden gebruikt voor extra afschrijving dan wel; - geheel of gedeeltelijk zal worden uitgekeerd aan de deelnemers in de verhouding, waarin zij ingevolge het bepaalde in artikel 27, eerste lid, bijdragen in het exploitatietekort. Het in het vorig lid, aanhef en onder a en b, bedoelde besluit van het algemeen bestuur behoeft de instemming van alle deelnemers. Artikel 29 Voor de betaling van rente en aflossing van door het schap te sluiten geldleningen en in rekening-courant op te nemen gelden staan de deelnemers garant. De deelnemers nemen aan de garantie deel in de verhouding, waarin zij ingevolge het bepaalde in artikel 27, eerste lid bijdragen in het exploitatietekort. Indien uit deze bepaling in enig jaar voor de deelnemers betalingen voortvloeien, zullen deze na afwikkeling van het exploitatietekort of -overschot worden verrekend.
HOOFDSTUK X: TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING Artikel 20 Toetreding
1. Het daartoe bevoegde orgaan van een publiekrechtelijk lichaam of rechtspersoon kan verzoeken om toetreding tot deze regeling. Het verzoek wordt aan het algemeen bestuur gezonden en een afschrift aan de deelnemers.
2. Het algemeen bestuur stelt, na overleg met de deelnemers, binnen drie maanden, nadat het in het eerste lid bedoelde verzoek is ontvangen, een ontwerp vast voor de aanpassing van de gemeenschappelijke regeling in verband met de voorgenomen toetreding alsmede een regeling voor de gevolgen van de toetreding. Het dagelijks bestuur zendt dit ontwerp en regeling aan de deelnemers, waaronder begrepen de aspirant-deelnemer, met het verzoek binnen drie maanden na verzending hiervan, inzake de vaststelling ervan een besluit te nemen.
3. De toetreding gaat in op de eerste dag van de maand, volgend op die, waarin van het besluit tot toetreding aantekening is gemaakt in de registers, als bedoeld in artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 21 Uittreding 1.
Een deelnemer die voornemens is uit te treden, kan het algemeen bestuur verzoeken een indicatie te geven van de gevolgen van de uittreding voor het openbaar lichaam. De indicatie wordt binnen zes maanden na het verzoek verstrekt, tenzij anders overeengekomen is tussen het algemeen bestuur en de uittredende deelnemer. De kosten van de indicatie komen voor rekening van de deelnemer die daarom heeft verzocht. De indicatie is niet bindend.
2.
Onder de gevolgen van uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding.
3.
Uittreding uit deze regeling kan geschieden met ingang van het derde kalenderjaar volgend op de toezending van het betreffende besluit van de uittredende deelnemer aan het algemeen bestuur. Bij unaniem besluit van alle deelnemers kan van deze termijn afgeweken worden.
4.
De procedure voor uittreding begint de dag nadat het algemeen bestuur het besluit tot uittreding van de deelnemer heeft ontvangen.
5.
Uittreding geschiedt onder door het algemeen bestuur na overleg met deelnemers te stellen regelen, vervat in een uittredingsplan.
6.
Het algemeen bestuur stelt binnen drie maanden nadat het besluit tot uittreding is ontvangen een ontwerp vast voor de aanpassing van de gemeenschappelijke regeling aan de gevolgen van de uittreding en zendt dit ontwerp aan de deelnemers met het verzoek binnen drie maanden na verzending van dat ontwerp inzake de vaststelling ervan een besluit te nemen.
12
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst;
Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
Artikel 31 Uittreding uit deze regeling kan geschieden met ingang van het derde kalenderjaar volgend op de toezending van het betreffende besluit van het bevoegde orgaan van de uittredende deelnemer aan het algemeen bestuur. Uittreding geschiedt onder door het algemeen bestuur na overleg met deelnemers te stellen regelen die in ieder geval betreffen de voort te zetten verplichtingen van de uittredende deelnemer betreffende de rente en aflossing van geldleningen bedoeld in artikel 29. Het algemeen bestuur stelt binnen drie maanden nadat het besluit tot uittreding is ontvangen een ontwerp vast voor de aanpassing van de gemeenschappelijke regeling aan de gevolgen van de uittreding en zendt dit ontwerp aan de deelnemers met het verzoek binnen drie maanden na verzending van dat ontwerp inzake de vaststelling ervan een besluit te nemen.
Artikel 22 Uittredingsplan 1.
Het uittredingsplan bepaalt de wijze van berekening van de financiële gevolgen van de uittreding, waaronder in ieder geval betreffen de voort te zetten verplichtingen van de uittredende deelnemer betreffende de rente en aflossing van geldleningen bedoeld in artikel 19, eerste lid, en andere langlopende verplichtingen met een resterende looptijd van ten minste 5 jaar.
2.
Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom.
3.
Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het dagelijks bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het algemeen bestuur het conceptuittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
4.
Het dagelijks bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de andere deelnemers in het algemeen bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden uit de deelnemers, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van de uittredende deelnemer en een vertegenwoordiger van algemeen bestuur.
5.
Ten minste zes maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het eerste lid en op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar.
6.
Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 23.
7.
Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.
8.
Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het algemeen bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het algemeen bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen.
Artikel 23 Te vergoeden kosten van uittreding 1.
De voorlopige, respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten.
13
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst;
Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
2.
Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het recreatieschap die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn.
3.
Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door het recreatieschap die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.
4.
Het recreatieschap brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 22, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 22, achtste lid, anders is vastgelegd.
5.
Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer.
6.
De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 21, derde lid.
7.
Het recreatieschap is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.
Artikel 24 Wijziging Deze regeling kan slechts worden gewijzigd bij gelijkluidend besluit van alle deelnemers, onverminderd het bepaalde in de artikelen 2, derde lid en 3, derde lid. Een wijziging van deze regeling gaat in op de eerste dag van de maand, volgende op die waarin daarvan aantekening is gemaakt in de registers als bedoeld in artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen Artikel 25 Opheffing en liquidatie 1.
2. 3. 4. 5.
Deze regeling kan worden opgeheven bij gelijkluidend besluit van tenminste tweederde van het aantal deelnemers. In geval van opheffing van deze regeling geschiedt de liquidatie door het algemeen bestuur dat daarvoor de nodige regels stelt. Hierbij kan van bepalingen van deze regeling worden afgeweken. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de deelnemers gehoord, vastgesteld. Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de opheffing voor het personeel heeft. Een voor- of nadelig saldo van de liquidatie wordt over de deelnemers verdeeld, respectievelijk omgeslagen op overeenkomstige wijze als de omslag van een exploitatietekort ingevolge het bepaalde in artikel 27, eerste lid.
HOOFDSTUK XI: ARCHIEFBEPALING Artikel 26 Archief 1.
Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het recreatieschap.
2.
De directeur en de bestuurssecretaris zijn belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het recreatieschap, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
3.
Het algemeen bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het recreatieschap, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht.
14
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst;
Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
4.
Het recreatieschap vormt één archief voor de eigen bedrijfsvoerings-, bestuurstaken en de door de deelnemers overgedragen (gedelegeerde) bevoegdheden.
5.
Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het recreatieschap wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van Het Noord-Hollands Archief.
6.
Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het recreatieschap, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van het NoordHollands Archief.
7.
De archivaris van het Noord-Hollands Archief brengt tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het recreatieschap, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
8.
Het dagelijks bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het recreatieschap.
9.
De deelnemers aan de regeling stellen tijdig aan het dagelijks bestuur de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken.
10.
In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden vastgelegd.
11.
In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de terbeschikkingstelling.
12.
Na opheffing van de gemeenschappelijke regeling worden de in het tweede lid bedoelde archiefbescheiden overgebracht naar de in het derde lid genoemde archiefbewaarplaats.
Ten aanzien van de archiefbescheiden van het schap zijn de voorschriften omtrent de zorg, de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, alsmede de omtrent het toezicht daarop, zoals die voor de provincie Noord-Holland zijn of nader worden vastgesteld, van overeenkomstige toepassing.
15
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst;
Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid; Abc = verwijderde tekst/artikel/lid
HOOFDSTUK XII: SLOTBEPALINGEN Artikel 27 Duur 1.
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2005.
2.
De huidige samenstelling van bestuursorganen blijft ongewijzigd tot uiterlijk 1 mei 2005.
3.
De functionaris van de uitvoeringsorganisatie die voor de in lid 1 genoemde dag aangesteld is als ambtelijk secretaris van het bestuur behoudt zijn functie en positie in het bestuur tot het moment waarop een nieuw verkozen dagelijks bestuur uit zijn midden een bestuurlijke secretaris heeft aangewezen, doch uiterlijk tot 1 mei 2005.
4.
Deze regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd
Artikel 28 Geschillen Voordat ten aanzien van een geschil, aangaande de uitvoering of toepassing, van deze regeling gerezen, de beslissing van een rechterlijke instantie wordt ingeroepen, wordt de zaak voorgelegd aan een geschillencommissie samen te stellen door gedeputeerde staten, in overleg met de dagelijkse besturen van de bij het geschil betrokken deelnemers
Artikel 29 Evaluatie 1.
Het bestuur draagt tenminste een keer in de vier jaar zorg voor een evaluatie van de regeling.
2.
De evaluatie heeft onder meer, doch niet uitsluitend, tot doel na te gaan: a. of, en zo ja in welke mate, de met deze regeling beoogde samenwerking is gerealiseerd; b. of, en zo ja in welke mate, de bij deze regeling opgedragen taken, in het licht van de beoogde samenwerking, aanpassing behoeven.
Artikel 30 Citeertitel Deze regeling kan worden aangehaald als 'Gemeenschappelijk regeling Groengebied Amstelland'.
Aldus besloten in de openbare vergadering van het algemeen bestuur op 7 april 2004 De voorzitter, openbare vergadering van het algemeen bestuur op 7 april 2004
De voorzitter,
16
Uitleg: Abc = gewijzigde tekst; tekst/artikel/lid
Abc = toegevoegde tekst/artikel/lid;
Abc = verwijderde
Bijlage
Overeengekomen verdeelsleutel als bedoeld in artikel 27 lid 1 van deze regeling:
Het nadelig exploitatiesaldo over enig boekjaar - gecorrigeerd voor de verplichtingen voortvloeiend uit het tweede en derde lid van deze bepaling - wordt op basis van de volgende verdeelsleutel ten laste van de deelnemers gebracht: Provincie Noord-Holland 27,9 %; het resterende bedrag wordt omgeslagen op basis van het aantal inwoners van de deelnemende gemeenten met dien verstande dat aan de gemeente Amsterdam 1/3deel van het aantal inwoners van de gemeente Amsterdam wordt toegerekend. Het aantal inwoners wordt bepaald op basis van het laatstelijk door het Centraal Bureau voor de Statistiek bekend gemaakte cijfers. Het algemeen bestuur is als dan niet op voorstel van een of meer deelnemers bevoegd te bepalen, dat het nadelige exploitatiesaldo van een of meer daartoe bij de meerjarenbegroting aangewezen voorzieningen of onderdelen der exploitatie, niet wordt omgeslagen overeenkomstig de hierboven genoemde verdeelsleutel, maar geheel of gedeeltelijk rechtstreeks ten laste wordt gebracht van een of meer gemeenten. Het algemeen bestuur is verplicht om het nadelige exploitatiesaldo van voorzieningen, welke ten behoeve van die gemeente worden getroffen, ten laste van die gemeente te brengen. Op gemotiveerd verzoek van de betrokken gemeente kan evenwel worden besloten ten deze het vorige lid toe te passen dan wel de kosten in de algemene verdeelsleutel op te nemen.
Een besluit van het algemeen bestuur als bedoeld in beide voorgaande leden dient met instemming van tenminste twee-derde van het aantal deelnemers te worden genomen. De stadsdeelraden Zuidoost en Oost/Watergraafsmeer betalen geen bijdrage. De bijdragen van de participanten worden met ingang van 1 januari 2005 voor een periode voor 5 achtereenvolgende begrotingsjaren op basis van het in de artikelleden 1 tot en met 5
bepaalde als volgt vastgelegd. Amsterdam (incl. stadsdelen Zuidoost en Oost/Watergraafsmeer) 49,1 % Amstelveen 15,6 % Diemen 4,8 % Ouder-Amstel 2,6 % Provincie NH 27,9 % (nieuw vast percentage) Tijdens het laatste jaar van de 5-jaarsperiode stelt het algemeen bestuur, met inachtneming van het bepaalde in de artikelleden 1 tot en met 5 van deze bijlage, tijdig de bijdragen voor de volgende periode van 5 jaren vast.
17