23 Bijlage 9 Toelichting Quickscan flora en fauna Vaststellen bestemmingsplan ‘Herziening Amstelveen
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming
Herontwikkeling Landtong te Amstelveen
Rapportnummer: Status rapport: Datum rapport:
20180424/rap01 versie 1 25 juni 2018
Auteur: Projectleider: Kwaliteitscontrole:
I.L.Y. (Igor) Spierts P.I. (Pim) Godschalk P.I. (Pim) Godschalk
Opdrachtgever:
Gemeente Amstelveen T.a.v. de heer R. Koekenbier Laan Nieuwer-Amstel 1 1182 JR Amstelveen
Dit rapport is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud van de rapportage is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven.
INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING ........................................................................................................................................... 1 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 1 1.2 Wet natuurbescherming ................................................................................................................. 1 1.2.1 Soortenbescherming ................................................................................................................ 1 1.2.2 Gebiedenbescherming ............................................................................................................. 2 1.3 Doel ................................................................................................................................................ 2 1.4 Kwaliteitsborging ............................................................................................................................ 2 1.5 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 3 2 HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE ...........................................................................................
4 2.1 Beschrijving huidige situatie .......................................................................................................... 4 2.2 Werkzaamheden en toekomstige situatie ...................................................................................... 7 3 METHODE ............................................................................................................................................ 8 3.1 Opzet onderzoek............................................................................................................................ 8 3.2 Literatuuronderzoek ....................................................................................................................... 8 3.3 Veldonderzoek ............................................................................................................................... 8 4 RESULTATEN LITERATUUR- EN VELDONDERZOEK .................................................................. 11 4.1 Vissen, vlinders, libellen en overige ongewervelden ................................................................... 11 4.2 Flora ............................................................................................................................................. 11 4.3 Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4) .....................................................
11 4.4 Broedvogels met niet jaarrond beschermde nesten, inventarisatie gewenst (cat. 5) .................. 12 4.5 Algemene broedvogels ................................................................................................................ 12 4.6 Vleermuizen ................................................................................................................................. 12 4.7 Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................................ 13 4.8 Amfibieën ..................................................................................................................................... 13 4.9 Reptielen ...................................................................................................................................... 14 4.10 Samenvatting resultaten ............................................................................................................ 14 5 EFFECTENANALYSE EN MAATREGELEN .................................................................................... 15 5.1 Inleiding ........................................................................................................................................ 15 5.2 Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4) ...............................................................
15 5.2.1 Effecten .................................................................................................................................. 15 5.2.2 Maatregelen ........................................................................................................................... 15 5.3 Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (categorie 5) ........................................................ 15 5.4 Algemene broedvogels ................................................................................................................ 15 5.4.1 Effecten .................................................................................................................................. 15 5.4.2 Maatregelen ........................................................................................................................... 16 5.5 Vleermuizen ................................................................................................................................. 16 5.5.1 Effecten .................................................................................................................................. 16 5.5.2 Maatregelen ...........................................................................................................................
17 5.6 Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................................ 17 5.6.1 Effecten .................................................................................................................................. 17 5.6.2 Maatregelen ........................................................................................................................... 17 5.7 Aanvullende maatregelen (t.a.v. zorgplicht en pionier soorten) .................................................. 17 6 GEBIEDENBESCHERMING .............................................................................................................. 18 7 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .............................................................................................. 19 7.1 Soortenbescherming .................................................................................................................... 19 7.2 Gebiedenbescherming ................................................................................................................. 20
1 INLEIDING 1.1 Aanleiding De gemeente Amstelveen heeft het voornemen om de locatie Landtong te herontwikkelen. De precieze invulling is nog niet duidelijk. Op het terrein zijn momenteel diverse basisscholen gehuisvest in verouderde gebouwen. Ten behoeve van de herontwikkeling gaat waarschijnlijk ook een deel van het groen verloren (op het perceel staan bomen en struiken). Om te bepalen of de voorgenomen plannen (mogelijk) leiden tot een overtreding van de vigerende natuurwetgeving, is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. 1.2 Wet natuurbescherming 1.2.1 Soortenbescherming Algemeen Via de Wet natuurbescherming (Wnb) is de bescherming van diverse inheemse planten en dieren in Nederland vastgelegd. Naast de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (artikel 1.11 van de Wnb), geldt voor een aantal soorten een aanvullend beschermingsregime. Deze aanvullend beschermde soorten zijn onderverdeeld in drie groepen, namelijk: - vogels (artikel 3.1, alle soorten uit de Europese Vogelrichtlijn); - overige strikt beschermde soorten, waaronder soorten uit de Europese Habitatrichtlijn (artikel 3.5, dit betreffen o.a. vleermuizen); - nationaal beschermde soorten, waaronder soorten uit de Rode Lijst (artikel 3.10). Het is volgens de Wnb niet toegestaan om (het leefgebied van) beschermde soorten aan te tasten.
Dit is vastgelegd middels verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden1. Vrijstelling binnen provincie Noord-Holland: Bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, middelste groene kikker, aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat (bron: Vaststellingsbesluit Wet natuurbescherming, d.d. 6 september 2016). Voorzorgsmaatregelen Een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb is soms te voorkomen door (voorafgaand aan de werkzaamheden) voorzorgsmaatregelen te treffen. Deze voorzorgsmaatregelen zijn gericht op het behoud van de functionaliteit van de groeiplaats van flora en de voortplanting- en/of vaste rust- en verblijfplaats van fauna. Daarnaast voorkomen de voorzorgsmaatregelen de negatieve gevolgen van een activiteit op individuen (o.a. doding en verwonding). Ontheffingsplicht Een ontheffingsplicht (artikel 3.3, 3.8 en 3.10 uit de Wnb) is van toepassing als een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb niet kan worden voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen.
1
In artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming wordt meerdere malen gesproken over het verbod tot opzettelijke handelingen (o.a. opzettelijke doding, verstoring en vernieling). Binnen de Wet natuurbescherming omvat de term ‘opzettelijk’ tevens voorwaardelijk opzet, waardoor (evenals onder de voormalige Flora- en faunawet) een groot aantal handelingen onder de verbodsbepalingen vallen. In verband met de leesbaarheid wordt de term ‘opzettelijk’ in voorliggende rapportage niet meer aangehaald. Uiteraard wordt dit (in de situaties waarvoor dit van toepassing is) wel bedoeld.
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 1 van 20
Het is mogelijk om met een goed onderbouwd projectplan een ontheffing aan te vragen bij de desbetreffende provincie (in deze de provincie Noord-Holland). De provincie (het bevoegd gezag) toetst de aanvraag vervolgens aan drie criteria: Dient het planvoornemen in één van de in de wet genoemde belangen (bijv.in het belang van de instandhouding van natuurlijke habitats)? Is er een ‘andere bevredigende oplossing’ mogelijk? Doet de ontheffing afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort? 1.2.2 Gebiedenbescherming Via de Wnb is tevens de bescherming van gebieden vastgelegd. De gebiedenbescherming houdt samengevat in dat een ingreep in of nabij Natura 2000-gebieden geen significant negatieve effecten op kwalificerende habitats en/of soorten mag hebben. Indien significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, is een vergunningaanvraag noodzakelijk. Naast de bescherming van Natura 2000-gebieden via de Wnb kunnen gebieden via de ruimtelijke kaders beschermd worden middels het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen was dit de EHS). 1.3 Doel De quickscan is een verkennende toets om na te gaan of door uitvoering van de voorgenomen plannen mogelijk overtreding van de Wnb optreedt. Het doel van de quickscan is geformuleerd in enkele onderzoeksvragen: Onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming: S1.
Welke Wnb-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? S2. Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? S3. Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk 2? S4. Welke voorzorgsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen? S5. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wnb aan te vragen? Onderzoeksvragen t.a.v. gebiedenbescherming: G1. Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied of binnen het NNN? G2. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? G3. Is een toetsing aan de gebiedenbescherming (voortoets, verslechteringstoets, passende beoordeling en/of Nee, tenzij-toets) noodzakelijk? 1.4 Kwaliteitsborging De quickscan is uitgevoerd door een ervaren ecoloog van ATKB. De ecoloog voldoet aan de definitie die Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) hanteert van een ter zake kundige voor het opstellen van toetsingen aan de Wnb. Daarnaast is ATKB aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); een brancheorganisatie voor groene adviesbureaus.
2
In sommige gevallen kan de aanwezigheid van beschermde soorten op basis van een quickscan niet worden uitgesloten. Dit aangezien sommige beschermde soorten met een eenmalig veldbezoek lastig zijn waar te nemen of enkel in een bepaalde periode van het jaar waarneembaar zijn. Als met de quickscan de aanwezigheid van deze soorten niet valt uit te sluiten, kan een aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk zijn.
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 2 van 20
1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is een beschrijving van het plangebied weergegeven en de uit te voeren werkzaamheden zijn hier benoemd. In hoofdstuk 3 wordt de methode beschreven, waarop een quickscan wordt uitgevoerd. Hoofdstuk 4 gaat in op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten. In hoofdstuk 5 worden globaal de effecten bepaald van het plan op de soorten die (mogelijk) gebruik maken van het plangebied. Hier worden ook beknopt maatregelen voorgesteld om zorgvuldig te handelen ten aanzien van beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt kort beargumenteerd of een toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk is. In hoofdstuk 7 worden (middels beantwoording van de onderzoeksvragen uit paragraaf 1.3) de conclusies en aanbevelingen uit voorliggend rapport op een rij gezet.
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 3 van 20
2 HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE 2.1 Beschrijving huidige situatie De Landtong is een gebied van ruim 2 ha in het centrum van de wijk Groenelaan in Amstelveen. De planlocatie ligt tussen het winkelcentrum Groenhof aan de westzijde van het perceel (A in figuur 2-1) en de Bovenkerkerpolder aan de oostzijde (B). In het gebied zijn rond 1970 drie basisscholen gerealiseerd in zes verschillende panden. Op de planlocatie liggen tevens twee gymzalen. Op het perceel liggen in totaal acht gebouwen (1 t/m 8) die omgeven zijn door schoolpleinen (C) en groen. Er is een trapveld aanwezig (D) en een groter groen veld aan de oostzijde (E), waarin ook een skatebaan is opgenomen. De basisscholen ‘De Horizon’ en ‘De Akker’ zijn al vele jaren in het gebied gevestigd. De derde school, ‘De Wereldbol’, is al enige jaren geleden gesloten.
Figuur 2-1. Globale ligging huidige locatie plangebied (bron ondergrond: Google Maps, letters en tekens: zie tekst voor uitleg).
Alle acht gebouwen op het perceel hebben platte daken zonder dakpannen, spouwmuren met open stootvoegen en ventilatie openingen. Er is op en rondom het terrein verlichting aanwezig. De daklijsten zijn van aluminium en bevatten geen gaten of kieren. Wel zijn onder de houten dakafwerkingen her en der gaten geconstateerd. Een van de gebouwen heeft aan de onderzijde enkele openingen in de spouwmuren (ongeveer 4-5 cm breed en hoog, zie blauwe cirkel in figuur 2-1). Op twee gebouwen aan de zuid en zuidwestzijde van het perceel hangen 5 vleermuiskasten. Een impressie van de bebouwing op het perceel is weergegeven in figuur 2-2. De acht gebouwen zijn omgeven door een variëteit aan bomen, bosschages en lage struiken die mogelijk aangetast worden door de herinrichting van de planlocatie. Aan de noordoost zijde, oostzijde en zuidzijde van het perceel liggen bomenrijen (F). In de zuidoostzijde van het plangebied bevindt zich een bosje met bomen, lage struiken en struweel (G). Op het perceel zijn enkele bomen aanwezig met holtes (gele cirkels). De noordoost zijde en oostzijde van het plangebied worden begrensd door watergangen met
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 4 van 20
steile oevers. De watergangen hebben een breedte van 5-8 m, een doorzicht van 20-30 cm en het water is troebel. Er is een actief houtduifnest waargenomen (gele stip), een actief eksternest (broedend, blauwe stip) en twee eksternesten die tijdens het veldbezoek niet actief leken te zijn (groene stippen). Aan de zuidwestzijde van de planlocatie is klimop aanwezig tegen een stalen hekwerk. Een impressie van de groenstructuren is weergegeven in figuur 2-3.
Figuur 2-2. Huidige situatie bebouwing plangebied. Van boven naar onder en van links naar rechts: basisscholen, schoolpleinen, vleermuiskasten met restanten van uitwerpselen, open stootvoegen en ventilatieopeningen spouwmuren, gaten onder dakafwerking en openingen onder aan de fundering en de spouwmuur.
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 5 van 20
Figuur 2-3. Huidige situatie groenstructuren Landtong te Amstelveen. Van links naar rechts en van boven naar beneden: watergangen, grasvelden en groenstructuren op planlocatie, boomholtes, actief eksternest, actief houtduivennest, houtduivenkoppel nabij nest, klimop net buiten plangebied op stalen hek , aan boom en op de bodem aan de zuidwestzijde van het planlocatie.
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 6 van 20
2.2 Werkzaamheden en toekomstige situatie Op de planlocatie krijgen de scholen ‘De Horizon’ en ‘De Akker’ een nieuwe plek in één nieuw gebouw. Er komt in de nieuwe situatie één gymzaal terug, nu zijn het er twee. In het bestaande gebied zijn nog andere functies aanwezig die ook in het nieuw in te richten plangebied terugkomen. Het betreft het trapveld (1350 m2), het basketbalveld 600 m2) en de half pipe (500 m2). De resterende ruimte zal voor woningbouw worden bestemd (nieuwe functie in gebied). Er zijn door de gemeente Amstelveen twee varianten onderzocht hoe het gebied zou kunnen worden ingericht (zie figuur 2-4). Er is nog geen keuzen gemaakt uit een van beide. Over de planning is nog niets bekend.
Figuur 2-4. Twee varianten voor de toekomstige bestemming van de planlocatie (rood omkaderd, bron: Quickscan herontwikkeling Landtong, R. Koekenbier, 2017).
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 7 van 20
3 METHODE 3.1 Opzet onderzoek Een quickscan Wet natuurbescherming is een eenmalige beoordeling van het plangebied, waarin globaal wordt gekeken naar aanwezige en te verwachten (beschermde) soorten. Hiertoe worden een literatuur- en veldonderzoek uitgevoerd. Er wordt tijdens de quickscan een volledige beoordeling van het plangebied als leefgebied voor beschermde soorten uitgevoerd. Een quickscan is echter geen volledig ecologisch onderzoek naar alle mogelijk voorkomende soorten, in de daarvoor geschikte perioden van het jaar. Hierdoor is een quickscan vaak niet voldoende als onderbouwing van een eventuele aanvraag voor een ontheffing op de Wet natuurbescherming. Indien uit de quickscan echter blijkt dat geen noodzaak bestaat tot nader onderzoek of een ontheffing, is een quickscan een afdoende ecologische onderbouwing voor het bevoegd gezag. Dit geldt ook als de quickscan onderdeel vormt van de ruimtelijke onderbouwing van een bestemmingsplan. De bevindingen uit de quickscan Wet natuurbescherming zijn in de regel 5 jaar geldig, tenzij het gebied in de tussentijd dermate is gewijzigd dat er ander biotoop is ontstaan. Een (nader) onderzoek naar beschermde soorten uit de Habitatrichtlijn is 3 jaar geldig. 3.2 Literatuuronderzoek Het literatuuronderzoek heeft tot doel een beeld te krijgen van (eventueel) aanwezige Wnbbeschermde soorten in (de omgeving van) het plangebied.
Voor het literatuuronderzoek is de nabije omgeving binnen een straal van 3 km (waarbinnen het plangebied valt) als zoekgebied gebruikt. Voor het literatuuronderzoek is gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF); dit is de meest complete databank in Nederland met verspreidingsinformatie van flora en fauna. De NDFF is geraadpleegd op 5 april 2018. Aangezien ook de NDFF niet volledig is, is tevens gebruik gemaakt van informatie uit overige beschikbare vakliteratuur en eigen soort- en gebiedskennis (expert judgement). 3.3 Veldonderzoek Het veldonderzoek heeft tot doel te bepalen of de beschermde soorten die in de omgeving van het plangebied (kunnen) voorkomen (deze volgen uit het literatuuronderzoek) tevens in het plangebied (kunnen) voorkomen. Op 19 april 2018 is het veldbezoek uitgevoerd op de planlocatie te Amstelveen (weersomstandigheden: 23 °C, onbewolkt, windrichting zuidoost en een windsterkte van Bft 2-3). Tijdens het veldbezoek is gekeken naar de geschiktheid van het plangebied als groeiplaats/verblijfplaats voor (in de omgeving aanwezige) beschermde soorten. Tevens is tijdens het veldbezoek gelet op de aanwezigheid van beschermde soorten en sporen hiervan (zoals uitwerpselen, pootafdrukken, vraatsporen en aanwezige (oude) nesten / verblijfplaatsen).
De bepaling van de geschiktheid van het plangebied voor beschermde soorten is op onderstaande manier uitgevoerd: Flora Het plangebied wordt beoordeeld op geschiktheid als habitat voor beschermde plantensoorten. Tevens wordt gelet op eventuele groeiplaatsen van beschermde plantensoorten (deze zijn echter niet jaarrond zichtbaar).
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 8 van 20
Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (cat.1 t/m 4) De nesten van vogelsoorten binnen categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd. Dit geldt ook voor de directe omgeving die nodig is om de jongen succesvol groot te brengen (rust- en foerageergebied). Jaarrond beschermde nesten kunnen aanwezig zijn in bomen (bijv. roofvogelhorsten) of gebouwen (bijv. gierzwaluw en huismus). Tijdens het veldbezoek bepalen we of in het plangebied vaste nesten aanwezig (kunnen) zijn. Daarnaast wordt gezocht naar sporen van jaarrond beschermde nesten, bijvoorbeeld braakballen van uilen en roofvogels, uitwerpselen op de grond/muren en territoriale aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten. Tenslotte wordt beoordeeld of het plangebied mogelijk essentieel rust- en foerageergebied voor vogels van categorie 1 t/m 4 vormt. Broedvogels met niet jaarrond beschermde nesten, inventarisatie gewenst (cat. 5) Vogels met niet-jaarrond beschermde nesten (categorie 5-broedvogels) betreffen broedvogels die in principe niet jaarrond beschermd zijn, maar waarvan het ministerie van EZ wel een inventarisatie verlangt. Deze soorten zijn enkel jaarrond beschermd als de ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen, oftewel als verwacht wordt dat uitvoering van de plannen grote nadelige effecten zouden kunnen hebben op de lokale populatie van een soort.
Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of in het plangebied nesten van categorie 5 aanwezig (kunnen) zijn. Daarnaast zoeken we ook naar sporen van deze nesten, bijvoorbeeld braakballen, uitwerpselen op de grond of muren, territoriale aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten. Algemene broedvogels Nesten van algemene broedvogels zijn enkel tijdens het broedseizoen beschermd. Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of binnen het plangebied broedgelegenheid is voor algemene broedvogels zoals winterkoning, heggenmus en vink. Tevens letten we op aanwijzingen voor broedgevallen, zoals territoriale en/of zingende vogels, oude nesten en uitwerpselen. Vleermuizen Van alle van nature in Nederland voorkomende vleermuizen worden zowel de verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en essentiële foerageerroutes beschermd. Voor vleermuizen wordt bepaald of gebouwen en/of bomen in het plangebied geschikt (kunnen) zijn als vleermuisverblijfplaats: Gebouw bewonende vleermuizen (o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis) gebruiken vaak spouwruimten als verblijfplaats, welke zij bijvoorbeeld via een open stootvoeg of via kieren in de buitenmuur kunnen bereiken. Ook gebruiken ze regelmatig ruimtes achter daklijsten of betimmeringen als verblijfplaats. De geschiktheid van gebouwen wordt beoordeeld op basis van de aanwezigheid van dergelijke structuren.
Tijdens het veldbezoek zijn de gebouwen zelf niet betreden, maar van buiten geïnspecteerd; Boom bewonende vleermuizen (o.a. ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis) verblijven in holtes, spleten of onder loshangend schors van bomen. Bomen worden met een verrekijker vanaf de grond beoordeeld op aanwezigheid van dergelijke kenmerken. Tevens wordt tijdens het veldonderzoek bepaald of sprake is van lijnvormige landschapsstructuren die van belang kunnen zijn als vliegroute. Hierbij wordt bepaald of sprake is van doorgaande watergangen en aaneengesloten bomenrijen. Tevens wordt (om de essentie van de vliegroute te bepalen) gelet op vergelijkbare structuren in de directe omgeving van het plangebied die als alternatief kunnen fungeren. Tenslotte wordt bepaald of sprake is van landschapsstructuren (bijvoorbeeld opgaand groen) die van belang kunnen zijn als foerageergebied. Om de essentie van het foerageergebied te bepalen, wordt tijdens het veldbezoek gelet op vergelijkbare structuren in de directe omgeving van het plangebied die als alternatief kunnen fungeren.
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 9 van 20
Grondgebonden zoogdieren Het gebied wordt beoordeeld op geschiktheid als leefgebied voor beschermde grondgebonden zoogdieren (o.a. eekhoorn, das, kleine marterachtigen), waarbij wordt gelet op sporen, zoals uitwerpselen, pootafdrukken, vraatsporen, wissels, looppaadjes) en aanwezige (oude) nesten / verblijfplaatsen. Tevens worden eventuele zichtwaarnemingen genoteerd. Amfibieën Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of het plangebied geschikt voortplantingshabitat, zomerhabitat en/of overwinteringsplekken voor beschermde amfibieën biedt. Bij aanwezigheid van een potentieel geschikt voortplantingswater voor beschermde soorten, wordt het water steekproefsgewijs met een (RAVON-)schepnet bemonsterd. Bij aanwezigheid van potentieel geschikt landhabitat wordt direct (steekproefsgewijs) gecontroleerd op de mogelijke aanwezigheid van beschermde amfibieën tussen de vegetatie en op donkere, vochtige plekken (onder stukken hout e.d.). Reptielen Tijdens het veldbezoek wordt gelet op de mogelijke aanwezigheid van geschikt habitat voor reptielen, zoals zanderige, structuurrijke plekken en schuilmogelijkheden. Indien sprake is van geschikt habitat wordt (bij uitvoering van het veldbezoek in de geschikte periode) direct (steekproefsgewijs) gecontroleerd op eventueel aanwezige individuen (onder takkenhopen e.d.).
Vissen Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of oppervlaktewater (indien aanwezig) geschikt is voor beschermde vissoorten. Hierbij wordt gelet op o.a. bodemsubstraat, helderheid, voedselrijkdom en de aanwezigheid van onderwater- en oevervegetatie. Bij ogenschijnlijke geschiktheid van de watergang voor beschermde soorten, wordt het water steekproefsgewijs met een (RAVON-)schepnet bemonsterd. Vlinders, libellen en overige ongewervelden Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of het plangebied geschikt is als habitat voor beschermde soorten vlinders, libellen en overige ongewervelden (o.a. kevers en tweekleppigen). Hierbij wordt o.a. gelet op de aanwezigheid van waardplanten (voor vlinders), water met geschikte ei-afzetplaatsen (voor libellen) en helder water met een rijke waterbeplanting (voor platte schijfhoren). Tijdens het veldbezoek wordt direct gelet op aanwijzingen van gebruik van het plangebied door beschermde ongewervelden (o.a. poppen, vervellingshuidjes, larven, nimfen). Bij aanwezigheid van potentieel geschikte watergang/poel (voor beschermde libellen, waterkevers en platte schijfhoren) wordt het water steekproefsgewijs met een (RAVON-)schepnet bemonsterd.
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 10 van 20
4 RESULTATEN LITERATUUR- EN VELDONDERZOEK 4.1 Vissen, vlinders, libellen en overige ongewervelden Uit het literatuuronderzoek blijkt dat beschermde soorten van deze soortgroepen niet in de omgeving van het plangebied (kunnen) voorkomen. Binnen het plangebied ontbreekt het aan geschikt biotoop van deze soortgroepen. Uit de NDFF zijn ook geen waarnemingen bekend binnen een straal van 3,5 km. Verder zijn tijdens het veldbezoek van 19 april 2018 ook geen beschermde soorten van deze soortgroepen aangetroffen. Geschikt leefgebied en groeiplaatsen ontbreken voor deze soorten, daarom worden ze in het vervolg van deze rapportage niet meer behandeld. 4.2 Flora Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde soorten voor (kunnen) komen: Kartuizer anjer. Deze plant is in de afgelopen 5 jaar meerdere malen in een gebied van 3 km rondom de planlocatie waargenomen (NDFF). Gezien de locaties is het goed mogelijk dat het hier om niet-wilde exemplaren gaat. De kartuizer anjer staat op stikstofarme, basenrijke en vaak kalkhoudende grond en groeit in schraleen kalkgraslanden, in bosschages langs bermen en dijken en op leisteenhellingen en zandsteenrotsen. Uit alleen de bevindingen van het veldonderzoek kan, vanwege de datum van uitvoering van de quickscan, niet worden uitgesloten dat de soort Kartuizer anjer op de planlocatie voor kan komen.
De kartuizer anjer komt echter van oorsprong voor aan de oostrand van het IJsseldal. Sinds enkele jaren wordt de soort ook elders aangetroffen, o.a. in de buurt van Amsterdam. In deze regio is de soort echter zeer zeldzaam. Aangezien de in de afgelopen vijf jaar waargenomen exemplaren (NDFF) waarschijnlijk niet-wilde varianten betreffen is het daarom niet noodzakelijk om de soort te onderzoeken, de kans op voorkomen in Amstelveen is zeer klein en het betreft niet-oorspronkelijke groeiplaatsen. Andere beschermde soorten worden ook niet verwacht, terwijl veel soorten voorkomen op akkerranden van extensief beheerde akkers (en daar al zeldzaam zijn). 4.3 Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4) Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied broedvogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4 broedvogels) voor (kunnen) komen, waaronder: steenuil, huismus, roek, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, ooievaar, kerkuil, havik, buizerd, wespendief, ransuil, sperwer en boomvalk. Niet alleen de nesten van deze vogels zijn jaarrond beschermd, maar ook de directe omgeving die nodig is om de jongen succesvol groot te brengen (rust- en foerageergebied). Derhalve is bij het veldbezoek zowel op de geschiktheid als broedlocatie als de geschiktheid als rust- en foerageergebied gelet.
Uit het veldonderzoek blijkt dat de locatie potentieel geschikt is als nestplaats voor cat. 1 t/m 4 broedvogels uit de omgeving (sperwer, buizerd). Er zijn binnen het plangebied drie eksternesten waargenomen. Een van deze nesten is actief in gebruik door broedende eksters (blauwe stip in figuur 2-1). Twee overige eksternesten aan de noordzijde van het perceel (groene stippen in figuur 2-1 en figuur 2-3) waren ten tijde van het veldbezoek echter inactief. Deze kunnen dus tijdens het broedseizoen potentieel gebruikt worden door sperwer en buizerd. Direct aan de oostzijde van de planlocatie zijn eveneens weilanden en bosschages aanwezig die geschikt zijn als foerageergebied voor sperwer en buizerd. De locatie is ongeschikt als nestplaats voor gebouw bewonende vogels zoals gierzwaluw en huismus door het ontbreken van geschikte bebouwing met dakpannen. In het veld is bovendien geen activiteit waargenomen van deze jaarrond beschermde vogelsoorten. Uit de NDFF gegevens blijkt dat huismus in de omgeving van het plangebied voorkomt. De klimop op de stalen hekwerken en op de bodem van de bosschages aan respectievelijk de zuidwest- en zuidoost zijde van de planlocatie kunnen fungeren als schuil- en foerageerplaats voor huismussen.
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 11 van 20
4.4 Broedvogels met niet jaarrond beschermde nesten, inventarisatie gewenst (cat. 5) Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten (categorie 5-broedvogels) voor (kunnen) komen, waaronder: ekster, koolmees, pimpelmees, boomkruiper, boomklever, zwarte kraai, huiszwaluw, boerenzwaluw, kleine en grote bonte specht, groene specht en spreeuw. Vogels uit deze categorie betreffen broedvogels waarvan de nesten in principe niet jaarrond beschermd zijn, maar waarvan het ministerie van EZ wel een inventarisatie verlangt en waarvan de soorten jaarrond beschermd zijn als de ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied geschikt is als broedplaats voor boom- en struweelbroedende vogels met niet jaarrond beschermde nesten door de aanwezigheid van bomen, struiken en struweel. De locatie is ongeschikt als nestplaats voor gebouw broedende vogels van deze soortgroep door de afwezigheid van geschikte bebouwing (voor o.a. huiszwaluw en boerenzwaluw). Tijdens het veldbezoek is een actief eksternest aangetroffen (zie blauwe cirkel in figuur 2-1). Tevens zijn waarnemingen gedaan van koolmees, pimpelmees, zwarte kraai, groene specht en boomklever.
De aangetroffen bomen met holtes (gele cirkels in figuur 2-1) zijn mogelijk geschikt voor koolmees, pimpelmees, boomkruiper, boomklever en spechten. 4.5 Algemene broedvogels Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied diverse algemene broedvogels voor (kunnen) komen, waaronder: merel, heggenmus, roodborst, winterkoning, vink en houtduif. Nesten van algemene broedvogels zijn enkel tijdens het broedseizoen beschermd. Uit het veldonderzoek blijkt dat de planlocatie gebruikt kan worden als verblijf-, schuil- en foerageerplaats voor deze soortgroep. Op het perceel komen namelijk geschikte bosschages, struiken, hagen en klimop voor die voor algemene broedvogels geschikt zijn. Er zijn o.a. de soorten merel, tjiftjaf, vink, roodborst, wilde eend en houtduif (broedend) waargenomen. 4.6 Vleermuizen Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied diverse vleermuizen voor (kunnen) komen, waaronder gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis (NDFF, www.verspreidingsatlas.nl).
Verblijfplaatsen Uit het veldbezoek blijkt dat de planlocatie geschikt is als verblijfplaats voor kleine gebouw bewonende vleermuizen, zoals gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis en voor de grotere laatvlieger door de aanwezigheid van geschikte openingen naar verblijfplaatsen (spouwmuren met open stootvoegen in alle gebouwen, her en der kieren en gaten in dakafwerkingen en de aanwezigheid van vijf vleermuiskasten op twee gebouwen op het perceel, zie figuur 2-2). Tevens is het plangebied geschikt voor boombewonende vleermuizen, zoals de rosse vleermuis en watervleermuis, vanwege de aanwezigheid van bomen met geschikte holtes (zie figuur 2-3). Vliegroute De omgeving van het plangebied maakt mogelijk deel uit van een vliegroute van vleermuizen (o.a. ten oosten van het plangebied). De bomenrijen (groene lijnen in figuur 4-1) en watergangen (blauwe lijnen) kunnen dienen als vliegroute. Binnen het terrein zelf zijn geen lijnvormige structuren aanwezig die uniek zijn. Door sloop van de gebouwen worden geen vliegroutes buiten het plangebied aangetast. Foerageergebied Het plangebied maakt mogelijk onderdeel uit van het foerageergebied van vleermuizen door de aanwezigheid van bosschages, bossen, struweel en bomenrijen in het plangebied en de directe omgeving er van (zie figuren 2-1 en 4-1).
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 12 van 20
Figuur 4-1. Directe omgeving van de planlocatie (rode cirkel) met bomenrijen (groene lijnen), watergangen en waterpartij (blauwe lijnen en ster) en groenstructuren (weilanden: gele lijn) die geschikt zijn als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen (bron: google.nl).
4.7 Grondgebonden zoogdieren Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied eekhoorn en marterachtigen, zoals steenmarter, boommarter, bunzing, hermelijn en wezel (kunnen) voorkomen. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied geschikt is als verblijfplaats en leefgebied voor gebouw en boom bewonende marterachtigen door de aanwezigheid van vaste leef plekken voor deze soorten (grote bomen met geschikte holten / nesten en geschikte smalle openingen in een gebouw, zie ook figuren.2-1 t/ m 2-3). Het plangebied bevat gevarieerde structuren en nabijgelegen geschikte leefgebieden (o.a. de polder aan de oostzijde van het plangebied). Het plangebied kan tevens fungeren als foerageergebied, maar dat zijn geen beschermde functies. Uit het NDFF literatuuronderzoek blijkt dat eekhoorn is aangetroffen in het Amstelpark (ten noorden van het plangebied) en het Amsterdamse bos (ten noordwesten van het plangebied) waar de soort een vast leefgebied heeft. Het plangebied zelf en de directe omgeving ervan is echter ongeschikt als verblijfplaats en leefgebied voor eekhoorn door de afwezigheid van een vaste leef plek voor deze soort. Tijdens het veldbezoek zijn geen eekhoorn nesten aangetroffen. Eekhoorn geeft de voorkeur aan bosrijke omgevingen (loofbos, naaldbos of gemengd bos) en komen ook voor in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bossen.
In het plangebied en de directe omgeving ervan komen deze leef plekken niet voor en de aanwezigheid van eekhoorn op het terrein kan daarom worden uitgesloten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met overige grondgebonden zoogdieren, inclusief vrijgestelde soorten zoals veldmuis en egel (zie paragraaf 5.6). 4.8 Amfibieën Uit de NDFF-gegevens blijkt dat in de omgeving van het plangebied de beschermde rugstreeppad, Alpenwatersalamander en vinpootsalamander voor (kunnen) komen.
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 13 van 20
Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied ongeschikt is als landhabitat voor deze soorten door het ontbreken van geschikt voortplantingshabitat (geen water aanwezig met ondiepe delen en flauwe oevers voor voortplanting). In de directe omgeving is ook geen geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig / bereikbaar. Rugstreeppad komt voor ten zuiden, oosten en noorden van het plangebied. In of nabij het plangebied is echter geen winterbiotoop van de rugstreeppad aanwezig. Het plangebied wordt namelijk aan de west-, oost- en noordzijde omgeven door een breed (6-8 m) water welke door de soort niet gepasseerd kan worden. De aanwezigheid van rugstreeppad, Alpenwatersalamander en vinpootsalamander op het terrein kan daarom worden uitgesloten. De laatste 2 soorten komen van oorsprong niet in dit gebied voor en de waargenomen exemplaren betreffen derhalve uitgezette individuen. 4.9 Reptielen Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de ringslang als beschermde soort voor (kan) komen. De waarnemingen zijn voornamelijk gedaan ten zuidoosten bij de Vinkeveense plassen en de groote Wije (ongeveer 5 km van het plangebied). Het plangebied zelf, of de nabije omgeving ervan, is echter ongeschikt als vast leefgebied of foerageerplaats voor de ringslang door de afwezigheid van beschutte plekken en geschikt voortplantingshabitat.
4.10 Samenvatting resultaten In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de beschermde soorten die op basis van het literatuur- en veldonderzoek (mogelijk) aanwezig zijn binnen het plangebied. Tabel 4-1. Mogelijk aanwezige beschermde soorten. Soortgroep
(Kans op) aanwezigheid beschermde soorten? Ja
Flora
Nee X
Broedvogels jaarrond beschermd (cat. 1 t/m 4)
X
Broedvogels niet jaarrond, inventarisatie gewenst beschermd (cat. 5)
X
Algemene broedvogels
X
Vleermuizen
X
Zoogdieren (grondgebonden)
X
Amfibieën
X
Reptielen
X
Vissen
X
Vlinders, libellen en overige ongewervelden
X
Bij het planvoornemen dient men rekening te houden met de (potentieel) aanwezige beschermde soorten (tabel 4-1, soorten uit kolom ‘ja’). Daarnaast dient men (in het kader van de zorgplicht) tevens rekening te houden met de (binnen de provincie Noord-Holland) van bescherming vrijgestelde soorten (o.a. veldmuis en egel). Doordat reeds duidelijk is dat de beschermde soorten uit de soortgroepen flora, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden niet aanwezig zijn binnen het plangebied, worden deze in het vervolg van voorliggende rapportage verder niet behandeld.
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 14 van 20
5 EFFECTENANALYSE EN MAATREGELEN 5.1 Inleiding De onderstaande effectenanalyse en de beschrijving van de maatregelen richten zich op de verbodsbepalingen ten aanzien van de beschermde soorten (Wnb-artikelen, 3.1, 3.5 en 3.10) die mogelijk hun leefgebied hebben binnen het plangebied en de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (Wnb-artikel 1.11) die mogelijk binnen het plangebied voorkomen. In paragrafen 5.2 t/m 5.6 worden per (mogelijk) aanwezige soortgroep (zie paragraaf 4.10) de mogelijke effecten op beschermde soorten en benodigde maatregelen besproken. In paragraaf 5.7 worden enkele aanvullende maatregelen (ten aanzien van de zorgplicht én het voorkomen van tussentijdse vestiging van beschermde soorten) beschreven. 5.2 Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4) 5.2.1 Effecten Het plangebied is geschikt voor sperwer en buizerd door de aanwezigheid van twee verlaten grote eksternesten (zie figuur 2-1). Als gevolg van de werkzaamheden op het terrein kunnen de nestlocaties van deze soorten worden vernield (indien de betreffende bomen worden gerooid) of verstoord, hierdoor is sprake van overtreding van de Wnb (respectievelijk artikel 3.1, tweede en vierde lid). 5.2.2 Maatregelen Het is noodzakelijk om te onderzoeken of sperwer en of buizerd op de locatie gebruik maken van de oude eksternesten.
Bij aanvullend onderzoek naar sperwer en buizerd wordt de onderzoeksinspanning die beschreven staat in het Kennisdocument buizerd (bron: BIJ12, versie 1.0, juli 2017) aangehouden. Indien de nesten in gebruik zijn door sperwer en of buizerd, leidt kap van de bomen tot vernielen van het nest en dient een ontheffing te worden aangevraagd. Tevens kan de nieuwe inrichting van de planlocatie dermate verstorend zijn dat het nest wordt verlaten. In dat geval is er dus sprake van beschadiging / vernieling van de verblijfplaats. 5.3 Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (categorie 5) Het plangebied is geschikt voor soorten als ekster, koolmees, pimpelmees, boomkruiper, boomklever, zwarte kraai en spreeuw. Het plangebied is voor de (mogelijk) aanwezige categorie 5-vogels niet van ecologisch hoog belang, omdat het hooguit om enkele broedparen gaat. Bovendien zijn in de omgeving voldoende alternatieve nestlocaties te vinden in tuinen, bomen en bosschages in de omgeving van de planlocatie. De te verwachten soorten zijn daarnaast algemeen in Nederland. Als gevolg hiervan zijn de nesten van categorie 5-broedvogels binnen het plangebied niet jaarrond beschermd. Tijdens het veldbezoek is op de planlocatie wel een actief eksternest aangetroffen (broedend, zie figuur 2-1). Nesten van categorie 5-vogels (net als het geval is voor algemene broedvogels) zijn beschermd tijdens het broedseizoen.
De mogelijke effecten en benodigde maatregelen ten aanzien van categorie 5-broedvogels worden derhalve (tezamen met de algemene broedvogels) besproken in paragraaf 5.4. 5.4 Algemene broedvogels 5.4.1 Effecten Het plangebied is geschikt voor algemene broedvogels zoals o.a. merel, heggenmus, roodborst, winterkoning, vink e.a. De geplande werkzaamheden vormen overlap met het leefgebied van deze soorten waardoor mogelijk nesten worden verstoord of vernield. De verstoring die als gevolg van de werkzaamheden kan Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 15 van 20
optreden, is niet van invloed op de gunstige staat van instandhouding. Dit aangezien de te verwachten soorten algemeen in Nederland voorkomen en de verstoring slechts van tijdelijke aard is. Verstoring van nesten veroorzaakt derhalve geen overtreding van de Wnb. Door vernieling van nesten wordt de Wnb wel overtreden. 5.4.2 Maatregelen Middels onderstaande voorzorgsmaatregelen kan overtreding van de Wnb worden voorkomen en kunnen de werkzaamheden doorgang vinden: -
Vanaf heden geen werkzaamheden uitvoeren aan de groenstructuren, hierin kunnen vogels broeden. Pas na het broedseizoen en afronding aanvullend onderzoek zoals beschreven in dit rapport kan het werk aan groenstructuren hervat worden.
-
Werkzaamheden buiten het reguliere broedseizoen (15 maart t/m 15 juli) uitvoeren. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode 15 maart t/m 15 juli (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Het is mede afhankelijk van weersomstandigheden of ook buiten deze periode wordt gebroed door vogels. Derhalve dient men voorafgaande aan het werk contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of er kans is op broedgevallen.
-
Indien de werkzaamheden in het reguliere broedseizoen (volgend op dit jaar) uitgevoerd dienen te worden: o o
voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten het broedseizoen de bomen, struiken en andere beplanting rooien. Voorafgaand aan het rooien dient men contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of er kans is op broedgevallen; als de bomen, struiken en andere beplanting niet kunnen worden gerooid buiten het broedseizoen: voorafgaande aan het werk een broedvogelcontrole uitvoeren. Broedgevallen worden tijdens deze controle gemarkeerd en tijdens de werkzaamheden ontzien. Het kan noodzakelijk zijn om gedurende de werkzaamheden periodiek controles uit te voeren op broedgevallen van vogels in plaats van een éénmalige controle. Dit is vooral van toepassing als langdurig werkzaamheden in het reguliere broedseizoen worden uitgevoerd.
5.5 Vleermuizen 5.5.1 Effecten Verblijfplaatsen Het plangebied is geschikt als verblijfplaats voor gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en watervleermuis. Door de voorgenomen werkzaamheden aan de gebouwen en de groenstructuren op het terrein zijn negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen niet uitgesloten. Het gaat dan om dieren die een paar- of zomerverblijfplaats kunnen hebben en mogelijk individueel of in kleine groepen overwinteren. Ook een kraamverblijf kan op voorhand niet worden uitgesloten. Foerageergebied Het plangebied is geschikt als foerageergebied van gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en watervleermuis. Vliegroute Het plangebied is geschikt als vliegroute van gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en mogelijk ook de watervleermuis (waterpartijen aan de randen van het plangebied). De geplande bouwactiviteiten kunnen de vliegroute blokkeren, echter er zijn voldoende alternatieven in de
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 16 van 20
directe omgeving, dus de vliegroute op de planlocatie is niet essentieel (zie figuur 4-1). Er zijn daarom geen maatregelen nodig. 5.5.2 Maatregelen Als gevolg van de ruimtelijke ingreep treedt mogelijk verstoring en of vernietiging (gebouwen en bomen) van verblijfplaatsen op. Dit leidt tot overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb. Om vast te stellen of verblijfplaatsen aanwezig zijn in de bebouwing en de bomen is nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk. Tevens dient hierbij onderzocht te worden hoe belangrijk het terrein is als foerageergebied voor vleermuizen. Dit kan gelijktijdig plaatsvinden. Na afronding van het nader ecologisch onderzoek worden voorzorgsmaatregelen opgesteld en wordt aangegeven of een ontheffingsaanvraag noodzakelijk is. 5.6 Grondgebonden zoogdieren 5.6.1 Effecten Het plangebied is geschikt als verblijfplaats voor steenmarter, boommarter en kleine marterachtigen zoals bunzing, hermelijn en wezel. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden aan de gebouwen en de groenstructuren op het terrein treedt mogelijk verstoring en of vernietiging van verblijfplaatsen op van grondgebonden zoogdieren. Hierdoor is sprake van overtreding van de Wnb (artikel 3.5 of artikel 3.10). 5.6.2 Maatregelen Om vast te stellen of verblijfplaatsen aanwezig zijn in de bebouwing en in de aanwezige bomen in het plangebied is nader onderzoek naar marterachtigen noodzakelijk.
Na afronding van het ecologisch onderzoek worden voorzorgsmaatregelen opgesteld en wordt aangegeven of een ontheffingsaanvraag noodzakelijk is. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met grondgebonden zoogdieren, inclusief vrijgestelde soorten zoals rosse woelmuis, veldmuis en egel (zie paragraaf 5.7). Hiertoe dienen werkzaamheden altijd zo plaats te vinden dat eventueel aanwezige dieren zelfstandig kunnen vluchten. 5.7 Aanvullende maatregelen (t.a.v. zorgplicht en pionier soorten) Om een zorgvuldige omgang met alle in het wild levende soorten (zorgplicht) te garanderen, zijn de volgende maatregelen geformuleerd:
Aanwezige beplanting binnen het plangebied (met name bomen en struiken) zoveel mogelijk behouden; Werken van één kant af om fauna (o.a. egels en muizen) de kans te geven zelfstandig te vluchten; Enkel bij daglicht werken om verstoring van nacht-actieve soorten (zoals vleermuizen) te voorkomen. In mogelijk leefgebied: jonge egels uit werkgebied verplaatsen.
Om tussentijdse vestiging van beschermde (pionier)soorten te voorkomen, zijn nog enkele aanvullende voorzorgsmaatregelen geformuleerd:
Voorkomen dat er ten tijde van de werkzaamheden vogels van pionier situaties gaan broeden (bijvoorbeeld de kleine plevier en scholekster). Hiertoe dient bij voorkeur buiten het broedseizoen te worden gewerkt (zie tevens paragraaf 5.4.2). Indien dit niet mogelijk is, dienen (vanaf de start van het broedseizoen) maatregelen te worden genomen om het terrein broedvrij te houden (gebruik van linten, regelmatige betreding).
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 17 van 20
6 GEBIEDENBESCHERMING Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied of binnen het NNN (bronnen: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx, https://maps.noordholland.nl/GeoWeb51HTML5/index.html?viewer=nbp , zie figuur 6-1), waardoor bij voorbaat kan worden uitgesloten dat sprake is van een direct negatief effect op beschermde natuurgebieden. Door de afstand tot beschermde Natura 2000 natuurgebieden (meer dan 3 kilometer) worden tevens geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht. Op basis van bovenstaande is toetsing aan de regelgeving omtrent deze beschermde gebieden vooralsnog niet van toepassing. Het voornemen hoeft alleen aan de soortenbescherming te worden getoetst. Het bevoegd gezag kan wel om een Aerius berekening vragen om effecten van stikstofuitstoot in de aanleg en gebruiksfase te kwantificeren. Gezien de omvang van de voorgenomen werkzaamheden en de verdichting van het gebied (er komen meer functies terug), is het mogelijk dat de stikstofuitstoot toeneemt. Hiertoe dient een inventarisatie te worden gemaakt van de huidige uitstoot, een analyse van de nieuwe uitstoot in gebruiksfase zodat duidelijk is of er een toename is. De sloop- en aanlegfase dient separaat berekend te worden.
Figuur 6-1. Ligging plangebied ten opzichte van NNN-gebieden (groen gearceerd). Het plangebied is rood omlijnd (bron: https://maps.noord holland.nl/GeoWeb51HTML5/index.html?viewer=nbp).
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 18 van 20
7 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 7.1 Soortenbescherming Op basis van de uitgevoerde quickscan kunnen de onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming worden beantwoord: S1. Welke Wnb-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? Sperwer, buizerd, ekster, algemene soorten broedvogels, gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, watervleermuis, steenmarter, boommarter, bunzing wezel en hermelijn. S2. Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? De werkzaamheden leiden mogelijk tot verstoring en vernietiging van: 1) jaarrond beschermde broedvogels (categorie 1 t/m 4 soorten); 2) niet jaarrond beschermde broedvogels (categorie 5 soorten); 3) tijdens het broedseizoen beschermde broedvogels; 4) verblijf- en rustplaatsen van gebouw en boom bewonende vleermuizen en 5) verblijf- en rustplaatsen van grondgebonden zoogdieren (doden van dieren, vernietiging van functioneel leefgebied). S3. Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk? Er dient nader ecologisch onderzoek uitgevoerd te worden voeren naar sperwer en buizerd om te beoordelen of de nestlocaties op de planlocatie actief in gebruik zijn. Nader onderzoek is noodzakelijk naar de mogelijke aanwezigheid van verblijfplaatsen en foerageerplaatsen van gebouw en boom bewonende vleermuizen.
Tevens is nader onderzoek noodzakelijk naar verblijf- en rustplaatsen van grondgebonden zoogdieren (steenmarter, boommarter, bunzing, wezel en hermelijn).
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 19 van 20
S4. Welke voorzorgsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen? Tabel 7-1. Overzicht benodigde voorzorgsmaatregelen. (Mogelijk) aanwezige soort(groep)en
Benodigde voorzorgsmaatregelen t.a.v. soorten met aanvullend beschermingsregime (art. 3.1, 3.5 en 3.10) -
Vogels
Vleermuizen
-
Grondgebonden zoogdieren
-
Werken buiten het broedseizoen (half maart t/m half juli) Bij werkzaamheden binnen het broedseizoen, broedvogelcheck uit laten voeren door een ecoloog Anders groenstructuren buiten het broedseizoen al verwijderen of na voorafgaande controle door ecoloog op afwezigheid broedvogels Aanvullend onderzoek naar sperwer en buizerd uitvoeren Nader onderzoek naar gebruik panden als verblijfplaats voor vleermuizen Nader onderzoek naar gebruik panden en groenstructuren als verblijfplaats voor steen- en boommarter, bunzing, hermelijn en wezel In mogelijk leefgebied: jonge egels uit werkgebied verplaatsen, zie derde maatregel onder ‘zorgplicht’
Aanvullende voorzorgsmaatregelen (t.a.v. zorgplicht en pionierssoorten) Zorgplicht: Werken van één kant af om fauna de kans te geven zelfstandig te vluchten, zo dient ook de watergang vanaf een kant gedempt te worden; Enkel bij daglicht werken om verstoring van nacht-actieve soorten (zoals vleermuizen) te voorkomen. In mogelijk leefgebied: jonge egels uit werkgebied verplaatsen. Pionierssoorten: Voorkomen dat er op het bouwterrein natte laagtes of bandensporen overblijven, dit is geschikt voortplantingsbiotoop voor de rugstreeppad; Vorming van grote zandhopen voorkomen; dit vormt geschikt landhabitat voor de rugstreeppad en (bij aanwezigheid van steile kanten) een geschikte broedlocatie voor oeverzwaluwen; Voorkomen dat er ten tijde van de werkzaamheden vogels van pionier situaties gaan broeden (bijvoorbeeld de kleine plevier en scholekster). Hiertoe dient bij voorkeur buiten het broedseizoen te worden gewerkt (zie tevens paragraaf 5.4.2). Indien dit niet mogelijk is, dienen (vanaf de start van het broedseizoen) maatregelen te worden genomen om het terrein broedvrij te houden (gebruik van linten, regelmatige betreding door man met hond e.d.).
S5. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wnb aan te vragen? Overtreding van de Wnb wordt voorkomen door de voorzorgsmaatregelen zoals vermeld in tabel 7-1 in acht te nemen. De noodzaak tot het aanvragen van een ontheffing is pas duidelijk na afronding van het nader onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten. 7.2 Gebiedenbescherming Op basis van de uitgevoerde quickscan kunnen de onderzoeksvragen t.a.v. gebiedenbescherming worden beantwoord: G1. Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied of binnen het NNN? Nee. G2. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? Ja. G3. Is een toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk? Nee, mogelijk is wel een Aerius berekening noodzakelijk om eventuele effecten door stikstofuitstoot in kaart te brengen.
Quickscan Wet natuurbescherming herontwikkeling Landtong te Amstelveen Kenmerk: 20180424/rap01, versie 1, d.d.25 juni 2018
Blz. 20 van 20