06 Bijlage 03 BP - Bodemonderzoek Startbaan 16
Tekst van het document
VERKENNEND- EN NADER BODEM- EN ASBEST IN GRONDONDERZOEK Startbaan 16 Amstelveen kenmerk Waders Milieu BV: 20407001A
VERKENNEND- EN NADER BODEM- EN ASBEST IN GRONDONDERZOEK Startbaan 16 Amstelveen kenmerk Waders Milieu BV: 20407001A
opdrachtgever:
Vastbouw BV te Rijssen
datum rapport:
2 juli 2020
kenmerk:
20407001A
status:
Definitief
uitgevoerd door:
Waders Milieu BV
projectleider:
H.D. Verhave | verhave@wadersmilieu.nl
rapporteur:
A.G. van Gent - Blankesteijn MSc.
autorisatie:
ing. J.J. van Beek
Waders Milieu BV | Coenecoop 3c3 | 2741 PG Waddinxveen | 0182-244500 | info@wadersmilieu.nl
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING ........................................................................................................... 5
2
VOORONDERZOEK ................................................................................................ 6 2.1 Werkwijze ................................................................................................... 6 2.2 Resultaten vooronderzoek ............................................................................. 6 2.2.1 Onderzoekslocatie .............................................................................. 6 2.2.2 Omgeving.......................................................................................... 8 2.3 Hypothese en onderzoeksopzet verkennend onderzoek ..................................... 9
3
VERKENNEND BODEMONDERZOEK ........................................................................ 11 3.1 Veldonderzoek ............................................................................................ 11 3.1.1 Uitvoering ........................................................................................ 11 3.1.2 Resultaten ........................................................................................ 11 3.2 Laboratoriumonderzoek ............................................................................... 12 3.2.1 Uitvoering ........................................................................................ 12 3.2.2 Analyseresultaten .............................................................................. 14 3.3 Interpretatie............................................................................................... 16
4
NADER ONDERZOEK KOPER, NIKKEL EN ZINK ......................................................... 17 4.1 Conceptueel model nader bodemonderzoek .................................................... 17 4.1.1 Opzet veld- en laboratoriumonderzoek ................................................. 17 4.2 Veldonderzoek ............................................................................................ 18 4.2.1 Uitvoering ........................................................................................ 18 4.2.2 Resultaten ........................................................................................ 18 4.3 Laboratoriumonderzoek ............................................................................... 18 4.3.1 Uitvoering ........................................................................................ 18 4.4 Analyseresultaten ....................................................................................... 19
5
VERONTREINIGINGSSITUATIE............................................................................... 22 Aard, mate, omvang en ligging ..................................................................... 22 Oorzaak en tijdstip ontstaan ......................................................................... 22
6
ASBEST IN GRONDONDERZOEK ............................................................................ 23 6.1 Uitvoering veldonderzoek ............................................................................. 23 6.2 Resultaten ................................................................................................. 23 6.3 Uitvoering laboratoriumonderzoek ................................................................. 23 6.4 Analyseresultaten ....................................................................................... 24
7
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ......................................................................... 25 7.1 Algemeen .................................................................................................. 25 7.2 Conclusies algemeen ................................................................................... 25 7.3 Asbest in grondonderzoek ............................................................................ 25 7.4 Conclusies koper, nikkel en zink verontreiniging ............................................. 25 7.5 Aanbevelingen ............................................................................................ 26
Verkennend bodemonderzoek
BIJLAGEN 1 | Documenten vooronderzoek en foto’s 2 | Boorprofielen met legenda en verklaring onafhankelijkheid uitvoering veldwerk 3 | Analysecertificaten 4 | Toetsing analyseresultaten 5 | Certificaat en toetsing bouwstoffen 6 | Achtergrondinformatie 7 | Kadastrale kaart en tekening
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
4
Verkennend bodemonderzoek
1
INLEIDING
In opdracht van Vastbouw BV is door Waders Milieu BV in de periode mei en juni 2020 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Aanleiding Aanleiding tot het uitvoeren van het onderzoek is de aanvraag van een omgevingsvergunning. Men is voornemens ter plaatse van de onderzoekslocatie het huidige kantoorpand te slopen en nieuwbouw van woningen met een parkeerkelder te realiseren. Normering en verantwoording Voorafgaand aan het veld- en laboratoriumonderzoek is vooronderzoek uitgevoerd volgens de NEN 57251, aanleiding A2. Het aansluitend uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is gebaseerd op de NEN 57403. Het asbest in grondonderzoek is gebaseerd op de NEN5707 4. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek NEN 5740 heeft aanvullend nader bodemonderzoek plaatsgevonden naar een verontreiniging met koper, nikkel en zink in de vaste bodem. Het nader onderzoek is uitgevoerd op basis van het gestelde in de NTA 57555. Doelstelling Het doel van het vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit. Een nadere uitwerking van deze doelstelling is omschreven in paragraaf 2.3.
Het doel van het nader bodemonderzoek is het vaststellen van de aard, omvang en ligging van de verontreiniging met koper, nikkel en zink in grond tot op het gewenste detailniveau. Indeling rapport In de rapportage worden de wijze van uitvoering en de resultaten van het onderzoek besproken. Op de volgende pagina’s geven wij de resultaten van het vooronderzoek en het veld- en laboratoriumonderzoek weer. Het rapport sluit af met conclusies en aanbevelingen. Verantwoording Dit onderzoek is uitgevoerd met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor opgestelde normen en richtlijnen. Desondanks dient opgemerkt te worden dat een bodemonderzoek slechts bestaat uit een steekproef, waarbij een relatief gering aantal boringen en analyses uitgevoerd worden. Het kan niet geheel uitgesloten worden dat op de locatie een verontreiniging aanwezig is, die bij dit onderzoek niet aangetroffen is. Een onderzoek heeft over het algemeen een geldigheid van maximaal vijf jaar. De exacte geldigheidstermijn is afhankelijk van het gebruik van de locatie en het bevoegd gezag dat het onderzoek beoordeelt. Tenslotte wordt opgemerkt dat Waders Milieu BV (en het zusterbedrijf PJ Milieu BV, onder wiens certificaat het veldwerk is uitgevoerd) geen financieel of zakelijk belang heeft bij de kwaliteit van de onderzochte locatie. 1 2
3 4 5
NEN 5725, Bodem. Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, Delft 2017 De (verplicht) te onderzoeken aspecten worden in de NEN 5725 afhankelijk gesteld van de aanleiding van het onderzoek. Aanleiding A is als volgt geformuleerd: opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek NEN 5740+A1, Bodem. Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, Delft 2016 NEN 5707, Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, Delft 2017 Nederlandse Technische Afspraak 5755: 2010. Bodem–Landbodem. Strategie voor het uitvoeren van nader Onderzoek – Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
5
Verkennend bodemonderzoek
2
VOORONDERZOEK
2.1
Werkwijze
Het vooronderzoek heeft betrekking op de onderzoekslocatie en de omgeving. De volgende bronnen zijn geraadpleegd: het Kadaster; de opdrachtgever; de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (NZKG); het Bodemloket en Topotijdreis.nl; de Grondwaterkaart van Nederland, de Bodemkaart van Nederland en/of het DINOloket. Voorafgaand aan de uitvoering van het bodemonderzoek zijn de onderzoekslocatie en de omgeving geïnspecteerd. Voor de resultaten van het vooronderzoek wordt verwezen naar de (lucht)foto op de voorpagina en de bijlagen 1 en 7. Onder bijlage 1 zijn opgenomen: een foto-impressie; het omgevingsdienstrapport en; samenvatting bodemonderzoeksrapport van Tauw. Onder bijlage 7 zijn opgenomen: een kadastrale kaart; een situatietekening. In paragraaf 2.2 wordt het één en ander verwoord en geïnterpreteerd weergegeven. Daarnaast wordt relevante aanvullende informatie verstrekt. 2.2
Resultaten vooronderzoek
2.2.1 Onderzoekslocatie Topografische en algemene gegevens Enkele (topografische) gegevens van de onderzoekslocatie zijn weergegeven in tabel 2. Tabel 1
Topografische en algemene gegevens locatie
Algemeen Adres onderzoekslocatie
Startbaan 16, Amstelveen
Gemeente
Amstelveen
Kadastrale aanduiding
Gemeente Amstelveen, sectie M, perceel 5064
Artikel 55
Ten aanzien van dit perceel is geen aantekening in het kader van het artikel 55 Wet bodembescherming opgenomen, hetgeen inhoudt dat bij het Kadaster geen bodeminformatie is geregistreerd
Oppervlakte perceel/ onderzoekslocatie
24.906 m²
X-coördinaat
118.147
Y-coördinaat
477.803
Huidig gebruik Op de Startbaan 16 is een kantoorpand met parkeerterrein en -garage gesitueerd. De locatie is grotendeels voorzien van een klinker- en tegelverharding. Tijdens de visuele inspectie van 20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
6
Verkennend bodemonderzoek
de locatie zijn geen bodembedreigende activiteiten aangetroffen. Te denken valt hierbij aan (ondergrondse) brandstoftanks of een relevante opslag van vloeistoffen. De locatie maakt een verzorgde indruk. In bijlage 7 is een situatietekening opgenomen. Historisch gebruik Voor zover bekend hebben op de locatie, geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Wel is de locatie meerdere malen herontwikkeld. In de historische situatie was op de grens met de uiterste noordwest zijde van het perceel agrarische bebouwing aanwezig. Tussen 1981 en 1987 heeft centraal westelijk op de locatie een gebouw gestaan welke in 1993 niet langer zichtbaar is op de beschikbare kaarten. Het westelijke gedeelte van het huidige gebouw is in 1988 gebouwd. In 1993 is het huidige gebouw uitgebouwd richting het oosten. Uit de website topotijdreis.nl blijkt het volgende: Aan de westzijde van de locatie is vanaf circa 1894 bebouwing aanwezig geweest; de omgeving is sinds circa 1980 bebouwd, hiervoor was het in gebruik als polder; de huidige bebouwing is uit 1985. Tot 1980 waren er op de locatie meerdere sloten op de locatie aanwezig. Deze zijn rond 1980 gedempt (zie bijlage 7). Er zijn geen aanwijzingen dat de sloten zijn gedempt met niet gebiedseigen grond. Tevens is er aan de westzijde van de onderzoekslocatie, richting de bovenkerkerweg een verhoging/dijk aanwezig geweest.
In de huidige situatie is er een verschil in maaiveld van circa 2,5 meter, onzeker is of dit in het verleden meer is geweest. Eerder uitgevoerd onderzoek Op de locatie is in 1989 een indicatief- en aanvullend onderzoek uitgevoerd door Tauw Infra Consult B.V. met rapportnummer 3106071. Hier wordt geen informatie over de historie van het gebied beschreven. Tijdens het indicatief onderzoek zijn in de bovengrond (0 – 1,0 mmv) licht tot matig verhoogde gehalten nikkel, koper, lood, zink, PAK en minerale olie aangetoond (getoetst aan de destijds geldende waarden). In het mengmonster van het westelijke terreindeel (nabij boring 104/ 107 in huidig onderzoek) zijn een sterke verontreiniging met nikkel, matige verontreiniging met koper en lichte verontreinigingen met lood en zink aangetoond. Derhalve is bij het aanvullend onderzoek dit mengmonster uitgesplitst. Ter hoogte van de huidige boring 104 zijn in het aanvullend onderzoek lichte verontreinigingen met koper, lood en zink aangetoond in de bovengrond (0 – 1,0 m-mv). In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten fenolen, nikkel, arseen en zink aangetoond. Ook zijn bijmengingen aangetroffen aan puin, sintels, gravel, glas en steengruis. Dit maakt de grond asbestverdacht.
Toekomstig gebruik Men is voornemens ter plaatse van de onderzoekslocatie het huidige kantoorpand te slopen en nieuwbouw van woningen met een parkeerkelder te realiseren. Asbest Om vast te stellen of de bodem van de locatie op voorhand verdacht is op aanwezigheid van asbest, zijn de volgende acties uitgevoerd: raadplegen voorgaande onderzoeken; globaal inspecteren van de locatie (maaiveld en gebouwen); bestuderen luchtfoto’s; verzamelen informatie over ophogingen, dempingen en/of stort afval of puin. De genoemde werkzaamheden hebben geleid tot de hypothese ‘asbestverdachte locatie’. In voorgaand bodemonderzoek zijn bijmengingen aangetroffen aan puin, sintels, gravel, glas en steengruis. De aanwezigheid van ‘puin’ maakt de grond asbestverdacht.
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
7
Verkennend bodemonderzoek
2.2.2 Omgeving Definiëring omgeving De omgeving wordt gedefinieerd als de onderzoekslocatie en de directe omgeving tot een afstand van maximaal 25 meter. Gebruik De onderzoekslocatie is gelegen in een gebied welke gebruikt wordt als kantoor-, recreatieen woongebied. Voor zover bekend blijft dit gebruik ongewijzigd. Bodembedreigende activiteiten Van de directe omgeving zijn geen relevante gegevens bekend met betrekking tot (voormalige) bodembedreigende activiteiten. Bodeminformatie Van de omgeving, startbaan 12, zijn enkele bodemonderzoeksrapporten bekend. In tabel 3 zijn relevante gegevens uit deze rapporten beknopt weergegeven. Tabel 2
Voorgaande bodemonderzoeken
Startbaan 12 Type onderzoek
Partijkeuring grond
Onderzoeksbureau
Omegam
Datum rapport
20-06-1996
Kenmerk rapport
11042024
Aanleiding
Civieltechnisch
Conclusie
Zintuiglijke waarnemingen: Geen bijzonderheden. Grondsoort: Zand. Bovengrond: Geen overschrijdingen. Ondergrond: Niet bemonsterd. Grondwater: Niet bemonsterd. Bijzonderheden: Exacte ligging onduidelijk. In verband met uitbreiding fietsenstalling is de te ontgraven grond onderzocht.
Type onderzoek
Verkennend onderzoek NEN 5740
Onderzoeksbureau
Wareco
Datum rapport
30-01-2013
Kenmerk rapport
BE24 RAP20130109
Aanleiding
Transactie
Conclusie
Hypothese: Op basis historisch onderzoek hypothese onverdacht. Zintuigelijke waarnemingen: lichte olie-waterreactie Bovengrond: Zn, Hg>AW Ondergrond: geen verontreiniging Grondwater: Ba>S (van nature in verhoogde gehaltes in West-Nederland) Asbest: niet onderzocht Conclusie rapport: geen belemmeringen transactie - geval?: geen ernstig geval bodemverontreiniging
Type onderzoek
Asbest onderzoek NEN 5707
Onderzoeksbureau
Grondslag
Datum rapport
06-05-2015
Kenmerk rapport
23250
Aanleiding
Sloop asbesthoudend gebouw
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
8
Verkennend bodemonderzoek
Conclusie
Plaatselijk is in een sleuf hechtgebonden asbest (1 stukje plaatmateriaal) aangetroffen in de bovengrond. Het asbestgehalte (toetswaarde) ligt beneden de achtergrondwaarde (1,7 mg/kg d.s.). Er is geen asbest in de fijne fractie aangetroffen. De asbestverontreiniging ter plaatse van RE 8 betreft géén ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’ in het kader van de Wet Bodembescherming. In de overige gegraven sleuven, waar in de bovengrond tot een diepte van circa 0,5 m-mv sporen baksteen, beton en plastic aanwezig zijn, is visueel en analytisch geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.
Bodemopbouw en geohydrologie De locatie is opgenomen in rapport GWK 24 en gelegen op kaartblad 25 oost. Regionaal bestaat de bodem tot 10 meter min maaiveld (m-mv) uit zand, klei en veen. De regionale grondwaterstroming is zuidwestelijk gericht. De onderzoekslocatie bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Achtergrondgehalten De regio Amstelland beschikt over een (regionale) bodemkwaliteitskaart. De uitkomsten van het onderzoek kunnen met de in deze kaart genoemde achtergrondgehalten worden vergeleken. Over het algemeen vindt dit echter alleen plaats als in de grondmonsters matig of sterk verhoogde gehalten zijn aangetoond. 2.3
Hypothese en onderzoeksopzet verkennend onderzoek
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt verwacht dat de locatie een ophooggeschiedenis heeft en dat er sprake is van aanwezigheid van bodemverontreiniging (verdachte locatie). Bovendien is de locatie verdacht ten aanzien van asbest. Het verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek wordt uitgevoerd conform respectievelijk de NEN 5740 en de NEN 5707. Het algemene doel van een verkennend bodemonderzoek is: het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit. Formeel (volgens de NEN 5740) is de doelstelling in deze situatie als volgt: Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is het bepalen van de aard van de heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming. Tevens wordt vastgesteld of de concentraties van de vermoede verontreinigende stof in de grond en het freatische grondwater boven respectievelijk de achtergrondwaarde en de streefwaarde worden aangetroffen. Het doel van het verkennend asbest in grondonderzoek is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op verontreiniging van de bodem met asbest terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem. Op de locatie (oppervlakte 24.900 m²) zijn geen deellocaties te onderscheiden. De gedempte sloten zijn naar alle waarschijnlijkheid gedempt met gebiedseigen grond.
Onder het gebouw (oppervlakte 7.500 m²: onderkelderd) vinden geen boringen plaats en dit terreindeel wordt niet meegenomen in het onderzoek naar asbest in grond NEN-5707. In de onderstaande tabellen zijn de gehanteerde onderzoeksstrategie (NEN-5740 en NEN-5707) en het daarop gebaseerde veld- en laboratoriumwerkzaamheden schematisch weergegeven.
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
9
Verkennend bodemonderzoek
Onderzoeksstrategie en veld- en laboratoriumonderzoek
Tabel 3
Onderzoeksstrategie voor een verdachte niet-lijnvormige locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging (VED-HE-NL) met een oppervlakte van 24.900 m² (NEN5740) / 17.400 m² (NEN5707) Veldonderzoek Aantal gaten/boringen en peilbuizen
Laboratoriumonderzoek Aantal (meng)monsters
Gaten tot
Boring
èn boring tot
èn boring met
0,5 m
tot 0,5 m
grondwater
peilbuis
30 **
31
7
3
Grond Asbest
Grondwater Grond
5
9*
3
Asbest in grond
Standaardpakket bodem6
Standaardpakket grondwater7
4x PFAS * = er zijn 2 extra analyses opgenomen. Gezien de resultaten van het onderzoek uit 1989 worden verhoogde gehalten metalen verwacht. Het is niet uit te sluiten dat meer analyses nodig zijn. Waar mogelijk op basis van zintuiglijke waarnemingen worden in afwijking van de strategie VED-HE meer dan 4 monsters gemengd. ** waarvan tenminste 6 tot in de onderzijde verdachte laag (ongeroerde ondergrond; evenredig verdeeld over het terrein)
Indien (massieve) lagen met bodemvreemd materiaal (niet zijnde grond) worden aangetroffen wordt hiervan tevens de kwaliteit bepaald. De chemische kwaliteit wordt getoetst aan de normwaarden voor niet-vormgegeven bouwstoffen (samenstellingsonderzoek) teneinde de hergebruiksmogelijkheden vast te stellen. Indien (ongedefinieerd/ bouw)puin of asbestverdacht materiaal wordt waargenomen wordt het materiaal aanvullend bemonsterd en geanalyseerd op asbest. De grond is niet expliciet verdacht op de stofgroepen PFAS en/of GenX. Toch dient op verzoek van de opdrachtgever analyse plaats te vinden op PFAS conform het Handelingskader PFAS.
6
7
Droge stof, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, nikkel, lood en zink), minerale olie (GC), PAK (10) en PCB (7). Bij enkele representatieve (meng)monsters wordt tevens het lutum- en organische stofgehalte bepaald Metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, nikkel, lood en zink), aromaten (BTEXN), styreen, VOCL (11), vinylchloride, 1,1 dichlooretheen, chloorpropanen (3), bromoform en minerale olie (GC)
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
10
Verkennend bodemonderzoek
3
VERKENNEND BODEMONDERZOEK
3.1
Veldonderzoek
3.1.1 Uitvoering Het veldonderzoek is uitgevoerd door minimaal 1 gecertificeerd persoon onder de kwaliteitsborging en het certificaat van PJ Milieu BV (bijlage 2, verklaring onafhankelijkheid uitvoering veldwerk) conform de Beoordelingsrichtlijn voor het SIKB-procescertificaat voor veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek (BRL SIKB 2000) en de protocollen 20018 en 20029. Op 19, 26 en 28 mei 2020 is het veldwerk uitgevoerd als omschreven in paragraaf 2.3. De verrichte boringen en de geplaatste peilbuis zijn gecodeerd vanaf nr. 1. Het grondwater is bemonsterd op 19 en 27 mei 2020. Gelijktijdig zijn de stand, de zuurgraad (pH), het geleidingsvermogen (ec) en de troebelheid van het grondwater bepaald. De situering van de boorpunten is aangegeven op de tekening (bijlage 7). Een uitgebreide omschrijving van de onderzoeksmethodiek is opgenomen in bijlage 5. 3.1.2 Resultaten In bijlage 2 is van elke boring een boorprofiel opgenomen. De globale bodemopbouw van de locatie is in tabel 5 omschreven. Globale bodemopbouw onderzoekslocatie
Tabel 4
Traject (m-mv)
Lithologische beschrijving
0,0 – 0,09
Klinker of tegel
0,09 – 0,4
Zwak siltig, matig fijn zand
0,4 – 1,4
Zwak siltig, matig fijn tot matig grof zand of matig zandige, zwak humeuze klei
1,4 – 2,0
Zwak zandige (zwak humeuze) klei
m-mv
=
meter minus maaiveld
Zintuiglijke waarnemingen vaste bodem Bij de uitvoering van het veldwerk zijn bij ongeveer de helft van de boringen slakken aangetroffen van sporen tot volledig in het traject 0,2 tot 0,9 m-mv. De slakkenhoudende grond is plaatselijk tevens sporen betonhoudend. De bijmengingen met (sporen) slakken zijn met name aangetroffen op het oostelijke terreindeel. Tevens zijn zeer plaatselijk brokken hout, baksteen en keramiek aangetroffen. De bijmengingen zijn in het veld zintuiglijk op asbest onderzocht en worden niet als asbestverdacht beschouwd. Op het maaiveld en in het omhoog gebrachte materiaal zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De massief slakkenhoudende lagen zijn met name aangetroffen in het traject van 0,4 à 0,7 tot maximaal ca. 0,9 m-mv ter hoogte van: De noordwestzijde van de bebouwing De oost- en zuidoostzijde van de bebouwing Deze bodemlagen niet zijnde grond kunnen niet als grond worden beoordeeld en worden derhalve ook niet als zodanig onderzocht. De slakken worden als funderingslaag aangemerkt. 8
9
Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen Het nemen van grondwatermonsters
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
11
Verkennend bodemonderzoek
Boringen 26, 27, 30, 33 en 39 zijn gestuit in een laag van uiterst/massief slakken Boringen 30 en 112 zijn gestuit op een ondergrondse betonplaat of kelder. Grondwaterstand, zuurgraad, geleidingsvermogen en troebelheid In tabel 6 zijn de resultaten van de veldmetingen aan het grondwater schematisch weergegeven. Tabel 5
Veldmetingen grondwater
Peilbuis
Datum monstername
Pb1-1-1 Pb3-1-1 Pb4-1-1
Grondwaterstand (m-mv)
Zuurgraad (-)
Geleidbaarheid (µS/cm)
Troebelheid (NTU)
19 mei 2020
0,8
8,07
1.158
33,3
27 mei 2020
1,01
7,95
1.129
32
27 mei 2020
0,94
8,25
1.329
37,6
De in tabel 6 genoemde waarden aan zuurgraad en geleidbaarheid kunnen als normaal beschouwd worden. De troebelheid is hoger dan 10 NTU. Ondanks goed voorpompen en een laag afpompdebiet is geen helder watermonster verkregen. Dit kan van invloed zijn op de analyseresultaten. Zintuiglijke waarnemingen grondwater In tabel 7 zijn de zintuiglijke waarnemingen bij de watermonstername schematisch weergegeven. Tabel 6
Zintuiglijke waarnemingen grondwater
Peilbuis
Bijzonderheden
Goed-/slechtlopend
Belucht
Pb1-1-1
Geen
Goedlopend
Niet belucht
Pb3-1-1
Geen
Goedlopend
Niet belucht
Pb4-1-1
Geen
Goedlopend
Niet belucht
3.2
Laboratoriumonderzoek
3.2.1 Uitvoering De verzamelde monsters zijn ter analyse aangeboden aan het RvA-geaccrediteerde laboratorium Eurofins Analytico Milieu B.V. te Barneveld. De resultaten van het veldonderzoek geven aanleiding af te wijken van de gehanteerde strategie met betrekking tot de PFAS analyses (zie paragraaf 2.3). Gezien de analyse op PFAS van 19 mei geen verhoogde gehalten aantoont -deze resultaten waren binnen voordat de monsters van 26 mei aangemeld werden- en gezien het feit dat op basis van 3 mengmonsters een betere ruimtelijke verdeling van de te analyseren grond kon worden gemaakt is afgeweken van de strategie en één monster minder geanalyseerd op PFAS. In tabel 8 zijn de monsteromschrijvingen en de stoffen waarop de betreffende monsters zijn onderzocht, schematisch weergegeven.
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
12
Verkennend bodemonderzoek
Monsteromschrijvingen en geanalyseerde parameters
Tabel 7
Monstercode
Boringen
Traject (m-mv)*
Geanalyseerde parameters
MM01
1 en 2
0,1 - 0,6
Standaardpakket bodem10, lutum en organische stof
MM02
7, 10, 13 en 15
0,1 – 0,4/0,6
Standaardpakket bodem, lutum en organische stof
MM03
3, 6, 9 en 12
0,1 – 0,5/0,6
Standaardpakket bodem, lutum en organische stof
MM04
3, 5, 13 en 15
0,4/0,7 – 0,8/1,2
Standaardpakket bodem, lutum en organische stof
MM05
11, 18, 19 en 20
0,1/0,6 – 0,5/1,0
Standaardpakket bodem, lutum en organische stof
MM06
34, 37, 38 en 40
0,4/0,9 – 0,9/1,4
Standaardpakket bodem, lutum en organische stof
MM07
36, 37, 39 en 41
0,1 – 0,2/0,6
Standaardpakket bodem, lutum en organische stof
MM08
28
0,6 – 0,9
Standaardpakket bodem, lutum en organische stof
MM09
23, 26, 30 en 32
0,1/0,4 – 0,4/0,6
Standaardpakket bodem, lutum en organische stof
MM10
18, 22, 24, 25, 28, 31, 35, 36, 39 en 41
0,1 – 0,4/0,6
PFAS11 en organische stof
MM11
6, 15, 21, 22, 24, 25, 29, 31, 36 en 40
0,4/0,6 – 0,7/1,1
PFAS en organische stof
MM12
1, 2, 4, 5, 6, 8, 10, 12, 14 en 15
0,1 – 0,6
PFAS en organische stof
23-1
23
0,09 – 0,4
Koper en zink
26-1
26
0,09 – 0,4
Koper en zink
28-3
28
0,9 – 1,0
Koper en zink
30-2
30
0,4 – 0,6
Koper en zink
32-1
32
0,09 – 0,4
Koper en zink
40-1
40
0,09 – 0,5
Koper en zink
Pb1-1-1
-
- 2,8
Standaardpakket grondwater12
Pb3-1-1
-
2,0 – 3,0
Standaardpakket grondwater
Pb4-1-1
-
2,0 – 3,0
Standaardpakket grondwater
MM
mengmonster het betreft de minimale en maximale monsternamediepte. Op het analysecertificaat is het monsternametraject per boring weergegeven
Grond
Uitsplitsing MM09
Grondwater
*
= =
Uitsplitsing mengmonster Aanvullend op de gehanteerde onderzoeksstrategie cf. paragraaf 2.3 is het mengmonster MM09 uitgesplitst voor analyse op de kritische parameters. Niet-vormgegeven bouwstoffen Van de bodemvreemde lagen (overwegend volledig slakkenhoudend) zijn in het laboratorium in totaal 2 mengmonsters samengesteld en ingezet voor analyse op het pakket ‘bouwstoffen beperkt’ (samenstellingspakket NV-Bouwstof). 10
11 12
Droge stof, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, nikkel, lood en zink), minerale olie (GC), PAK (10) en PCB (7) 28 perfluorverbindingen zijn onderzocht Metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, nikkel, lood en zink), aromaten (BTEXN), styreen, VOCL (11), vinylchloride, 1,1 dichlooretheen, chloorpropanen (3), bromoform en minerale olie (GC)
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
13
Verkennend bodemonderzoek
3.2.2 Analyseresultaten De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 3. De analyseresultaten zijn getoetst met behulp van BoToVa aan de achtergrond-/streef13- en interventiewaarden. Informatie over het toetsingskader is opgenomen in bijlage 5. De analyseresultaten van de grond zijn ook indicatief 14 getoetst volgens het Besluit15 en de Regeling16 bodemkwaliteit. Deze toetsing geeft een indicatie van toepassingsmogelijkheden zodra grond wordt afgevoerd. De toetsing doet geen uitspraak over de (gezondheids)risico’s bij het gebruik van de grond. In onderstaande tabellen is het resultaat van de toetsing verwoord 17 opgenomen voor respectievelijk de grond en het grondwater. Monsteromschrijving grond(meng)monsters en resultaat toetsing
Tabel 8
Monstercode
Boringen
Grondsoort*
Bijmengingen**
Resultaat toetsing***
Klasseindeling****
MM01
1 en 2
Zand
Sporen beton en slakken
-
Altijd toepasbaar
MM02
7, 10, 13 en 15
Zand
Sporen slakken
-
Altijd toepasbaar
MM03
3, 6, 9 en 12
Zand
Brokken hout
-
Altijd toepasbaar
MM04
3, 5, 13 en 15
Klei
-
Licht: kwik (0,14)
Altijd toepasbaar
MM05
11, 18, 19 en 20
Zand
Sporen slakken baksteen
-
Altijd toepasbaar
MM06
34, 37, 38 en 40
Klei
Sporen baksteen en metaal
-
Altijd toepasbaar
MM07
36, 37, 39 en 41
Zand
Sporen slakken en brokken beton
Altijd toepasbaar
Grond
13
14
15 16
17
Het betreffen de door de gemeente vastgestelde locatiespecifieke achtergrondwaarden (zie bodemkwaliteitskaart) en/of de landelijk vastgestelde generieke waarden (AW2000) Mogelijke klassen zijn: ‘Altijd toepasbaar’, ‘Klasse Wonen’, ‘Klasse Industrie’, ‘Niet toepasbaar’ en ‘Nooit toepasbaar’ Besluit van 22 november 2007 Regeling van 13 december 2007, nr. DJZ2007124397. Tevens zijn navolgende wijzigingen van de Regeling van toepassing
niet verhoogd: het gehalte overschrijft de achtergrond-/streefwaarde niet; er is in principe sprake van een ‘schoon’ monster (NB: ook de als licht verhoogd gerapporteerde ‘parameters * factor 0,7’ kunnen als ‘niet verhoogd’ worden beschouwd, indien alle individuele parameters de detectiegrens AS3000 niet overschrijden) licht verhoogd: het gehalte overschrijdt de achtergrond-/streefwaarde, maar de tussenwaarde (het gemiddelde van de achtergrond-/streef- en interventiewaarde) wordt niet overschreden. De verontreiniging is naar verwachting dermate gering dat veelal geen nadere actie (onderzoek of sanering) noodzakelijk is matig verhoogd: het gehalte overschrijdt de tussenwaarde. Nader onderzoek kan worden aanbevolen om te bepalen of er inderdaad sprake is van relevante bodemverontreiniging sterk verhoogd: het gehalte overschrijdt de interventiewaarde. Nader onderzoek naar de aard, mate, omvang en oorzaken van de verontreiniging is in de meeste gevallen noodzakelijk
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
14
Verkennend bodemonderzoek
Vervolg tabel 9
Monsteromschrijving grond(meng)monsters en resultaat toetsing
M08
28
Zand
Sterk slakhoudend
Licht: cadmium (0,85), kobalt (5,9), nikkel (17) en lood (100) Matig: zink (280) Sterk: koper (220)
NVT
MM09
23, 26, 30 en 32
Zand
Sporen slakken
Licht: cadmium (0,83), nikkel (15) en lood (100) Sterk: koper (530) en zink (380)
Niet toepasbaar
MM10
18, 22, 24, 25, 28, 31, 35, 36, 39 en 41
Zand
Sporen slakken, brokken beton en baksteen
NVT
MM11
6, 15, 21, 22, 24, 25, 29, 31, 36 en 40
Klei
Slakken
-
NVT
MM12
1, 2, 4, 5, 6, 8, 10, 12, 14 en 15
Zand
Brokken hout, sporen beton en slakken
-
NVT
23-1
23
Zand
Sporen slakken
-
NVT
26-1
26
Zand
Sporen slakken
-
NVT
28-3
28
Klei
-
Licht: koper (48), zink (110)
NVT
30-2
30
Zand
Sporen baksteen en keramiek
Sterk: koper (940), zink (820)
NVT
32-1
32
Zand
Sporen slakken
-
NVT
40-1
40
Zand
-
-
NVT
MMV1
19, 26, 39 en 40
-
Volledig slakken
Toepasbaar als NV Bouwstof
MMV2
17, 27, 37 en 38
-
Volledig slakken
Toepasbaar als NV Bouwstof
Uitsplitsing MM09
Bouwstoffen
MM *
** ***
-
****
= = = = = =
Monsteromschrijving grondwater en resultaat toetsing
Tabel 9
*
-
mengmonster indeling in hoofdnamen: zand, grond (humeus zand), klei, leem of veen voor de mate en voor meer details wordt verwezen naar de boorprofielen in bijlage 2 mate van verhoging (licht, matig of sterk). Tussen haakjes het gemeten gehalte in mg/kg d.s. geen bijmengingen of geen verhoogde gehalten boven de achtergrondwaarden betreft indicatieve toetsing aan Besluit en Regeling bodemkwaliteit met het oog op afvoer en hergebruik van grond
Monstercode
Peilbuis
Resultaat toetsing*
Pb1-1-1
-
Licht: molybdeen (8,4)
Pb3-1-1
-
-
Pb4-1-1
-
-
= =
mate van verhoging (licht, matig of sterk). Tussen haakjes het gemeten gehalten in µg/l geen verhoogde concentraties boven de streefwaarden
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
15
Verkennend bodemonderzoek
Tijdens de watermonstername is een troebelheid van hoger dan 10 NTU gemeten. Echter heeft dit de resultaten niet negatief beïnvloed. PFAS In de bovengrond zijn geen verhoogde gehalten aan PFAS aangetoond. Volgens het tijdelijk handelingskader PFAS is de grond als Landbouw/Natuur (Altijd Toepasbaar) in te delen. 3.3
Interpretatie
De matig en sterk verhoogde gehalten in de grond welke bij het huidige onderzoek (mengmonster 8 en 9) zijn aangetoond, zijn min of meer vergelijkbaar met het onderzoek uit 1989. Echter zijn er destijds in de grond (0 – 1,0 m-mv) hoogstens licht verhoogde gehalten aan koper, nikkel en zink aangetoond. In 1989 zijn de monsters geanalyseerd over de eerste meter, bij huidig onderzoek zijn de monsters geanalyseerd in de bovengrond (0,1 – 0,5/0,6 m-mv). Doordat bij huidige onderzoek de monsters minder vermengd zijn kunnen de gehalten hoger uitkomen dan in 1989. Om de sterke verontreiniging met koper en zink, op basis van het onderzoek uit 1989 aangevuld met de parameter nikkel, beter in kaart te brengen is er een nader onderzoek uitgevoerd. Het nader onderzoek wordt verder uitgewerkt in het volgende hoofdstuk. De matig en sterk verhoogde gehalten zijn getoetst aan de lokale achtergrondgehalten. De aangetoonde gehalten overschrijden de lokale achtergrondgehalten.
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
16
Verkennend bodemonderzoek
4
NADER ONDERZOEK KOPER, NIKKEL EN ZINK
4.1
Conceptueel model nader bodemonderzoek
Op basis van de informatie uit het verkennend bodemonderzoek is een inschatting gemaakt van de verontreinigingssituatie en zijn onderzoeksvragen geformuleerd, het zogenaamde ‘conceptueel model’. Wat is de aard, mate, omvang en ligging van de verontreiniging? De aard (koper, nikkel en zink) is bekend. De mate, omvang en ligging zijn onvoldoende bekend en dienen nader te worden onderzocht. Ten aanzien van de ligging wordt aangenomen dat de kern van de verontreiniging met koper, nikkel en zink zich globaal ter hoogte van de boring 30 bevindt. Wat is de oorzaak van de verontreiniging? De oorzaak van de aangetoonde verontreinigingen met koper, nikkel en zink zijn niet bekend. Mogelijk houdt deze verband met de aanwezigheid van de gedempte sloot. Wat is het tijdstip van ontstaan van verontreiniging? Wanneer de verontreiniging is ontstaan door de slootdemping rond 1981 dan is de verontreiniging hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt vóór 1987 (oud geval). Is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging? De hypothese is dat er mogelijk sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging omdat de interventiewaarde voor koper, nikkel en zink wordt overschreden. Daarom is nader onderzoek noodzakelijk. Is de sanering spoedeisend? Dit is afhankelijk van bovenstaande.
De verwachting is dat sanering in de huidige situatie niet spoedeisend is aangezien de sterke verontreinigingen met koper, nikkel en zink waarschijnlijk beperkt van omvang zijn. De bepaling ernst en spoed wordt achterwege gelaten, de sanering is planurgent. Er worden geen humane, ecologische en verspreidingsrisico’s verwacht gezien de sterke verontreiniging gelegen is onder een laag klinkers en een laag (ophoog) zand. 4.1.1 Opzet veld- en laboratoriumonderzoek In deze paragraaf wordt de voorgenomen onderzoeksstrategie beschreven. De strategie/opzet is gebaseerd op het hiervoor genoemde conceptuele model. Onderzoekstechniek De NTA 5755 schrijft geen specifieke onderzoekstechnieken voor. Omdat de locatie zich goed leent voor handmatige boringen wordt gekozen voor deze techniek. Het gebruiken van andere cq. alternatieve onderzoekstechnieken wordt gezien de doelstellingen en het gewenste detailniveau niet zinvol geacht. Veldwerk De contouren van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde in de vaste bodem en eventueel het grondwater moeten voldoende gedetailleerd vastgelegd worden ten behoeve van het omvangcriterium voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging (25 m³ voor grond en 100 m³ voor grondwater), voor eventuele kadastrale registratie en voor het bepalen van de kosten van een eventuele sanering.
De grond in de directe omgeving van de boring 30 wordt als bronlocatie aangemerkt. In deze zone vindt afperking van de verontreiniging in grond plaats. Voor de sturing van de afperking 20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
17
Verkennend bodemonderzoek
in het veld worden onder andere zintuiglijke waarnemingen aan de vrijkomende grond gebruikt. De grond ter plaatse is baksteen- en keramiek- of sterk slakkenhoudend. Vanuit de vermoedelijke kern van de verontreiniging worden boringen voor zover mogelijk geplaatst in een raster van circa 12 x 12 meter tot in zintuiglijk schone bodemtrajecten. In de 2e fase van het onderzoek wordt de verontreiniging verder afgeperkt. Laboratoriumonderzoek De bodemverontreiniging met koper, nikkel en zink is zintuiglijk (beperkt) waarneembaar doordat deze gerelateerd waarschijnlijk is aan bodemvreemde bestanddelen. Voor verificatie en vastlegging van de mate van verontreiniging worden grondmonsters naar een laboratorium gestuurd voor analytisch onderzoek. Monsters van zintuiglijk verontreinigde grond (met bijmengingen van bodemvreemde bestanddelen) en (meng)monsters van horizontaal- of verticaal afperkende bodemlagen worden onderzocht op koper, nikkel, zink en lutum. 4.2
Veldonderzoek
4.2.1 Uitvoering Op 10, 11 en 18 juni 2020 is het (extra) veldwerk voor het nader onderzoek uitgevoerd. De verrichte boringen zijn gecodeerd vanaf nr. 101. De situering van de boorpunten is aangegeven op de tekening (bijlage 7). Een uitgebreide omschrijving van de onderzoeksmethodiek is opgenomen in bijlage 5. 4.2.2 Resultaten Zintuiglijke waarnemingen vaste bodem Bij de uitvoering van het veldwerk zijn bij boringen 101, 102, 111, 112 en 113 slakken aangetroffen van uiterst tot volledig in het traject 0,3 tot 1,0 m-mv. Tevens zijn bij boringen 103, 104 en 107 sporen plastic, glas, keramiek en brokken baksteen aangetroffen. De bijmengingen zijn in het veld zintuiglijk op asbest onderzocht en worden niet als asbestverdacht beschouwd. Op het maaiveld en in het omhoog gebrachte materiaal zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. 4.3
Laboratoriumonderzoek
4.3.1 Uitvoering De verzamelde monsters zijn ter analyse aangeboden aan het RvA-geaccrediteerde laboratorium Eurofins Analytico Milieu B.V. te Barneveld. De resultaten van het veldonderzoek geven aanleiding om 7 mengmonsters samen te stellen en 18 losse monsters te analyseren. In tabel 11 zijn de monsteromschrijvingen en de stoffen waarop de betreffende monsters zijn onderzocht, schematisch weergegeven.
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
18
Verkennend bodemonderzoek
Tabel 10
Monsteromschrijvingen en geanalyseerde parameters
Monstercode
Boringen
Traject (m-mv)*
Geanalyseerde parameters
Afperking sterke verontreiniging 102-3
102
1,0 – 1,4
Koper, nikkel, zink en lutum
103-1
103
0,8 – 1,2
Koper, nikkel, zink en lutum
103-2
103
1,5 – 1,9
Koper, nikkel, zink en lutum
104-1
104
0,4 – 0,9
Koper, nikkel, zink en lutum
106-1
105 en 106
0,1/0,4 – 0,4/0,9
Koper, nikkel, zink en lutum
107-1
107
0,8 – 1,4
Koper, nikkel, zink en lutum
MM13
101 en 109
0,5/0,7 – 1,0/1,2
Koper, nikkel, zink en lutum
MM14
108 en 110
0,4/0,5 – 0,9/1,0
Koper, nikkel, zink en lutum
MM15
108, 109 en 110
0,1 – 0,3/0,5
Koper, nikkel, zink en lutum
30-1
30
0,09 – 0,4
Koper, nikkel, zink en lutum
102-2
102
0,7 – 1,0
Koper, nikkel, zink en lutum
104+107-2
104 en 107
0,9/1,4 – 1,4/1,7
Koper, nikkel, zink en lutum
106-2
106
0,4 – 0,9
Koper, nikkel, zink en lutum
113+1143+102-4
113, 114 en 102
1,0/1,4 – 1,5/1,8
Koper, nikkel, zink en lutum
114-2
114
0,5 – 1,0
Koper, nikkel, zink en lutum
115-1
115
0,08 – 0,4
Koper, nikkel, zink en lutum
111-3
111
0,7 – 1,2
Koper, nikkel, zink en lutum
113-1
113
0,08 – 0,4
Koper, nikkel, zink en lutum
114-1+2
114
0,0 – 0,4
Koper, nikkel, zink en lutum
115-2
115
0,4 – 0,9
Koper, nikkel, zink en lutum
116-2
116
0,6 – 1,0
Koper, nikkel, zink en lutum
117-1
117
0,1 – 0,6
Koper, nikkel, zink en lutum
118-1+2
118
0,0 – 1,0
Koper, nikkel, zink en lutum
MM16
111 en 112
0,08 – 0,3
Koper, nikkel, zink en lutum
MM *
= =
mengmonster het betreft de minimale en maximale monsternamediepte. Op het analysecertificaat is het monsternametraject per boring weergegeven
Bij mengmonster 106-1 zijn onbedoeld twee monsters gemengd. Hierdoor is zand met klei gemengd over verschillende diepten. De resultaten van dit monster zijn indicatief. Mits de uitkomst van de analyse eenduidig wijst op de (volledige) afwezigheid van koper, nikkel en zink kan deze wel worden gebruikt voor het bepalen van de verontreinigingscontour. 4.4
Analyseresultaten
De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 3. De analyseresultaten zijn getoetst met behulp van BoToVa aan de achtergrond-/streef18- en interventiewaarden. Informatie over het toetsingskader is opgenomen in bijlage 5.
18
Het betreffen de door de gemeente vastgestelde locatiespecifieke achtergrondwaarden (zie bodemkwaliteitskaart) en/of de landelijk vastgestelde generieke waarden (AW2000)
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
19
Verkennend bodemonderzoek
Tabel 11
Monsteromschrijving grond(meng)monsters en resultaat toetsing
Monstercode
Boringen
Grondsoort*
Bijmengingen**
Resultaat toetsing***
102-3
102
Zand
Brokken baksteen en sporen glas
Sterk: koper (5200), nikkel (55) en zink (720)
103-1
103
Zand
Brokken baksteen, sporen glas en keramiek
Sterk: koper (950), nikkel (2000) en zink (740)
103-2
103
Klei
-
-
104-1
104
Zand
Brokken baksteen, sporen glas en keramiek
Matig: nikkel (26) Sterk: koper (1200) en zink (780)
106-1
105 en 106
Zand & klei
-
-
107-1
107
Zand
Brokken baksteen, sporen glas en keramiek
Sterk: koper (620), nikkel (50) en zink (870)
MM13
101 en 109
Klei
-
-
MM14
108 en 110
Klei
-
-
MM15
108, 109 en 110
Zand
-
-
30-1
30
Zand
-
-
102-2
102
Zand
-
Licht: zink (110) Matig: koper (59) Sterk: nikkel (37)
104+107-2
104 en 107
Klei
-
-
106-2
106
Klei
-
-
113+1143+102-4
113, 114 en 102
Klei
-
-
114-2
114
Zand
-
-
115-1
115
Zand
-
-
111-3
111
Klei
-
-
113-1
113
Zand
-
-
114-1+2
114
Zand
-
-
115-2
115
Klei
-
-
116-2
116
Klei
-
-
117-1
117
Zand
Sporen baksteen
Licht: koper (51) en zink (120)
118-1+2
118
Zand
-
-
MM16
111 en 112
Zand
-
-
Grond
MM *
** ***
-
****
= = = = = =
mengmonster indeling in hoofdnamen: zand, grond (humeus zand), klei, leem of veen voor de mate en voor meer details wordt verwezen naar de boorprofielen in bijlage 2 mate van verhoging (licht, matig of sterk). Tussen haakjes het gemeten gehalte in mg/kg d.s. geen bijmengingen of geen verhoogde gehalten boven de achtergrondwaarden betreft indicatieve toetsing aan Besluit en Regeling bodemkwaliteit met het oog op afvoer en hergebruik van grond
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
20
Verkennend bodemonderzoek
CROW 400 Op basis van de analyseresultaten zijn de voorlopige veiligheidsklassen voor werkzaamheden in de bodem bepaald conform de CROW 400. Hieruit blijkt dat ook in de verontreiniging gewerkt kan worden onder basishygiëne. De sterke verontreiniging met koper, nikkel en zink valt zowel binnen als buiten de vermeende ligging gedempte sloot. Ter plaatse van boring 107 loopt de verontreiniging door tot aan het kantoorgebouw. Ter plaatse van boring 117 loopt de verontreiniging door tot 2,5 meter van de watergang. Hier zijn enkel licht verhoogde gehalten met koper en zink aangetoond. De verontreiniging is sterk gerelateerd aan bijmengingen met brokken baksteen, sporen glas en keramiek en bevindt zich globaal in het bodemtraject van 0,6 tot 1,15 m-mv: op het oostelijke terreindeel bevindt de verontreiniging zich overwegend in het bodemtraject van 0,7 tot 1,4 m-mv; op het westelijke terreindeel bevindt deze zich overwegend in het bodemtraject 0,4 tot 0,9 m-mv; de verontreiniging is in (noord- en zuid-) oostelijke richting afgeperkt met behulp van monsters uit de boringen 111 t/m 115 en 118.
Aan de (noord- en zuid-) westelijke richting is de verontreiniging afgeperkt met behulp van monsters uit de boringen 106, 108, 110, 116 en 117; de verontreiniging is in verticale richting afgeperkt op een diepte van respectievelijk 0,4 tot 1,4 m-mv, met behulp van monsters uit boringen 102, 104 en 107.
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
21
Verkennend bodemonderzoek
5
VERONTREINIGINGSSITUATIE
Aard, mate, omvang en ligging Onderstaande verontreinigingssituatie heeft betrekking op de verontreiniging met koper, nikkel en zink. Aard, mate en omvang Zintuiglijk zijn in de kern van de verontreiniging bijmengingen met baksteen, keramiek en glas waargenomen. Analytisch zijn in de boringen 28, 30, 102, 103, 104 en 107 in de bodemlaag variërend van 0,4 – 0,9 tot 1,0 – 1,4 m-mv sterk verhoogde gehalten aan koper, nikkel en zink aangetoond. In de onderliggende bodemlaag en de omliggende afperkende boringen zijn in de betreffende bodemlagen niet tot licht verhoogde gehalten aan koper en zink aangetoond. De aangetroffen verontreiniging is in voldoende mate afgeperkt. De verontreinigingssituatie is weergegeven in tabel 13. Tabel 12
Verontreinigingssituatie koper, nikkel en zink Grond
Hoogst gemeten gehalte koper
5200 mg/kg d.s.
Hoogst gemeten gehalte nikkel
55 mg/kg d.s.
Hoogst gemeten gehalte zink
870 mg/kg d.s.
> Interventiewaarde Oppervlakte (m²) Verontreinigd traject (m-mv)
Circa 800 0,4/1,0 – 0,9/1,4
Gemiddelde dikte (m)
0,55
Aantal m³
440
De vastgestelde verontreiniging betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging19 in de zin van de Wet Bodembescherming. Op basis van de analyseresultaten zijn de voorlopige veiligheidsklassen voor werkzaamheden in de bodem bepaald conform de CROW 400. Hieruit blijkt dat voor koper, nikkel en zink geen veiligheidsklasse van toepassing is. Er kan gewerkt worden onder basishygiëne. Ligging Het geval bevindt zich in aan de zuidwestkant van het huidige kantoorpand aan de Startbaan 16. Kadastraal gezien is de verontreiniging gelegen op het kadastrale perceel gemeente Amstelveen, sectie M, nr. 5064. De verontreiniging is geheel afgeperkt. De verontreiniging met de zware metalen koper, nikkel en zink zijn in beeld gebracht. De oppervlakte wordt geraamd op 800 m2. De dikte van de verontreiniging wordt geschat op gemiddeld 0,55 meter. De hoeveelheid sterk verontreinigde grond wordt geschat op 440 m3. Oorzaak en tijdstip ontstaan De oorzaak van de verontreiniging is niet bekend, maar houdt vermoedelijk verband met de gedempte sloot. In dat geval is de verontreiniging hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt vóór 1987 (oud geval). Met uitzondering van de oorsprong van het ontstaan van de verontreiniging resteren er geen onderzoeksvragen meer. 19
in het algemeen is sprake van een geval van ernstige verontreiniging, indien voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwaterhoudend bodemvolume verhoogde gehalten boven de interventiewaarde bevat (Art. 29 Wet Bodembescherming)
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
22
Verkennend bodemonderzoek
6
ASBEST IN GRONDONDERZOEK
6.1
Uitvoering veldonderzoek
Het veldonderzoek is uitgevoerd door ten minste een gecertificeerde persoon van PJ Milieu BV (bijlage 2, verklaring onafhankelijkheid uitvoering veldwerk) conform de Beoordelingsrichtlijn voor het SIKB-procescertificaat voor veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek (BRL SIKB 2000) en het protocol 2018. Op 19, 26 en 28 mei 2020 is het veldwerk uitgevoerd op basis van de in paragraaf 2.3 aangegeven onderzoeksstrategie. Er zijn bij alle boringen inspectiegaten gegraven in de bovengrond. De situering van de boringen/gaten is aangegeven op de situatietekening (bijlage 7). De resultaten van het veldonderzoek geven aanleiding minder (meng)monsters te onderzoeken dan conform de gehanteerde strategie (zie paragraaf 2.3). Door het aantreffen van enkel niet asbestverdachte bijmengingen zijn 5 mengmonsters geanalyseerd op asbest. Ten behoeve van het asbest in grondonderzoek zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: Het uitgegraven materiaal is, ter monstervoorbehandeling, visueel geïnspecteerd op asbest waarbij de grond in het veld is uitgespreid; van het ontgraven materiaal zijn na voorbehandeling 5 mengmonsters (MMA01MMA05) samengesteld voor analyse op (fijnere) asbesthoudende delen; van de ongeroerde ondergrond zijn geen monsters samengesteld; De zintuiglijke waarnemingen zijn vastgelegd. 6.2
Resultaten
Maaiveldinspectie Tijdens de maaiveldinspectie is er sprake van een droge dag (geen neerslag). Het maaiveld is verhard met tegels en klinkers. Tijdens de maaiveldinspectie is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Zintuiglijke waarnemingen vaste bodem In bijlage 2 is van elk gat/boring een gatprofiel opgenomen. Bij ongeveer de helft van de gaten zijn slakken aangetroffen, van sporen tot volledig, in het traject 0,2 tot 0,9 m-mv. Tevens zijn brokken hout, baksteen, keramiek en beton aangetroffen. De bijmengingen zijn in het veld zintuiglijk op asbest onderzocht en worden als asbestverdacht beschouwd. In het omhoog gebrachte materiaal zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. 6.3
Uitvoering laboratoriumonderzoek
De mengmonsters zijn ter analyse aangeboden aan het RvA-geaccrediteerde laboratorium Eurofins Omegam B.V. te Amsterdam. De mengmonsters zijn conform de NEN 5898 (“Inspectie en monsterneming asbest in grond”) onderzocht op het percentage asbest en de aard van het materiaal. In tabel 14 zijn de monsteromschrijvingen en geanalyseerde parameters schematisch weergegeven.
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
23
Verkennend bodemonderzoek
Tabel 13
Monsteromschrijvingen en geanalyseerde parameters
Monstercode
Boringen
Traject (m-mv)*
Geanalyseerde parameters
MMA01
1, 2, 4, 5 en 10
0,1 – 0,5
Asbest in grond
MMA02
12, 13 en 14
0,1/0,6 – 0,5/1,0
Asbest in grond
MMA03
16 t/m 20
0,1 – 0,5
Asbest in grond
MMA04
25, 29, 32, 34 en 36
0,1/0,4 – 0,5/0,9
Asbest in grond
MMA05
37 t/m 41
0,1 – 0,5
Asbest in grond
6.4
Analyseresultaten
Er is in de grond zowel zintuigelijk als analytisch geen asbest aangetoond. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 3.
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
24
Verkennend bodemonderzoek
7
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
7.1
Algemeen
In de periode mei en juni 2020 is een verkennend- en nader bodemonderzoek en asbest in grondonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het perceel Startbaan 16 te Amstelveen. De opzet van het bodemonderzoek is gebaseerd op respectievelijk de NEN-5740, de NTA-5755 en de NEN 5707. Aanleiding tot het uitvoeren van het onderzoek is de aanvraag van een omgevingsvergunning. 7.2
Conclusies algemeen
Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' stand houdt voor het verkennend bodemonderzoek NEN 5740. Plaatselijk zijn –buiten het terreindeel met sterke verontreinigingen met de zware metalen koper, nikkel en zink (zie §7.4) in de bovengrond lichte verontreinigingen met de zware metalen (cadmium, kobalt, kwik, nikkel en lood) aangetoond. In het grondwater is plaatselijk een licht verhoogde gehalte met molybdeen aangetoond. Deze wordt niet beschouwd als verontreiniging maar als verhoogde achtergrondwaarde. Op het terreindeel met plaatselijk een sterke verontreiniging met koper en zink heeft nader onderzoek plaatsgevonden. Het grondwater ter hoogte van dit terreindeel is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Op basis van de resultaten van het onderzoek op de ‘locatie als geheel’ (exclusief deellocatie nader onderzoek) kan worden geconcludeerd dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in voldoende mate is vastgelegd en geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling van de locatie en de beoogde functie (wonen). De matig en sterk verhoogde gehalten zijn getoetst aan de lokale achtergrondgehalten. De aangetoonde gehalten overschrijden de lokale achtergrondgehalten. Ten behoeve van de verwerking van de vrijkomende slakkenlaag binnen de onderzoekslocatie wordt geconcludeerd dat deze herbruikbaar is.
Het materiaal voldoet aan de samenstellingseisen voor ‘niet-vormgegeven bouwstoffen’ en uit de analyseresultaten van de direct onderliggende kleilaag blijkt dat er niet of nauwelijks uitloging plaatsvindt vanuit het materiaal. 7.3
Asbest in grondonderzoek
Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' voor het verkennend bodemonderzoek NEN 5707 verworpen dient te worden. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Ook is er analytisch geen asbest aangetoond.
7.4
Conclusies koper, nikkel en zink verontreiniging
Op de locatie is in 1989 een indicatief- en aanvullend onderzoek uitgevoerd door Tauw Infra Consult B.V. met rapportnummer 3106071. Op basis van dit onderzoek wordt ook nikkel als kritische parameter aangemerkt. Het nader onderzoek heeft zich gericht op de sterke verontreiniging met koper, nikkel en zink.
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
25
Verkennend bodemonderzoek
In totaal is circa 440 m3 verontreinigd met de zware metalen koper, nikkel en zink boven de interventiewaarde. De interventiewaarde contour is op basis van extrapolatie bepaald. Onbekend is wanneer de verontreiniging precies is ontstaan. Het betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging. De verontreiniging is waarschijnlijk ontstaan vóór 1987. Op basis van de analyseresultaten zijn de voorlopige veiligheidsklassen voor werkzaamheden in de bodem bepaald conform de CROW 400. Hieruit blijkt dat voor de grond geen veiligheidsklasse van toepassing is (basishygiëne). 7.5
Aanbevelingen
Aanbevolen wordt om ten behoeve van het verwijderen van de aangetoonde verontreiniging met zware metalen (boven de interventiewaarde) een BUS-melding te verrichten. De melding dient te worden goedgekeurd door het bevoegde gezag (Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied namens de provincie Noord-Holland). Totdat de sanering plaatsvindt mag er op het zuidwestelijk gelegen terreindeel niet in de grond geroerd worden. Op basis van het vooronderzoek zijn de gedempte sloten, welke aanwezig zijn over de gehele lengte van de locatie, als onverdacht aangemerkt en derhalve niet als separate deellocatie in het onderzoek meegenomen. In lijn met de uitkomsten van voorliggend onderzoek adviseren wij om –in het stadium van de aanvang werkzaamheden bouwrijp maken- een aanvullend onderzoek te doen naar de aard van het materiaal dat aanwezig is in de gedempte sloten op de locatie, door middel van het in beeld brengen van het profiel van de slootdempingen en analyse op het uitkomend materiaal. Ten behoeve van de verwerking van vrijkomende grond buiten de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk). De bovengrond/ bovenlaag van de grond kan, op basis van de onderzoeksresultaten, op de locatie worden hergebruikt.
Mogelijk dient een uitzondering te worden gemaakt voor de bovengrond (zandgrond) binnen de contouren van de aangetoonde verontreiniging in de ondergrond. Geadviseerd wordt de bovengrond en het vrijkomende materiaal uit de massief slakkenhoudende lagen binnen en nabij de contour met sterk verontreinigde grond (tot maximaal ca 0,8 m-mv) uit te keuren alvorens deze her te gebruiken op de locatie. Het onderzoek is onder Kwalibo (een onderdeel van het Besluit bodemkwaliteit) uitgevoerd. Het betreft echter geen partijkeuring. Bij afvoer van grond of verhardingsmaterialen van de locatie kan er sprake zijn van verwerkingskosten. Door derden kan, ongeacht de resultaten van dit bodemonderzoek, een keuring van de af te voeren partij verlangd worden. Gezien het karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet naar voren zijn gekomen.
20407001A | Startbaan 16 Amstelveen
26
Bijlage | 1 Documenten vooronderzoek en foto’s
Bodemrapportage Startbaan 16 te Amstelveen
Legenda Geselecteerd gebied
HBB punt (historische bron)
25-meter buffer
Tanks
Onderzoekscontouren Coördinaten volgens RDM (Rijksdriehoeksmeting) Middelpunt: X 118038 Y 477852 meter
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied - Pagina 1 van 16 - 12-05-2020
Inhoudsopgave Inleiding
3
Informatie over geselecteerd perceel/gebied
4
Overzicht van Bodemlocaties
4
Niet aan bodemlocatie gekoppelde bodembedreigende activiteiten
6
Tanks
7
Informatie van objecten binnen een buffer van 25 meter rondom het geselecteerde perceel
8
Overzicht van Bodemlocaties
8
Niet aan bodemlocatie gekoppelde bodembedreigende activiteiten
10
Tanks
11
Toelichting
12
Begrippenlijst
14
Disclaimer
16
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied - Pagina 2 van 16 - 12-05-2020
Inleiding Welke informatie vindt u wel en niet in dit rapport? In deze rapportage vindt u de gegevens die bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) bekend en verwerkt zijn over de (te verwachten) bodemkwaliteit van het geselecteerde adres en de directe omgeving. Deze gegevens zijn afkomstig uit het bodeminformatiesysteem en kunnen gebruikt worden bij eigendomsoverdracht van een perceel, taxaties en de uitvoering van bodemonderzoek. De OD NZKG voert diverse taken uit op het gebied van vergunningverlening, handhaving en toezicht voor gemeenten rondom het Noordzeekanaal en de Provincies Noord-Holland, Utrecht en Flevoland. In onderliggend rapport is bodeminformatie te vinden, waarover de OD NZKG beschikt ten tijde van het samenstellen van dit dynamische rapport. Voor het uitvoeren van bodemonderzoek moet, conform de NEN 5725 (historisch onderzoek), NEN 5707 (verkennend asbestonderzoek, NEN 5740 (verkennend bodemonderzoek), en ARVO (Amsterdamse Richtlijn voor Verkennend Onderzoek), in een straal van 25 meter rondom de onderzochte locatie, alle milieu-informatie (ook die van het bouwvergunning- en Wet Milieubeheer-archief) worden verzameld. Om deze informatie in te kijken (de daadwerkelijke archieven te raadplegen) kunt u contact opnemen met de gemeente waar uw aanvraag betrekking op heeft.
Hieronder volgt een korte omschrijving van de beschikbare informatie in de rapportage. Heeft u vragen over dit rapport dan kunt u uw vraag stellen via het zaaksysteem. Vergeet daarbij niet dit rapport als bijlage mee te sturen. Opbouw van het rapport Het rapport is opgedeeld in verschillende onderdelen. Het volgt de opbouw van het bodeminformatiesysteem. Hierin is een zogenaamde mappenstructuur te ontdekken, waarbij ‘bodemlocatie’ het hoogste niveau is. Onder een bodemlocatie kunnen één of meerdere bodemonderzoeken, danwel één of meerdere sanering- verontreiniging- en zorgmaatregelcontouren zijn opgenomen. Het is ook mogelijk dat onder een locatie een of meerdere besluiten zijn opgenomen. Daarnaast kan het voorkomen dat er meerdere locaties op of over het geselecteerde adres vallen. In dat geval krijgt u alle relevante informatie op dezelfde gestructureerde manier weergegeven.
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied - Pagina 3 van 16 - 12-05-2020
Informatie over geselecteerd perceel/gebied Overzicht van Bodemlocaties Locatie "Startbaan 16" Locatie
Startbaan 16
Locatiecode
NZ036200473
Locatiecode bevoegd gezag Straatnaam/huisnummer
Startbaan 16
Postcode
1187XR
Plaatsnaam
Amstelveen
Gemeente
Amstelveen (0362)
Gegevensbeheerder locatie
Amstelveen
3106071
Overzicht onderzoeken Type onderzoek
Nader onderzoek
Rapportcode
NZ036201844
Onderzoeksbureau
Tauw Infra Consult B.V.
Rapportnummer
3106071
Rapportdatum
27-04-1989
Aanleiding voor het onderzoek
Bouwvergunning
Conclusie rapport
Zintuiglijke waarnemingen: Grondsoort: Klei. Bovengrond: Koper, lood en zink > B Minerale olie > A Ondergrond: Niet bemonsterd. Grondwater: Geen overschrijdingen. Bijzonderheden:
3106071
Beoordeling risico's: Er zijn geen actuele humane en ecotoxicologische risico's.
Type onderzoek
Verkennend onderzoek NVN 5740
Rapportcode
NZ036201845
Onderzoeksbureau
Tauw Infra Consult B.V.
Rapportnummer
3106071
Rapportdatum
10-04-1989
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied - Pagina 4 van 16 - 12-05-2020
Aanleiding voor het onderzoek
Bouwvergunning
Conclusie rapport
Zintuiglijke waarnemingen: Puin, sintels, gravel, glas en steengruis. Grondsoort: Klei. Bovengrond: Nikkel > C Koper > B Lood, zink, chryseen, fluorantheen en minerale olie > A Ondergrond: Geen overschrijdingen. Grondwater: Fenolen, chroom, nikkel, arseen en zink > A Bijzonderheden: Beoordeling risico's:
Voormalige verdachte bedrijfsactiviteiten Omschrijving bedrijf
Bedrijfsnaam
Startjaar
Eindjaar
Adres
000000 onverdachte activiteit nsx:
Onbekend
Onbekend
heden
Startbaan 16
Besluiten Binnen de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied zijn in het bodeminformatiesysteem geen gegevens beschikbaar