18 Bijlage 15 BP - Aanmeldnotitie m.e.r. Startbaan 16 Amstelveen.pdf
Tekst van het document
AANMELDNOTITIE M.E.R. PROJECT
Startbaan 16 Amstelveen
STATUS
Versie 2.2
PROJECTNUMMER
18041
DATUM
10 december 2020
AUTEUR
S. Elferink / I.M. Dias
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 085 – 744 08 37 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 2
Inhoudsopgave
pagina
1
Inleiding .............................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding ....................................................................................................................... 5 1.2 Planologische toets ......................................................................................................... 5 1.3 Milieueffectrapportage ..................................................................................................... 6 1.4 Leeswijzer ....................................................................................................................... 7
2
Kenmerken van het project ................................................................................................. 9 2.1 Inleiding ........................................................................................................................... 9 2.2 Beschrijving en omvang van het project .......................................................................... 9 2.3 Overige kenmerken van het project ............................................................................... 10 2.3.1 Cumulatie met andere projecten ................................................................................ 10 2.3.2 Gebruik van natuurlijke hulpbronnen .......................................................................... 10 2.3.3 Productie van afvalstoffen .......................................................................................... 10 2.3.4 Verontreiniging en hinder ........................................................................................... 10 2.3.5 Risico van ongevallen................................................................................................. 11
3
Plaats van het project ....................................................................................................... 12 3.1 Inleiding en locatie ......................................................................................................... 12 3.2 Het bestaande grondgebruik en de omgeving ............................................................... 12 3.3 Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu .............................................................. 13 3.3.1 Inleiding ..................................................................................................................... 13 3.3.2 Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn ................................................... 13 3.3.3 Toetsing overige gevoelige gebieden ......................................................................... 15
4
Kenmerken van het potentiële effect ................................................................................. 16 4.1 Inleiding ......................................................................................................................... 16 4.2 Te beoordelen aspecten ................................................................................................ 16 4.3 Archeologie ................................................................................................................... 18 4.3.1 Huidige situatie .......................................................................................................... 18 4.3.2 Effect ontwikkeling ..................................................................................................... 18 4.4 Verkeer ......................................................................................................................... 18 4.4.1 Huidige situatie .......................................................................................................... 18 4.4.2 Effecten ontwikkeling ................................................................................................. 18 4.5 Geluid............................................................................................................................
19 4.5.1 Huidige situatie .......................................................................................................... 19 4.5.2 Effect ontwikkeling ..................................................................................................... 19 4.6 Luchtkwaliteit ................................................................................................................ 20 4.6.1 Huidige situatie .......................................................................................................... 20 4.6.2 Effecten ontwikkeling ................................................................................................. 20 4.7 Ecologie ........................................................................................................................ 21 4.7.1 Huidige situatie .......................................................................................................... 21 4.7.2 Effecten ontwikkeling ................................................................................................. 21
5
Conclusie ......................................................................................................................... 22
Bijlagen Verkennend bodemonderzoek, Waders Milieu Aanvullend verkennend bodemonderzoek, ATKB Externe veiligheid, DGMR
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 3
Archeologie, Hamaland Geluid bestaande woningen, DGMR Geluid nieuwe woningen, DGMR Flora en fauna, De Bouwecoloog Stikstof, DGMR Bezonning, DGMR Windhinder, DGMR
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 4
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Provast B.V. is voornemens het kantoorpand aan Startbaan 16 te slopen en zeven woongebouwen te realiseren met in totaal 552 appartementen. De gebouwen worden gerealiseerd in een groene setting bovenop een halfverdiepte parkeergarage. In de plannen komt circa 80 procent van de woningen ten goede aan het middeldure segment. Dit segment richt zich op betaalbare huur- en koopwoningen voor de middeninkomens. Het buitenterrein zal ingericht worden met groenvoorzieningen en zal ruimte bieden aan een speelplaats. Verder zal er aan de zuidzijde van de locatie op het maaiveld een strook met parkeerplaatsen gerealiseerd worden. In het kader van de milieueffectrapportage (m.e.r.) regelgeving dient het onderhavige project te worden aangemeld voor een m.e.r.-beoordelingsbesluit.
1.2
Planologische toets
Het projectgebied aan de Startbaan 16 ligt in het gebied van het vigerende bestemmingsplan 'Amstelveen Midden-West'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 26 november 2008 en is onherroepelijk geworden op 17 juli 2009. De huidige bestemming is 'Kantoor'. Binnen deze bestemming zijn enkel kantoorgebouwen toegestaan en geldt dat deze enkel binnen het bouwvlak mogen worden gerealiseerd. Nagenoeg het gehele perceel is gelegen binnen het bouwvlak. Binnen het bouwvlak geldt een goot- en nokhoogte van maximaal 17 en 21 meter. Het bouwvlak mag voor maximaal 60% bebouwd worden. Onder het tracé van de Startbaan liggen twee hoofdwatertransportleidingen. Vanuit het midden van deze leidingen geldt een zone voor het vrijhouden van bebouwing over een breedte van 10 meter. Zodoende is een strook aanwezig binnen de bestemming 'Kantoor' van circa 6,5 meter met de dubbelbestemming 'Leiding - Water'. De beoogde herontwikkeling gaat uit van de sloop/nieuwbouw van kantoorgebouw naar woningen. Binnen de betreffende bestemming ‘Kantoor’ zijn woningen op de projectlocatie niet toegestaan waardoor een planologische procedure benodigd is. figuur 1. Uitsnede bestemmingsplankaart (www.ruimtelijkeplannen.nl geraadpleegd februari 2020)
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 5
1.3
Milieueffectrapportage
Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. Op deze manier krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de 'moederprocedure'. Dit is de procedure op grond waarvan de besluitvorming plaatsvindt, bijvoorbeeld de bestemmingsplanprocedure, of een omgevingsvergunningsprocedure. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht dan wel een plan-m.e.r. plicht geldt indien de drempelwaarden of ecologische grenswaarden worden overschreden in geval van respectievelijk een besluit of een plan. Bij de m.e.r.-boordeling dient te worden beoordeeld in hoeverre er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen worden uitgesloten, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk.
Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst moet een toets worden uitgevoerd in hoeverre belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets geldt de m.e.r.-beoordeling waarbij het me.r.-beoordelingsbesluit niet hoeft te worden gepubliceerd indien de activiteit onder de drempelwaarde valt. Met de op 7 juli 2017 in werking getreden wijziging van het Besluit m.e.r. dient bij elke aanvraag waarbij een m.e.r.-beoordeling aan de orde is door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie te worden opgesteld. Toetsing aan het Besluit m.e.r. De herontwikkeling van het plangebied naar woningbouw valt te kwalificeren als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. (tabel 1). tabel 1.
D 11.2
Stedelijk ontwikkelingsproject in het kader van de m.e.r. Kolom 1 Activiteiten
Kolom 2 Gevallen
Kolom 3 Plannen
Kolom 4 Besluiten
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3°. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
De beoogde herontwikkeling bestaat uit de realisatie van 552 wooneenheden en een parkeergarage. Het aantal beoogde woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen waarvoor een plan-mer plicht geldt. Voor de herontwikkeling dient daarom een m.e.r.beoordeling plaats te vinden. Doel m.e.r.-beoordeling Het doel van de m.e.r.-beoordeling is het toetsen of een plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Het bevoegd gezag dient te beoordelen in hoeverre volstaan kan worden met een m.e.r.beoordeling. Een dergelijk besluit wordt genomen aan de hand van de aanmeldnotitie en vormt een
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 6
bijlage bij het ruimtelijk besluit (in casu het vaststellingsbesluit van het door de gemeente op te stellen bestemmingsplan voor de Startbaan 16). Voorliggende rapportage betreft de aanmeldnotitie waarin de m.e.r.-beoordeling is doorlopen. Op basis hiervan wordt het bevoegd gezag gevraagd een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen. Criteria voor toetsing Voor de m.e.r.-beoordeling voor activiteiten onder de drempelwaarde bestaan de procedurele vereisten benoemd in de artikelen 7.16, 7.17, eerste tot en met vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid, en 7.20a van de Wet milieubeheer. Met betrekking tot de inhoud moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn, zie onderstaande tabel. tabel 2. Criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. 1. Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. 2.
Plaats van de projecten Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: het bestaande grondgebruik, de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied, het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: o wetlands o kustgebieden o berg- en bosgebieden o reservaten en natuurparken o gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn) o gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; o gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid o landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang 3.
Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking), het grensoverschrijdende karakter van het effect 'de waarschijnlijkheid van het effect, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.
Effectbeoordeling Bij de effectbeoordeling wordt ingegaan op de effecten van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase.
1.4
Leeswijzer
De aanmeldnotitie volgt de indeling van bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r: Hoofdstuk twee gaat in op de kenmerken van het project; Hoofdstuk drie beschouwt de plaats van het project; Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 7
Hoofdstuk vier beschrijft de kenmerken van de potentiële effecten van het project; Hoofdstuk vijf geeft de conclusie weer.
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 8
-
2
Kenmerken van het project
2.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het project besproken. De aard en omvang van het project worden in beeld gebracht. Tevens komen de overige aspecten aan bod, te weten cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.
2.2
Beschrijving en omvang van het project
Het planinitiatief betreft de ontwikkeling van 552 appartementen, verdeeld over zeven blokken met een hoogte variërend tussen de vier en tien bouwlagen. Hiertoe is sloop van het bestaande HPkantoorpand beoogd. De nieuw te realiseren appartementen variëren in grootte, van 45-181 m2 GBO. De in totaal 613 parkeerplaatsen worden zowel onder het gebouw gerealiseerd als ten zuiden van de appartementen op maaiveld. Figuur 3 toont de voorgenomen toekomstige functie en bebouwing van de projectlocatie. figuur 2. Voorgenomen toekomstige bestemming (Voorontwerp fasedocument TconcepT, 22-01-2020)
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 9
2.3 2.3.1
Overige kenmerken van het project Cumulatie met andere projecten
Er zijn twee concrete plannen in de directe omgeving, te weten de woningbouwontwikkeling aan de Startbaan 8 (realisatie 140 woningen) en de herontwikkeling van het bestaande Hermann Wesseling College aan de Startbaan 3. Beide ontwikkelingen zijn echter al beoordeeld, vergund en worden inmiddels gerealiseerd. Deze projecten hoeven derhalve niet gezamenlijk met voorliggende ontwikkeling te worden beoordeeld op negatieve effecten. 2.3.2
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
Voor de realisatie van het project worden reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal, zoals beton, hout, staal en grond. Een andere locatie zal niet leiden tot minder gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Bij de beoogde ontwikkeling is geen sprake van productieprocessen. 2.3.3
Productie van afvalstoffen
Tijdens de sloop van het HP-kantoorpand en de realisatie van de boogde ontwikkeling zal er het benodigde bouwafval vrijkomen. Dit bouwafval wordt op de gebruikelijke manier verwerkt conform de geldende wetgeving (Wet milieubeheer en Bouwbesluit). Na de realisatiefase zal er voornamelijk sprake zijn van huishoudelijk afval en afvalwater. Dit sanitaire afvalwater zal worden aangesloten op het vuilwaterriool en geleid naar een gemeentelijke waterzuiveringsinstallatie. Hier wordt het afvalwater gezuiverd alvorens het wordt geloosd op het oppervlaktewater. Hiermee wordt voorkomen dat het oppervlaktewater vervuild raakt met sanitaire afvalstoffen. 2.3.4
Verontreiniging en hinder
Sloop- en bouwfase In de sloop- en bouwfase van het project kan luchthinder-, stof-, geur-, geluid-, trillings-, licht- en bodemhinder ontstaan. Wat betreft deze mogelijke milieuhinder wordt voldaan aan de wettelijke normen dan wel worden maatregelen getroffen om gevolgen/effecten te voorkomen/beperken. Gebruiksfase Ook in de gebruiksfase van het project kan lucht-, stof- ,geur-, geluid- licht- en bodemhinder ontstaan. Luchthinder In paragraaf 4.6 wordt nader ingegaan op het aspect luchtkwaliteit en in paragraaf 4.7 wordt nader op het onderdeel stikstof ingegaan. Stofhinder en geurhinder In de gebruiksfase zal met de ingebruikname van de woningen geen mogelijke stof- en geurhinder plaatsvinden. Het project maakt geen bedrijvigheid mogelijk die kan zorgen voor eventuele stof- en geurhinder. Geluidhinder De geluidhinder in de gebruiksfase zal met name afkomstig zijn van voertuigen van de bewoners (motor en banden). Geluid kan ver reiken maar zal in de stad, met vele obstakels (gebouwen) en andere geluidsbronnen, over het algemeen als lokaal worden ervaren.
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 10
Lichthinder De verlichting in de openbare ruimte en aan de gebouwen wordt zo uitgevoerd dat lichthinder naar de woonbebouwing wordt voorkomen. Bodemhinder Door in de gebouwen geen uitloogbare materialen te gebruiken op plaatsen die in contact kunnen komen met hemelwater wordt verontreiniging van de bodem en grondwater voorkomen. Het bodemrisico is hiermee verwaarloosbaar en eventuele hinder beperkt zich tot de directe omgeving van de activiteit. Conclusie Tijdens de gebruiksfase ontstaat eveneens hinder. Dit betreft, op stikstofdepositie na, over het algemeen hinder die ervaren wordt in de nabijheid van de projectlocatie. 2.3.5
Risico van ongevallen
Onderhavig project vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het project brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee. Daarnaast vormt een bouwveiligheidsplan een onderdeel van de omgevingsvergunningaanvraag ‘bouwen’. Hierdoor wordt de kans op ongelukken tot een minimum beperkt. Er is bij de beoogde ontwikkeling geen sprake van realisatie van risicovolle inrichtingen. Het aspect externe veiligheid is daarnaast op 4 augustus 2020 door DGMR beschouwd in het kader van het op te stellen bestemmingsplan. Het projectgebied is op dermate grote afstand van risicobronnen gesitueerd dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen die binnen dit gebied plaatsvinden. Op circa 65 meter van de perceelgrens bevindt zich een buisleiding met een diameter van 324 mm en 4000 kPa gesitueerd. Voor de buisleiding voldoet het plan aan de grenswaarde voor externe veiligheid. Uit de berekeningen voor de buisleiding volgt dat er geen 106 PR-contour is, zodat aan de normstelling voor het plaatsgebonden risico wordt voldaan. Het plangebied ligt net binnen de 100% letaliteitsafstand (78 meter), maar buiten de belemmeringenstrook. Het groepsrisico is zowel in de huidige situatie als bij planrealisatie 0,5 keer de oriëntatiewaarde.
Omdat het groepsrisico als gevolg van de buisleiding kleiner dan de oriëntatiewaarde is en minder dan 10% van de oriëntatiewaarde verandert, volstaat een beperkte verantwoording van het groepsrisico conform het Bevb. DGMR heeft in haar rapportage deze verantwoording gegeven, waarbij ingegaan is op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Er is geen sprake van een significant negatief effect in het kader van externe veiligheid.
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 11
3
Plaats van het project
3.1
Inleiding en locatie
In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het projectgebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden. De projectlocatie is gelegen aan de Startbaan 16, in de wijk Keizer Karelpark te Amstelveen. De wijk Keizer Karelpark ligt ten zuiden van het centrum (Stadshart) van Amstelveen en is gescheiden door middel van de snelweg A9 (zie figuur 4).
3.2
Het bestaande grondgebruik en de omgeving
Op de projectlocatie staat een kantoorgebouw met parkeergarage. Verder voornamelijk parkeerplaatsen en in mindere mate groen, bomen, en water. Het gebouw met een footprint van circa 6.074 m2 betreft een voormalig HP-kantoorgebouw. Sloop van dit pand is beoogd Aan de noordzijde van de projectlocatie ligt de Startbaan met aangrenzend verscheidene sportvelden. Ten oosten van de projectlocatie bevindt zich de Snelliuslaan waar recent een nieuwbouwwijk is opgeleverd. Een klein parkje met water bevindt zich aangrenzend ten westen van de projectlocatie (zie figuur 5). Het projectgebied heeft een oppervlakte van circa 20.000 m². figuur 3. Luchtfoto omgeving en ligging plangebied (bron: google.nl, eigen bewerking)
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 12
figuur 4. Luchtfoto met daarop de projectlocatie bij benadering weergegeven (Google Maps, februari 2020)
3.3
Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu
3.3.1
Inleiding
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze m.e.r.-beoordeling is een analyse uitgevoerd naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt onderstaand beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven. 3.3.2
Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn
In onderstaande tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Type gebied Wetlands
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Juridisch kader Conventie van Ramsar
Relevantie voor voorgenomen ontwikkeling In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig.
Pagina | 13
Kustgebieden Berggebieden en bosgebieden Reservaten en natuurparken: Nationale Landschappen Nationale parken Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
(o.a.) Wet natuurbescherming Nationale Landschappen zijn benoemd in de Nota Ruimte. De Nationale Parken zijn onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) Wet natuurbescherming
Landschappen van: Historisch belang Cultureel belang o Beschermd stadsen dorpsgezicht Archeologisch belang
Europese milieurichtlijnen (o.a. kaderrichtlijn Luchtkwaliteit en kaderrichtlijn Water)
Verdrag van Valletta Erfgoedwet
Het plangebied is niet gelegen in een kustgebied. Het plangebied is niet gelegen in een bergof bosgebied. Het plangebied is niet in een Nationaal Landschap of Nationaal Park gelegen.
De projectlocatie is op ca. 5,5 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied “Botshol” gelegen. Onder deze tabel wordt hierop nader ingegaan.
De projectlocatie is niet gelegen in een gebied waar o.b.v. communautaire wetgeving reeds normen worden overschreden. De stad Amstelveen kent over het algemeen een hoge bevolkingsdichtheid (conform cijfers CBS). Onder deze tabel wordt hier nader op ingegaan. De projectlocatie is niet gelegen in een gebied met een historisch belang. Wel kent het gebied archeologische en cultuurhistorische waarden. Onder deze tabel wordt hier nader op ingegaan.
Natura 2000-gebied Zoals in de tabel reeds is benoemd, is de projectlocatie in de nabijheid van een Natura 2000gebied gelegen. Natura 2000-gebieden maken onderdeel uit van het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke dier- en plantensoorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. De voorgenomen ontwikkeling kan mogelijk een effect hebben op de in de nabijheid gelegen Natura 2000-gebieden. Om die reden wordt in het volgende hoofdstuk nader op het aspect ecologie (gebiedsbescherming) ingegaan. Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Over het algemeen geldt dat hoe meer personen zich in een gebied bevinden, hoe meer personen hinder kunnen ondervinden van eventuele nadelige milieugevolgen. Om die reden wordt in het volgende hoofdstuk nader ingegaan op de eventueel nadelige milieugevolgen die de voorgenomen ontwikkeling met zich mee kan brengen. Gebied met een archeologisch en cultuurhistorisch belang De archeologische en cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig aan worden getast en dienen waar nodig te worden beschermd.
Om die reden wordt in het volgende hoofdstuk nader ingegaan op de eventueel nadelige (milieu)gevolgen die de voorgenomen ontwikkeling met zich mee kan brengen.
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 14
3.3.3
Toetsing overige gevoelige gebieden
Naast de gebieden die specifiek zijn genoemd in Bijlage III van de EU-Richtlijn, wordt eveneens getoetst of de projectlocatie gelegen is in gevoelige gebieden op grond van overige nationale of provinciale wet- en regelgeving.
Type gebied
Juridisch kader
Natuurnetwerk Nederland
Provinciale verordening
Weidevogelleefgebied
Provinciale verordening
Stiltegebied Bodembeschermingsgebied
Provinciale verordening Wet milieubeheer Provinciale verordening
Grondwaterbeschermingsgebied
Provinciale verordening
Beschermingszone waterkering
Legger en Keur hoogheemraadschap Amstel, Gooi, Vecht Wet natuurbescherming
Gebied geschikt voor beschermde soorten
Relevantie voor voorgenomen ontwikkeling De projectlocatie maakt geen deel uit van, en ligt niet in de nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De projectlocatie is niet gelegen in of nabij een weidevogelleefgebied. De projectlocatie is niet gelegen in een stiltegebied. De projectlocatie is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied. De projectlocatie is niet gelegen in het grondwaterbeschermingsgebied. De projectlocatie is niet in of in een beschermingszone van een waterkering gelegen. De projectlocatie is mogelijk geschikt voor beschermde soorten. Onder deze tabel wordt hier nader op ingegaan.
Beschermde soorten Op de projectlocatie kunnen zich mogelijk beschermde dier- of plantensoorten bevinden. Om die reden wordt in het volgende hoofdstuk nader op het aspect ecologie (soortenbescherming) ingegaan.
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 15
4
Kenmerken van het potentiële effect
4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de voorgenomen activiteit, waarbij het gaat om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken (kenmerken van het project en plaats van het project). Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het project en de plaats van het project zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling zoals wordt besproken in de navolgende paragrafen is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie en expert-judgement. Dit is aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van de herontwikkeling.
4.2
Te beoordelen aspecten
Uit hoofdstuk 2 blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de sloop van de bestaande bebouwing in het plangebied en de realisatie van zeven woongebouwen in vier tot tien bouwlagen met ruimte voor maximaal 552 appartementen. Uit hoofdstuk 3 blijkt dat de projectlocatie is gelegen in een stedelijke omgeving. Het projectgebied kent daarnaast een beperkt aantal kwetsbaarheden. Het is namelijk in een gebied met een archeologisch en cultuurhistorisch belang gelegen en in de nabijheid gelegen van een Natura 2000-gebied. Daarnaast kan de voorgenomen ontwikkeling op de locatie mogelijk invloed hebben op eventueel voorkomende beschermde soorten in het plangebied. Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken geldt de verwachting dat de ontwikkeling qua aard en omvang een beperkt heeft op de omgeving. De onderdelen die mogelijk wel een effect met zich mee brengen worden hieronder in kaart gebracht en in de navolgende paragrafen nader uitgewerkt. Dit betreffen de onderdelen: Archeologie en cultuurhistorie (paragraaf 4.3) Het plan is gelegen in een gebied met een archeologisch en cultuurhistorisch belang (paragraaf 3.3.2). De voorgenomen ontwikkeling kan hier mogelijk een nadelige invloed op hebben. Verkeer (paragraaf 4.4) Het plan heeft een verkeersaantrekkende werking.
Bij een mogelijke toename aan verkeer kan eventueel sprake zijn van negatieve (milieu)effecten op het gebied van doorstroming en verkeersveiligheid. Geluid(hinder) (paragraaf 4.5) Door de verkeersaantrekkende werking van het plan, kan een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving bij voorbaat niet worden uitgesloten. Luchtkwaliteit (paragraaf 4.6) Een verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van de toename van verkeer is op voorhand niet uitgesloten. Ecologie (paragraaf 4.7) Het project kan mogelijk leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde natuurgebieden en op beschermde flora en fauna-soorten.
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 16
Aspecten waarbij op voorhand geen effecten te verwachten zijn Van de overige (milieu)aspecten wordt op basis van de beoordeling die heeft plaatsgevonden in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Volledigheidshalve worden deze aspecten hieronder kort aangehaald: Bodem De voorgenomen ontwikkeling van woningbouw bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem. Derhalve kan op voorhand geconcludeerd worden dat geen sprake is van negatieve effecten op de bodem. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat uit uitgevoerd verkennend bodemonderzoek(Waders Milieu, juli 2020) en aanvullend verkennend bodemonderzoek (ATKB, oktober 2020) ten behoeve van de realisatie van het voorgenomen plan, blijkt dat op de 'locatie als geheel' (exclusief deellocatie nader onderzoek) kan worden geconcludeerd dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in voldoende mate is vastgelegd en geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling van de locatie en de beoogde functie (wonen). Het aanvullend onderzoek laat zien dat de aangetroffen verontreiniging op basis van visuele waarneming kan worden afgegraven en beperkt van omvang zal zijn.
Externe veiligheid Het project zorgt niet voor een realisatie van een risicovolle inrichting of nieuwe transportroute gevaarlijke stoffen en levert dus geen negatief effect op de veiligheid op. Het projectgebied is op dermate grote afstand van risicobronnen gesitueerd dat externe veiligheid geen belemmering is voor de ontwikkelingen die binnen dit gebied plaatsvinden. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is bovendien gegeven door DGMR (4 augustus 2020). Het aspect externe veiligheid vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Milieuzonering De projectlocatie is te typeren als woongebied. Er wordt voldaan aan de richtafstanden voor dit type gebied. De herontwikkeling van het projectgebied heeft geen nadelige gevolgen voor bestaande bedrijven in de omgeving en vice versa. Aan de overzijde van de Startbaan bevindt zich een veldsportcomplex met verlichting met een richtafstand van 50 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Bezonning en windhinder Het is niet bekend in hoeverre verminderde bezonning of overlast als gevolg van wind kan leiden tot gezondheidsklachten of andere belangrijke nadelige milieugevolgen.
Desondanks is conform de geldende normen voor bezonning (‘Haagse bezonningsnorm’ en ‘lichte TNOnorm’) en windhinder (NEN 8100) door DGMR onderzocht wat de effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn op bezonning en wind. Uit deze onderzoeken blijkt dat de invloed van de voorgenomen ontwikkeling op de omgeving beperkt is. Aan de geldende normen wordt voldaan. Derhalve kan op voorhand geconcludeerd worden dat geen sprake is van significante nadelige (milieu)effecten op de omgeving. Water Het realiseren van woningen leidt in beginsel niet tot mogelijke negatieve effecten op de (grond)waterkwaliteit. Er worden geen uitlogende materialen gebruikt die voor een vervuiling kunnen zorgen. Het afvalwater zal via het vuilwaterriool afgevoerd worden voor centrale zuivering. Hemelwater wordt daar waar mogelijk afgekoppeld. Voor de realisatie van de boogde ontwikkeling zijn watervergunningen benodigd die worden afgegeven door het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Het gaat hier om een vergunning voor het dempen van een deel van het oppervlaktewaterlichaam, graven van een nieuwe waterpartij, het onttrekken van grondwater voor een WKO-installatie (afhankelijk van het te kiezen systeem) en het onttrekken en lozen van water in verband met de aanleg van een
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 17
ondergrondse parkeergarage. In overleg met Waternet worden de uitgangspunten voor het verkrijgen van deze vergunningen besproken. De realisatie van woningen leidt niet tot een significant negatief effect op het aspect water.
4.3
Archeologie
4.3.1
Huidige situatie
De projectlocatie heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ op basis van het paraplubestemmingsplan Archeologie en Cultuurhistorie. De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van gemeente Amstelveen laat zien dat het projectgebied een onbekende archeologische verwachting heeft. De gemeente Amstelveen heeft aangegeven dat een bureauonderzoek dient te worden uitgevoerd, indien grondwerkzaamheden plaatsvinden waarbij de bodemverstoringsoppervlakte meer dan 10.000 m2 is en de bodemverstoring dieper gaat dan 0,30 cm onder maaiveld
4.3.2
Effect ontwikkeling
Hamaland adviesbureau heeft een bureauonderzoek uitgevoerd in het kader van archeologie. Het bureauonderzoek toont aan dat het plangebied een hoge verwachting heeft op archeologische resten uit de prehistorie en het heden. Voor de overige periode bestaat een lage archeologische verwachting. Echter is de bodem reeds verstoord tot een diepte van 10,70 meter. Op 1 juli 2019 is het conceptrapport van het bureauonderzoek door NMF Erfgoedadvies getoetst. In het onderzoek voor de Amstelveenlijn zijn geen bijzonderheden gevonden en derhalve neemt NMF het selectieadvies van Hamaland Advies over om geen verder onderzoek te laten verrichten op de locatie van Startbaan 16. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en levert geen significant negatief milieueffect op.
4.4
Verkeer
4.4.1
Huidige situatie
In de huidige situatie is een kantoorpand aanwezig met een potentiële verkeersaantrekkende werking. Het huidige kantoorgebouw heeft een kantooroppervlakte van circa 21.240 m² BVO. Op basis van CROW kengetallen levert dit een verkeersgeneratie op van circa 1.932 motorvoertuigen per etmaal, die in de ochtend voornamelijk aankomen en in de avond weer vertrekken. Momenteel is er niet of nauwelijks sprake van verkeersgeneratie. 4.4.2
Effecten ontwikkeling
Goudappel Coffeng heeft een verkeersonderzoek uitgevoerd voor de beoogde ontwikkeling. Op basis van het nieuwe programma is berekend wat de effecten zijn op de verkeersafwikkeling op de Startbaan en de kruispunten Van der Hooplaan – Startbaan en Sportlaan - Wimbledonpark. Het onderhavige plan leidt tot wezenlijke veranderingen in de verkeersstromen in de directe omgeving van het plangebied, waarbij ook vanwege de nieuwe/toekomstige woonfunctie (als vervanger van de kantoorfunctie) de verkeersstromen deels omwisselen. De autonome ontwikkelingen hebben echter een veel grotere invloed op het verkeersnetwerk en de verkeersafwikkeling in de omgeving van het plangebied.
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 18
De Startbaan kan het toekomstige verkeer verwerken. Een aandachtspunt zijn de kruispunten 'Startbaan – Van der Hooplaan' in combinatie met 'Beneluxbaan – Van der Hooplaan', en het kruispunt 'Sportlaan – Bovenkerkerweg – Handweg – Noorddammerlaan. Afhankelijk van hoeveel verkeer er daadwerkelijk bij komt op de relevante kruispunten in de omgeving van het plangebied, kunnen er eventueel maatregelen worden getroffen. De ontwikkeling van de hoeveelheid verkeer zal de komende jaren worden gemonitord. Het aspect verkeer vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Tijdens de bouw wordt aandacht besteed aan de bereikbaarheid en verkeersveiligheid voor alle verkeerstromen. De bereikbaarheid en de bouwlogistiek wordt met de verschillende partijen tijdig in het proces afgestemd.
4.5
Geluid
4.5.1 Huidige situatie De eventuele geluidsemissie van het huidige kantoorpand op de projectlocatie blijft beperkt tot het geluid dat de verkeersaantrekkende werking van de functies met zich meebrengt. Het kantoor zelf kent geen geluidsproducerende activiteiten.
4.5.2 Effect ontwikkeling Geluidshinder op bestaande woningen Net als bij het bestaande kantoorgebouw, beperkt de eventuele geluidhinder zich tot het geluid dat de verkeersaantrekkende werking van de functies met zich meebrengt. Woningen zelf kennen geen geluidsproducerende activiteiten. De verkeersgeneratie neemt met de realisatie van de woningen toe ten opzichte van de huidige situatie. Om te bepalen of dit een geluidseffect heeft op de gevels van de bestaande woningen is door DGMR op 22 oktober 2020 een onderzoek verricht. Het gaat hierbij om veranderingen veroorzaakt door een verschil in afscherming en reflectie vanwege het bouwplan. Door middel van een akoestisch rekenmodel is gebleken dat de geluidsbelasting bij de bestaande woningen na de realisatie van het bouwplan met 0 tot 5 dB afneemt. Dit komt met name door de extra afscherming van de omliggende wegen door de nieuwe gebouwen. Hierdoor is geen sprake van een negatief significant effect voor de bestaande woningen als gevolg van het plan. Geluidshinder voor de te realiseren woningen Daarnaast heeft in het kader van de beoogde ontwikkeling een akoestisch onderzoek plaatsgevonden (DGMR, 23 september 2020) naar de geluidsbelasting op de te realiseren woningen.
Hieruit kan geconcludeerd worden dat voor de nieuw te bouwen woningen een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden, met inachtneming van het gemeentelijk geluidsbeleid en de te nemen maatregelen in het kader van de benodigde hogere waarden. Geluidseffecten tijdens bouw De sloop en bouw van de voorgenomen ontwikkeling vindt in een tijdsperiode van circa 2,5 jaar plaats. De bouw zal voldoen aan de eisen volgens artikel 8.3 van het Bouwbesluit. Eventuele tijdelijke geluidsproductie door de werkzaamheden in de aanlegfase zal in zeer beperkte mate additionele geluidhinder veroorzaken Geconcludeerd kan worden dat voor wat betreft het aspect ‘geluid’ geen sprake is van negatieve milieueffecten.
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 19
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1
Huidige situatie
Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn op basis van de NSL-monitoringstool de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10 en PM2,5) bestudeerd. Deze kunnen daarna worden gerelateerd aan de wettelijke grenswaarden, aangezien deze een indicatie geven of sprake kan zijn van een slechte bestaande luchtkwaliteit. In de ‘Wet Luchtkwaliteit’ (Titel 5.2 Wet milieubeheer) zijn wettelijke grenswaarden genoemd voor de betreffende stoffen; die bedraagt voor de jaargemiddelde immissieconcentraties 40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5. tabel 3.
Huidige achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied (bron: nsl-monitoring.nl)
Jaar
GCN-achtergrondconcentratie t.p.v. rekenpunt ID 15853220 NO2 (µg/m3) PM10 (µg/m3) PM2,5 (µg/m3)
2020
20,6
18,3
10,7
Grenswaarden
40
40
25
De NSL Monitoringstool (geraadpleegd d.d. 30 april 2020) laat zien dat ter plaatse van de projectlocatie de grootschalige achtergrondconcentraties in 2020 van stikstofdioxide NO2 20,6 µg/m3, van fijnstof PM10 18,3 µg/m3 en van fijnstof PM2,5 10,7 µg/m3 zijn en daarmee ver onder de grenswaarden liggen. Daarnaast is het in dit kader relevant om op te nemen dat in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM) luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen. In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3).
Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. In de huidige en voorgestane (planologische) situatie wordt onder deze 3% norm gebleven.
4.6.2 Effecten ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de herontwikkeling van de gronden van kantoor naar woningbouw. De ontwikkeling van 552 woningen bevindt zich echter zeer ruim onder de grens van projecten die op grond van de ministeriële regeling ‘niet in betekenende mate’ als ‘NIBM’ worden beschouwd (de ‘grens’ ligt bij een woonbuurt met één ontsluitingsweg op 1.500 woningen). Dit is een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van een betekenisvol negatief milieueffect. Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 20
Daarnaast is in voorgaande subparagraaf aangegeven dat de huidige achtergrondconcentraties ver onder de grenswaarden liggen, waarmee gesteld kan worden dat aan een goed woon- en leefklimaat voldaan kan worden voor de nieuwbouwwoningen in het kader van het aspect luchtkwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat voor wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen sprake is van negatieve milieueffecten.
4.7
Ecologie
4.7.1
Huidige situatie
Het plangebied betreft bebouwd en grotendeels verhard terrein, met een totaaloppervlak van circa 2,5 hectare. Aan de westzijde zijn enkele vierkante meters groen en water aanwezig en langs beide lange zijden staan bomenrijen. Daarnaast is de projectlocatie grotendeels verhard. De voorgenomen werkzaamheden betreffen de sloop van het gebouw in het plangebied ten behoeve van herontwikkeling tot woningen. In de huidige situatie is bebouwing in het plangebied aanwezig, wat momenteel leeg staat. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het gebruik van deze panden nog mogelijk. 4.7.2
Effecten ontwikkeling
Door de toename in verkeersbewegingen en de voorgenomen sloopwerkzaamheden op de locatie, kan de voorgenomen ontwikkeling theoretisch negatieve effecten hebben op de natuur in en rondom het projectgebied. In dat kader is onderzoek gedaan naar de effecten van het plan op de natuur in de vorm van een ecologische quickscan (De Bouwecoloog, 30 mei 2018) en in de vorm van een stikstofdepositieberekening (DGMR, 9 december 2020). De ecologische quickscan is in november 2020 geactualiseerd door De Bouwecoloog. Soortenbescherming Uit de onderzoeken van De Bouwecoloog uit 2018 blijkt dat tijdens het locatiebezoek, op enkele broedvogels na, geen beschermde soorten aangetroffen zijn. Op basis van de quickscan flora en fauna wordt geconcludeerd dat geen beschermde planten en geen vaste rust- of verblijfplaatsen of essentiële leefgebieden van beschermde diersoorten aanwezig zijn in het plangebied. Door het toepassen van de zorgplicht, zoals voldoende rekening houden met het broedseizoen, zal geen overtreding van de Wet natuurbescherming worden begaan. De voorgenomen werkzaamheden zullen hierdoor geen effect hebben op beschermde ecologische waarden. Het onderzoek uit november 2020 laat zien dat de bevindingen uit 2018 nog gelden. Voor de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied is geen nader onderzoek en geen ontheffing op de Wet natuurbescherming nodig.
Gebiedsbescherming In het kader van gebiedsbescherming is door DGMR een stikstofdepositieberekening uitgevoerd om het effect van de voorgenomen ontwikkeling op in de nabijheid gelegen Natura 2000-gebieden te bepalen. Hierbij geldt dat het Natura 2000-gebied “Botshol” het dichtstbij gelegen Natura 2000gebied is. Uit het onderzoek volgt dat: - Uit de berekening volgt dat het plan zowel in de gebruiksfase als in de bouw- en sloopfase geen relevante bijdrage heeft op de stikstofgevoelige natuurgebieden. De berekende depositie voldoet aan de afgeronde grenswaarde van 0,00 mol/ha/jaar
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 21
-
er hiermee geen sprake is van een vergunningplicht onder de Wet natuurbescherming; significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden hierdoor uit te sluiten zijn.
Voorgaande betekent dat er geen sprake is van significant negatieve milieueffecten op beschermde gebieden.
5
Conclusie
Uit de effecten die in deze aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling zijn beschreven, kan geconcludeerd worden dat als gevolg van de voorgenomen herontwikkeling van de gronden behorende bij het planinitiatief voor de realisatie van 552 woningen en een parkeergarage geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. De activiteiten / functies die mogelijk worden gemaakt met voorliggende ontwikkeling zijn, gelet op de kenmerken, plaats van de activiteiten en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage doorlopen dient te worden. Het voorstel is om het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Pagina | 22
Bijlage
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Verkennend bodemonderzoek, Waders Milieu
Pagina | 23
Bijlage
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Aanvullend verkennend bodemonderzoek, ATKB
Pagina | 24
Bijlage
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Externe veiligheid, DGMR
Pagina | 25
Bijlage
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Archeologie, Hamaland
Pagina | 26
Bijlage
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Geluid bestaande woningen, DGMR
Pagina | 55
Bijlage
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Geluid nieuwe woningen, DGMR
Pagina | 56
Bijlage
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Flora en fauna 2018, De Bouwecoloog
Pagina | 57
Bijlage
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Flora en fauna 2020, De Bouwecoloog
Pagina | 58
Bijlage
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Stikstof 2020, DGMR
Pagina | 59
Bijlage
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Bezonning, DGMR
Pagina | 60
Bijlage
Mees Ruimte & Milieu | 18041.02
Windhinder, DGMR
Pagina | 61