06 Bijlage 03 BP ADZ105 - Bodem-Milieutechnisch onderzoek Amsteldijk Zuid 105
Tekst van het document
Milieutechnisch onderzoek Amsteldijk Zuid 105 te Amstelveen (1903/087/EL-01, versie 0)
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
Milieutechnisch onderzoek
in opdracht van Stepforward B.V. De heer J. van Schijndel Jan Leentvaarlaan 30 3065 DC ROTTERDAM betreffende locatie Amsteldijk Zuid 105 te Amstelveen documentkenmerk 1903/087/EL-01 versie 0 vestiging Prinsenbeek datum 27 juni 2019
opgesteld door:
gecontroleerd door:
S. Francken
S. Roijen
Projectleider bodem
Projectleider bodem
Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies BV.
Tritium Advies BV Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid
Tritium Advies is gevestigd in:
T.
088.44 02 900
E.
info@tritium.nl
Arkel >> Neer >> Nuenen >>
www.tritium.nl
Prinsenbeek >> Rijkevoort
i
K.v.k.nr. 17108024
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
Samenvatting In opdracht van Stepforward B.V. heeft Tritium Advies B.V. een milieutechnisch onderzoek uitgevoerd op de locatie Amsteldijk Zuid 105 te Amstelveen. Aanleiding voor het onderzoek is de geplande herontwikkeling van de onderzoekslocatie en de bij eerder op de locatie uitgevoerd bodemonderzoek aangetroffen verontreinigingen van de bodem met PAK en zware metalen. De doelstellingen van het onderzoek zijn als volgt:
bodem
:
bepalen van de ernst en omvang van de aangetroffen verontreiniging met PAK om na te gaan of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
:
bepalen van de ernst en omvang van de aangetroffen verontreiniging met lood en zink om na te gaan of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
asfalt
:
fundering
:
indicatief bepalen hergebruiksmogelijkheden.
asbest
:
bepalen of de grond onder de afwateringspunten van de asbestverdachte
bepalen hergebruiksmogelijkheden van het vrijkomende asfalt op de locatie (bepalen teergehalte).
dakconstructie verontreinigd zijn met asbest. Uit de resultaten van het vooronderzoek, de veldwerkzaamheden en de uitgevoerde analyses wordt het volgende geconcludeerd. Verontreinigingssituatie PAK en zware metalen Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de aard en omvang van de verontreinigingen met PAK en zware metalen binnen de perceelgrens afdoende zijn vastgesteld. Nagenoeg het gehele perceel is licht tot sterk verontreinigd met zware metalen en PAK. De sterke verontreiniging met zware metalen overlapt de relatief ‘kleine’ sterke verontreiniging met PAK. De verontreinigingen met PAK en zware metalen zijn vermoedelijk te relateren aan de bijmengingen (puin, slakken, kolengruis en sintels) in de ophooglaag. De aangetroffen gehaltes aan zware metalen (met name lood) hangen samen met de mate van bodemvreemde bijmengingen. Voor de verontreiniging met PAK is dit verband niet vastgesteld. De sterke verontreiniging met PAK komt voor ter plaatse van de parkeerplaats en is aanwezig vanaf het maaiveld tot 1 m-mv. De omvang van de sterke verontreiniging wordt geraamd op 50 m3. De sterke verontreiniging met zware metalen komt voor aan de (noord)oost- en aan de westzijde van het perceel. Deze is aanwezig vanaf het maaiveld tot aan de veenlaag. De bovenzijde van de veenlaag is aanwezig variërend vanaf het maaiveld tot 1,7 m-mv.
De veenlaag is over het algemeen maximaal licht verontreinigd. Uitzondering hierop vormt het westelijk deel waar de veenlaag (in de bovengrond) eveneens sterk verontreinigd is. De totale omvang van de verontreiniging met zware metalen wordt geraamd op 2.000 m3. Hiervan is circa 935 m3 sterk verontreinigd.
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
De sterke verontreiniging met PAK valt merendeels binnen de sterke verontreiniging met zware metalen. De totale omvang sterke verontreinigde grond wordt derhalve geraamd op circa 950 m3. Gezien de mate, omvang en historie van de verontreinigingen kan worden afgeleid dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Risicobeoordeling Uit de risicobeoordelingen blijkt dat bij het huidige gebruik van de locatie geen sprake is van onaanvaardbare risico's. Dit betekent dat voor het huidige gebruik door het bevoegde gezag Wet bodembescherming geen saneringstijdstip zal worden vastgesteld in de beschikking ernst en spoed. Bij het toekomstige gebruik is, op basis van lood, wel sprake van onaanvaardbare risico's. Omdat bij het toekomstige gebruik van de locatie wel sprake is van onaanvaardbare risico's moet de locatie voorafgaand aan de gebruikswijziging worden gesaneerd. Het bevoegd gezag zal op basis van de locatiespecifieke situatie het saneringstijdstip vaststellen. Asfaltonderzoek Uit de resultaten blijkt dat het asfalt ten noorden van de bebouwing een teerhoudende kleeflaag bevat. Het overige asfalt aan de zuidzijde van de bebouwing blijkt teervrij te zijn en komt in aanmerking voor hergebruik. Funderings- en asbestonderzoek Onder de asfaltverharding is sprake van een puinfundering. Onder de puinfundering bleek een slakken- en sintelhoudende bodemlaag aanwezig.
Zintuiglijk zijn in het uitkomende materiaal géén asbestverdachte materialen waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt de puinfundering niet asbesthoudend te zijn. Op verzoek van de opdrachtgever is niet op de puinfundering maar op de onderliggende slakkenen sintelhoudende bodemlaag een samenstellings- en uitloogonderzoek uitgevoerd en zijn de resultaten hiervan indicatief getoetst aan de tabellen 1 en 2 in bijlage A van de regeling bodemkwaliteit. Uit de resultaten hiervan blijkt dat de slakken- en sintelhoudende bodemlaag, als het wordt getoetst als zijnde bouwstof, deze geclassificeerd zou worden als niet toepasbare bouwstof. Verkennend en nader asbestonderzoek De schuur op de onderzoekslocatie is voorzien van een asbestverdachte dakconstructie. De dakconstructie is voorzien van een afvoergoot. Welke aan de noord en aan de zuidzijde afwatert op het (onverharde) maaiveld. Bij het verkennend asbestonderzoek is in de grond ter plaatse van het afwateringspunt aan de noordzijde van de schuur geen asbest aangetoond. Ter plaatse van het afwateringspunt aan de zuidzijde van de schuur is in de fractie < 20 mm 360 mg/kg d.s. aan asbest aangetoond. Dit gehalte is bepaald op basis van een verkennend onderzoek en dient daarom als indicatief te worden gezien.
Aangezien het indicatieve gehalte hoger is dan de helft van de interventiewaarde, kan niet uitgesloten worden dat de interventiewaarde wordt overschreden op basis van dit verkennend onderzoek en is een nader asbestonderzoek uitgevoerd. Middels het nader onderzoek is de aard en omvang van de verontreiniging voldoende vastgesteld. In de kern van de verontreiniging is 1.774 mg/kg d.s. aan asbest aangetoond. De verontreiniging heeft zich verspreid over een oppervlakte van 2,6 m2 en is aanwezig vanaf het maaiveld tot 0,15 m-mv. Het verontreinigd bodemvolume bedraagt 0,39 m3.
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
Omdat op de locatie meer dan 100 mg/kg d.s. asbest is aangetoond, is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Gelet op de ouderdom van de bebouwing en de aard van verontreiniging, wordt verwacht dat de verontreiniging grotendeels vóór 1 juli 1993 is veroorzaakt en daarmee ‘historisch’ is in de zin van de Wet Bodembescherming (Wbb). Bij het huidige gebruik van de locatie (volledig bedekt met vegetatie en niet betreden) is geen sprake van onaanvaardbare risico's. Opgemerkt wordt dat bij graafwerkzaamheden in de verontreinigde grond of bij het verwijderen van de vegetatie wel sprake is van onaanvaardbare risico’s. Resumé De resultaten van onderhavig onderzoek vormen een belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen en het voorgenomen gebruik van de locatie als wonen met tuin. Geadviseerd wordt om de gevallen van ernstige bodemverontreiniging met PAK, zware metalen en asbest voorafgaand aan de herinrichting te saneren. Hiervoor dient een BUS-melding of een saneringsplan te worden opgesteld. Ook kan in dit stadium reeds met voorliggende rapportage een beschikking ernst en spoed worden aangevraagd bij het bevoegd gezag Wbb.
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
Inhoudsopgave pagina Samenvatting 1.
Inleiding
1
2.
Vooronderzoek
2
2.1
Locatiegegevens
3
2.2
Eerder uitgevoerd onderzoek
4
2.3
Bodemopbouw
6
2.4
Bodemkwaliteitskaart
6
2.5
Hoogtemetingen
6
2.6
Conclusies vooronderzoek
7
3.
Nader bodemonderzoek PAK
8
3.1
Onderzoeksopzet
8
3.1.1 Onderzoeksvragen
8
3.1.2 Onderzoeksstrategie
8
3.2
9
Uitvoering
3.2.1 Kwalibo
9
3.2.2 Terreinverkenning
9
3.2.3 Plaatsen boringen
9
3.2.4 Analyses
10
3.3
11
Analyseresultaten
3.3.1 Toetsingskader
11
3.3.2 Grond
12
3.4
12
Verontreinigingssituatie
3.4.1 Risicobeoordeling
13
3.4.2 Toetsing onderzoeksvragen
14
4.
Nader bodemonderzoek zware metalen
15
4.1
Onderzoeksopzet
15
4.1.1 Onderzoeksvragen
15
4.1.2 Onderzoeksstrategie
15
4.2
16
Uitvoering
4.2.1 Kwalibo
16
4.2.2 Terreinverkenning
16
4.2.3 Plaatsen boringen
16
4.2.4 Analyses
17
4.3
18
Analyseresultaten
4.3.1 Toetsingskader
18
4.3.2 Grond
19
4.4
20
Verontreinigingssituatie
4.4.1 Risicobeoordeling
20
4.4.2 Toetsing conceptueel model
21
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
5.
Asfaltonderzoek
22
5.1
Onderzoeksstrategie
22
5.2
Uitvoering
22
5.3
Analyseresultaten
23
5.3.1 Toetsingskader
23
5.3.2 Toetsingsresultaten
23
5.4
Freesplan
24
6.
Funderings- en asbestonderzoek
25
6.1
Onderzoeksstrategie
25
6.2
Uitvoering
26
6.2.1 Kwalibo
26
6.2.2 Veldwerk asbestonderzoek
26
6.2.3 Analyses
26
6.3
Analyseresultaten
27
6.3.1 Toetsingskader asbest
27
6.3.2 Toetsingskader uitloogonderzoek
27
6.3.3 Analyseresultaten asbest in puin onderzoek
28
6.3.4 Analyseresultaten indicatief uitloogonderzoek
28
7.
Verkennend- en nader asbestonderzoek
29
7.1
Onderzoeksstrategie VO asbest
29
7.2
Onderzoeksstrategie NO asbest
30
7.3
Uitvoering
31
7.3.1 Terreinverkenning
31
7.3.2 Maaiveldinspectie
31
7.3.3 Veldwerk asbestonderzoek
32
7.3.4 Analyses
32
7.4
33
Analyseresultaten
7.4.1 Toetsingskader
33
7.4.2 Analyseresultaten
33
7.5
35
Verontreinigingssituatie
7.5.1 Risicobeoordeling
36
8.
Conclusie en aanbevelingen
37
8.1
Verontreinigingssituatie PAK en zware metalen
37
8.2
Risicobeoordeling
37
8.3
Asfaltonderzoek
38
8.4
Funderings- en asbestonderzoek
38
8.5
Verkennend en nader asbestonderzoek
38
8.6
Resumé
39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
Bijlagen aantal pagina's (excl. voorblad) 1.
regionale ligging en kadastrale gegevens
2.
tekeningen
3. 4.
A
:
situatietekening
1
B
:
verontreinigingssituatie PAK
1
C
:
verontreinigingssituatie zware metalen
1
D
:
maaiveldhoogtes
2
E
:
verontreinigingssituatie asbest
1
profielbeschrijvingen
8
analyseresultaten A
5.
2
:
nader onderzoek PAK
8
B
:
nader onderzoek zware metalen
16
C
:
asfaltonderzoek
10
D
:
asbest in puin
2
E
:
indicatief uitloogonderzoek
7
F
:
verkennend- en nader asbestonderzoek
14
toetsingstabellen A
:
grond, nader onderzoek PAK
2
B
:
grond, nader onderzoek zware metalen
3
C
:
indicatieve uitlooganalyse
1
6.
risicobeoordeling Sanscrit (PAK)
12
7.
risicobeoordeling Sanscrit (zware metalen)
12
8.
omrekentabel asbest
1
9.
foto’s onderzoekslocatie
2
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
1. Inleiding In opdracht van Stepforward B.V. heeft Tritium Advies B.V. een milieutechnisch onderzoek uitgevoerd op de locatie Amsteldijk Zuid 105 te Amstelveen. Aanleiding voor het onderzoek is de geplande herontwikkeling van de onderzoekslocatie en de bij eerder op de locatie uitgevoerd bodemonderzoek aangetroffen verontreinigingen van de bodem met PAK en zware metalen. De doelstellingen van het onderzoek zijn als volgt:
bodem
:
bepalen van de ernst en omvang van de aangetroffen verontreiniging met PAK om na te gaan of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
:
bepalen van de ernst en omvang van de aangetroffen verontreiniging met lood en zink om na te gaan of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
:
inmeten van de maaiveldhoogtes.
asfalt
:
bepalen hergebruiksmogelijkheden van het vrijkomende asfalt op de locatie
fundering
:
indicatief bepalen hergebruiksmogelijkheden.
asbest
:
bepalen of de afwateringspunten van de asbestverdachte dakconstructie
(bepalen teergehalte).
verontreinigd zijn met asbest. Kwalibo Op een deel van de veldwerkzaamheden en de chemische analyses die in het voorliggende rapport worden beschreven, is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Voor nadere gegevens hierover wordt verwezen naar het veldwerkverslag en de analysecertificaten in de bijlagen. Tritium Advies B.V. heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk onderzoeksbureau.
pagina 1 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
2. Vooronderzoek Het vooronderzoek wordt uitgevoerd volgens de NEN 5725 (oktober 2017). De geraadpleegde bronnen zijn weergegeven in tabel 2.1. De terreinverkenning is voorafgaand aan het veldwerk uitgevoerd. De resultaten van de terreinverkenning zijn weergegeven in navolgende hoofdstukken en zijn verwerkt in de navolgende paragrafen. Tabel 2.1: overzicht geraadpleegde bronnen tijdens vooronderzoek. categorie
bron
geraadpleegd datum
contactpersoon
kadaster online
11 april 2019
n.v.t.
kadastralekaart.com
13 maart 2019
internet kadastrale gegevens
actuele terreinsituatie
bagviewer kadaster
historische gegevens
topotijdreis.nl
google maps
bodeminformatie
bodeminformatiesysteem Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied bodemloket dinoloket
11 april 2019
actueel hoogte bestand
11 april 2019
opdrachtgever
12 maart 2019
overig eerder uitgevoerd
C. Kleyn
onderzoek
Figuur 2.1: luchtfoto onderzoekslocatie (bron: www.google.nl/maps).
pagina 2 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
2.1 Locatiegegevens De topografische ligging en de kadastrale gegevens van de onderzoekslocatie zijn weergegeven in bijlage 1. Een situatietekening is weergegeven in bijlage 2. Tabel 2.2: overzicht onderzoekslocatie. actuele locatiegegevens adres straat
Amsteldijk Zuid
huisnummer
105
plaats
Amstelveen
kadastraal gemeente
Amstelveen
sectie
X
nummer
151
locatie oppervlak
huidig gebruik voormalig gebruik
totaal
2.050 m2
asfaltverharding
circa 350 m2
bebouwd
circa 250 m2
De locatie is momenteel niet in gebruik. Tot 1920 had de onderzoekslocatie een agrarische bestemming. In 1920 is de bebouwing op de locatie gerealiseerd en is de locatie in gebruik genomen als wonen met tuin. In de 70’er jaren is de locatie in gebruik genomen als horecagelegenheid. Dit gebruik is recentelijk gewijzigd.
toekomstig gebruik
wonen met tuin
dempingen, ophogingen,
bijmengingen met puin
Uit eerder uitgevoerd bodemonderzoek (zie tabel 2.3, ad 1) is bekend dat vanaf het maaiveld tot circa 1 m-mv een zandige ophooglaag aanwezig is. Deze ophooglaag bevat bijmengingen met asfalt, beton, baksteen, aardewerk, grind, puin, glas en asbesthoudend materiaal. Het is niet bekend wanneer de ophooglaag exact is aangebracht. Vermoedelijk is deze voor of bij de realisatie van de bebouwing aangebracht.
Onder de asfaltverharding is mogelijk een slakkenlaag aanwezig.
bodembedreigende activiteiten
De schuur op de onderzoekslocatie is voorzien van een asbestverdachte dakconstructie.
en calamiteiten
Deze dakconstructie is voorzien van een afvoergoot, deze afvoergoot watert af op onverhard maaiveld.
terreinsituatie bebouwing
(leegstaande) horecagelegenheid en een (leegstaande) schuur
verhardingen
bebouwing:
(vermoedelijk) beton
overig:
gedeeltelijk braakliggend en gedeeltelijk verhard met asfalt
installaties
geen bekend
omgeving gebruik belendende percelen
wonen met tuin en openbare weg
pagina 3 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
2.2 Eerder uitgevoerd onderzoek Op de onderzoekslocatie en in de omgeving zijn eerder de in de navolgende tabel vermelde bodemonderzoeken uitgevoerd en documenten opgesteld. Voor zover relevant voor deze rapportage zijn de gegevens weergegeven in dit hoofdstuk. Tabel 2.3: eerder uitgevoerd onderzoek en overige documenten. nr.
titel
locatie
auteur
kenmerk
datum
Amsteldijk Zuid 105
Certicon
P2018-0783/V2
02-10-2018
onderzoekslocatie 1
verkennend bodem- en asbestonderzoek
omgeving 2
verkennend bodemonderzoek
3
meldingsformulier BUS saneringsplan
Amsteldijk Zuid 96
4
meldingsformulier BUS evaluatieverslag
-
-
18-05-2011
5
beschikking BUS saneringsevaluatie
-
2011-39015
20-07-2011
6
verkennend bodemonderzoek
Grondslag
20564
17-04-2013
Amsteldijk Zuid ow
APS-Milieu
R10-B212
12-08-2010
APS-Milieu
2010-63771
22-10-2010
Uit de documenten in de voornoemde tabel blijkt het volgende. Ad 1 Aanleiding voor het onderzoek was de voorgenomen herontwikkeling op de locatie. Doel van het verkennend bodemonderzoek was het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Het doel van het verkennend asbestonderzoek was het vaststellen of de bodem asbest bevat en het doen van een uitspraak over het asbestgehalte. Verkennend bodemonderzoek Tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden werden in de bodem vanaf het maaiveld tot maximaal 1,8 m-mv bijmengingen aangetroffen met baksteen, beton, puin, hout, glas en aardewerk. Ter plaatse van twee boringen direct naast de asfaltverharding werd een volledige slakkenlaag waargenomen. Uit de analyseresultaten bleek dat in drie van de vier mengmonsters sterke verontreinigingen zijn aangetoond met PAK of lood. Plaatselijk werd een matige verontreinig aangetoond met zink. Verder bleek de locatie licht verontreinigd te zijn met cadmium, koper, lood, kwik, nikkel, zink, PAK, PCB en minerale olie. Het grondwater bleek licht verontreinigd te zijn met naftaleen. Na uitsplitsing van de mengmonsters en het uitvoeren van aanvullende boringen en analyses bleek de bodem nabij de asfaltverharding vanaf het maaiveld tot 1,0 m-mv sterk verontreinigd te zijn met met PAK.
Verder bleek de gehele locatie heterogeen verdeeld, licht tot sterk verontreinigd te zijn met lood en zink. Verkennend asbestonderzoek Tijdens de maaiveldinspectie is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In de uitkomende grond van twee asbestinspectiegaten werd asbestverdacht materiaal aangetroffen. Uit de analyseresultaten bleek in de fractie <20 mm geen asbest te zijn aangetoond. Ter plaatse van twee inspectiegaten werd in de fractie > 20 mm asbest aangetoond. De totaal gewogen asbestconcentraties ter plaatse van deze twee inspectiegaten betrof 16 mg/kg d.s. en 40 mg/kg
pagina 4 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
d.s. De totaal gewogen gehalten aan asbest lagen lager dan de helft van de interventiewaarde. Derhalve werd het aannemelijk geacht dat de interventiewaarde niet wordt overschreden. Conclusie en aanbevelingen Geconcludeerd werd dat de grond met bodemvreemde bijmengingen naar verwachting over de gehele onderzoekslocatie heterogeen, licht tot sterk verontreinigd is met vooral zware metalen en PAK, en plaatselijk eveneens met PCB en minerale olie. Opgemerkt werd dat het verontreinigingspatroon in grote lijnen overeen komt met dat zoals aangegeven in de Nota bodembeheer en de kwaliteit zoals aangetroffen ter plaatse van Amsteldijk Zuid 96. Aanbevolen werd de grond onder de asfaltverharding nader te onderzoeken om de omvang en ernst van de verontreiniging met PAK ter plaatse vast te stellen. Ad 2 t/m 5 De locatie Amsteldijk Zuid 96 is gelegen ten noorden van de huidige onderzoekslocatie. Bij het verkennend bodemonderzoek [2] is in de bovengrond lood boven de interventiewaarde aangetoond. Verder bleek de bovengrond licht verontreinigd te zijn met zware metalen, PAK en PCB. De ondergrond en het grondwater bleken eveneens licht verontreinigd te zijn met enkele zware metalen. Geconcludeerd werd dat ter plaatse een verontreinigde ophooglaag aanwezig is. Hiervoor is in 2010 een BUS-melding ingediend [3].
De verontreiniging is vervolgens gesaneerd door middel van het aanbrengen van een verharding/isolatie. In 2011 is een beschikking op de saneringsevaluatie afgegeven [4 en 5]. Ad 6 De aanleiding voor het onderzoek was de voorgenomen aanleg van een jaagpad (wandelpad) tussen de openbare weg Amsteldijk Zuid en de rivier de Amstel. Doel van het onderzoek was het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden werden lichte bijmengingen aangetroffen met puin, baksteen, plastic en glas. Plaatselijk bleek de bodem sterk baksteen- en matig puinhoudend te zijn. Uit de analyseresultaten bleek de bovengrond plaatselijk sterk verontreinigd te zijn met zink, koper en lood, matig verontreinigd te zijn met barium en nikkel en licht verontreinigd te zijn met cadmium, kobalt, molybdeen, minerale olie en PAK. De ondergrond en het grondwater waren niet onderzocht. Uit de resultaten van het asbestonderzoek bleek dat zowel visueel als analytisch geen asbest werd aangetoond. Geconcludeerd werd dat naar de aangetoonde sterke en matige verontreinigingen formeel nader onderzoek dient te worden uitgevoerd. De aangetoonde sterke en matige verontreinigingen werden echter aangetoond in één boring, welke buiten het werkgebied is gelegen. Opgemerkt werd dat de verontreiniging in voldoende mate richting het werkgebied was ingekaderd.
Binnen het werkgebied werden slechts lichte verontreinigingen aangetoond. Geconcludeerd werd dat er milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen waren voor de voorgenomen werkzaamheden.
pagina 5 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
2.3 Bodemopbouw Tabel 2.4: bodemopbouw en geohydrologie. bodemopbouw maaiveldhoogte
variërend van 2,3 m-NAP tot 0,34 m+NAP
deklaag
dikte
9,5 m
samenstelling
klei en veen
doorlatendheid
slecht
1e watervoerende pakket
dikte
22 m
samenstelling
zand
doorlatendheid
goed
geohydrologie freatisch grondwater 1e watervoerende pakket
stijghoogte
3 m-NAP
stromingsrichting
sterk beïnvloed door lokale watergangen
onbekend
noordoostelijk
waterhuishouding oppervlaktewater
Circa 9 meter ten oosten van de onderzoeklocatie is de rivier de Amstel gelegen. Grenzend aan de westzijde van de onderzoekslocatie is de ringsloot gelegen.
grondwaterbeschermingsbied/
De locatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.
boringvrije zone grondwateronttrekking
Op de onderzoekslocatie vindt geen grondwateronttrekking plaats. Van de omgeving zijn geen gegevens bekend.
2.4 Bodemkwaliteitskaart Tabel 2.5: regionale bodemkwaliteit. bodemkwaliteitskaart kaart vastgesteld
14 maart 2013
regio
Amstelland Meerlanden
bodemkwaliteitszone
wonen
kwaliteit bovengrond (0 - 0,5 m-mv)
klasse “industrie”
kwaliteit ondergrond (0,5 - 2,0 m-mv)
klasse “industrie”
2.5 Hoogtemetingen Voor het in kaart brengen van de maaiveldhoogtes van de onderzoekslocatie zijn, met behulp van een GPS met een nauwkeurigheid van 0,02 meter, de maaiveldhoogtes vastgelegd. In totaal zijn (uitpandig) 118 metingen verricht waarbij de X, Y, en Z- coördinaten zijn bepaald. De resultaten van de hoogtemetingen zijn weergegeven op een situatietekening van de locatie. Deze situatietekening is weergegeven in bijlage 2. Aan de hand van een peilbout in de nabijheid van de locatie zijn de gemeten maaiveldhoogtes geverifieerd. Hieruit bleek dat de metingen voldoende nauwkeurig zijn.
pagina 6 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
2.6 Conclusies vooronderzoek In de navolgende tabel is een overzicht opgenomen van de deellocaties die voor het onderzoek worden onderscheiden. Tabel 2.6: deellocaties. deel-
omschrijving
afmeting
hypothese
motivatie
nader bodemonderzoek PAK,
350 m2
verdacht
eerder aangetoonde
verdachte
locatie A
stoffen
oostzijde onderzoekslocatie B
nader bodemonderzoek zware
PAK
bodemverontreiniging met PAK 2.050 m2
verdacht
metalen
eerder aangetoonde licht tot sterk
zware
verontreinigde bovengrond met zware
metalen
metalen 2
C
asfaltonderzoek
300 m
verdacht
bepalen hergebruiksmogelijkheden
D
funderingsonderzoek,
300 m2
verdacht
indicatief bepalen
t.p.v. asfaltverharding
PAK (teer) samenstelling
hergebruiksmogelijkheden
en uitloogpakket
E
verkennend asbestonderzoek,
< 10 m2
verdacht
afwateringszone schuur (2 st.)
verdacht op aanwezigheid afgespoelde
asbest
asbestvezels vanaf het dak
Verklaring bij de tabel: samenstelling
: organische parameters; PAK, PCB, minerale olie;
uitloogpakket
: schudproef met een eluaatanalyse op 15 metalen en 4 anionen.
pagina 7 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
3. Nader bodemonderzoek PAK 3.1 Onderzoeksopzet Het nader onderzoek wordt uitgevoerd volgens de NTA 5755 ‘Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek – Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging’ (Nederlandse Normalisatie-Instituut, juli 2010).
3.1.1 Onderzoeksvragen Op basis van de aanleiding en het doel van het onderzoek en de gegevens in hoofdstuk 2 zijn voor het nader onderzoek de volgende onderzoeksvragen geformuleerd. Tabel 3.1: onderzoeksvragen. vraag 1.
wat is de omvang van de grondverontreiniging met PAK?
2.
is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging?
3.
is de onderzoekslocatie zonder sanering van de bodem geschikt voor het toekomstige gebruik?
3.1.2 Onderzoeksstrategie Het nader onderzoek omvat de onderstaande werkzaamheden. Tabel 3.2: strategie nader bodemonderzoek. boorwerk
asfalt-
(diepte in m-mv)
boringen
boringen
peilbuizen
(diameter)
chemische analyses1) grond
grondwater
deellocatie A: nader bodemonderzoek PAK, oostzijde onderzoekslocatie (350 m2) 11 x (1,5)
-
7 x ø 12 cm
10 x PAK
-
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring analyses: PAK
:
polycyclische aromatische koolwaterstoffen.
pagina 8 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
3.2 Uitvoering 3.2.1 Kwalibo De coördinatie en planning van het veldwerk heeft plaatsgevonden vanuit de onder BRL SIKB 2000 (versie 5, 12 december 2013) gecertificeerde vestiging van Tritium Advies B.V. te Nuenen. De boringen zijn geplaatst conform protocol 2001 (versie 3.2, 12 december 2013) van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. In de navolgende is de naam van de erkende veldwerker weergegeven, die voor onderhavig onderzoek het veldwerk heeft uitgevoerd. Tabel 3.3: erkende veldwerker Tritium Advies B.V. veldwerker
datum uitvoering
boornummers/peilbuisnummers
boorwerkzaamheden Joris Mathijssen
16 april 2019
A01 t/m A11
Conform BRL SIKB 2000 zijn de veldwerkzaamheden getoetst op partijdigheid. De uitvoerder van het veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als dat van een onafhankelijk onderzoeksbureau.
3.2.2 Terreinverkenning Voorafgaand aan het veldwerk is een terreinverkenning uitgevoerd. Hierbij is gecontroleerd of de gegevens in hoofdstuk 2 van dit rapport overeenkomen met de situatie in het veld. De resultaten van de terreinverkenning hebben geen aanleiding gegeven om de onderzoeksstrategie aan te passen.
3.2.3 Plaatsen boringen De plaats van de boringen is weergegeven in bijlage 2. Tijdens het plaatsen van de boringen bleek dat ter plaatse van de boringen A03, A04, A05, A06 en A07 een met handkracht ondoordringbare laag aanwezig was. Verder deden zich geen belemmeringen of bijzonderheden voor. De bij de boringen vrijkomende grond is in het veld zintuiglijk beoordeeld. Hierbij zijn de in de navolgende tabel weergegeven afwijkingen waargenomen die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. Voor de bodemopbouw wordt verwezen naar de boorprofielen in bijlage 3.
pagina 9 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
Tabel 3.4: waargenomen afwijkingen. boring
traject
zintuiglijke afwijking
einddiepte
(m-mv) A01
(m-mv)
0,13 - 0,60
zwak puinhoudend
0,60 - 1,00
sporen puin
0,10 - 0,30
uiterst slakhoudend, uiterst kolengruishoudend, zwak sintelhoudend
0,30 - 0,60
zwak puinhoudend
0,60 - 1,50
sporen puin
A03
0,10 - 0,60
volledig puin, hierna ondoordringbaar
0,60
A04
0,08 - 0,22
volledig puin, met beton gestabiliseerd puin
1,40
0,22 - 0,34
volledig asfalt
0,50 - 0,90
sterk kolengruishoudend, matig sintelhoudend
A02
A05
1,50
0,90 - 1,40
sporen puin, zwak kolengruishoudend, hierna ondoordringbaar
0,07 - 0,35
volledig puin
0,35 - 0,60
zwak puinhoudend, matig kolengruishoudend, matig sintelhoudend,
1,50
0,60
hierna ondoordringbaar A06
0,07 - 0,35 0,35 - 0,60
volledig puin, met beton gestabiliseerd puin
0,60
matig puinhoudend, matig kolengruishoudend, zwak sintelhoudend, hierna ondoordringbaar
A07
A08
A09
A10
A11
0,09 - 0,20
volledig puin, met beton gestabiliseerd puin
0,20 - 0,29
volledig asfalt
0,29 - 0,70
volledig puin, hierna ondoordringbaar
0,05 - 0,50
volledig puin, brokken asfalt
0,50 - 1,00
sporen puin
0,00 - 0,80
sporen puin, sporen kolengruis
0,80 - 1,10
sporen puin
0,00 - 0,90
sporen puin, sporen kolengruis
0,90 - 1,10
sporen puin, resten hout
0,00 - 0,80
sporen puin, sporen kolengruis
0,70
1,50
1,60
1,60
1,50
3.2.4 Analyses De grondmonsters zijn volgens de navolgende tabel geanalyseerd. Tabel 3.5: geanalyseerde monsters (grond). monster-
traject
code
(m-mv)
monster
chemische
toelichting
analyses1)
deellocatie A: nader bodemonderzoek PAK, oostzijde onderzoekslocatie (350 m2) A01-2
0,60 - 1,00
A01 (0,60 - 1,00)
PAK
verificatie PAK gehalte t.p.v. noordzijde
A02-2
0,10 - 0,30
A02 (0,10 - 0,30)
PAK
asfaltverharding
A04-3
0,50 - 0,90
A04 (0,50 - 0,90)
PAK
horizontale afperking PAK verontreiniging
A05-2
0,35 - 0,60
A05 (0,35 - 0,60)
PAK
A06-3
0,35 - 0,60
A06 (0,35 - 0,60)
PAK
A08-3
0,50 - 1,00
A08 (0,50 - 1,00)
PAK
A09-1
0,00 - 0,50
A09 (0,00 - 0,50)
PAK
A11-1
0,00 - 0,50
A11 (0,00 - 0,50)
PAK
A10-3
0,90 - 1,10
A10 (0,90 - 1,10)
PAK
verticale afperking PAK verontreiniging
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring analyses: PAK
:
polycyclische aromatische koolwaterstoffen.
pagina 10 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
3.3 Analyseresultaten 3.3.1 Toetsingskader Wet bodembescherming (Wbb) De analyseresultaten van de grondmonsters zijn vergeleken met de toetsingstabel 'Streefwaarden grondwater en interventiewaarden grond en grondwater' uit de circulaire bodemsanering (Nederlandse Staatscourant, nr. 16675, 27 juni 2013). Bij onderhavig onderzoek zijn het organische stof- en lutumgehalte analytisch bepaald en weergegeven op het analysecertificaat. Met behulp van de bodemtypecorrectieformules uit de Regeling bodemkwaliteit zijn de meetwaarden van de grond omgerekend naar waarden voor standaardbodem (met een lutum percentage van 25 % en een organische stof percentage van 10 %). Voor de grond wordt de achtergrondwaarde beschouwd als het niveau waaronder sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. De interventiewaarde betreft het niveau waarboven voor de grond sprake kan zijn van risico's voor het milieu en de volksgezondheid. Een sanering van de bodem kan dan noodzakelijk zijn. In voorliggende rapportage wordt als criterium voor het uitvoeren van nader onderzoek de tussenwaarde gehanteerd. De tussenwaarde betreft het gemiddelde van de achtergrond- en de interventiewaarde. De aanduiding van de mate van verontreiniging in het rapport is weergegeven in de onderstaande tabel. Tabel 3.6: aanduiding mate van verontreiniging. aanduiding in rapport
betekenis voor grond
-
=
niet verontreinigd
de toetsingswaarden worden niet overschreden
>AW
=
licht verontreinigd
het aangetoonde gehalte ligt tussen de achtergrond- en tussenwaarde.
>T
=
matig verontreinigd
het aangetoonde gehalte ligt tussen de tussen- en interventiewaarde.
>I
=
sterk verontreinigd
het aangetoonde gehalte ligt boven de interventiewaarde.
pagina 11 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
3.3.2 Grond De analyseresultaten van de grondmonsters zijn weergegeven in bijlage 4. De toetsingsresultaten zijn weergegeven in bijlage 5. Een samenvatting is weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 3.7: samenvatting toetsingsresultaten grond. monster-
traject
code
(m-mv)
monster
toetsingsresultaten Wbb1)
motivatie
> AW
>T
>I
deellocatie A: nader bodemonderzoek PAK, oostzijde onderzoekslocatie (350 m2) A01-2
0,60 - 1,00
A01 (0,60 - 1,00)
verificatie PAK gehalte t.p.v. noordzijde
PAK
-
-
A02-2
0,10 - 0,30
A02 (0,10 - 0,30)
asfaltverharding
PAK
-
-
A04-3
0,50 - 0,90
A04 (0,50 - 0,90)
horizontale afperking PAK verontreiniging
PAK
-
-
A05-2
0,35 - 0,60
A05 (0,35 - 0,60)
-
-
PAK
A06-3
0,35 - 0,60
A06 (0,35 - 0,60)
PAK
-
-
A08-3
0,50 - 1,00
A08 (0,50 - 1,00)
PAK
-
-
A09-1
0,00 - 0,50
A09 (0,00 - 0,50)
PAK
-
-
A11-1
0,00 - 0,50
A11 (0,00 - 0,50)
PAK
-
-
A10-3
0,90 - 1,10
A10 (0,90 - 1,10)
PAK
-
-
verticale afperking PAK verontreiniging
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring analyses: PAK
:
polycyclische aromatische koolwaterstoffen.
3.4 Verontreinigingssituatie Bij het op de locatie uitgevoerde verkennend bodemonderzoek [1] is aan de oostzijde van de onderzoekslocatie een sterke verontreiniging met PAK in de grond aangetoond. De aard en omvang van de verontreiniging zijn door middel van onderhavig onderzoek afdoende vastgesteld. In de grond zijn bijmengingen waargenomen met puin, slakken, kolengruis en sintels. Het is aannemelijk dat de verontreiniging te relateren is aan de bodemvreemde bijmengingen. Wel wordt opgemerkt dat de mate van bijmenging geen directe invloed heeft op het aangetoonde gehalte aan PAK. Omdat de verontreiniging te relateren is aan de bodemvreemde bijmengingen in de ophooglaag, en de ophooglaag voor of tijdens de aanleg van de bebouwing en omliggende infrastructuur is toegepast, kan er vanuit worden gegaan dat de verontreiniging voor 1987 is ontstaan en daarmee ‘historisch’ is. De verontreiniging is aanwezig over een oppervlakte van circa 50 m2 en is aanwezig vanaf het maaiveld tot maximaal 1 m-mv. Het sterk verontreinigde bodemvolume wordt daarmee geraamd op 50 m3. Gezien de mate en omvang van de verontreiniging in de grond kan worden afgeleid dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Dat wil zeggen dat meer dan 25 m3 bodemvolume grond verontreinigd is met gehalten boven de interventiewaarde.
De verontreinigingssituatie en de omvang van de verontreiniging is op tekening weergegeven in bijlage 2.
pagina 12 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
3.4.1 Risicobeoordeling In de Circulaire bodemsanering (1 juli 2013) is het criterium uitgewerkt waarmee wordt vastgesteld of een spoedige sanering van een bodemverontreiniging noodzakelijk is. Het criterium is alleen van toepassing op verontreinigingen die voor 1987 zijn ontstaan. Als een geval van ernstige verontreiniging is vastgesteld dan is er sprake van een potentieel risico dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren. Voor deze gevallen moet bepaald of er sprake is van onaanvaardbare risico’s bij het huidige of toekomstig gebruik zodat er spoedig moet worden gesaneerd. Of er sprake is van onaanvaardbare risico’s wordt bepaald door middel van een generieke modelberekening met het programma Sanscrit (versie 2.7.0). Deze modelberekening bestaat uit 2 stappen:
stap 1 :
vaststellen geval van ernstige verontreiniging;
stap 2 :
standaard risicobeoordeling;
Uitgangspunten Voor de beoordeling van de risico’s zijn de volgende uitgangspunten gebruikt: •
De verontreinigingssituatie is zoals beschreven in hoofdstuk 3.
•
Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging omdat de omvang van de sterke grondverontreiniging meer dan 25 m3 bedraagt.
•
Momenteel is de locatie niet in gebruik (Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie). In de toekomst zal de locatie gebruikt worden als wonen met tuin.
•
De locatie is nu gedeeltelijk verhard. Bij het toekomstige gebruik zal de verharding worden verwijderd maar zal de locatie worden opgehoogd om deze geschikt te maken voor het toekomstige gebruik. Er zijn derhalve geen directe contactmogelijkheden.
•
De verontreiniging in de grond is aanwezig vanaf het maaiveld tot maximaal 1 m-mv.
•
Voor de beoordeling van de humane en de ecologische risico’s is uitgegaan van de maximaal aangetoonde concentraties tijdens onderhavig onderzoek.
Resultaten De rapportage van de risicobeoordeling is weergegeven in bijlage 6. De resultaten zijn in de navolgende tabel weergegeven. Opgemerkt wordt dat wanneer de omstandigheden in de toekomst wijzigen (bijvoorbeeld bij wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik), de risico’s opnieuw dienen te worden beoordeeld. Tabel 3.8: resultaten risicobeoordeling. gebruik locatie
humaan risico
ecologisch risico
verspreidingsrisico
huidig
niet aanwezig
niet aanwezig
niet aanwezig
toekomstig
niet aanwezig
niet aanwezig
niet aanwezig
Uit risicobeoordeling blijkt dat voor huidige gebruik en het toekomstige gebruik geen sprake van onaanvaardbare risico's zijn. Dit betekent dat voor zowel het huidige gebruik als het toekomstige gebruik geen tijdstip voor de start van de sanering wordt vastgesteld.
pagina 13 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
3.4.2 Toetsing onderzoeksvragen Conform de NTA 5755 is getoetst of er voldoende onderzoeksgegevens aanwezig zijn, of dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden. Tabel 3.9: onderzoeksvragen. vraag
antwoord
1.
wat is de omvang van de
De sterke bodemverontreiniging met PAK heeft zich verspreid over een oppervlakte
grondverontreiniging met PAK?
van circa 50 m2 en is aanwezig vanaf het maaiveld tot maximaal 1 m-mv. Het sterk verontreinigd bodemvolume bedraagt maximaal 50 m3.
2.
is er sprake van een geval van
Ja, er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
ernstige bodemverontreiniging? 3.
is de onderzoekslocatie zonder
Op basis van de standaard risicobeoordeling beoordeling zijn er bij het huidige en het
sanering van de bodem geschikt
toekomstige gebruik geen risico`s. Dit betekent dat het geval van ernstige
voor het toekomstige gebruik?
bodemverontreiniging als niet spoedeisend kan worden beschouwd. De locatie dient op een natuurlijk moment gesaneerd te worden. De voorgenomen ontwikkelingen zijn een natuurlijk moment.
pagina 14 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
4. Nader bodemonderzoek zware metalen 4.1 Onderzoeksopzet Het nader onderzoek wordt uitgevoerd volgens de NTA 5755 ‘Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek – Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging’ (Nederlandse Normalisatie-Instituut, juli 2010).
4.1.1 Onderzoeksvragen Op basis van de aanleiding en het doel van het onderzoek en de gegevens in hoofdstuk 2 zijn voor het nader onderzoek de volgende onderzoeksvragen geformuleerd. Tabel 4.1: onderzoeksvragen. vraag 1.
wat is de omvang van de grondverontreiniging met zware metalen?
2.
is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging?
3.
is de onderzoekslocatie zonder sanering van de bodem geschikt voor het toekomstige gebruik?
4.1.2 Onderzoeksstrategie Het nader onderzoek omvat de onderstaande werkzaamheden. Tabel 4.2: strategie nader bodemonderzoek. boorwerk (diepte in m-mv) boringen
chemische analyses1)
asfaltboringen
peilbuizen
(diameter)
grond
grondwater
deellocatie B: aanvullend onderzoek zware metalen, gehele locatie (2.050 m2) 10 x (1,0)
-
-
10 x met-9
-
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring analyses: met-9
:
standaardpakket met 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, lood, kwik, molybdeen, nikkel en zink).
pagina 15 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
4.2 Uitvoering 4.2.1 Kwalibo De coördinatie en planning van het veldwerk heeft plaatsgevonden vanuit de onder BRL SIKB 2000 (versie 5, 12 december 2013) gecertificeerde vestiging van Tritium Advies B.V. te Nuenen. De boringen zijn geplaatst conform protocol 2001 (versie 3.2, 12 december 2013) van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. In de navolgende zijn de namen van de erkende veldwerkers weergegeven, die voor onderhavig onderzoek het veldwerk hebben uitgevoerd. Tabel 4.3: erkende veldwerker Tritium Advies B.V. veldwerker
datum uitvoering
boornummers/peilbuisnummers
boorwerkzaamheden Joris Mathijssen
16 april 2019
C01 t/m C10
Pauke van der Stelt
28 mei 2019
C11 t/m C16
Conform BRL SIKB 2000 zijn de veldwerkzaamheden getoetst op partijdigheid. De uitvoerders van het veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek hebben geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als dat van een onafhankelijk onderzoeksbureau.
4.2.2 Terreinverkenning Voorafgaand aan het veldwerk is een terreinverkenning uitgevoerd. Hierbij is gecontroleerd of de gegevens in hoofdstuk 2 van dit rapport overeenkomen met de situatie in het veld. De resultaten van de terreinverkenning hebben geen aanleiding gegeven om de onderzoeksstrategie aan te passen.
4.2.3 Plaatsen boringen Nadat de analyseresultaten van de uitgevoerde veldwerkzaamheden d.d. 16 april 2019 bekend waren, bleek dat de verontreiniging nog niet voldoende in beeld was. Derhalve zijn op 28 mei 2019 zes aanvullende boringen geplaatst. De plaats van de boringen is weergegeven in bijlage 2. Tijdens het plaatsen van de boringen bleek dat ter plaatse van boring C13 een met handkracht ondoordringbare puinlaag aanwezig was. Verder deden zich geen belemmeringen of bijzonderheden voor. De bij de boringen vrijkomende grond is in het veld zintuiglijk beoordeeld. Hierbij zijn de in de navolgende tabel weergegeven afwijkingen waargenomen die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. Voor de bodemopbouw wordt verwezen naar de boorprofielen in bijlage 3.
pagina 16 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
Tabel 4.4: waargenomen afwijkingen. boring
traject
zintuiglijke afwijking
einddiepte
(m-mv)
(m-mv)
C01
0,00 - 0,50
sporen puin, sporen kolengruis
1,00
C02
0,00 - 0,70
sporen puin
1,00
C03
0,00 - 1,10
sporen puin, sporen kolengruis
1,60
C04
0,00 - 0,50
sporen puin
1,00
C05
0,00 - 0,70
sporen puin
1,20
C06
0,00 - 0,50
sporen puin
1,00
C07
0,00 - 0,20
hierna worteldoek
1,00
0,20 - 0,50
sporen puin
C08
0,00 - 0,20
hierna worteldoek
1,00
C09
0,00 - 0,50
sporen puin
1,00
C10
0,00 - 0,50
sporen puin
1,00
C11
0,10 - 0,30
stabilisatie
3,50
0,30 - 1,20
sporen puin, sporen kolengruis, sporen glas
1,20 - 1,70
sporen puin, sporen kolengruis
C12
1,70 - 3,00
matig puinhoudend
0,00 - 0,40
matig puinhoudend
0,40 - 0,80
zwak puinhoudend
2,50
0,80 - 1,50
sporen puin
C13
0,00 - 1,00
sporen puin, hierna ondoordringbaar (puin)
1,00
C14
0,00 - 0,90
sporen puin
2,40
C15
0,00 - 0,70
sporen puin
2,10
C16
0,00 - 0,70
zwak puinhoudend, zwak sintelhoudend
2,50
0,70 - 1,00
resten slib
4.2.4 Analyses De grondmonsters zijn volgens de navolgende tabel geanalyseerd. Tabel 4.5: geanalyseerde monsters (grond). monster-
traject
code
(m-mv)
monster
chemische
toelichting
analyses1)
deellocatie B: aanvullend onderzoek zware metalen, gehele locatie (2.050 m2) C02-1
0,00 - 0,50
C02 (0,00 - 0,50)
met-9
C05-1
0,00 - 0,50
C05 (0,00 - 0,50)
met-9
C06-1
0,00 - 0,50
C06 (0,00 - 0,50)
met-9
C07-2
0,20 - 0,50
C07 (0,20 - 0,50)
met-9
C09-1
0,00 - 0,50
C09 (0,00 - 0,50)
met-9
C15-1
0,00 - 0,50
C15 (0,00 - 0,50)
met-9
C13-1
0,00 - 0,50
C13 (0,00 - 0,50)
met-9
C16-1
0,00 - 0,50
C16 (0,00 - 0,50)
met-9
A02-4
0,60 - 1,00
A02 (0,60 - 1,00)
met-9
A08-3
0,50 - 1,00
A08 (0,50 - 1,00)
met-9
C03-2
0,50 - 1,00
C03 (0,50 - 1,00)
met-9
C04-2
0,50 - 1,00
C04 (0,50 - 1,00)
met-9
C08-3
0,50 - 1,00
C08 (0,50 - 1,00)
met-9
nader onderzoek bovengrond
nader onderzoek ondergrond (0,5 - 1,0 m-mv)
pagina 17 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
Vervolg Tabel 4.5: geanalyseerde monsters (grond). monster-
traject
code
(m-mv)
monster
chemische
toelichting
analyses1)
A02-5
1,00 - 1,50
A02 (1,00 - 1,50)
met-9
C03-4
1,10 - 1,60
C03 (1,10 - 1,60)
met-9
C11-4
1,20 - 1,70
C11 (1,20 - 1,70)
met-9
C11-5
1,70 - 2,20
C11 (1,70 - 2,20)
met-9
C12-5
1,50 - 2,00
C12 (1,50 - 2,00)
met-9
C14-3
0,90 - 1,40
C14 (0,90 - 1,40)
met-9
verticale inkadering
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring analyses: met-9
:
standaardpakket met 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, lood, kwik, molybdeen, nikkel en zink).
4.3 Analyseresultaten 4.3.1 Toetsingskader Wet bodembescherming (Wbb) De analyseresultaten van de grondmonsters zijn vergeleken met de toetsingstabel 'Streefwaarden grondwater en interventiewaarden grond en grondwater' uit de circulaire bodemsanering (Nederlandse Staatscourant, nr. 16675, 27 juni 2013). Bij onderhavig onderzoek zijn het organische stof- en lutumgehalte analytisch bepaald en weergegeven op het analysecertificaat. Met behulp van de bodemtypecorrectieformules uit de Regeling bodemkwaliteit zijn de meetwaarden van de grond omgerekend naar waarden voor standaardbodem (met een lutum percentage van 25 % en een organische stof percentage van 10 %). Voor de grond wordt de achtergrondwaarde beschouwd als het niveau waaronder sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. De interventiewaarde betreft het niveau waarboven voor de grond sprake kan zijn van risico's voor het milieu en de volksgezondheid. Een sanering van de bodem kan dan noodzakelijk zijn. In voorliggende rapportage wordt als criterium voor het uitvoeren van nader onderzoek de tussenwaarde gehanteerd. De tussenwaarde voor grond betreft het gemiddelde van de achtergrondwaarde en interventiewaarde. De aanduiding van de mate van verontreiniging in het rapport is weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 4.6: aanduiding mate van verontreiniging. aanduiding in rapport
betekenis voor grond
-
=
niet verontreinigd
de toetsingswaarden worden niet overschreden
>AW of >S
=
licht verontreinigd
het aangetoonde gehalte ligt tussen de achtergrond- en tussenwaarde.
>T
=
matig verontreinigd
het aangetoonde gehalte ligt tussen de tussen- en interventiewaarde.
>I
=
sterk verontreinigd
het aangetoonde gehalte ligt boven de interventiewaarde.
pagina 18 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
4.3.2 Grond De analyseresultaten van de grondmonsters zijn weergegeven in bijlage 4. De toetsingsresultaten zijn weergegeven in bijlage 5. Een samenvatting is weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 4.7: samenvatting toetsingsresultaten grond. monster-
traject
code
(m-mv)
monster
motivatie
toetsingsresultaten Wbb > AW
>T
>I
-
-
deellocatie B: aanvullend onderzoek zware metalen, gehele locatie (2.050 m2) C02-1
0,00 - 0,50
C02 (0,00 - 0,50)
nader onderzoek
kobalt, koper, kwik, lood,
bovengrond
molybdeen, zink
C05-1
0,00 - 0,50
C05 (0,00 - 0,50)
cadmium, koper, kwik, zink
lood
-
C06-1
0,00 - 0,50
C06 (0,00 - 0,50)
kobalt, koper, kwik, zink
-
lood
C07-2
0,20 - 0,50
C07 (0,20 - 0,50)
koper, kwik, zink
lood
-
C09-1
0,00 - 0,50
C09 (0,00 - 0,50)
koper, kwik, zink
lood
-
C15-1
0,00 - 0,50
C15 (0,00 - 0,50)
koper, kwik, lood, zink
-
-
C13-1
0,00 - 0,50
C13 (0,00 - 0,50)
-
-
-
C16-1
0,00 - 0,50
C16 (0,00 - 0,50)
cadmium, kobalt, kwik,
koper
lood, zink
-
lood
molybdeen, nikkel A02-4
0,60 - 1,00
A02 (0,60 - 1,00)
nader onderzoek
kobalt, koper, kwik, nikkel,
ondergrond
zink
(0,5 - 1,0 m-mv)
A08-3
0,50 - 1,00
A08 (0,50 - 1,00)
kobalt, koper, kwik, zink
-
lood
C03-2
0,50 - 1,00
C03 (0,50 - 1,00)
cadmium, kwik
koper, zink
lood
C04-2
0,50 - 1,00
C04 (0,50 - 1,00)
kobalt, molybdeen
-
-
C08-3
0,50 - 1,00
C08 (0,50 - 1,00)
kobalt, molybdeen, nikkel
-
-
C16-3
0,70 - 1,00
C16 (0,70 - 1,00)
koper, kwik, zink
lood
-
A02-5
1,00 - 1,50
A02 (1,00 - 1,50)
nader onderzoek
koper, kwik
-
lood
C03-4
1,10 - 1,60
C03 (1,10 - 1,60)
ondergrond
kwik
-
-
C11-4
1,20 - 1,70
C11 (1,20 - 1,70)
(1,0 - 1,5 m-mv)
kobalt, kwik, nikkel, zink
koper
lood
C11-5
1,70 - 2,20
C11 (1,70 - 2,20)
koper, kwik, lood
-
-
C12-5
1,50 - 2,00
C12 (1,50 - 2,00)
koper, kwik, lood
-
-
C14-3
0,90 - 1,40
C14 (0,90 - 1,40)
molybdeen
-
-
pagina 19 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
4.4 Verontreinigingssituatie In de rapportage van het eerder op de locatie uitgevoerde verkennend bodemonderzoek [1] werd geconcludeerd dat de bovengrond op de gehele locatie heterogeen licht tot sterk verontreinigd is met zware metalen. De aard en omvang van de verontreiniging zijn door middel van onderhavig onderzoek afdoende vastgesteld. De zand en kleilagen met bodemvreemde bijmengingen zijn heterogeen licht tot sterk verontreinigd met zware metalen. De onderliggende veenlaag blijkt maximaal licht verontreinigd te zijn met zware metalen. In de grond zijn bijmengingen waargenomen met puin, slakken, kolengruis en sintels. De aangetroffen gehaltes aan zware metalen (met name lood) hangen samen met de mate van bijmengingen in de grond. Omdat de verontreiniging te relateren is aan de bodemvreemde bijmengingen in de ophooglaag, en de ophooglaag voor of tijdens de aanleg van de bebouwing en omliggende infrastructuur is toegepast, kan er vanuit worden gegaan dat de verontreiniging voor 1987 is ontstaan en daarmee ‘historisch’ is. De sterke verontreiniging bestaat uit twee delen en is aanwezig over een oppervlakte van circa 550 m2. De verontreiniging is aanwezig vanaf het maaiveld tot maximaal 1,7 m-mv. Het sterk verontreinigde bodemvolume wordt geraamd op 935 m3.
Gezien de mate en omvang van de verontreiniging in de grond kan worden afgeleid dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Dat wil zeggen dat meer dan 25 m3 bodemvolume grond verontreinigd is met gehalten boven de interventiewaarde. De verontreinigingssituatie is op tekening weergegeven in bijlage 2.
4.4.1 Risicobeoordeling In de Circulaire bodemsanering (1 juli 2013) is het criterium uitgewerkt waarmee wordt vastgesteld of een spoedige sanering van een bodemverontreiniging noodzakelijk is. Het criterium is alleen van toepassing op verontreinigingen die voor 1987 zijn ontstaan. Als een geval van ernstige verontreiniging is vastgesteld dan is er sprake van een potentieel risico dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren. Voor deze gevallen moet bepaald of er sprake is van onaanvaardbare risico’s bij het huidige of toekomstig gebruik zodat er spoedig moet worden gesaneerd. Of er sprake is van onaanvaardbare risico’s wordt bepaald door middel van een generieke modelberekening met het programma Sanscrit (versie 2.7.0). Deze modelberekening bestaat uit 2 stappen:
stap 1 :
vaststellen geval van ernstige verontreiniging;
stap 2 :
standaard risicobeoordeling.
Uitgangspunten Voor de beoordeling van de risico’s zijn de volgende uitgangspunten gebruikt: •
De verontreinigingssituatie is zoals beschreven in hoofdstuk 4.
•
Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging omdat de omvang van de sterke grondverontreiniging meer dan 25 m3 bedraagt.
•
Momenteel is de locatie niet in gebruik (Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie). In
pagina 20 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
de toekomst zal de locatie gebruikt worden als wonen met tuin. •
Verspreid over de gehele locatie zijn matige tot sterke verontreinigingen met zware metalen aangetoond. Omdat ook de matige verontreinigingen onderdeel uitmaken van het geval van ernstige bodemverontreiniging wordt voor de risicobeoordeling de gehele oppervlakte van het perceel aangehouden (2.050 m2).
•
De verontreiniging in de grond is aanwezig vanaf het maaiveld tot een gemiddelde diepte van 1,2 m-mv.
•
Voor de beoordeling van de humane en de ecologische risico’s is uitgegaan van de maximaal aangetoonde concentraties tijdens onderhavig onderzoek.
Resultaten De rapportage van de risicobeoordeling is weergegeven in bijlage 6. De resultaten zijn in de navolgende tabel weergegeven. Opgemerkt wordt dat wanneer de omstandigheden in de toekomst wijzigen (bijvoorbeeld bij wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik), de risico’s opnieuw dienen te worden beoordeeld. Tabel 4.8: resultaten risicobeoordeling. gebruik locatie
humaan risico
ecologisch risico
verspreidingsrisico
huidig
niet aanwezig
niet aanwezig
niet aanwezig
toekomstig
wel aanwezig
niet aanwezig
niet aanwezig
Uit risicobeoordeling blijkt dat voor het huidige gebruik geen sprake is van onaanvaardbare risico's. Dit betekent dat voor het huidige gebruik geen tijdstip voor de start van de sanering wordt vastgesteld. Omdat bij het toekomstige gebruik van de locatie wel sprake is van onaanvaardbare risico's moet de locatie voorafgaand aan de gebruikswijziging worden gesaneerd. Het bevoegd gezag zal op basis van de locatiespecifieke situatie het saneringstijdstip vaststellen.
4.4.2 Toetsing conceptueel model Conform de NTA 5755 is getoetst of er voldoende onderzoeksgegevens aanwezig zijn, of dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden. Tabel 4.9: onderzoeksvragen. vraag
antwoord
1.
De sterke bodemverontreiniging met zware metalen (met name lood)
wat is de omvang van de grondverontreiniging met zware metalen?
bestaat uit twee delen en heeft zich verspreid over een oppervlakte van circa 550 m2. De verontreiniging is aanwezig vanaf het maaiveld tot maximaal 1,7 m-mv. Het sterk verontreinigd bodemvolume bedraagt 935 m3.
2.
is er sprake van een geval van ernstige
Ja, er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
bodemverontreiniging? 3.
is de onderzoekslocatie zonder sanering van de
Op basis van de standaard risicobeoordeling beoordeling is er bij het
bodem geschikt voor het toekomstige gebruik?
toekomstige gebruik sprake van onaanvaardbare risico`s. Dit betekent dat de locatie zonder bodemsanering niet geschikt is voor het voorgnomen gebruik als wonen met tuin.
pagina 21 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
5. Asfaltonderzoek 5.1 Onderzoeksstrategie Het asfaltonderzoek wordt uitgevoerd volgens de ‘Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt’ (CROW 210). Het aantal te plaatsen boringen wordt bepaald op basis van de oppervlakte van elk te onderscheiden homogeen wegvak. Voor het onderzoek wordt er vanuit gegaan dat de verharding van asfalt als één vak kan worden onderzocht en dat het is opgebouwd uit één te onderzoeken type asfalt van maximaal 12 cm, welke is aangelegd vóór 1995. De uit te voeren werkzaamheden zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Tabel 5.1: strategie asfaltonderzoek. oppervlakte
geschatte
geschatte hoeveelheid
asfaltverharding
laagdikte
asfalt
(cm)
m³
boorkernen
ton
analyses PAK-
PAK in asfalt
marker
(HPLC)
2
1
C: asfaltonderzoek 300 m2
12
36
90
2
Van iedere boorkern wordt een laagbepaling en een PAK-markertest uitgevoerd. Op basis van de laagbepaling en de PAK-markertest wordt een analysestrategie opgesteld. De laagbepaling, PAKmarkertest en de analyses worden door een geaccrediteerd laboratorium uitgevoerd.
5.2 Uitvoering Op 16 april 2019 zijn de asfaltkernen A02 en A06 bemonsterd door Joris Mathijssen. De plaats van de asfaltboringen is weergegeven in bijlage 2. Van iedere boorkern is door een geaccrediteerd laboratorium een laagbepaling en een PAK-markertest uitgevoerd. Het analysecertificaat is opgenomen in bijlage 4. Op basis van de laagbepalingen en de PAK-markertesten is een analysestrategie opgesteld. De mengmonstersamenstelling is weergegeven in de navolgende tabel. De asfaltmonsters zijn geanalyseerd door een geaccrediteerd laboratorium. Tabel 5.2: resultaat PAK markertesten monster-
laag
code
traject
resultaat PAK marker test
(mm)
(positief >250 mg/kg)
C: asfaltonderzoek A02
A06
1
00 - 31
negatief
open asfaltbeton
2
31 - 37
positief
kleeflaag
3
37 - 99
negatief
grind asfaltbeton
1
00 - 66
negatief
open asfaltbeton
pagina 22 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
Op basis van de laagbepalingen en de PAK-markertesten is een analysestrategie opgesteld. De mengmonstersamenstelling is weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 5.3: geanalyseerde mengmonsters. monster-
kernen (traject in mm)
chemische
code
motivatie1)
analyses
C: asfaltonderzoek MMasfalt01
A02 (55-99), A06 (0-66)
HPLC
OAB/GAB
opmerkingen bij de tabel: 1) verklaring afkortingen: OAB
: open asfaltbeton;
GAB
: grind asfaltbeton.
5.3 Analyseresultaten 5.3.1
Toetsingskader
De analyseresultaten van de mengmonsters zijn vergeleken met tabel 2 in bijlage A van de Regeling Bodemkwaliteit (Nederlandse Staatscourant, nr. 247, 20 december 2007 en daarop volgende aanpassingen). Hierin staat aangegeven dat de maximale hergebruikswaarde voor asfaltproducten 75 mg/kg d.s. PAK bedraagt.
5.3.2
Toetsingsresultaten
De analyseresultaten van de mengmonsters zijn weergegeven in bijlage 4. De toetsing van de analyseresultaten van de mengmonsters is weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 5.4: samenvatting toetsingsresultaten asfalt. monstercode
kernen
motivatie
(traject in mm)
gemeten gehalte PAK
toetsing
(mg/kg d.s.)
C: asfaltonderzoek MMasfalt01
A02 (55-99), A06 (0-66)
OAB/GAB
n.a.
-
opmerkingen bij de tabel: n.a.:
gehalte lager dan rapportagegrens
-
teervrij.
:
Het uitgangspunt in paragraaf 5.1, dat het asfalt bestaat uit één homogeen vak, blijkt niet juist. Uit de resultaten blijkt dat het asfalt ten noorden van de bebouwing een teerhoudende kleeflaag bevat. Het overige asfalt blijkt teervrij te zijn en komt in aanmerking voor hergebruik.
pagina 23 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
5.4 Freesplan Het freesplan kan worden gebaseerd op de gegevens in de navolgende tabel. Tabel 5.2: samenvatting asfaltonderzoek. onderdeel
oppervlakte 2
(m )
traject (mm)
laagdikte (m)
hoeveelheid asfalt 3
(m )
(ton)
kwaliteit
C: asfaltonderzoek asfaltverharding noordzijde
asfaltverharding zuidzijde
115
00 - 55
0,055
6.33
15,83
teerhoudend
115
55 - 99
0,044
5,06
12,65
teervrij
185
00 - 66
0,066
12,21
30,53
pagina 24 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
6. Funderings- en asbestonderzoek 6.1
Onderzoeksstrategie
Aan de oostzijde van de onderzoekslocatie, onder en rondom de asfaltverharding, zou een slakkenfundering aanwezig zijn. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden ten behoeve van het bodemonderzoek is deze laag geclassificeerd als slakken- en/of sintelhoudende bodem. Wel bleek onder de asfaltverharding een puinfundering aanwezig. Omdat de herkomst en kwaliteit van de puinfundering niet bekend is, is deze verdacht op het voorkomen van asbest. Op basis van een verkennend asbestonderzoek kan vastgesteld worden of het puin daadwerkelijk asbest bevat. Het verkennend asbestonderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 5897+C2 (december 2017). Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt het maaiveld geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Indien asbestverdachte materialen worden aangetroffen, worden deze bemonsterd en ter verificatie aangeboden aan het laboratorium. Op verzoek van de opdrachtgever wordt een mengmonster samengesteld van de slakken- en sintelhoudende bodemlaag en wordt hierop een indicatief samenstellings- en uitloogonderzoek uitgevoerd. Veldwerk en chemische analyses Een overzicht van de te verrichten werkzaamheden is weergegeven in de navolgende tabel. In overleg met de opdrachtgever zijn de inspectiegaten niet in de asfaltverharding geplaatst maar zijn deze aan de rand van het asfalt geplaatst.
Gezien de kleine oppervlakte van de asfaltverharding wordt er vanuit gegaan dat dit geen invloed heeft op de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten. Tabel 6.1: strategie funderingsonderzoek. strategie1)
analyses2)
inspectiegaten (m-mv) (0,3 x 0,3 m)
deellocatie D: fundering (300 m2) FUND indicatief
5 x (0,5)
1 x asbest in puin
-3)
1 x samenstelling en uitloog
opmerking bij de tabel: 1) verklaring strategie: FUND
: strategie voor een afgedekte funderingslaag.
2) verklaring analyses: samenstelling : PAK, PCB, minerale olie; uitloog
: schudproef met een eluaatanalyse op 15 metalen en 4 anionen.
3) voor het mengmonster van de slakken- en sintelhoudende bodemlaag wordt gebruikt gemaakt van de boringen t.b.v. het nader bodemonderzoek PAK.
De monsters worden door een geaccrediteerd laboratorium geanalyseerd.
pagina 25 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
6.2 Uitvoering 6.2.1 Kwalibo De coördinatie en planning van het veldwerk vindt plaats vanuit de onder BRL SIKB 2000 (versie 5, 12 december 2013) gecertificeerde vestiging van Tritium Advies B.V. te Nuenen. Dit protocol is niet van toepassing op de funderingslaag aangezien deze laag niet gezien wordt als grond. In de navolgende tabel is de naam weergegeven van de erkende veldwerker, die voor onderhavig onderzoek het veldwerk heeft uitgevoerd. Tabel 6.2: erkende veldwerker Tritium Advies B.V. veldwerker
datum
nummers
23 april 2019
maaiveld
23 april 2019
AG03 t/m AG06
maaiveldinspectie Joris Mathijssen gaten en boringen (inspectie grond) Joris Mathijssen
6.2.2 Veldwerk asbestonderzoek Tijdens de uitvoering van het veldwerk deden zich geen belemmeringen of bijzonderheden voor De plaats van de inspectiegaten is weergegeven in bijlage 2. Het bij de werkzaamheden vrijkomende puin is in het veld zintuiglijk beoordeeld. Hierbij zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Voor de bodemopbouw wordt verwezen naar de boorprofielen in bijlage 3.
6.2.3 Analyses De monsters zijn volgens de navolgende tabel geanalyseerd. Tabel 5.3: geanalyseerde monsters. monster- boring/gaten
traject
code
(m-mv)
analyses1)
motivatie
deellocatie D: fundering (641 m2) MM02
AG03 t/m AG06
0,10 - 0,35
asbest in puin mogelijk asbesthoudend puin
MM01
A02 (0,10 - 0,30), A04 (0,50 - 0,90),
0,10 - 0,90
samenstelling
A05 (0,35 - 0,60), A06 (0,35 - 0,60)
en uitloog
uitvoeren indicatief uitloogonderzoek op de slakken- en sintelhoudende bodemlaag.
opmerking bij de tabel. 1) verklaring analyses: samenstelling : PAK, PCB, minerale olie; uitloog
: schudproef met een eluaatanalyse op 15 metalen en 4 anionen.
pagina 26 van 39
documentkenmerk: 1903/087/EL-01, versie 0
6.3 Analyseresultaten 6.3.1 Toetsingskader asbest De maximale waarde voor hergebruik van grond, baggerspecie en puin(granulaat) die verontreinigd zijn met asbest is weergegeven in de Regeling Bodemkwaliteit en is eveneens vastgesteld op 100 mg/kg d.s. gewogen asbest (serpentijnasbestgehalte vermeerderd met 10 maal het amfiboolasbestgehalte). Het Arbeidsomstandighedenbesluit en het Asbestverwijderingsbesluit zijn niet van toepassing op handelingen met materialen met een asbestgehalte beneden de maximale hergebruikswaarde. In dat geval zijn geen aanvullende maatregelen ten aanzien van asbest vereist bij bewerking of verwerking van de grond/puin. Bij overschrijding van de hergebruikswaarde is sprake van een verontreiniging met asbest en dienen werkzaamheden met grond/puin onder asbestcondities te worden uitgevoerd. Indien de resultaten van het verkennend onderzoek leiden tot het vermoeden dat er sprake is van een overschrijding van de hergebruikswaarde, dient een nader onderzoek plaats te vinden. Conform de NEN 5897 (augustus 2016) wordt nader onderzoek noodzakelijk geacht indien het gewogen gehalte aan asbest (hoogste gehalte) groter is dan de helft van de hergebruikswaarde.