CConstaterende datAmersfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Wind op Isselt, externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag (27 januari 2026)

Commissie Bedrijvigheid 10 juni 2026, gemeente AmersfoortBij agendapunt: Externe veiligheid Wind op Isselt (beeldvorming)8.398 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

Datum

27-01-2026

Versie

1.7

Auteur Tweede lezer

Bosch & Van Rijn Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht Tel: Mail: Web:

030-677 6466 info@boschenvanrijn.nl www.boschenvanrijn.nl

© Bosch & Van Rijn 2026 Behoudens hetgeen met de opdrachtgever is overeengekomen, mag in dit rapport vervatte informatie niet aan derden worden bekendgemaakt. Bosch & Van Rijn BV is niet aansprakelijk voor schade door het gebruik van deze informatie

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

Inhoudsopgave H OOFDSTUK 1

INLEIDING

3

1.1 1.2

Inleiding Leeswijzer

3 4

RISICO-INVENTARISATIE

5

Faalscenario’s Rekenvoorschriften Werpafstanden en risicocontouren Risico-inventarisatie

5 6 6 7

BEOORDELINGSKADER

9

(Beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties Risicovolle installaties Hoogspanningsinfrastructuur Wegen Vaarwegen Waterkering Veiligheidsnormen interne veiligheid

9 9 10 10 10 11 12

RISICOANALYSE

13

(Beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties Risicovolle installaties Hoogspanningsinfrastructuur Wegen Vaarwegen Waterkering IJsafval

13 15 23 24 25 27 29

CONCLUSIES BIJLAGEN BEREKENING WERPAFSTAND SHORTLIST WINDTURBINETYPES BEREKENING TREFKANSEN EN IPR RAPPORT SAVE-W

30 31 32 34 35 43

H OOFDSTUK 2 2.1 2.2 2.3 2.4

H OOFDSTUK 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7

H OOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

H OOFDSTUK 5 H OOFDSTUK 6 BIJLAGE A BIJLAGE B BIJLAGE C BIJLAGE D

Inleiding 2

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Inleiding Ten behoeve van de voorbereiding van het vergunningtraject voor Wind op Isselt heeft Bosch & van Rijn de externe veiligheidsrisico’s onderzocht ten gevolge van de realisatie van twee windturbines op het industrieterrein de Isselt in Amersfoort. De locatie van de windturbines is in Figuur 1 en Tabel 1 weergegeven. De afmetingen van de windturbines zullen binnen de volgende bandbreedte komen te liggen: ➢ ➢ ➢

Ashoogte: Rotordiameter: Tiphoogte:

minimaal 130 meter, maximaal 155 meter; minimaal 170 meter, maximaal 185 meter; minimaal 215 meter, maximaal 242,5 meter.

Hierbij wordt opgemerkt dat de maximale ashoogte en maximale rotordiameter niet gecombineerd kunnen worden, aangezien dan de bovengrens van de tiphoogte wordt overschreden. Bij een maximale rotordiameter van 185 m kan de ashoogte dus maximaal 150 m bedragen. Figuur 1

Inleiding

Luchtfoto uit 2023 met de windturbineposities.

3

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

Hoofdstuk 2 Risico-inventarisatie 2.1

Faalscenario’s Risico’s van een windturbine voor de omgeving bestaan uit drie typen falen: 1.

het afbreken van (een gedeelte van) een windturbineblad; Het risico voor de omgeving van een afgebroken blad voor de omgeving is afhankelijk van: • De kans dat een blad afbreekt en de omstandigheden waaronder dit gebeurt; • De baan die het afgebroken blad aflegt, de plek waar hef afgebroken blad zal inslaan en de snelheid bij inslag; • De aanwezigheid van personen of objecten op de plaats waar het afgebroken blad terecht komt; • De gevolgen voor personen en of objecten als ze door een afgebroken blad worden getroffen De risico’s van het afbreken van een windturbineblad vormen een risico binnen de straal van de maximale werpafstand. Hierbij worden twee scenario’s onderscheiden: -

2.

Werpafstand bij nominaal toerental; Werpafstand bij overtoeren;

het omvallen van een windturbine door mastbreuk; Als gevolg van mastbreuk kan een persoon of object getroffen worden door de mast of door de gondel met rotor die op de grond terecht komt. Het omvallen van een windturbine vormt een risico binnen de maximale valafstand (ashoogte + halve rotordiameter) van de windturbine.

3.

het naar beneden vallen van de gondel en/of rotor. Als gevolg van gondelafworp kan een persoon of object getroffen worden door de gondel die op de grond terecht komt. Het risicogebied van het omvallen van de gondel en/of rotor is beperkt tot maximaal de halve rotordiameter.

Risico-inventarisatie

5

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

2.2

Rekenvoorschriften De wijze waarop berekeningen met betrekking tot de externe veiligheid van windturbines dienen te worden uitgevoerd is vastgelegd in het Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid – Module IV. Deze rekenmethode is voorgeschreven vanuit de Omgevingsregeling en vanuit Bijlage VII, onderdelen D lid 1 en E lid 1, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Om aan te sluiten bij de huidige voorschriften is voor dit onderzoek het rekenvoorschrift van januari 2025 toegepast. Er is een nieuwere versie van het rekenvoorschrift gepubliceerd in juli 2025. Hierin zijn de faalscenario’s van de windturbines anders ingedeeld. Het grootste verschil is dat het afbreken van een blad in delen als scenario is toegevoegd. Ook zijn de faalfrequenties van de turbines naar beneden bijgesteld op basis van een actualisatie van de brongegevens, resulterend in kleinere risicocontouren. Deze nieuwe versie van het rekenvoorschrift is echter nog niet voorgeschreven en daarmee zijn die rekenregels nog niet van kracht. De verwachting is dat de versie van juli 2025 in 2026 van kracht wordt.

2.3

Werpafstanden en risicocontouren Om de externe veiligheidsrisico’s behorende bij de in paragraaf 2.1 besproken faalscenario’s te berekenen is een shortlist van gangbare windturbinetypes opgesteld die binnen de bandbreedte van de omgevingsvergunningaanvraag passen. Voor deze gangbare windturbinetypes zijn op basis van generieke faalfrequenties en het kogelbaanmodel (Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid – Module IV – Windturbines, versie januari 2025) en parameters van de specifieke windturbinetypes de werpafstanden en risicocontouren berekend (zie Bijlage A en Bijlage B). Voor het berekenen van de werpafstanden en risicocontouren is gebruik gemaakt van berekeningsmodule SAVE-W. Deze berekeningsmodule is gebaseerd op het Handboek Risicozonering Windturbines en is ontwikkeld om uniformiteit in de berekening en beoordeling van de veiligheidsrisico’s van windturbines mogelijk te maken. De berekeningstool is gecontroleerd door het RIVM.

Vervolgens is een fictief ‘referentietype’ windturbine gemodelleerd met de volgende parameters: ➢ afmetingen (tiphoogte en rotordiameter) overeenkomstig de bovengrens van de bandbreedte van de vergunningaanvraag; ➢ een bij de rotordiameter passende bladlengte, bladoppervlak en ligging van het zwaartepunt van het blad, volgens de vergelijkingen uit paragraaf 7.7.2 van de toelichting op het rekenvoorschrift omgevingsveiligheid (versie januari 2025); ➢ een nominaal toerental dat zo gekozen is, dat de werpafstanden en risicocontouren van het referentietype windturbine ten minste gelijk aan of anders groter dan de werpafstanden en risicocontouren van de windturbines uit de shortlist uitkomen.

Risico-inventarisatie

6

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

Figuur 2

Aanwezigheid van voor externe veiligheid relevante onderwerpen binnen de maximale werpafstand bij overtoeren van het referentietype windturbine.

NB. Voor windturbines geldt dat het groepsrisico, vanuit het Bkl, geen beoordelingskader is voor windturbines. Hierdoor hoeft er niet worden ingegaan op het groepsrisico in onderhavig document. Indien een windturbine een risico verhogend effect heeft op een risicovolle installatie, is het mogelijk dat het groepsrisico van de installatie omhooggaat. Indien dit gebeurt moet er wel getoetst worden aan het groepsrisico.

Risico-inventarisatie

8

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

Hoofdstuk 3 Beoordelingskader 3.1

(Beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties In de Omgevingswet wordt er tussen gebouwen en locaties onderscheid gemaakt in drie categorieën. Deze categorieën worden uitgewerkt in Bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en Bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Er is sprake van beperkt kwetsbare- en kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. De regels verschillen per categorie. • Het plaatsgebonden risico (PR) voor een (zeer) kwetsbaar gebouw of locatie, zonder functionele binding, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-6 per jaar. Dit is de grenswaarde, waarvan niet mag worden afgeweken. • Het plaatsgebonden risico (PR) voor een beperkt kwetsbaar gebouw of locatie zonder functionele binding, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-6 per jaar. Dit is een standaardwaarde. Het bevoegd gezag heeft de ruimte om op basis van een eigen, goed gemotiveerde afweging van de standaardwaarde voor het PR bij beperkt kwetsbare objecten af te wijken tot een PR van 10-5 per jaar. Op de PR10-6-contour heeft een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, een kans op overlijden van één op een miljoen per jaar als rechtstreeks gevolg van een falende windturbine.

Op de PR10-5-contour is deze kans één op de honderdduizend per jaar.

3.2

Risicovolle installaties In het “Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi) zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Sinds de invoering van de Omgevingswet is het Bevi niet meer geldig. De regels met betrekking tot veiligheid van risicovolle inrichtingen zijn ondergebracht in het Bkl en het Bal. Voor het Bevi geldt overgangsrecht: voor een veiligheidscontour blijven de beoordelingsregels uit het Bevi op basis van artikel 8.2.7 lid van het Invoeringsbesluit Omgevingswet van toepassing tot het omgevingsplan onherroepelijk voorziet in een risicogebied externe veiligheid of het bevoegd gezag besluit om de veiligheidscontour niet als risicogebied externe veiligheid vast te leggen in het omgevingsplan. Voor het verkrijgen van een vergunning voor windturbines is het noodzakelijk dat na plaatsing van de windturbine wordt voldaan aan de eisen die voor risicovolle inrichtingen gelden. In de Handreiking Risicozonering Windturbines is omschreven dat, ter toetsing, in eerste instantie kan worden gekeken of de windturbines een substantiële toename van de catastrofale faalfrequentie van risicovolle installaties

Beoordelingskader

9

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

behorende tot de inrichting tot gevolg hebben. Conform het 10%-criterium kan een toename van de faalfrequentie van minder dan 10% als niet-substantieel en daarmee toelaatbaar worden beschouwd. Indien de toename deze richtwaarde overschrijdt is plaatsing van de windturbines niet direct uitgesloten, maar wordt door een uitgebreidere analyse bepaald of er na plaatsing nog steeds voldaan wordt aan de normen uit het Bkl en het Bal.

3.3

Hoogspanningsinfrastructuur Er bestaat geen wettelijk kader voor de invloed van windturbines op hoogspanningsinfrastructuur. Wel heeft TenneT in de Handreiking Risicozonering Windturbines (versie mei, 2020) een adviesafstand opgenomen voor het transportnetwerk van 110kV tot en met 380kV. Deze adviesafstand is gelijk aan de maximale werpafstand bij nominaal toerental of indien deze groter is, de ashoogte + ½ rotordiameter (=tiphoogte).

3.4

Wegen Voor rijkswegen zijn generieke afstanden bepaald waarbuiten geen ontoelaatbare risico’s voor passanten plaatsvinden. In het document “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over Rijkswaterstaatwerken”2 staan de minimale afstanden tot rijkswegen gegeven: “Langs rijkswegen wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 30m uit de rand van de verharding of bij een rotordiameter groter dan 60m, ten minste de halve diameter”. Voor alle wegen die geen eigendom zijn van Rijkswaterstaat maar bijvoorbeeld van de provincie of gemeente, zijn geen algemene externe veiligheidsnormen van toepassing. Voor deze wegen kan allereerst worden getoetst of plaatsing van de windturbines voldoet aan de beleidsregel tot rijkswegen. Indien dit het geval is kunnen de veiligheidsrisico’s voor de provinciale-, gemeentelijke- of waterschapsweg ook toelaatbaar worden geacht. Indien niet wordt voldaan aan de beleidsregel van Rijkswaterstaat kan worden getoetst of de windturbines tot overschrijding van het Individueel passantenrisico (IPR) of Maatschappelijk risico (MR) op de weg leiden.

3.5

Vaarwegen Voor vaarwegen in beheer van Rijkswaterstaat zijn in het document “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over Rijkswaterstaatwerken” afstanden bepaald waarbuiten geen ontoelaatbare risico’s voor passanten plaatsvinden:

2

Beoordelingskader

https://wetten.overheid.nl/BWBR0013685/2024-01-01

10

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

“Langs kanalen, rivieren en havens wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 50m uit de rand van de vaarweg.” En: “Binnen 50m uit de rand van de vaarweg wordt plaatsing slechts toegestaan indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat er geen hinder voor wal- en scheepsradar optreedt. De minimale afstand tot de rand van de vaarweg is altijd ten minste de helft van de rotordiameter.” Voor vaarwegen in beheer van de provincie, het waterschap of de gemeente gelden geen algemene adviesafstanden. Hier kan allereerst worden getoetst of plaatsing van de windturbines voldoet aan de beleidsregel tot vaarwegen in beheer van Rijkswaterstaat. Indien dit het geval is kunnen de veiligheidsrisico’s voor de betreffende vaarweg in beheer van de provincie, het waterschap of de gemeente ook toelaatbaar worden geacht. Indien niet wordt voldaan aan de beleidsregel van Rijkswaterstaat kan, net als bij wegen, worden getoetst of de windturbines tot overschrijding van het Individueel passantenrisico (IPR) of Maatschappelijk risico (MR) op de vaarweg leiden. Daarnaast kan worden onderzocht of de winturbines buiten een eventueel aanwezige vrijwaringszone rondom de vaarweg geplaatst worden, een belemmering voor de vaarhoogte op de vaarweg opleveren of de werking van wal- en scheepsradar ontoelaatbaar kunnen verstoren.

3.6

Waterkering In het plangebied bevindt zich een primaire waterkering met een veiligheidsnorm van 1/100 jaar (1,0 * 10-2 per jaar) 3. Door het Waterschap is aangegeven dat de windturbines bij deze waterkering ten hoogste 1% additionele faalkans mogen veroorzaken. Hieruit volgt een additionele faalkans van hooguit 1,0 * 10-4 per jaar. Allereerst kan voor de waterkering de additionele faalkans worden berekend onder de conservatieve aanname dat treffen door de windturbine altijd leidt tot falen van de waterkering. Volgt uit deze berekening een additionele faalkans van minder dan 1%, dan kan plaatsing van de windturbines op voorhand als voldoende veilig worden beschouwd. Volgt uit deze eerste conservatieve berekening een additionele faalkans van meer dan 1%, dan kan de kans worden berekend dat treffen van de waterkering ook echt tot falen zal leiden. Volgt uit deze aanvullende berekening een additionele faalkans van minder dan 1%, dan kan plaatsing van de windturbines alsnog als voldoende veilig worden beschouwd.

3

Beoordelingskader

Besluit kwaliteit leefomgeving, Bijlage II bij de artikelen 2.0b, 2.0c en 11.11, eerste lid, van dit besluit (veiligheid waterkeringen).

11

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

3.7

Veiligheidsnormen interne veiligheid Buiten de eerdergenoemde eisen en richtlijnen omtrent externe veiligheid dienen windturbines ook te voldoen aan eisen omtrent interne veiligheid. Bij interne veiligheid gaat het om voorzieningen in en aan de windturbines zelf, die de kans op onveilige situaties (o.a. brand, elektrocutie, afwerpen van ijsafzetting) zo klein mogelijk maken. Dergelijke interne veiligheidsvoorzieningen gelden voor elk type turbine in elke willekeurige opstelling. Voor windturbines gelden veiligheidsvoorschriften uit paragraaf 4.30 van het Bal. Het gaat om een jaarlijkse beoordeling door een deskundige en om ontwerpeisen in NEN-normen. Dit zijn de normen NEN-EN-IEC 61400-1 en NEN-EN-IEC 61400-2. Windturbines dienen voorzien te zijn van een geldig certificaat conform de hierboven genoemde normen. Dit onderdeel wordt in dit onderzoek daarom niet verder getoetst.

Beoordelingskader

12

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

Hoofdstuk 4 Risicoanalyse 4.1

(Beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties Binnen de PR10-6-contouren van de windturbines is nagegaan of er (beperkt) kwetsbare gebouwen of locaties aanwezig zijn. Hiervoor is onder meer gebruik gemaakt van het Omgevingsplan gemeente Amersfoort, BAG van Oktober 2024, de luchtfoto, cyclomedia4 en vastgoeddata5. Op basis van de gegevens die hier te vinden zijn, is per gebouw beoordeeld of er sprake is van een (beperkt) kwetsbaar gebouw.

Figuur 3

Plaatsgebonden risicocontouren en gebouwen rondom de beoogde windturbines

In Figuur 3 is te zien dat zich binnen de PR10-6-contouren meerder panden bevinden. Deze 29 panden zijn met een nummer aangeduid op de kaart. Nummers 1, 25 en 29 vragen om een extra toelichting.

4 5

Risicoanalyse

Street Smart (cyclomedia.com) https://www.vastgoeddata.nl/?gad source=1&gclid=EAIaIQobChMI3IfybKfigMVaZqDBx1RxRdnEAAYASAAEgKt9fD BwE

13

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

Nummer 1 is een gebouw dat op basis van de grootte en aanwezige kantoorfunctie als kwetsbaar kan worden bestempeld. Het Bkl specificeert echter dat de aanduiding van (beperkt) kwetsbare gebouwen echter alleen geldt voor de betreffende gebruiksfunctie. Anders gezegd: voor de beoordeling wordt er onderscheid gemaakt tussen de verschillende functies binnen een gebouw. Het gedeelte dat binnen de PR 10-6 contour ligt, bevat wel kantoorruimtes, maar deze hebben een oppervlak van minder dan 1.500 m2. Het gedeelte binnen de PR10-6-contour is daarom beoordeeld als beperkt kwetsbaar. Binnen de PR10-5-contour is één pand gelegen, dat als niet kwetsbaar is beoordeeld. Dit betreft pand nummer 25. Dit is een gebouw dat op dit moment nog niet bestaat, maar waarvoor er al een vergunning is verleend. Hoewel het nog niet gerealiseerd is dient het wel mee te worden genomen bij de beschouwing van de milieunormen. Het gebruiksdoel van het toekomstige pand is een industriefunctie. In het pand worden enkel installaties geplaatst. Personen hoeven daar enkel te zijn ten behoeve van onderhoud. Daarom is dit gebouw beoordeeld als een niet-kwetsbaar gebouw. Voor het pand met nummer 29 geldt eveneens dat dit nog niet is gerealiseerd. Er komt in dit pand een industriefunctie en een kantoorfunctie.

Het kantooroppervlak is kleiner dan 1.500 m2, waardoor het gebouw beoordeeld is als een beperkt kwetsbaar gebouw. De overige 26 panden binnen de PR 10-6-contour zijn panden behorende tot de proces- en regelinstallatie van de RWZI, kleine bedrijfsgebouwen, loodsen of kantoorpanden met een bruto vloeroppervlak van minder dan 1.500 m2 waar hooguit kleine aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zullen zijn. Hierdoor moeten de panden hooguit als beperkt kwetsbaar object worden beschouwd. De beperkt kwetsbare gebouwen binnen de PR 10-6-contour voldoen niet aan de standaardwaarde die gesteld is in het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving. Sectormanagement (het terugschroeven van de windturbines om de risico’s te verkleinen) is geen haalbare oplossing, aangezien de windturbines dat dusdanig worden beperkt in de productie dat ze niet meer rendabel zijn en het project geen doorgang kan vinden. Het Ontwerpbesluit biedt het bevoegd gezag wel een afwijkmogelijkheid tot een grenswaarde van PR 10-5. Hiervoor dient het bevoegd gezag te motiveren waarom de grenswaarde toelaatbaar is. Die afwijking is te motiveren door het feit dat de dichtheid van personen binnen de PR10-6-contour laag is. Veel panden zijn bedrijfspanden waar kleine aantallen personen aanwezig zijn.

Daarnaast betreft het een bedrijventerrein, waar een ander beschermingsniveau kan worden verwacht dan andersoortige gebieden, zoals buitengebieden. Vanuit een ruimtelijk oogpunt is de functiecombinatie van windenergie en overige bedrijfsactiviteiten ook wenselijk. Plaatsing op een bedrijventerrein heeft als voordeel dat de afstand tot woningen relatief groot is. Hierdoor blijven de milieueffecten op woningen beperkt.

Risicoanalyse

14

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

4.2

Risicovolle installaties Op basis van de risicokaart, luchtfoto’s, streetview foto’s en informatie verstrekt door de opdrachtgever is nagegaan welke risicovolle installaties zich binnen de maximale werpafstanden en valafstand rondom de beoogde windturbines bevinden (Figuur 4).

Figuur 4

Risicovolle installaties binnen de invloedsfeer van de beoogde windturbines

Binnen de invloedsfeer van de windturbines bevinden zich verschillende risicovolle installaties die voor de externe veiligheidsbeoordeling relevant zijn: ➢ een installatie voor de opslag van 1.500 m3 biogas (gashouder) op het terrein van de RWZI. ➢ tanks voor de opslag van diverse gevaarlijke stoffen op het terrein van de Seveso-inrichting Handelsmaatschappij A. Smit & Zoon B.V. ➢ een toekomstige opslag van mierenzuur, op het terrein van de Seveso-inrichting Handelsmaatschappij A. Smit & Zoon B.V. ➢ een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen (PGS15-opslag) in hal P, op het terrein van Seveso-inrichting Handelsmaatschappij A. Smit & Zoon B.V. ➢ Verschillende ruimtes op het terrein van Seveso-inrichting Handelsmaatschappij A. Smit & Zoon B.V. Deze ruimtes zijn uitgesplitst in paragraaf 4.2.2 en Bijlage C. Voor de bovenstaande risicovolle installaties is berekend wat de kans is dat zij door (delen van) een falende windturbine worden getroffen conform de rekenmethodes Risicoanalyse

15

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

in het Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid Module IV – Windturbines (versie januari 2025).

4.2.1

Rekenmethode trefkansberekening Rekenmethode wiekbreuk Om de trefkans van een object met hoogte h, breedte b, en diepte d te berekenen wordt uitgegaan van een geprojecteerd grondoppervlak: De kans dat het zwaartepunt van de wiek in het geprojecteerde oppervlak terecht komt is: p𝑂𝑑 = p𝑧𝑤𝑝𝑡 ∙ 𝐴𝑝𝑟 Waarin: pzwpt = trefkans van het zwaartepunt van het blad (berekend volgens HRW 2020). Apr = (b+h)·(d+h) Het object kan direct door het zwaartepunt worden getroffen, maar het is ook mogelijk dat het zwaartepunt van het blad binnen een afstand van 2/3 Lb (lengte afgebroken blad) inslaat. In dit geval kan het object nog door het blad worden geraakt aangezien het zwaartepunt zich op ongeveer 1/3 van het blad bevindt. Deze kans loopt van 0,0 naar 1,0 van de buitenrand van de 2/3 Lb strook tot het object. De kans dat het zwaartepunt in de strook met breedte 2/3 Lb rondom de tank terechtkomt is: 𝜋 3

2

p𝑂 = p𝑧𝑤𝑝𝑡 ((2𝑏 + 2𝑑) ∙ 1⁄3 ∙ 𝐿𝑏 + ∙ (2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 ) ) 𝑖

Om de totale trefkans te bereken dat een installatie wordt getroffen door een blad worden de twee bovenstaande parameters bij elkaar opgeteld: 𝒑𝑶 = 𝒑𝑶𝒅 + 𝒑𝑶𝒊 In bovenstaande methode is verondersteld dat Pzwpt constant is over het oppervlak Apr en de strook met breedte 2/3 Lb ook. Indien dit niet het geval is (bijvoorbeeld rond de werpafstand bij nominaal toerental) kunnen de trefkansen als volgt worden berekend: 𝑃𝑂𝑑 = 𝑃̅𝑧𝑤𝑝𝑡 ∙ 𝐴𝑝𝑟 𝜋

2

̅𝑧𝑤𝑝𝑡,𝑏 ∙ 𝑏 ∙ 2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 + p ̅𝑧𝑤𝑝𝑡,𝑑 ∙ 𝑑 ∙ 2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 + (2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 ) ∙ ( p𝑂𝑖 = p 2

̅𝑧𝑤𝑝𝑡,𝑏 + p ̅𝑧𝑤𝑝𝑡,𝑑 p 2

)

Waarin:

Risicoanalyse

16

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

𝑝̅ZWPT: de gemiddelde waarde van de trefkans van het zwaartepunt per m2 over het oppervlak Apr (gemiddelde van de punten 1 t/m 4 uit de figuur rechts); 𝑝̅ZWPT,b: de gemiddelde waarde van de trefkans van het zwaartepunt per m2 in de stroken langs de gevel met lengte b (gemiddelde van de punten 2, 4, 6, en 8 uit de figuur); 𝑝̅ZWPT,d: de gemiddelde waarde van de trefkans van het zwaartepunt per m2 in de stroken langs de gevel met lengte d (gemiddelde van de punten 1, 3, 5, en 7 uit de figuur). Rekenmethode mastbreuk De trefkans van een object door mastbreuk van een windturbine is afhankelijk van verschillende parameters. Ten eerste van de generieke faalkans van de mast. Indien de mast niet verstevigd is, is dit standaard 1.3*10-4. Ten tweede is de faalkans afhankelijk van de hoek waarbij de hoek wordt vastgesteld door de grenzen waarbij het rotoroppervlak het object net niet raakt. De kans dat de windturbine richting het object (Ko) valt wanneer de mastbreuk zich voordoet is dan: 𝐾𝑜 = (

𝐻𝑜𝑒𝑘 ) 360

De kans dat het scenario zich voordoet en dat een object geraakt wordt kan dan berekend worden via de onderstaande formule: 𝐾𝑔 = 𝐾𝑜 ∗ 𝑓𝑎𝑎𝑙𝑘𝑎𝑛𝑠 𝑚𝑎𝑠𝑡

Het toe te passen turbinetype is in deze fase nog niet bekend. Voor de doorgerekende referentieturbine houdt de initiatiefnemer er rekening mee dat een windturbine wordt geplaatst die een hogere IEC-klasse heeft dan op de projectlocatie vereist is. Daarom is voor de trefkansberekeningen een reductiefactor toegepast op het scenario bladbreuk. In onderstaand kader is dit nader toegelicht. Indien een turbinetype wordt gekozen waarbij een hogere IEC-klasse niet noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat deze tot lagere trefkansen leidt dan het doorgerekende referentietype, kan een dergelijke ‘overdimensionering’ achterwege worden gelaten. Er geldt hoe dan ook dat de te plaatsen windturbines mogen resulteren in een PR106 -contour over een kwetsbaar gebouw.

Risicoanalyse

17

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

Opgemerkt wordt dat de bij de trefkans voor de opslagtanks het worst-case-uitgangspunt is gehanteerd dat bij treffen alle tanks worden getroffen. Deze trefkansen zijn berekend aan de hand van de rekenregels, zoals die gelden op het moment van indienen van de vergunningaanvraag. Het is voorzienbaar dat per 1 januari 2027 nieuwe rekenregels gaan gelden. Aangezien die nieuwe rekenregels op basis van het Bkl direct gaan gelden voor de exploitatie van de windturbines, zal bij in gebruik name van de windturbines van de nieuwe rekenregels uitgegaan worden.

4.2.3

Gevolgen trefkansberekening Gashouder RWZI De berekende trefkans wordt vergeleken met de intrinsieke faalkans van de risicovolle installatie (faalkansen van alle catastrofale scenario’s bij elkaar opgeteld). De intrinsieke faalkans wordt onderbouwd, zoals beschreven in Tabel 5.

Risicoanalyse

19

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

Gezien de beperkte aanwezigheid van personen in de directe omgeving van de gashouder lijkt een S-Categorie van maximaal 4 geschikt., wat betekent dat een kans van eens per 1.000 – 10.000 per jaar nog toelaatbaar zou zijn. Omdat de kans van optreden in dit onderzoek op ééns per 14.192 jaar is berekend zou plaatsing van de windturbine volgens bovenstaande matrix dus geen aanleiding tot verdere maatregelen geven. Verschillende onderdelen Smit & Zoon Van enkele onderdelen van de installaties van Smit & Zoon zijn de gevolgen toegelicht. Onderaan deze paragraaf is vervolgens een algemene conclusie getrokken met betrekking tot de gevolgen van de trefkansen. Opslagtanks formaline en andere stoffen Smit & Zoon Op het terrein van Smit & Zoon zijn zwavelzuur, fenol, natronloog en formaline opgeslagen in tanks die zijn geplaatst in tankputten van 5 bij 5 meter. Voor deze opslagtanks geldt een trefkans van 2,90 * 10-5 per jaar, wat neerkomt op een kans van voorkomen van eens in de 34.507 jaar. De toekomstige opslagtank voor mierenzuur zal een volume hebben van 3 m3. Aangenomen wordt dat de afmetingen ca. 1,5 m x 1,5 m x 1,5 m bedragen. Voor de opslag van mierenzuur geldt een trefkans van 7,85 * 10-5 per jaar, wat neerkomt op een kans van voorkomen van eens in de 12.738 jaar. Om te beoordelen of deze risico’s toelaatbaar zijn, is bij A. Smit & Zoon B.V.

de kwantitatieve risicoanalyse (QRA) van 11 april 2025, zoals opgesteld door Antea, opgevraagd. In deze QRA is de opslag van zuren en logen, met het oog op een extern veiligheidsrisico, als niet relevant beoordeeld. De opslag van fenol en formaline is hierin wel relevant. Ook de toekomstige opslag van mierenzuur is meegenomen in de QRA.

Risicoanalyse

21

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

Over fenol stelt de QRA het volgende: Fenol is opgeslagen in tank 14 (maximaal 39 ton) en is geplaatst in een afzonderlijke tankput van ca. 5 bij 5 meter en circa 1,5 meter hoog. Omdat de smelttemperatuur van fenol 41oC bedraagt, vindt de opslag (en aanvoer) bij verhoogde temperatuur (circa 50 oC) plaats. Bij het plaatsvinden van ongevalsscenario's vindt bij de opslagtanks een uitstroming in de tankput plaats en bij verlading uitstroming op de losplaats. Na uitstroming vindt, in het geval van fenol, een stolling van het product plaats door de snelle afkoeling. De gevaren van fenol voor de omgeving worden daarom verwaarloosbaar geacht en niet nader beschouwd.

Over formaline stelt de QRA het volgende: Formaline is opgeslagen in tank 16 (maximaal 40 ton) en is geplaatst in een afzonderlijke tankput van ca. 5 bij 5 meter en circa 1,5 meter hoog. De tankauto die voor de verlading zorgt, staat tijdens de verlading op een verlaadplaats van 48 bij 10 meter. De verlaadplaats is voorzien van een goot van 20 bij 20 cm en 40 meter lang. Bij het plaatsvinden van ongevalsscenario's vindt bij de opslagtank een uitstroming in de tankput plaats en bij verlading uitstroming op de losplaats. Het gevaar van formaline is dat bij uitstroming in een plas, giftig formaldehyde kan uitdampen en een toxische wolk vormt.

De intrinsieke faalfrequenties en brontermen (snelheid van het vrijkomen van uitdampende formaldehyde) voor de tank met formaline zijn opgenomen in onderstaande tabel:

Voor de opslagtank van het mierenzuur zijn eveneens deze faalfrequenties gehanteerd. In de QRA worden geen verdere conclusies verbonden aan de in de tabel weergegeven waarden voor de omgevingsveiligheid. Ook wordt ervan uitgegaan dat de vrijkomende formaline in de tankput wordt opgevangen. Bij het treffen door een windturbineblad en de grote hoeveelheid kinetische energie die daarmee gepaard gaat is het echter aannemelijk dat de vrijkomende formaline en de andere opgeslagen stoffen vermengd raken, bijvoorbeeld door schade aan de tankputten. Een dergelijke vermenging kan zorgen voor chemische reacties die schadelijke stoffen verder kunnen verspreiden. Opslag verpakte gevaarlijke stoffen Smit & Zoon In hal P van Smit & Zoon liggen verpakte gevaarlijke stoffen opgeslagen. De hal is ca. 30 bij 35 m breed en heeft daarmee een oppervlakte van ca. 1.000 m2. De totale opslagcapaciteit bedraagt 381 ton. De risico’s zijn door Antea beschreven in de QRA:

Risicoanalyse

22

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

In het verleden is berekend dat het stikstofpercentage bij Smit & Zoon worst-case 3 % bedraagt. Gelet hierop is in deze QRA gerekend met de volgende stoffen (modelstoffen) voor de PGS15-opslagen: De gebruikte molecuulformules in Safeti-NL hiervoor zijn: Hal P: C6,0H5,0O1,0Cl0,16N0,235S0,175P0,01

In de QRA is vervolgens beschouwd hoe groot het risico is dat deze stoffen in het geval van brand kunnen veroorzaken voor de omgeving. Het additionele risico door de plaatsing van de windturbines bestaat uit treffen door een wiek als het gevolg van mastbreuk. Deze kans bedraagt 2,35*10-5 per jaar (oftewel 1 op 42.580 per jaar). De hal is te ver weg gelegen om door de mast of gondel getroffen te kunnen worden. Overige ruimtes Smit & Zoon Voor de overige ruimtes op het terrein van Smit & Zoon waarvoor de trefkansen zijn berekend geldt dat er conform de QRA van Antea geen intrinsiek risico voor de omgeving bestaat, waardoor ze niet verder zijn beschouwd in de QRA van april 2025. Algemene conclusie installaties Smit & Zoon Op basis van de resultaten van de in dit rapport gepresenteerde trefkansen heeft Antea een actualisatie van de QRA van Smit & Zoon uitgevoerd. Uit de actualisatie volgt dat de trefkansen van de windturbines niet leidt tot een onaanvaardbare situatie. De PR 10-6-contour van Smit & Zoon neemt weliswaar toe, maar dit heeft niet tot gevolg dat er kwetsbare gebouwen of locaties binnen deze contour komen te liggen. Aangezien het gaat om een worst-case-scenario kan voldaan worden aan de eis dat de PR10-6-contour niet over kwetsbare objecten heen komt te liggen.

De gemeente Amersfoort is vanuit haar rol als bevoegd gezag voor de milieubelastende activiteit bij Smit & Zoon op de hoogte van deze geactualiseerde QRA.

4.3

Hoogspanningsinfrastructuur Uit het externe veiligheidsonderzoek volgt dat de locaties van de windturbines voldoen aan de gestelde adviesafstand ingegeven door TenneT. Met een maximale tiphoogte van 242,5 meter is de afstand tussen de windturbines en de hoogspanningsinfrastructuur 3,5 meter groter dan de adviesafstand (Figuur 5). Aanvullend onderzoek is niet nodig aangezien aan de richtafstand wordt voldaan.

Risicoanalyse

23

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

Figuur 5

Afstand tussen de windturbines en de hoogspanningsinfrastructuur van Tennet

4.4

Wegen Binnen de invloedsfeer van de windturbines bevinden zich meerdere openbare wegen. De meeste van deze wegen bevinden zich op meer dan een halve rotordiameter afstand van de windturbinemast (Figuur 6). Omdat hiermee wordt voldaan aan de “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatwerken” kan het externe veiligheidsrisico bij deze wegen op voorhand als toelaatbaar worden beschouwd. Bij twee wegen is sprake van overdraai door de zuidelijke windturbine. Voor deze wegen is daarom berekend wat de kans is dat een persoon die de windturbines op de weg passeert door (delen van) een falende windturbine wordt getroffen. Deze trefkans is: ➢ 3,12*10-12 per passage Hieruit volgt dat aan het Individuele Passantenrisico (IPR) van 10-6 wordt voldaan zolang één passant de windturbines niet vaker passeert dan: ➢ 321.014 keer per jaar; oftewel 879 passages per dag gedurende een heel jaar door dezelfde persoon ➢ Er wordt aan het Maatschappelijk Risico (MR) van 2*10-3 voldaan zolang het aantal passanten dat de windturbines passeert niet meer is dan: ➢ 642.027.837 per jaar

Risicoanalyse

24

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

voldoen. Hieruit volgt dat de noordelijke windturbine niet aan de beleidsregel van Rijkswaterstaat zal voldoen, omdat deze over de Eem zal overdraaien. De meest zuidelijke windturbine bevindt zich op grote afstand van de vaarweg en kan in de externe veiligheidsbeoordeling daarom wel buiten beschouwing worden gelaten. Figuur 7

Vaarwegen rondom de beoogde windturbines

Omdat de externe veiligheidsrisico’s van de meest noordelijke windturbine niet op grond van de beleidsregel van Rijkswaterstaat als toelaatbaar kunnen worden beschouwd is voor deze windturbine beoordeeld of deze een beperking voor de vaarhoogte op de vaarweg zal betekenen, of deze de werking van wal- en scheepsradar ontoelaatbaar zal verstoren en of deze tot overschrijding van het IPR en MR op de vaarweg zal leiden. Vaarhoogte Gerekend met het type dat minimaal mogelijk is binnen de bandbreedte zoals beschreven in paragraaf 1.1, dit is een turbine van 130 meter ashoogte en 165 meter rotordiameter betekent dit ook dat er een maximale overdraai plaatsvind van 59,5 meter boven de vaarweg, in horizontale stand, en dat de wieken altijd op minimaal 78 meter boven het wateroppervlak zullen blijven. Daar de maximale vaarhoogte 30 meter is op de Eem worden hier geen problemen voorzien. Daarnaast kent de Eembrugge een maximale doorvaarhoogte van 7,70 m8. Deze criteria in acht nemend kan de vaarhoogte altijd gewaarborgd worden. 8

Risicoanalyse

20210303Memo overdraai windturbine over de Eem thv de RWZI

26

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

Wal- en scheepsradars Windturbines kunnen een verstorende werking hebben op (scheeps)radar indien de turbines tussen de radarpost en het te bekijken object (het schip) staan. Langs de vaarweg nabij de windturbines zijn echter geen radarposten opgesteld. Logischerwijs zal daarom ook geen ontoelaatbaar effect op wal- en scheepsradar optreden.

4.5.1

Trefkansberekening vaarweg Omdat er sprake is van overdraai over de vaarweg, is berekend wat de kans is dat een persoon die de windturbines op de vaarweg passeert door (delen van) een falende windturbine wordt getroffen. Hiervoor is de rekenmethode gehanteerd van de HRW, 2020. Deze totale berekende trefkans, uitgaande van een snelheid van de passant van 5 km/h, bedraagt: ➢

1,75*10-12 per passage

Hieruit volgt dat aan het IPR (10-6) wordt voldaan zolang één passant de windturbines niet vaker passeert dan: ➢ 572.615 keer per jaar; oftewel 1.569 passages per dag gedurende een heel jaar door dezelfde persoon Er wordt aan het MR (2*10-3) voldaan zolang het aantal passanten dat de windturbines passeert niet meer is dan: ➢ 1.145.230.806 per jaar Gelet op de aard van de vaarweg is het niet realistisch dat het IPR of MR wordt overschreden. Plaatsing van de windturbines zal dus niet tot ontoelaatbare veiligheidsrisico’s voor passanten leiden. De windturbines leveren geen belemmering op voor de vaarhoogte op de vaarweg. Daarnaast zal geen verstoring van wal- en scheepsradar optreden, omdat wal- en scheepsradarinstallaties niet langs (dit deel van) de vaarweg zijn gelegen.

4.6

Waterkering Binnen de invloedsfeer van de windturbines bevindt zich een primaire waterkering (Figuur 8). De risico’s voor de waterkering als gevolg van het plaatsen van de windturbines zijn in deze paragraaf beschouwd.

Risicoanalyse

27

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

Figuur 8

Ligging van de primaire waterkering binnen de invloedsfeer van de beoogde windturbines.

4.6.1

Trefkans waterkering Ter beoordeling van de externe veiligheidsrisico’s is de kans berekend dat (delen van) de windturbine de kernzone van de primaire waterkering zullen treffen, conform de rekenmethodes uit het HRW, 2020. Uit de trefkansberekening in het externe veiligheidsonderzoek volgt dat de kans dat (delen van) de falende windturbine de kernzone van de primaire waterkering raakt 4,93 * 10-4 per jaar is. Deze trefkansberekening is nader uitgewerkt in Bijlage C.

4.6.2

Additionele faalkans waterkering In een eerdere fase van dit project heeft contact plaatsgevonden met waterschap Vallei en Veluwe over de faalkans van de waterkering. Indien (delen van) de falende windturbine de waterkering treffen, zal dit enkel tot falen van de waterkering leiden wanneer het water in de Eem voldoende hoog staat. In overleg met het waterschap Vallei en Veluwe is besproken dat deze situatie zich alleen voor zal doen tijdens een storm, en wanneer de wind uit west tot noordelijke richting waait9. De additionele faalkans van de waterkering kan daarom berekend worden door de hierboven berekende trefkans te vermenigvuldigen met de kans dat deze twee

9

Risicoanalyse

Overleg tussen William Ouwehand (Vallei en Veluwe), Joep van Doornik (Vallei en Veluwe) en Martijn Maan (Bosch & van Rijn), 1 december 2021.

28

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

omstandigheden zich voordoen. Deze methode is akkoord bevonden door het waterschap. De kans dat de wind uit westelijke tot noordelijke richting waait is berekend op basis van 10 jaar aan meetgegevens van het dichtstbijzijnde KNMI-weerstation te Soesterberg. Dit betreft uurwaarden uit de periode van 2001 t/m 2010, de meest recente periode waarvoor de uurwaarden beschikbaar zijn. Hieruit volgt een frequentie van 19,9%. De kans dat een incident bij de windturbine zich voordoet tijdens een storm is berekend op basis van faalstatistieken uit de Caithness Wind Farm database. Op deze database zijn ook de algemene faalfrequenties uit het Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid Module IV – windturbines gebaseerd. Uit de database blijkt dat in 30 van de 227 gevallen van ‘structural failure’ bij windturbines sprake was van een storm. Hieruit is af te leiden dat de kans dat falen van de windturbine plaatsvindt tijdens een storm 13,3% is. De additionele faalkans van de waterkering komt daarmee uit op 4,93 * 10-4 * 0,199 * 0,133 = 1,31 * 10-5 per jaar. Voor de betreffende waterkering geldt een norm van 1,0 * 10-2 (één op de 100 per jaar), waardoor de additionele faalkans hooguit 1,0 * 10-4 mag bedragen. Enkel de correctiefactor voor de windrichting resulteert al in een faalkans onder de normgrens van 1,0 x 10-4 per jaar.

Met de gehanteerde methode komt daar nog een reductiefactor op basis van falen tijdens stormen op basis van de Caithness Wind Farm Database bij, waardoor de faalkans verder afneemt. De additionele faalkans van de waterkering veroorzaakt door realisatie van de windturbines ligt onder de door het waterschap gehanteerde norm van 1%. Het toegevoegd risico veroorzaakt door realisatie van de windturbines kan daarom als toelaatbaar worden beschouwd.

4.7

IJsafval De windturbines zullen worden voorzien van een ijsdetectiesysteem die de windturbines stilzet in geval van ijsopbouw, en de rotor op zo’n manier zal draaien (kruien) dat stukken afvallend ijs minimale veiligheidsrisico’s voor de omgeving veroorzaken. Conform het rekenvoorschrift omgevingsveiligheid zijn de risico’s door ijsafval in dit rapport niet kwantitatief beschreven. Wel zal later een ijsprotocol worden opgesteld waarin de meest optimale kruihoek wordt weergegeven en is omschreven welke maatregelen bij ijsopbouw op locatie van de windturbines dienen te worden genomen.

Risicoanalyse

29

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

Hoofdstuk 5 Conclusies In dit onderzoek is de impact op de externe veiligheid in relatie tot windturbines in kaart gebracht voor een aantal thema’s. De voorziene windturbines voldoen niet aan de standaardwaarde die is gesteld in de conceptwindturbinebepalingen met betrekking tot (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties. Indien het bevoegd gezag ervoor kiest om gemotiveerd af te wijken tot de grenswaarde voldoen de turbines wel. Met betrekking tot risicovolle installaties is een nadere beschouwing van het effect van de windturbines op de risico’s van de opslag van gevaarlijke stoffen op het terrein van Smit & Zoon vereist. Bij geen van de overige thema’s met betrekking tot externe veiligheid is er sprake van een ontoelaatbaar risico.

Conclusies

30

Wind op Isselt Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag

Hoofdstuk 6 Bijlagen

Bijlagen

31

Bijlage A Berekening werpafstand

Bijlagen

32

Bijlagen

33

Bijlage C Berekening trefkansen en IPR Trefkansberekening risicovolle installaties Alle trefkansen zijn berekend conform de rekenmethode die is beschreven in paragraaf 4.2.1. Algemene uitgangspunten referentiewindturbine ▪ Ashoogte (As): 150 m ▪ Rotordiameter (RD): 185 m ▪ Bladlengte (Lb): 92,5 m ▪ Hoogte gondel: 7,8 m ▪ Lengte gondel: 15,1 m ▪ Breedte gondel: 4,98 m ▪ Afstand zwaartepunt blad: 25,9 m ▪ Nominaal toerental: 9,2 rpm ▪ Generieke faalfrequentie bladbreuk: 8,4 x 10-4 ▪ Generieke faalfrequentie mastbreuk: 1,3 x 10-4 ▪ Reductiefactor mastbreuk i.v.m. verhoogde IEC-klasse: 1,6 Gashouder RWZI Afmetingen ▪ Hoogte (h) = 12 m ▪ Breedte (b) = 17 m ▪ Diepte (d) = 17 m ▪ Afstand tot windturbine 1 = 113 m Berekening bladbreuk Pzwpt = 6,82 x 10-9 (Berekend met rekenmodel BladeThrow) 𝐴𝑝𝑟 = (𝑏 + ℎ) ∙ (𝑑 + ℎ) = 841 m2 𝑃𝑜𝑑 = 𝑃𝑧𝑤𝑝𝑡 ∙ 𝐴𝑝𝑟 = 5,73 x 10-6 2 𝜋 𝑃𝑜𝑖 = 𝑃𝑧𝑤𝑝𝑡 ((2𝑏 + 2𝑑) ∙ 1⁄3 ∙ 𝐿𝑏 + 3 ∙ (2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 ) ) = 4,14 x 10-5

Totale trefkans = 𝑃𝑜𝑑 + 𝑃𝑜𝑖 = 4,72 x 10-5 Berekening mastbreuk 𝑅𝐷

𝛼 = 2 ∙ sin−1 ( ) = 76° 2∙𝐴𝑠 𝛽 = 8° (op basis van meting in GIS) Totale hoek van treffen = 84° Percentage treffen bij mastbreuk (Ko) = 84 / 360 = 23,4% Trefkans (Kg) = Ko * faalfrequentie mast / 1,6 =1,90 x 10-5 per jaar Opslagtanks Smit & Zoon Afmetingen ▪ Hoogte (h) = 6 m ▪ Breedte (b) = 5 m ▪ Diepte (d) = 5 m ▪ Afstand tot windturbine 1 = 167 m

Bijlagen

35

Berekening bladbreuk Nabij werpafstand bij nominaal toerental, dus Pzwpt uitgemiddeld. Pzwpt,1 = 8,07 x 10-12 Pzwpt,2 = 8,84 x 10-12 Pzwpt,3 = 9,90 x 10-12 Pzwpt,4 = 9,34 x 10-12 Pzwpt,5 = 6,33 x 10-12 Pzwpt,6 = 6,98 x 10-12 Pzwpt,7 = 6,89 x 10-9 Pzwpt,8 = 1,08 x 10-11 (Berekend met rekenmodel BladeThrow) Pzwpt,gem = 9,04 x 10-12 Pzwpt,d = 1,73 x 10-9 Pzwpt,b = 8,99 x 10-12 𝐴𝑝𝑟 = (𝑏 + ℎ) ∙ (𝑑 + ℎ) = 341 m2 𝑃𝑜𝑑 = 𝑃̅𝑧𝑤𝑝𝑡 ∙ 𝐴𝑝𝑟 = 3,08 x 10-9 𝜋

2

̅ p

̅ +p

̅ 𝑧𝑤𝑝𝑡,𝑏 ∙ 𝑏 ∙ 2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 + p ̅ 𝑧𝑤𝑝𝑡,𝑑 ∙ 𝑑 ∙ 2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 + (2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 ) ∙ ( 𝑧𝑤𝑝𝑡,𝑏 𝑧𝑤𝑝𝑡,𝑑 ) = 8,40 x 10-6 p𝑂𝑖 = p 2 2

Totale trefkans = 𝑃𝑜𝑑 + 𝑃𝑜𝑖 = 8,41 x 10-6 per jaar Berekening mastbreuk 𝑅𝐷

𝛼 = 2 ∙ sin−1 ( ) = 76° 2∙𝐴𝑠 𝛽 = 4° (op basis van meting in GIS) Totale hoek van treffen = 80° Percentage treffen bij mastbreuk (Ko) = 80 / 360 = 22,3% Trefkans (Kg) = Ko * faalfrequentie mast / 1,6 =1,81 x 10-5 per jaar Toekomstige opslagtank mierenzuur Smit & Zoon Afmetingen ▪ Hoogte (h) = 1,5 m ▪ Breedte (b) = 1,5 m ▪ Diepte (d) = 1,5 m ▪ Afstand tot windturbine = 150 m Berekening bladbreuk Pzwpt = 1,21 x 10-8 (Berekend met rekenmodel BladeThrow) 𝐴𝑝𝑟 = (𝑏 + ℎ) ∙ (𝑑 + ℎ) = 9 m2 𝑃𝑜𝑑 = 𝑃𝑧𝑤𝑝𝑡 ∙ 𝐴𝑝𝑟 = 1,09 x 10-7 2 𝜋 𝑃𝑜𝑖 = 𝑃𝑧𝑤𝑝𝑡 ((2𝑏 + 2𝑑) ∙ 1⁄3 ∙ 𝐿𝑏 + 3 ∙ (2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 ) ) = 5,04 x 10-5

Totale trefkans = 𝑃𝑜𝑑 + 𝑃𝑜𝑖 = 5,05 x 10-5 per jaar Berekening mastbreuk 𝑅𝐷

𝛼 = 2 ∙ sin−1 (2∙𝐴𝑠) = 76° 𝛽 = 1,5° (op basis van meting in GIS) Totale hoek van treffen = 78° Percentage treffen bij mastbreuk (Ko) = 78 / 360 = 21,6% Bijlagen

36

Trefkans (Kg) = Ko * faalfrequentie mast / 1,6 =1,75 x 10-5 per jaar PGS15-opslag Smit & Zoon Afmetingen ▪ Hoogte (h) = 8 m ▪ Breedte (b) = 35 m ▪ Diepte (d) = 30 m ▪ Afstand tot windturbine = 197 m Berekening bladbreuk Het uitmiddelen van trefkansen langs de verschillende gevels, zoals is toegepast bij de opslagtanks, resulteert conform het Rekenvoorschrift niet in trefkansen binnen de werpafstand van het nominaal toerental. Alle 8 de uit te middelen punten liggen hierbuiten. Indien zou worden afgeweken van het Rekenvoorschrift door de punten op de hoeken van de opslag te nemen, in plaats van in het midden van de gevel, zou één van de acht punten binnen de nominale werpafstand vallen. Dit heeft geen significante invloed op het resultaat. Pzwpt = 8,10 x 10-12 (Berekend met rekenmodel BladeThrow) 𝐴𝑝𝑟 = (𝑏 + ℎ) ∙ (𝑑 + ℎ) = 1.634 m2 𝑃𝑜𝑑 = 𝑃𝑧𝑤𝑝𝑡 ∙ 𝐴𝑝𝑟 = 1,32 x 10-8 𝜋

2

𝑃𝑜𝑖 = 𝑃𝑧𝑤𝑝𝑡 ((2𝑏 + 2𝑑) ∙ 1⁄3 ∙ 𝐿𝑏 + 3 ∙ (2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 ) ) = 6,47 x 10-8 Totale trefkans = 𝑃𝑜𝑑 + 𝑃𝑜𝑖 = 7,80 x 10-8 per jaar Berekening mastbreuk 𝑅𝐷

𝛼 = 2 ∙ sin−1 (2∙𝐴𝑠) = 76° 𝛽 = 12° (op basis van meting in GIS) Totale hoek van treffen = 88° Percentage treffen bij mastbreuk (Ko) = 88 / 360 = 24,5% Trefkans (Kg) = Ko * faalfrequentie mast / 1,6 =1,99 x 10-5 per jaar Opslag gereed product Hal E Afmetingen ▪ Hoogte (h) = 8 m ▪ Breedte (b) = 90 m ▪ Diepte (d) = 33 m ▪ Afstand tot windturbine = 148 m Berekening bladbreuk Deze opslag (Hal E) heeft erg grote afmetingen. Een kleine fractie daarvan is gelegen binnen de werpcontour bij nominaal toerental. In een dergelijke situatie zijn formules 2.41 t/m 2.45 in paragraaf 2.5.3.2 van het rekenvoorschrift niet representatief voor de trefkans. Formules 2.41 t/m 2.43 veronderstellen een homogene trefkansverdeling over het object. In het rekenvoorschrift is ook aangegeven dat formules 2.44 en 2.45 niet geschikt zijn voor hele grote objecten. Om een betere benadering van de trefkans te berekenen is daarom voor onderstaande methode gekozen. Het gehanteerde oppervlak van 6.533 m2 betreft de oppervlakte van het object, inclusief een buffer van de zwaartepuntsafstand van het blad, dat binnen de Bijlagen

37

werpafstand bij nominaal toerental is gelegen. Het betreft hier de afstand van het zwaartepunt tot het verste punt van de wiek. Hiermee is een worst-case uitgangpunt gehanteerd, waarbij het blad altijd in de meest ongunstige oriëntatie in dit gebied landt. Hierbij is een homogene trefkans binnen de nominale werpcontour verondersteld. Aangezien het trefgebied in het buitenste gedeelte van deze werpcontour is gelegen, is ook dit een worst-case aanname, aangezien de trefkans dichtbij de turbine hoger is. Oppervlak binnen nominale werpafstand (incl. zwaartepuntsafstand) = 6.533 m2 Totaal oppervlak binnen nominale werpafstand = 74.506 m2 Trefkansverhouding = 0,088 Trefkans bladbreuk = faalfrequentie bladbreuk x 0,088 = 7,37 x 10-5 per jaar Berekening mastbreuk 𝑅𝐷

𝛼 = 2 ∙ sin−1 ( ) = 76° 2∙𝐴𝑠 𝛽 = 24° (op basis van meting in GIS) Totale hoek van treffen = 100° Percentage treffen bij mastbreuk (Ko) = 100 / 360 = 27,8% Trefkans (Kg) = Ko * faalfrequentie mast / 1,6 =2,26 x 10-5 per jaar Reactieruimte Afmetingen ▪ Hoogte (h) = 8 m ▪ Breedte (b) = 20 m ▪ Diepte (d) = 15 m ▪ Afstand tot windturbine = 206 m Berekening bladbreuk Pzwpt = 7,64 x 10-12 (Berekend met rekenmodel BladeThrow) 𝐴𝑝𝑟 = (𝑏 + ℎ) ∙ (𝑑 + ℎ) = 644 m2 𝑃𝑜𝑑 = 𝑃𝑧𝑤𝑝𝑡 ∙ 𝐴𝑝𝑟 = 4,92 x 10-9 2 𝜋 𝑃𝑜𝑖 = 𝑃𝑧𝑤𝑝𝑡 ((2𝑏 + 2𝑑) ∙ 1⁄3 ∙ 𝐿𝑏 + 3 ∙ (2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 ) ) = 4,69 x 10-8

Totale trefkans = 𝑃𝑜𝑑 + 𝑃𝑜𝑖 = 5,18 x 10-8 per jaar Berekening mastbreuk 𝑅𝐷

𝛼 = 2 ∙ sin−1 (2∙𝐴𝑠) = 76° 𝛽 = 7° (op basis van meting in GIS) Totale hoek van treffen = 83° Percentage treffen bij mastbreuk (Ko) = 83 / 360 = 23,1% Trefkans (Kg) = Ko * faalfrequentie mast / 1,6 =1,88 x 10-5 per jaar Siloruimte Afmetingen ▪ Hoogte (h) = 8 m ▪ Breedte (b) = 23 m ▪ Diepte (d) = 10 m ▪ Afstand tot windturbine = 232 m

Bijlagen

38

Berekening bladbreuk Pzwpt = 6,49 x 10-12 (Berekend met rekenmodel BladeThrow) 𝐴𝑝𝑟 = (𝑏 + ℎ) ∙ (𝑑 + ℎ) = 558 m2 𝑃𝑜𝑑 = 𝑃𝑧𝑤𝑝𝑡 ∙ 𝐴𝑝𝑟 = 3,62 x 10-9 𝜋

2

𝑃𝑜𝑖 = 𝑃𝑧𝑤𝑝𝑡 ((2𝑏 + 2𝑑) ∙ 1⁄3 ∙ 𝐿𝑏 + 3 ∙ (2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 ) ) = 3,91 x 10-8 Totale trefkans = 𝑃𝑜𝑑 + 𝑃𝑜𝑖 = 4,27 x 10-8 per jaar Berekening mastbreuk 𝑅𝐷

𝛼 = 2 ∙ sin−1 (2∙𝐴𝑠) = 76° 𝛽 = 5° (op basis van meting in GIS) Totale hoek van treffen = 81° Percentage treffen bij mastbreuk (Ko) = 81 / 360 = 22,5% Trefkans (Kg) = Ko * faalfrequentie mast / 1,6 = 1,83 x 10-5 per jaar Poedermengruimte Afmetingen ▪ Hoogte (h) = 8 m ▪ Breedte (b) = 15 m ▪ Diepte (d) = 25 m ▪ Afstand tot windturbine = 198 m Berekening bladbreuk Pzwpt = 7,83 x 10-12 (Berekend met rekenmodel BladeThrow) 𝐴𝑝𝑟 = (𝑏 + ℎ) ∙ (𝑑 + ℎ) = 759 m2 𝑃𝑜𝑑 = 𝑃𝑧𝑤𝑝𝑡 ∙ 𝐴𝑝𝑟 = 5,95 x 10-9 2 𝜋 𝑃𝑜𝑖 = 𝑃𝑧𝑤𝑝𝑡 ((2𝑏 + 2𝑑) ∙ 1⁄3 ∙ 𝐿𝑏 + 3 ∙ (2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 ) ) = 5,05 x 10-8

Totale trefkans = 𝑃𝑜𝑑 + 𝑃𝑜𝑖 = 5,65 x 10-8 per jaar Berekening mastbreuk 𝑅𝐷

𝛼 = 2 ∙ sin−1 (2∙𝐴𝑠) = 76° 𝛽 = 7° (op basis van meting in GIS) Totale hoek van treffen = 83° Percentage treffen bij mastbreuk (Ko) = 83 / 360 = 23,1% Trefkans (Kg) = Ko * faalfrequentie mast / 1,6 = 1,88 x 10-5 per jaar Laden/lossen opslagtanks formaline en andere stoffen Afmetingen ▪ Hoogte (h) = 0 m ▪ Breedte (b) = 15 m ▪ Diepte (d) = 25 m ▪ Afstand tot windturbine = 154 m Berekening bladbreuk Nabij werpafstand bij nominaal toerental, dus Pzwpt uitgemiddeld. Pzwpt,1 = 7,91 x 10-12 Pzwpt,2 = 8,77 x 10-12 Pzwpt,3 = 1,08 x 10-11 Bijlagen

39

Pzwpt,4 = 9,30 x 10-12 Pzwpt,5 = 6,02 x 10-12 Pzwpt,6 = 6,92 x 10-12 Pzwpt,7 = 6,84 x 10-9 Pzwpt,8 = 1,32 x 10-8 (Berekend met rekenmodel BladeThrow) Pzwpt,gem = 9,20 x 10-12 Pzwpt,d = 1,72 x 10-9 Pzwpt,b = 3,31 x 10-9 𝐴𝑝𝑟 = (𝑏 + ℎ) ∙ (𝑑 + ℎ) = 558 m2 𝑃𝑜𝑑 = 𝑃̅𝑧𝑤𝑝𝑡 ∙ 𝐴𝑝𝑟 = 5,13 x 10-9 𝜋

2

̅ p

̅ +p

̅ 𝑧𝑤𝑝𝑡,𝑏 ∙ 𝑏 ∙ 2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 + p ̅ 𝑧𝑤𝑝𝑡,𝑑 ∙ 𝑑 ∙ 2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 + (2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 ) ∙ ( 𝑧𝑤𝑝𝑡,𝑏 𝑧𝑤𝑝𝑡,𝑑 ) = 2,53 x 10-5 p𝑂𝑖 = p 2 2

Totale trefkans = 𝑃𝑜𝑑 + 𝑃𝑜𝑖 = 2,53 x 10-5 per jaar Berekening mastbreuk 𝑅𝐷

𝛼 = 2 ∙ sin−1 (2∙𝐴𝑠) = 76° 𝛽 = 12° (op basis van meting in GIS) Totale hoek van treffen = 88° Percentage treffen bij mastbreuk (Ko) = 88 / 360 = 24,5% Trefkans (Kg) = Ko * faalfrequentie mast / 1,6 = 1,99 x 10-5 per jaar Leidingbrug Afmetingen ▪ Hoogte (h) = 5,5 m ▪ Breedte (b) = 2 m ▪ Diepte (d) = 12 m ▪ Afstand tot windturbine = 184 m Berekening bladbreuk Nabij werpafstand bij nominaal toerental, dus Pzwpt uitgemiddeld. Pzwpt,1 = 8,07 x 10-12 Pzwpt,2 = 8,25 x 10-12 Pzwpt,3 = 8,61 x 10-12 Pzwpt,4 = 8,23 x 10-12 Pzwpt,5 = 6,50 x 10-12 Pzwpt,6 = 6,19 x 10-12 Pzwpt,7 = 9,90 x 10-12 Pzwpt,8 = 8,49 x 10-9 (Berekend met rekenmodel BladeThrow) Pzwpt,gem = 8,29 x 10-12 Pzwpt,d = 8,27 x 10-12 Pzwpt,b = 2,13 x 10-9 𝐴𝑝𝑟 = (𝑏 + ℎ) ∙ (𝑑 + ℎ) = 131 m2 𝑃𝑜𝑑 = 𝑃̅𝑧𝑤𝑝𝑡 ∙ 𝐴𝑝𝑟 = 1,09 x 10-9 𝜋

2

̅ p

̅ +p

̅ 𝑧𝑤𝑝𝑡,𝑏 ∙ 𝑏 ∙ 2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 + p ̅ 𝑧𝑤𝑝𝑡,𝑑 ∙ 𝑑 ∙ 2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 + (2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 ) ∙ ( 𝑧𝑤𝑝𝑡,𝑏 𝑧𝑤𝑝𝑡,𝑑 ) = 1,10 x 10-5 p𝑂𝑖 = p 2 2

Bijlagen

40

Bijlage D Rapport Save-W

Bijlagen

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17048292/2