25 Bijlage 11 Toelichting Activiteitenplan ontheffingsaanvraag Vaststellen bestemmingsplan ‘Herziening Amstelveen Zuid-Oost 2015
Tekst van het document
Op basis van: 1) het quickscan onderzoek; 2) expert judgement; 3) de onderzoeksmethode zoals beschreven in ‘Bijlage 3: Handreiking Wezel, Hermelijn en Bunzing beschermd in Noord-Holland’ (16 oktober 2017, www.rudnhn.nl), en 4) de onderzoeksmethoden van de Werkgroep Kleine Marterachtigen (Zoogdiervereniging, 2017) is een nader onder onderzoek opgezet op de planlocatie naar de aan- of afwezigheid van kleine marters en steen- en boommarter. De beide onderzoeksmethoden beschrijven respectievelijk een praktische handreiking voor onderzoek naar kleine marterachtigen in de provincies Noord-Holland en Noord-Brabant. In beide provincies zijn kleine marterachtigen niet vrijgesteld van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. De handleidingen beschrijven hoe initiatiefnemers en ecologische adviesbureaus de aan/afwezigheid van kleine marterachtigen kunnen aantonen en zijn vergelijkbaar met de voormalige ‘Soortenstandaarden’ en de thans geldende ‘Kennisdocumenten’ van BIJ12. Op basis van deze praktische handreikingen is de uitgevoerde onderzoeksinspanning voor het aantonen van aan/afwezigheid van kleine marterachtigen en steen- en boommarter op de planlocatie vastgesteld.
In tabel 3-1 is aangegeven op welke datums het onderzoek (1: inventarisatie; 2: plaatsen onderzoeksmaterialen; 3 wisselen positie onderzoeksmaterialen, en 4: afsluiten onderzoek) heeft plaatsgevonden en tevens is een overzicht gegeven van de ingezette materialen. Bij de positionering van de ingezette materialen is vooral gelet op aanwezige structuurrijke elementen langs de randen van het plangebied. Op deze locaties is de trefkans voor kleine marterachtigen het grootst. Het nader onderzoek naar marters heeft in totaal 1 maand in beslag genomen, waarbij de materialen halverwege deze periode van positie zijn veranderd om zo een optimaal beeld te krijgen van het mogelijke gebruik van de planlocatie door marters. De volgende methoden zijn gebruikt voor het nadere onderzoek: -
Cameraval met Jiggler (o.a. voor bunzing en steenmarter), en Marterbox en sporenbuizen (voor wezel en hermelijn).
Een korte beschrijving van deze methode volgt hieronder. Cameraval De cameraval wordt geplaatst voor grotere marterachten zoals in dit geval de bunzing en de steenmarter. Deze methode is niet geschikt voor hermelijn en wezel, omdat de trefkans zeer klein is, aangezien deze soorten open ruimtes vermijden. De cameraval is gedurende twee weken geplaatst per locatie (zie figuur 3-2 voor precieze locaties). Om bunzing en steenmarter te lokken is een zogenaamde Jiggler voor de cameraval geplaatst met lokvoer (pindakaas met visolie). Conform protocol is de camera op elke locatie na 2 weken verplaatst. De camera is voor het onderzoek op filmstand gezet, met een filmlengte van 10 seconden. Hier is voor gekozen omdat films meer beelden vastleggen dan bijvoorbeeld foto’s, waarmee de determinatie vereenvoudigd wordt. Na 4 weken is de opstelling opgeruimd en zijn de beelden geanalyseerd. Figuur 3-1 geeft een impressie van de gebruikte onderzoeksmaterialen voor het marteronderzoek.
Nader ecologisch onderzoek herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap02, versie 1, d.d. 29 oktober 2018
Blz. 8 van 21
Marterbox en sporenbuizen Marterboxen en sporenbuizen worden gepositioneerd in/langs mogelijke wissels. De marterbox en sporenbuis zijn geschikt voor wezel en hermelijn, omdat de dieren hierbij niet hun dekking hoeven te verlaten. Een marterbox is een kist met cameraval waar een sporenbuis in verwerkt zit. Om de trefkans te vergroten is de marterbox bij plaatsing voorzien van lokstof (sardines). De sporenbuizen zijn voorzien van een houten plankje met stempelkussen (paraffineolie met actieve kool) in het midden. Rondom de twee uiteinden is papier bevestigd om pootafdrukken te verzamelen van dieren die door de buis lopen. Na afloop van het onderzoek zijn de beelden geanalyseerd en is het papier van de sporenplanken verzameld. Net als de cameraval is de camera in de marterbox voor het onderzoek ingesteld op filmmodus met een opname van 10 seconden. In figuur 3-2 is de precieze posities van de gebruikte onderzoeksmaterialen weergegeven gedurende het onderzoek: ronde 1: 24 juli tot 8 augustus 2018 en ronde 2: 8 augustus tot en met 23 augustus 2018.
Figuur 3-1. Impressie van de gebruikte materialen voor het marteronderzoek. Van links naar rechts en van boven naar beneden: wildcamera aan boom; installatie marterbox; opengeklapte marterbox en sporenbuis met stempelkussen (paraffineolie met actieve kool).
Nader ecologisch onderzoek herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap02, versie 1, d.d. 29 oktober 2018
Blz. 9 van 21
Figuur 3-2. Precieze posities van de gebruikte onderzoeksmaterialen gedurende de eerste 2 weken van het onderzoek (ronde 1: 24 juli tot 8 augustus 2018: cirkels): 2 cameravallen (J1,2), 2 marterboxen (M1,2) en 4 sporenbuizen (S1,2,3,4) en gedurende de laatste 2 weken (ronde 2: 8 augustus tot en met 23 augustus 2018: driehoeken): 1 cameraval (J1), 2 marterboxen (M1,2) en 4 sporenbuizen (S1,2,3,4). Bron ondergrond: Google maps.
Nader ecologisch onderzoek herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap02, versie 1, d.d. 29 oktober 2018
Blz. 10 van 21
4 RESULTATEN LITERATUUR- EN VELDONDERZOEK 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de resultaten van het uitgevoerde nader onderzoek besproken waarbij wordt ingegaan op de functies van het gebied voor sperwer, buizerd, vleermuizen, wezel, hermelijn, bunzing, steen- en boommarter en eekhoorn. Binnen het plangebied zijn de volgende beschermde soorten waargenomen: • • • • • •
Gewone dwergvleermuis (GD) Ruige dwergvleermuis (RD) Rosse vleermuis (RV) Laatvlieger (LV) Watervleermuis (WV) Rugstreeppad (RSP)
Het betreffen in dit onderzoek zowel gebouw bewonende (GD, RD, LV, WV) als boom bewonende vleermuizen (RD, RV, WV). De verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen vormen essentiële onderdelen van het leefgebied. In onderstaande tekst is derhalve een onderscheid aangebracht voor deze drie verschillende onderdelen van het leefgebied van vleermuizen. Op de planlocatie zijn op 21 augustus 2018 ook nog 2 exemplaren van passerende/ foeragerende rugstreeppadden waargenomen (zie figuur 4-1B voor de exacte locaties en paragraaf 4.5 voor uitleg). Binnen het plangebied zijn niet waargenomen: • • • • • • • •
Sperwer Buizerd Wezel Hermelijn Bunzing Steenmarter Boommarter Eekhoorn
In paragrafen 4.2 (sperwer en buizerd), 4.3 (vleermuizen) 4.4 (kleine marters, steen- en boommarter en eekhoorn) en 4.5 (amfibieën) worden de bevindingen tijdens de veldbezoeken voor wat betreft deze soorten toegelicht. 4.2 Vogels cat. 1 t/m 4: sperwer en buizerd Tijdens de vijf veldbezoeken (quickscan en vier nadere onderzoeken, zie ook tabel 3-1) is geen enkele keer een sperwer, buizerd of andere cat. 1 t/m 4 vogel waargenomen. Ook de, tijdens het quickscan onderzoek aangetroffen, twee verlaten grote eksternesten aan de noordzijde van het perceel (groene stippen in figuur 2.1) nabij de watergang, en een actief eksternest (blauwe cirkel in figuur 2.1), zijn niet actief in gebruik geweest gedurende de gehele onderzoeksperiode. Op basis van de veldwaarnemingen kan de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van sperwer en buizerd derhalve met zekerheid worden uitgesloten. Ook kan de aanwezigheid van leefgebied van enige importantie voor sperwer en buizerd in het plangebied of de directe omgeving worden uitgesloten. 4.3 Vleermuizen De locaties met de meeste activiteit van gewone dwergvleermuizen en mogelijke verblijfplaatsen tijdens de veldbezoeken op de planlocatie zijn weergegeven in figuren 4-1 en 4-2. Hier zijn mogelijk territoria van de dieren. Zie onderstaande tekst voor nadere uitleg.
Nader ecologisch onderzoek herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap02, versie 1, d.d. 29 oktober 2018
Blz. 11 van 21
A
B Figuur 4-1AB. Overzicht van de locaties met de meeste activiteit van gewone dwergvleermuizen en mogelijke verblijfplaatsen (A: kraam/zomerverblijfplaatsen, en B: paarverblijven) tijdens de veldbezoeken op de planlocatie in het voorjaar (mei-juni) en in het najaar (augustus-september). Nabij gebouw I zijn op 21 augustus 2018 ook nog 2 exemplaren van passerende rugstreeppadden waargenomen (zie foto inzet).
Nader ecologisch onderzoek herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap02, versie 1, d.d. 29 oktober 2018
Blz. 12 van 21
Kraam- en zomerverblijven 1 16 mei 2018, ochtend. Er is tijdens deze inventarisatieronde in de vroege ochtend (zomer)verblijfplaats aangetroffen van gewone dwergvleermuis in de hoek van de westelijke-zuidelijke gevel in de 1e open stootvoeg (rechterzijde) van het gebouw aan Landtong 12 (zie figuur 4-1A: blauwe cirkel). Verder zijn er rondom de gebouwen B-I foeragerende en passerende gewone dwergvleermuizen aangetroffen (zie figuur 41A).
A
B Figuur 4-2AB. Foto’s van kraam- en zomerverblijfplaatsen van aangetroffen gewone dwergvleermuizen, op 28 mei 2018 (A) in het plangebied bij de dakrand van basisschool ‘de Horizon, aan de zuidwestelijke hoek van het gebouw (zie ook rode ster in gele cirkel figuur 4-1A) en op 18 juni 2018 (B) aan de zuidoostzijde, net buiten het plangebied, bij de dakrand nabij een blinde gevel met meerdere open stootvoegen (adres: Kringloop 254, zie rode ster in blauwe cirkel in figuur 4-1A).
Nader ecologisch onderzoek herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap02, versie 1, d.d. 29 oktober 2018
Blz. 13 van 21
In de gebouwen B en C werden gevels aangetikt door gewone dwergvleermuizen (o.a. 1 aantikkende gewone dwergvleermuis aan de noordelijke gevel van landtong 18). Overige soorten; er is 1 foeragerende ruige dwergvleermuis waargenomen nabij gebouw D (zie figuur 4-1). Extra ronde voor laatvlieger: kraam- en zomerverblijven 2 28 mei 2018, avond. Er is tijdens deze inventarisatieronde 1 (zomer)verblijfplaats aangetroffen van gewone dwergvleermuis in de dakrand aan de zuidwestelijke hoek van basisschool ‘de Horizon’, net boven het logo van de school (zie figuur 4-1A: gele cirkel en figuur 4-2A). Verder zijn er rondom de gebouwen B-I foeragerende en passerende gewone dwergvleermuizen aangetroffen (zie figuur 4-1). Alle 5 aanwezige vleermuiskasten zijn voorafgaand aan het onderzoek met een zaklamp gecontroleerd op aanwezigheid van vleermuizen en bleken leeg te zijn. Overige soorten: er zijn tijdens deze inventarisatieronde later op de avond foeragerende en overvliegende exemplaren van laatvlieger en ruige dwergvleermuis waargenomen (zie figuur 4-1). Kraam- en zomerverblijven 3 18 juni 2018, avond. Tijdens deze onderzoek ronde zijn geen essentiële functies in het plangebied waargenomen.
In een flat net buiten het plangebied (zuidoostzijde van het plangebied) is een kraamkolonie van ongeveer 30 gewone dwergvleermuizen aangetroffen (Kringloop 254, boven in een blinde gevel met meerdere open stoorvoegen, zie ook rode ster in blauwe cirkel in figuur 4-2A). De 5 aanwezige vleermuiskasten aan gebouwen aan de zuid- en zuidwestzijde van het perceel (zie ook figuur 2-2) waren leeg. Overige soorten: er zijn gedurende deze onderzoek ronde naast gewone dwergvleermuis de hele avond foeragerende vleermuizen waargenomen (ruige dwergvleermuis, laatvlieger, en watervleermuis, zie ook figuur 4-1). Het gaat hierbij slechts om enkele exemplaren per soort (watervleermuis maar 1 exemplaar) en deze zijn maar kort waargenomen en hebben geen binding met het plangebied. Paar- en zomerverblijven 1 (zwermende dieren i.h.k.v. massa winterverblijfplaatsen 1) 6 augustus 2018, nacht. Gedurende deze nachtelijke ronde zijn geen essentiële functies voor vleermuizen in het plangebied waargenomen. Er is slechts 1 roepende territoriale mannelijke gewone dwergvleermuis waargenomen (baltsgedrag), en voornamelijk buiten het plangebied. Dit duidt op de aanwezigheid van paarverblijfplaatsen van deze soort op de planlocatie (locaties: zie rode sterren in figuur 4-1B).
Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een massa winterverblijfplaats, daarvoor zouden minimaal tientallen dieren moeten zijn aangetroffen. Overige soorten: er zijn geen overige vleermuissoorten waargenomen in het plangebied tijdens deze onderzoek ronde. Paar- en zomerverblijven 2 (zwermende dieren i.h.k.v. massa winterverblijfplaatsen 2, balts) 21 augustus 2018, avond. Gedurende de avond zijn 3 paarverblijven van gewone dwergvleermuis in het plangebied waargenomen in de gevels van 2 gebouwen aan de noordwest- en zuidwestzijde van het plangebied (locaties: zie rode sterren in figuur 4-1B). De paarverblijven bevinden zich: 1) aan de zuidoostelijke gevel van het gebouw aan het schoolplein (locatie C in figuur 4-1B); 2) in de dakrand aan de zuidwestelijke hoek van gebouw D in figuur 4-1B, direct boven het logo ‘Horizon’, en 3) aan de noordwestelijke gevel aan de Landtong (locatie E in figuur 4-1B). Verspreid over het plangebied zijn enkele, ongeveer 2-6 exemplaren, foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen (zie rode cirkels in figuur 4-1).
Nader ecologisch onderzoek herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap02, versie 1, d.d. 29 oktober 2018
Blz. 14 van 21
Overige soorten: er is tijdens deze onderzoek ronde 1 paarverblijf van ruige dwergvleermuis aangetroffen aan de noordwestelijke gevel van de flat op locatie Kringloop 180. Dit ligt echter ten zuidoosten net buiten de planlocatie (zie ook groene ster in figuur 4-1B). Er zijn gedurende de avond incidentele waarnemingen gedaan van foeragerende ruige dwergvleermuizen, rosse vleermuizen en laatvliegers aan de randen van het plangebied. Paar- en zomerverblijven 3 13 september 2018, avond. Tijdens dit veldbezoek zijn 4 paarverblijven van gewone dwergvleermuis in het plangebied aangetroffen (Landtong 18: zuidoostelijke gevel aan schoolplein, dakrand zuidwestelijke hoek boven het logo ‘Horizon’, aan de noordwestelijke gevel aan landtong, en kringloop 471: aan de westelijke gevel aan het schoolplein. Zie rode sterren in figuur 4-1B). Er is ook een baltsende gewone dwergvleermuis waargenomen aan de zuidoostzijde van het plangebied. Overige soorten: naast gewone dwergvleermuis is tevens foerageeractiviteit waargenomen van ruige dwergvleermuis, voornamelijk boven de watergangen aan de noord- en oostzijde, net buiten het plangebied (zie figuur 4-1B). 4.4 Grondgebonden zoogdieren: kleine marters, steen- en boommarter en eekhoorn Op de 3 ingezette cameravallen met Jigglers zijn geen waarnemingen van wezel, hermelijn, bunzing of steen- en boommarter vastgelegd.
Ook zijn geen waarnemingen gedaan van eekhoorn. In de geplaatste marterboxen zijn geen hermelijn of wezel waargenomen (ook deze opstelling gaat een bunzing van nature niet in). Ook in de op diverse locaties geplaatste 8 sporenbuizen zijn geen sporen van wezel of hermelijn aangetroffen (een bunzing, steen- en boommarter gaat deze buizen niet in). Daarnaast zijn tijdens alle veldbezoeken in het geheel geen sporen, prooiresten of dergelijke van kleine marters of steen- en boommarter en eekhoorn aangetroffen. Wel zijn in het plangebied nabij de cameravallen en in de geplaatste marterboxen soorten huisspitsmuis, bosmuis en egel op beeld vastgelegd, alle drie vrijgestelde onder de Wn in NoordHolland. Ook zijn vele malen winterkoningen in de marterboxen waargenomen en andere vogels zoals ekster en merel nabij de cameravallen. Een foto impressie van de aangetroffen soorten is te zien in figuur 4-3. 4.5 Amfibieën In het plangebied is gedurende het nader onderzoek geen gericht onderzoek verricht naar aanwezigheid van rugstreeppad. Uit het literatuuronderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en van informatie uit overige beschikbare vakliteratuur en eigen soort- en gebiedskennis (expert judgement), kwam naar voren dat de soort in de omgeving van het plangebied voor (kan) komen.
Uit het veldonderzoek, dat is uitgevoerd tijdens de quickscan op 19 april 2018, bleek dat het plangebied zelf ongeschikt is als landhabitat voor de rugstreeppad door het ontbreken van geschikt voortplantingshabitat (geen water aanwezig met ondiepe delen en flauwe oevers voor voortplanting). In de directe omgeving is ook geen geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig/ bereikbaar. Rugstreeppad komt wel veelvuldig voor ten zuiden, oosten en noorden van het plangebied (zie figuur 4-4). In of nabij het plangebied is echter geen winterbiotoop van de rugstreeppad aanwezig. Het plangebied wordt namelijk aan de west-, oost- en noordzijde omgeven door een brede (6-8 m) watergang welke door de soort waarschijnlijk niet gepasseerd zal worden (rugstreeppadden kunnen namelijk slecht zwemmen).
Nader ecologisch onderzoek herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap02, versie 1, d.d. 29 oktober 2018
Blz. 15 van 21
Figuur 4-3. Foto impressie van enkele opnames in marterboxen en met cameravallen. Van boven naar beneden en van links naar rechts; winterkoningen, huisspitsmuis (2x), bosmuis, ekster en egels.
Nader ecologisch onderzoek herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap02, versie 1, d.d. 29 oktober 2018
Blz. 16 van 21
Tijdens het vijfde uitgevoerde vleermuisonderzoek op 21 augustus 2018 zijn toch 2 passerende volwassen exemplaren van rugstreeppad aangetroffen aan de zuidzijde van het plangebied nabij locatie I (zie figuur 4-1B). Na een lange periode van droogte kan er een late piek van activiteit van rugstreeppad optreden na regenval. In Amstelveen heeft het rond half augustus, vlak voor de waarneming van de 2 rugstreeppadden op 21 augustus, behoorlijk geregend (14 en 17 augustus: 5-10 mm). Dit kan mogelijk verklaren dat volwassen exemplaren relatief laat in het jaar nog actief nieuwe gebieden gaan exploreren en daarom toch zijn waargenomen in het plangebied.
Figuur 4-4. NDFF-data aangetroffen rugstreeppadden nabij het plangebied (witte stip) in de afgelopen 5 jaar (Bron: www.NDFF.nl, Bron ondergrond: Google maps).
Nader ecologisch onderzoek herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap02, versie 1, d.d. 29 oktober 2018
Blz. 17 van 21
5 EFFECTENANALYSE EN MAATREGELEN 5.1 Vogels cat. 1 t/m 4: sperwer en buizerd Er is onderzoek gedaan naar de jaarrond beschermde soorten sperwer en buizerd. Hieruit is gebleken dat deze vogels niet voorkomen in het plangebied, dan wel dat het plangebied geen enkele essentiële functie vervult voor sperwer en buizerd. Voor deze soorten geldt dan ook dat er geen essentiële functies aanwezig zijn en dat er zodoende geen nadere maatregelen noodzakelijk zijn. De werkzaamheden leiden niet tot overtreding van verbodsbepalingen. 5.2 Vleermuizen Verblijfplaatsen Er bevinden zich naar schatting: 1-2 zomerverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen en 3-4 paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen op de planlocatie. Er is ook 1 baltsende gewone dwergvleermuis waargenomen in bosjes aan de zuidwest- en zuidoostzijde van het plangebied, echter dit kan mogelijk ook een uitloper zijn van een territorium van het dier. De op de planlocatie reeds aanwezige 5 vleermuiskasten waren gedurende alle onderzoeken leeg en onbezet. Buiten het plangebied is een kraamkolonie van ongeveer 30 gewone dwergvleermuizen waargenomen (flatgebouw aan de Kringloop 254, boven in een blinde gevel met meerdere open stootvoegen). Direct buiten het plangebied zijn foeragerende vleermuizen waargenomen bij de watergangen aan de oost- en noordzijde van het plangebied.
Voor de overige waargenomen soorten, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en watervleermuis zijn geen verblijfplaatsen waargenomen in de gebouwen of bomen in het plangebied. De voorgenomen werkzaamheden hebben negatieve effecten op verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en leiden dus tot overtreding van verbodsbepalingen. Door de voorgenomen werkzaamheden worden de vleermuizen verstoord (art. 3.5 lid 2), gaan de verblijfplaatsen verloren (overtreding art. 3.5 lid 4) en kunnen dieren worden gedood (art. 3.5 lid 1). Vliegroutes Er zijn voorbijvliegende exemplaren van gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en watervleermuis aangetroffen. Het plangebied vormt echter geen onderdeel an een essentiële vliegroute, er zijn ook geen duidelijk lijnvormige elementen binnen het plangebied aanwezig (wel de watergangen aan de noord- en oostzijde, net buiten het plangebied, zie figuur 4-1). Een vliegroute is pas essentieel als deze onmisbaar is voor grote aantallen vleermuizen of de lokale populaties. Gezien de aantallen waargenomen vleermuizen is daar geen sprake van. Er is daarom geen sprake van aantasting van een essentiële vliegroute van vleermuizen door het planvoornemen. De werkzaamheden leiden dus ook niet tot overtreding van verbodsbepalingen. Foerageergebied Er wordt door diverse soorten vleermuizen gefoerageerd in het plangebied.
Het betreft echter lage aantallen vleermuizen: maximaal 5-10 gewone dwergvleermuizen tegelijkertijd, en van overige soorten (ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en watervleermuis) 1 tot maximaal 2 individuen tegelijkertijd en nooit langdurig. Het plangebied is wel geschikt als foerageergebied maar vormt geen essentieel onderdeel van het leefgebied van vleermuizen. Er is daarom geen sprake van aantasting van essentieel foerageergebied van vleermuizen. De werkzaamheden leiden dus ook niet tot overtreding van verbodsbepalingen.
Nader ecologisch onderzoek herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap02, versie 1, d.d. 29 oktober 2018
Blz. 18 van 21
5.3 Grondgebonden zoogdieren Op basis van de waarnemingen tijdens het nader onderzoek kan worden uitgesloten dat er leefgebied van enige importantie aanwezig is in het plangebied of de directe omgeving voor wezel, hermelijn, bunzing, steen- en boommarter en eekhoorn. Door de voorgenomen werkzaamheden worden geen dieren gevangen of gedood (art. 3.10 lid 1a) en worden geen verblijfplaatsen vernield (art. 3.10 lid 1b), de omgeving is hooguit minder geschikt gemaakt. Voor deze soort(en) geldt dan ook dat er geen essentiële functies aanwezig zijn en dat er zodoende geen nadere maatregelen (behalve die vallen onder de zorgplicht, zie paragraaf 5.4) noodzakelijk zijn. De werkzaamheden leiden niet tot overtreding van verbodsbepalingen. 5.4 Amfibieën Er zijn tijdens het veldonderzoek op 21 augustus 2018 2 passerende volwassen rugstreeppadden aangetroffen. Aangezien dit echter een incidentele waarneming betreft kan worden uitgesloten dat er vast leefgebied van enige importantie aanwezig is in het plangebied voor rugstreeppad. Door de voorgenomen werkzaamheden worden geen dieren gevangen of gedood (art. 3.10 lid 1a) en worden geen verblijfplaatsen vernield (art. 3.10 lid 1b).
Voor deze soort geldt dan ook dat er geen essentiële functies aanwezig zijn binnen het plangebied en dat er zodoende geen nadere maatregelen (behalve die vallen onder de zorgplicht, zie paragraaf 5.4) noodzakelijk zijn. De werkzaamheden leiden niet tot overtreding van verbodsbepalingen. 5.5 Maatregelen Naast de hierboven beschreven ontheffingsplicht zijn maatregelen nodig om het doden van broedende vogels en het doden van vleermuizen in het plangebied te voorkomen. Door het nemen van de onderstaande maatregelen wordt een overtreding van art. 3.1 lid 1, resp. art. 3.5 lid 1, voorkomen. •
•
• •
Voorkomen dat vogels ten tijde van de rooiwerkzaamheden broeden in de groenstructuren (bomen, struiken, struweel, enz.) rondom de te slopen gebouwen, door: o de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen, welke loopt van 15 maart tot 15 augustus; of: o een ecoloog controleert voor het rooien van de groenstructuren of de gekozen methode afdoende is om broedvogels uit te sluiten; Voorkomen dat vleermuizen ten tijde van de werkzaamheden aanwezig zijn in de gebouwen, door: o de verblijfplaatsen vooraf ongeschikt te maken voor vleermuizen; o het ongeschikt maken dient minimaal 3 dagen voorafgaand aan het werk toegepast te worden; o niet slopen in de winterslaap van vleermuizen (1 november) 1 december tot 1 maart (1 april), (exacte datumgrens afhankelijk van weersomstandigheden); o een ecoloog controleert na/bij het ongeschikt maken of de gekozen methode afdoende is om vleermuizen uit te sluiten; de aannemer legt vast in een logboek (bijvoorbeeld in het dagrapport) dat de verblijfplaatsen ongeschikt zijn gemaakt, inclusief de methode en overige bijzonderheden; de ecoloog omschrijft de methode van ongeschikt maken en overige details in een ecologisch werkprotocol.
De voorzorgsmaatregelen voor vleermuizen dienen in de ontheffingsaanvraag nog nader uitgewerkt te worden. Doordat de aannemer op deze wijze voorkomt dat er vleermuizen in de gebouwen aanwezig zijn als de werkzaamheden starten, wordt voorkomen dat vleermuizen worden gedood en/of opzettelijk worden verstoord. Indien bovenstaande maatregelen worden gevolgd, wordt artt 3.5 lid 1 niet overtreden. In de ontheffingsaanvraag dient een nadere detaillering van de maatregelen te worden opgenomen.
Nader ecologisch onderzoek herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap02, versie 1, d.d. 29 oktober 2018
Blz. 19 van 21
5.6 Zorgplicht Aanvullend op de in paragraaf 5.3 beschreven maatregelen hebben we enkele algemene aanbevelingen voor de voorgenomen ontwikkelingen om invulling te geven aan de zorgplicht (art. 1.11 Wet natuurbescherming): - Rooien van struiken, bomen en struweel voorzichtig van één kant af, zodat eventueel aanwezige algemene zoogdieren zelfstandig kunnen vluchten; - Indien bij het rooien van struiken egels worden aangetroffen, deze voorzichtig in geschikt biotoop in de omgeving uitzetten; - Het terrein van één kant af bouwrijp maken zodat aanwezige soorten (vooral muizen, egels en overige grondgebonden zoogdieren) het terrein tijdig kunnen verlaten. - Bij maai- en graafwerkzaamheden moet één kant op gewerkt worden om dieren de mogelijkheid te geven om te vluchten. De zijde waar niet gewerkt wordt moet voldoende dekking bieden om vluchten mogelijk te maken voor eventueel aanwezige algemene zoogdieren en incidenteel aanwezige beschermde zoogdieren. - Bij grondwerkzaamheden moet het betreffende perceel een week voorafgaand aan de werkzaamheden ongeschikt gemaakt worden door het te maaien (10 cm boven het maaiveld) waardoor wordt voorkomen dat tijdens de grondwerkzaamheden nog dieren aanwezig zijn.
Nader ecologisch onderzoek herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap02, versie 1, d.d. 29 oktober 2018
Blz. 20 van 21
6 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN In het plangebied zijn beschermde verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aanwezig. Door het slopen van de gebouwen in het plangebied worden daarom verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis vernield en treedt verstoring op (overtreding art. 3.5 lid 2 en art. 3.5 lid 4 Wn). Deze negatieve effecten zijn niet te voorkomen door het nemen van mitigerende maatregelen. Voor het vernietigen van de verblijfplaatsen dient een ontheffing op de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag (provincie Noord-Holland). Omdat doden (art 3.5 lid 1) kan worden voorkomen door zorgvuldig werken is het daarvoor niet nodig om een ontheffing aan te vragen.
Nader ecologisch onderzoek herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap02, versie 1, d.d. 29 oktober 2018
Blz. 21 van 21
BIJLAGE 3
STAATSCOURANT
Nr. 33929 7 oktober 2015
Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.
Vastgesteld bestemmingsplan Amstelveen Zuid-Oost 2015 en een besluit hogere grenswaarden Wet geluidhinder
Burgemeester en wethouders van Amstelveen maken, ingevolge het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening, bekend dat de gemeenteraad van Amstelveen in de vergadering van 30 september 2015 gewijzigd heeft vastgesteld het bestemmingsplan “Amstelveen Zuid-Oost 2015” (IDN : NL.IMRO.0362.13-VG01). Met dit bestemmingsplan wordt beoogd om voor de (woon)wijken Langerhuizen, Kruitmolen, Groenelaan, Waardhuizen en Middenhoven een toekomstbestendig juridisch-planologisch kader te bieden. Tussen de wijken Groenelaan en Waardhuizen (Middenwaard) zijn nieuwe woningbouwlocaties voorzien. Locatie Het plangebied is gesitueerd in het zuidoosten van de bebouwde kom van Amstelveen. Het plangebied wordt in het noorden begrensd door de Rijksweg A9, in het oosten door de Amsteldijk Zuid, de Kruitmolen en het voormalige tracé van de Rijksweg A3, in het zuiden door de Nesserlaan en in het westen door de Bovenkerkerweg en de Beneluxbaan. Hogere Grenswaarde Tevens maken burgemeester en wethouders van Amstelveen bekend dat zij op 25 augustus 2015 een besluit hebben genomen ter vaststelling van hogere waarden op grond van de Wet geluidhinder voor het project Middenwaard. Het verzoek hogere grenswaarde heeft betrekking op het overschrijden van de grenswaarden op de gevels van de nieuw te bouwen woningen als gevolg van wegverkeerslawaai van de Gondel, Turfschip en de Groenelaan.
Ingevolge artikel 76 en 45 van de Wet Geluidhinder is het mogelijk om voor deze geluidsbelasting een ontheffing te kunnen verlenen. Ter in zage Het vastgestelde bestemmingsplan, het besluit hogere grenswaarde en alle bijbehorende stukken liggen gedurende zes (6) weken ter inzage met ingang van 8 oktober 2015. De stukken zijn op de volgende wijzen in te zien: Digitaal U kunt het digitale bestemmingsplan "Amstelveen Zuid-Oost 2015” raadplegen op • •
de landelijke website ruimtelijkeplannen: http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/?planidn=NL.IMRO.0362.13-VG01 en op de gemeentelijke website: http://ro0362.ropubliceer.nl
Papier Het papieren voorontwerp bestemmingsplan met bijbehorende stukken liggen gedurende de genoemde termijn ter inzage bij de balie Bouwen en Vergunningen in het raadhuis, Laan Nieuwer Amstel 1 te Amstelveen. Aanmelden via centrale balie (openingstijden balie: maandag tot en met woensdag 8.30–15.30 uur, donderdag 8.30-16.30 uur, vrijdag 8.30-12.30 uur). Beroepsmogelijkheid Belanghebbenden die tijdig hun zienswijze omtrent het ontwerp bestemmingsplan bij de gemeente kenbaar hebben gemaakt, alsmede belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij dit niet hebben gedaan en door een ieder tegen de wijziging ten opzichte van het ontwerp bestemmingsplan kunnen gedurende de termijn van 6 weken waarbinnen het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage ligt, schriftelijk beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
1
Staatscourant 2015 nr. 33929
7 oktober 2015
State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het is voor burgers ook mogelijk om digitaal beroep in te dienen via de link: https://loket.rechtspraak.nl/Burgers/Conflict%20met%20overheidsorganisatie/33. Degene die beroep heeft ingesteld kan een verzoek om voorlopige voorziening indienen bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Inwerkingtreding Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan treedt in werking met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt. Indien binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, treedt het besluit niet in werking voordat op dat verzoek is beslist. 7 oktober 2015
2
Staatscourant 2015 nr. 33929
7 oktober 2015