13 Toelichting Vaststellen bestemmingsplan ‘Herziening Amstelveen Zuid-Oost 2015 – Landtong’
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan Landtong
pagina 45 van 56
Bij de uitwerking van het technisch ontwerp dient voor de nieuwe woningen te worden onderzocht of de gevel ‘doof’ wordt uitgevoerd of dat er bouwkundige voorzieningen worden aangebracht om het LAr,LT te reduceren tot ten hoogste 55 dB(A). Als voorwaarde kan worden gesteld dat elke woningen minimaal één verblijfsruimte heeft aan een stille zijde waar kan worden gespuid (art. 3.42, lid 1 Bouwbesluit) en dat een binnenniveau van 35 dB(A) wordt geborgd, zoals opgenomen in het Bouwbesluit.
6.7 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (zoals wijzigingen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering: <0000> er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; <0000> een project leidt per saldo niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit; <0000> een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; <0000> een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Vanaf 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. In het NSL zijn alle maatregelen opgenomen die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en tevens zijn ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Overheden zijn gehouden de in het NSL opgenomen maatregelen uit te voeren en kunnen het NSL gebruiken als onderbouwing bij plannen voor de NSLprojecten. Met het NSL laat de Nederlandse overheid zien hoe zij aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit gaat voldoen.
Grenswaarden Voor de beoordeling van de situatie in de omgeving van het plan zijn met name de volgende grenswaarden uit de Wet milieubeheer relevant: <0000> de jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide (NO2) moeten vanaf 2015 voldoen aan de grenswaarde van 40 µg/m3; <0000> voor fijn stof (PM10) geldt vanaf 2011 een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie; <0000> de 24uurgemiddelde waarde voor PM10 mag niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden worden (39 keer als rekening wordt gehouden met de zogenoemde zeezoutaftrek); <0000> voor PM2,5, deeltjes nog kleiner dan PM10, zijn ook grenswaarden vastgesteld. Deze zijn niet strenger dan de huidige norm voor daggemiddelde concentraties van PM10. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Met het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' zoals een school of kinderopvang in de nabijheid van provinciale wegen (binnen 50 meter) en rijkswegen (binnen 300 meter) beperkt. Dat geldt voor nieuwe situaties en bestaande situaties die worden uitgebreid, waarbij sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor NO2 of PM10. De school, het kinderdagverblijf en ook de woningen worden niet gebouwd binnen de eerdergenoemde afstanden.
Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als het niet meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdraagt; concreet betekent dit een bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. Met name NO2 en PM10 zorgen in Nederland nog voor overschrijdingen van grenswaarden, vandaar dat deze grens is gekozen.
Toelichting bestemmingsplan Landtong
pagina 46 van 56
In de Regeling NIBM is een aantal categorieën met maximale groottes aangewezen die NIBM zijn, waaronder woningbouw, kantoren en bepaalde inrichtingen. Als een project binnen de grenzen van deze Regeling valt, is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens de wet niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor fijn stof en NO2. Voor woningen en kantoren komt die 3%grens overeen met de bouw van 1.500 woningen of 100.000 m² b.v.o. kantoren. Bedrijvigheid wordt niet genoemd in het NIBM. Op landelijk niveau leveren fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) knelpunten op. De overige stoffen waaraan getoetst moet worden volgens Wet Luchtkwaliteit voldoen normaliter aan de grenswaarden. De emissie van NO2 wordt voor 95% veroorzaakt door energieverbruik, met name in het verkeer en door de industrie (verbranding). Met behulp van de NIBMtool uit 2019 is bepaald of het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het plan in betekende mate invloed heeft op de luchtkwaliteit. Daarbij is uitgegaan van de de CROW gegevens (publicatie 317).
De verkeersgeneratie bedraagt aldus 800 verkeersbewegingen per dag, waarbij het aandeel vrachtverkeer als worstcase scenario op 1% is gesteld.
Figuur 15: Berekening NIBMtool
Uit deze berekening blijkt dat de extra bijdrage van het verkeer 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit in de omgeving en dus wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16, eerste lid van de Wet milieubeheer. Daarom wordt geconcludeerd dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkeling.
6.8 Natuur en Ecologie Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van soorten en leefgebieden. De wet is een implementatie van Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn). De Wet natuurbescherming beslaat zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming. De wet kent een beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, voor soorten van de Habitatrichtlijn en voor andere soorten. Het komt er onder andere op neer dat soorten niet opzettelijk gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen is verboden. Vrijwel
Toelichting bestemmingsplan Landtong
pagina 47 van 56
alle vogels zijn beschermd ingevolge de Vogelrichtlijn. Habitatrichtlijnsoorten zijn bijvoorbeeld alle vleermuissoorten. Onder de andere soorten vallen bijvoorbeeld de ringslang en grote modderkruiper. Gedeputeerde Staten kunnen in sommige gevallen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen voor de andere soorten. Met betrekking tot de gebiedsbescherming wordt hoofdzakelijk gekeken naar de Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Relevantie plangebied Gebiedsbescherming Natura2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden bepaalde dieren, planten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Op grond van de Wet natuurbescherming zijn Natura2000gebieden beschermd tegen significante negatieve effecten, waaronder de gevolgen van stikstofdepositie. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natura2000 gebied. Het dichtstbijzijnde beschermde natuurgebied "Botshol" is gelegen ten zuidoosten van het plangebied. De afstand tot aan dit Natura2000 gebied is circa 4,5 kilometer.
Uit onderzoek naar de stikstofdepositie ten gevolge van de uitvoering van dit bestemmingsplan, is gebleken dat vanwege de sloop, aanleg en gebruiksfase sprake is van een stikstofdepositie (afgerond op twee decimalen) van 0,00 mol/ha/jaar ter plaatse van het stikstofgevoelige Natura 2000gebied Botshol (zie bijlage 8). Hieruit wordt geconcludeerd dat geen negatieve effecten zijn te verwachten op Botshol ten gevolge van de in dit bestemmingsplan voorziene ontwikkeling. Derhalve is inzake stikstofdepositie geen sprake van vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Het plangebied maakt voorts geen onderdeel uit van Natuur Netwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming Vanwege de voorgenomen sloop van de opstallen en het verwijderen van groen is in 2018 een quick scan flora en fauna uitgevoerd (zie bijlage 9). Uit deze quick scan bleek dat nader onderzoek nodig was naar jaarrond beschermde vogelnesten, vleermuizen en marters. Het nader onderzoek is inmiddels uitgevoerd (zie bijlage 10). Hieruit bleek dat in de bestaande bebouwing 12 zomerverblijfplaatsen en 34 paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aanwezig zijn. Door het slopen van de gebouwen in het plangebied worden dus verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vernield en treedt verstoring op.
Hiermee worden de verbodsbepalingen uit artikel 3.5, tweede lid en artikel 3.5, vierde lid van de Wet natuurbescherming overtreden. Aangezien de verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis niet behouden kunnen blijven, is het noodzakelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen bij de provincie NoordHolland om overtreding van de verbodsbepalingen uit artikel 3.5 te voorkomen. Hiervoor is het "Activiteitenplan ontheffingsaanvraag" opgesteld (zie bijlage 11). Aan een ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals het treffen van mitigerende maatregelen. Anticiperend daarop zijn inmiddels vleermuiskasten opgehangen rondom het plangebied, zodat de vleermuizen een ruime gewenningsperiode en gelegenheid wordt geboden om andere plekken op te zoeken. In de nieuwe gebouwen zullen permanente verblijfplaatsen voor vleermuizen worden geïntegreerd.
6.9 Verkeer en parkeren Autoverkeer De verkeersgeneratie door de scholen wijkt niet af van de huidige situatie. De toevoeging van de voorgestelde 160 middeldure woningen levert een verkeersgeneratie op van gemiddeld 512 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit is een geringe toename in
Toelichting bestemmingsplan Landtong
pagina 48 van 56
vergelijking met de huidige situatie, die goed is op te vangen op het huidige wegennet rondom het plangebied. De straat Landtong kent in de huidige situatie een modelmatige verkeersintensiteit van 1145 motorvoertuigen per etmaal. De etmaalintensiteit op erftoegangswegen (30 km/u) komt bij voorkeur niet boven de 4000 motorvoertuigen per etmaal uit. Een en ander betekent dat de extra verkeersbewegingen ten gevolge van de nieuwbouw goed door het huidige wegennet is te verwerken. Parkeren Op basis van het voorgestelde totale onderwijsprogramma (met 21 groepen en 3 groepen kinderdagverblijf) zijn 50 “Kiss & Rideplekken” nodig en 27 plekken voor het personeel van de school. Het personeel blijft parkeren op de in stand te houden plekken langs de Landtong, terwijl de ouders moeten parkeren in de nieuwe Kiss & Ride zone. Een deel van de Kiss & Rideplekken zou kunnen worden gecombineerd met het schoolplein. Eventueel gedeeltelijk dubbelgebruik met openbaar parkeren voor bewoners is een mogelijkheid, omdat de aan te leggen openbare parkeerplaatsen bij de woningen in de nabijheid van de school voor 50% meetellen als parkeercapacitiet voor de school (functioneel dubbelgebruik conform de Parkeernota). Aldus kan (ruimschoots) worden voorzien in de 50 benodigde Kiss & Ride plekken voor de ouders van de leerlingen van de scholen.
Bij een woningbouwprogramma van 160 middeldure woningen tot 100 m2 bruto vloeroppervlakte woningen wordt gerekend met een norm van 1,0 voor de huurwoningen en 1,4 voor de koopwoningen. Dit komt dit neer op een toevoeging van 196 parkeerplaatsen. Het bestemmingsplan voorziet in door middel van de parkeergarage en het parkeren op maaiveld in voldoende ruimte om deze parkeerplaatsen te realiseren. De fietsparkeernorm voor een basisschool bedraagt 6,2 fietsplekken per 10 leerlingen. Het fietsparkeren kan ongebouwd buiten op eigen terrein of inpandig worden gerealiseerd.
6.10 Water 6.10.1 Beleid en regelgeving Het doel van waterbeheer in Nederland bestaat van oudsher uit het beschermen tegen overstromingen en het ontwateren van laaggelegen gebieden. Door de klimaatverandering is nieuw beleid gemaakt voor deze taken van veiligheid en peilbeheer. Dit vereist mogelijk ruimte vanwege de versterking en verbreding van dijken en waterkerende werken of voor extra waterberging. Een ander doel betreft het zorgen voor schoon en gezond water. Voor schoon water is een goed functionerend watersysteem vereist met voldoende volume en doorstroming. Een ecologische oeverinrichting is wenselijk, maar legt beslag op de ruimte. Grondwater wordt volop benut voor de productie van drinkwater. De laatste jaren ontwikkelt het grondwater zich tot een bron en/of opslagmedium voor warmte. Dit vormt een bijdrage aan de beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen. Efficiëntie van benutting is een van de redenen voor ruimtelijke ordening van de ondergrond. Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water leidt, samen met de dochterrichtlijn Grondwater tot een verbetering en bescherming van de kwaliteit van het oppervlakte en grondwater in de lidstaten. De Kaderrichtlijn voorziet in drie planperiodes. Momenteel is de 2e planperiode, de uitvoering van de 2e generatie stroomgebiedsbeheerplannen door alle lidstaten ter hand genomen.
In 2022 start de 3e en laatste planperiode die in 2027 afloopt. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, hemelwaterverwerking, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijk beleid. Er worden in 2022 opnieuw voor de 3e en laatste planperiode, ecologische en
Toelichting bestemmingsplan Landtong
pagina 49 van 56
fysischchemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterplan In het Nationaal Waterplan 20162021 (NWP2) is het rijksbeleid voor de landelijke en regionale wateren vastgelegd. Het Nationaal Waterplan wordt vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico’s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van onze watersystemen, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen.
Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Ne42 bestemmingsplan Herziening Landgoederen en Groene Gebieden verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen. Bestuursakkoord Water Het bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: <0000> heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; <0000> beheersbaar programma voor de waterkeringen; <0000> doelmatig beheer van de waterketen, <0000> werkzaamheden slim combineren; <0000> het waterschapsbestuur. De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht.
Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie Het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) is een landelijk, gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk. Het versnelt en intensiveert de aanpak van 4 thema’s: wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen. Het is plan is landelijk gepresenteerd op Prinsjesdag 2017. Het DPRA legt de gemeenten direct op om in 2020 over vastgesteld beleid per gemeente te beschikken over de 4 thema’s. In 2050 dienen alle Nederlandse gemeenten “klimaatrobuust” te zijn, d.w.z. alle maatregelen moeten dan zijn uitgevoerd. Het Deltaplan is het leidende plan voor gemeenten voor het opstellen en uitvoeren van klimaatadaptieve inrichting. De voornemens van dit plan worden in nauwe afstemming met waterschappen en andere overheden en met particuliere partijen en inwoners, door de gemeenten ten uitvoer gebracht. In Amstelveen gebeurt dat met een Plan van Aanpak klimaatadaptatie 20192020. Toelichting bestemmingsplan Landtong
pagina 50 van 56
Watervisie 2021 provincie Noord-Holland De Provinciale Watervisie is van kracht sinds 23 december 2015 en geldt tot 2021. Het plan geeft duidelijkheid over de strategische waterdoelen tot 2040 en de acties tot 2021. De volgende doelen worden nagestreefd: <0000> waarborgen van voldoende bescherming van mens, natuur en bedrijvigheid tegen overstromingsrisico’s; <0000> zorgen voor schoon en voldoende drinkwater; <0000> kader stellen voor regionale waterkeringen; <0000> beoordelen versterkingsplannen primaire waterkeringen en bevorderen ruimtelijke kwaliteit; <0000> waterrobuust inrichten bevorderen; <0000> bijdragen aan schoon en voldoende oppervlaktewater; <0000> Zorgen voor schoon en voldoende grondwater. Een belangrijk middel voor het realiseren van deze waterdoelen is het via integrale gebiedsontwikkeling proactief zoeken naar kansrijke combinaties met veiligheid, economie, recreatie, landbouw, milieu, landschap, cultuur en natuur. Het Waterplan heeft voor de ruimtelijke aspecten de status van een structuurvisie op basis van de Wro. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het waterschap van Amstel, Gooi en Vecht. Waterbeheerplan 20162021 (WBP) AGV is de beheerder van de regionale wateren in een gebied van 700 km2, grofweg tussen Amsterdam en Utrecht.
Het waterschap is een overheidsorganisatie, die zorgt voor veiligheid achter de dijken en voor voldoende en schoon oppervlaktewater. Elke zes jaar maakt het waterschap een waterbeheerplan, tegelijkertijd met (en afgestemd op) het Nationale Waterplan van het Rijk en de provinciale waterplannen. In dit Waterbeheerplan beschrijft het waterschap wensbeelden per thema voor 2030, en daaruit afgeleid doelen voor de planperiode 20162021 en een aanpak op hoofdlijnen. Uitgangspunten WBP <0000> samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit; <0000> een klimaatbestendig en waterrobuust gebied; <0000> steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte; <0000> een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid; <0000> water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie; <0000> gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water; <0000> gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen; <0000> vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit; <0000> afstemming over alle watertaken per stroomgebied; <0000> behoud van de zelfstandige bevoegdheid.
Beleidsregels Keur 2019 Sinds 1 november 2019 is een nieuwe Keur AGV 2019 van kracht die meer geënt is op de Omgevingswet en ruimte biedt aan maatwerk. De uitganspunten zijn grotendeels hetzelfde gebeleven als de Keur die op 1 november 2017 in werking is getreden. De Keur is een verordening met wettelijke regels (gebod en verbodsbepalingen) voor: <0000> Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), <0000> Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), <0000> Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een Toelichting bestemmingsplan Landtong
pagina 51 van 56
bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als AGV daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. De Keur is te vinden op de website: www.agv.nl. Verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2015-2020 Amstelveen & Aalsmeer De gemeente is verplicht om op grond van de Wet Milieubeheer over een verbreed gemeentelijk rioleringsplan te beschikken. De gemeente stelt zich tot doel om tot een doelmatige invulling te komen van de drie zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater.
De belangrijkste wettelijke verplichtingen en bevoegdheden van gemeenten op het gebied van de afvalwaterketen en de grondwaterzorgplicht kunnen als volgt worden samengevat: <0000> Dit plan vormt het kader voor de invulling van de zorgplichten op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater; <0000> de gemeente heeft de bevoegdheid voor het heffen van een belasting ter bekostiging van de genoemde zorgplichten; <0000> de gemeente heeft de mogelijkheid om bij verordening regels te stellen met betrekking tot het lozen van afvloeiend hemelwater en grondwater; <0000> bestuursorganen (in het bijzonder gemeenten en waterschappen) moeten bij opstellen en uitvoeren van beleid met betrekking tot afvalwater rekening houden met een in de wet vastgestelde voorkeursvolgorde. Er worden 5 hoofddoelen onderscheiden, die ten grondslag liggen aan de rioleringszorg: 1. duurzame bescherming volksgezondheid: <0000> de aanleg en het beheer van voorzieningen voor de inzameling en het transport van afval en hemelwater bewerkstelligen dat verontreinigd water uit de directe leefomgeving wordt verwijderd; 2. voorkomen van wateroverlast: <0000> ten gevolge van hemelwater.
De riolering zorgt, daar waar nodig, voor de afwatering van de bebouwde omgeving en voorkomt overlast door naast het afvalwater van huishoudens en bedrijven, daar waar nodig, ook het hemelwater van pleinen, daken, wegen en dergelijke in te zamelen en af te voeren; <0000> ten gevolge van grondwater. Grondwater vormt geen structurele belemmering voor de bestemming van een gebied. Grondwaterstanden in de openbare ruimte vormen geen belemmering voor particuliere percelen; 3. duurzame bescherming van natuur en milieu: <0000> door de aanleg van riolering of individuele afvalwatersystemen wordt de directe ongezuiverde lozing van water op bodem of oppervlaktewater voorkomen; <0000> het overstortwater vormt geen belemmering voor de gestelde ambities voor het oppervlaktewater; 4. voorkomen van hinder door: <0000> geur; <0000> geluid; <0000> werkzaamheden; 5. toekomstgerichte (afval)waterketen en grondwatersysteem: <0000> klimaatadaptatie; <0000> afkoppelen; <0000> nieuwe sanitatie Leidraad Inrichting Openbare Ruimte In Amstelveen is de LIOR door het College van B&W in maart 2018 vastgesteld. In de LIOR is een standaardniveau beschreven voor de AA gemeenten voor de inrichting en voorzieningen in de openbare ruimte. Het standaardniveau is gebaseerd op alle wettelijke eisen, regels en normen die van toepassing zijn op inrichting en voorzieningen.
Toelichting bestemmingsplan Landtong
pagina 52 van 56
Het doel van de LIOR is beheerbaarheid van de inrichting en de voorzieningen in de openbare ruimte in de toekomst. De LIOR wordt daarom geacht zowel intern te worden gebruikt als wel door externen die werken in de openbare ruimte in de AA gemeenten. De LIOR is geen monoliet. Het is een levend document en wordt bijgesteld indien veranderingen invloed hebben op de inhoud van de LIOR. Denk aan veranderingen in wettelijke eisen en regels, technische innovaties, of nieuwe processen en producten. 6.10.2 Relevantie plangebied Op het plangebied is de Keur van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) van toepassing. Waternet voert alle waterbeheertaken van AGV uit. Op 19 maart 2020 heeft Waternet namens AGV desgevraagd advies uitgebracht over het voorliggende plan. Dat advies is in deze paragraaf verwerkt. Watercompensatie Bij de beoogde ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met het beleid van het AGV. Een van de beleidsregels betreft het aanleggen van verhard oppervlak. Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het gebied van aanleggen van verhard oppervlak waardoor hemelwater niet in de bodem kan infiltreren. Deze beleidsregels gelden voor situaties met aanleg van verhard oppervlak van meer dan 1.000 m2.
In de keur is bepaald, dat bij nieuwe bebouwing en aanleg van nieuwe verharding naast de bestaande wateroppervlakte extra open water zal worden toegevoegd ter grootte van 10% van die verharding. Dat houdt in dat bij iedere nieuwbouwontwikkeling voldoende oppervlaktewater gerealiseerd moet worden. Deze uitbreiding kan niet alleen in de openbare ruimte gezocht worden, maar zal bij voorkeur (in ieder geval gedeeltelijk) op eigen terrein opgelost moeten worden. Na vergelijking van het bestaande (figuur 16) en toekomstige plan (figuur 17), blijkt dat er 334 m2 extra verhard oppervlak (verharding) wordt gerealiseerd. In totaal zal 15.672 m2 verhard oppervlak, 10.514 m2 onverhard oppervlak en 2.330 m2 oppervlaktewater aanwezig zijn binnen de plangrens in de nieuwe situatie. Omdat de extra verharding minder bedraagt dan 1.000 m2, is het niet vereist extra open water toe te voegen. Door de toename van het verhard oppervlak met 334 m2 verdient het wel de voorkeur om extra waterberging te realiseren van minimaal 33,4 m2 oppervlaktewater.
Toelichting bestemmingsplan Landtong
pagina 53 van 56
Figuur 16: grondgebruik huidige situatie
Figuur 17: grondgebuik nieuwe situatie
Watersysteem en onderhoud In of aan de rand van het plangebied bevinden zich geen waterkeringen waarmee rekening moet worden gehouden.
Toelichting bestemmingsplan Landtong
pagina 54 van 56
Ten noorden en ten oosten van het gebied liggen twee primaire watergangen. Deze beide primaire watergangen hebben een standaardleggerprofiel met een breedte van 3 meter op de waterlijn van NAP – 5,37 m, een waterbodemdiepte van 0,6 meter, een waterbodembreedte van 1,2 meter op NAP – 5,97 m en onderwatertaluds van 1:1,5. Het is een watersysteem nabij een terrein waar veel verhard oppervlak en dus versnelde afstroming is. Het primaire water wordt door Waternet onderhouden en moet daarom aan de eisen voldoen die staan beschreven in het Leidraad Ontwerp nieuwe waterinfrastructuur. Mocht een primaire watergang moeten worden verbreed, dan is onderzoek noodzakelijk naar het risico voor opbarsting van watergangen. De noordelijke primaire watergang wordt handmatig onderhouden en deze manier van onderhouden is niet duurzaam. Door de nieuwe inrichting van dit perceel kan alsnog een onderhoudspad worden gerealiseerd conform de Leidraad Ontwerp nieuwe waterinfrastructuur om in de toekomst per tractor met maaikorf de watergang te kunnen onderhouden. Aan de oostzijde van het plangebied is een brug gepland over de oostelijke primaire watergang. De afvoer van het watersysteem mag niet worden belemmerd. Daarbij is de brug alleen toegestaan als dit kunstwerk niet leidt tot een wijziging van het onderhoudsregime met tractor met maaikorf.
Grondwater De ontwikkeling van van het plan mag geen negatieve effecten hebben op de kwaliteit van het grondwater en het grondwaterstandsgedrag: <0000> fundamenten van gebouwen, woningen en wooncomplexen moeten waterdicht gebouwd zijn, zodat grondwaterproblemen in woningen niet meer zullen voorkomen <0000> Alleen hemelwater mag in de grond infiltreren. Waterkwaliteit <0000> Bomen langs watergangen zijn in beginsel ongewenst in verband met bladval in de watergang en de nutriënten die daarbij vrijkomen. Voor de waterkwaliteit geldt vanwege de KRWwetgeving een gezamenlijke verplichting deze te verbeteren. Door de herontwikkeling van het gebied mag geen achteruitgang optreden. <0000> Hemelwater wordt waar mogelijk eerst vastgehouden in het gebied, voordat het wordt afgevoerd. Hierbij kan worden gedacht aan infiltratiekratten in de ondergrond, wadi’s, een vijver met afwateringsduiker of extra open wateroppervlak. Het hangt van het type gebouw af of het hemelwater zonder voorbehandeling mag worden geloosd op het oppervlaktewater. Klimaatadaptatie Klimaatadaptieve maatregelen moeten bijdragen aan de lokale hydrologische optimalisatie van het plangebied. Minimaal moet rekening worden gehouden met het goed kunnen (blijven) verwerken van regenbuien van 70 mm per 1 m2 in 1 uur om overlast te voorkomen.
De maatregelen zijn er op gericht dat: <0000> Hemelwater zoveel mogelijk infiltreert in de grond, waardoor zowel wateroverlast als droogte worden tegengegaan (maximaal bufferen) en overbelasting van riolering wordt tegengegaan. Het effect op het verminderen van wateroverlast zal het sterkst zijn. Het toepassen van geschikte vormen van waterpasserende verhardingen hebben prioriteit. <0000> Extra bomen bijdragen aan vermindering van toenemende hittestress. Daarvoor kunnen ook geschikte vormen van groene gevels worden ingezet. <0000> De openbare riolering wordt geheel gescheiden uitgevoerd. Alle bebouwing levert gescheiden het afvalwater en het hemelwater aan. Overstromingsrisico Toelichting bestemmingsplan Landtong
pagina 55 van 56
Het plangebied ligt op een plek waar het aandeel overstromingen resulterend in een diepte van 2050 cm gezamenlijk 50% of groter is. Het verdient aanbeveling hiermee rekening te houden en de kavels en het terrein zo in te richten dat 50 cm water tot zo min mogelijk schade leidt.
Toelichting bestemmingsplan Landtong
pagina 56 van 56