CConstaterende datAmersfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Skaeve Huse

Raadsvergadering 27 mei 2026, gemeente AmersfoortBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Skaeve Huse17.801 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

27 kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are. Planspecifiek Soortenbescherming Voor het plan is een ecologische quickscan uitgevoerd (zie bijlage 2). De onderzoeksresultaten van dit onderzoek hebben aangetoond dat niet uit te sluiten is dat de bunzing, das, haas, hermelijn, konijn, levendbarende hagedis en de wezel gebruik maken van het terrein als mogelijke verblijfplaats. Op basis van deze uitkomst is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 3). Op basis van het ecologisch onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken. Konijnen, reptielen, dassen en wezels zijn niet waargenomen; Er zijn geen actieve nestplaatsen van algemene broedvogels vastgesteld binnen het projectgebied; De steenmarter heeft een leefgebied binnen de onderzoekslocatie; Meerdere hazen zijn aangetroffen inclusief verschillende legers waar ze mogelijk in verblijven; De bunzing heeft mogelijke verblijfsplaatsen binnen en nabij het projectgebied. Waarbij er potentie is dat er verblijfplaatsen zijn in de groenstrook; In verband met de aanwezigheid van legers van de haas en de mogelijke aanwezigheid van de bunzing dient een omgevingsvergunning voor Flora en Fauna activiteit aangevraagd te worden.

Deze vergunning wordt aangevraagd parallel aan het proces van de bouwvergunning. Aanvullend zijn voor beide mitigerende maatregelen nodig. Allereerst moet ten alle tijden de zorgplicht in acht genomen worden. Dit houdt in dat er zoveel mogelijk gewerkt wordt tussen zonsopkomt en zonsondergang, gerichte lichtbronnen worden gebruikt, het gebruik van lichtbronnen zoveel mogelijk voorkomen wordt na zonsondergang, voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied controleren op beschermde soorten en controleren op broedende vogels als gewerkt wordt tijdens het broedseizoen. De eisen met betrekking tot zorgplicht worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Verder dienen de groenstroken en de greppels intact te blijven vanwege de aanwezigheid van de haas. Van belang is dat tijdens werkzaamheden de verblijfplaatsen en wegkruipmogelijkheden niet worden verstoord. Dit laatste aspect wordt meegenomen bij de vergunningaanvraag voor de Flora en Fauna activiteit. Van de steenmarter zijn geen verblijfmogelijkheden aangetroffen. Deze soort gebruikt de onderzoekslocatie enkel als foerageergebied waarbij voornamelijk de groenstrook gebruikt wordt. De groenstrook dient in stand te worden gehouden vanwege de aanwezigheid van de haas. Door deze eerder genoemde maatregelen op te nemen voor het behoud van de groenstrook wordt er voldoende rekening gehouden met de steenmarter.

Met de mitigerende maatregelen is het aannemelijk dat het plan uitvoerbaar is met betrekking tot soortenbescherming. Waarbij er eisen worden opgenomen in het plan ter bescherming van de haas en voor de marter en maatregelen worden genomen tijdens de werkzaamheden. Aanvullend wordt de bovengenoemde omgevingsvergunning aangevraagd bij de provincie Utrecht. Houtopstanden Op de onderzoekslocatie worden geen bomen gekapt. De bescherming van houtopstanden uit de Omgevingswet is niet van toepassing.

28

Conclusie Door het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit, door het behouden van de groenstroken en de greppels en door het opnemen van de eisen van de zorgplicht in de omgevingsvergunning voor de realisatie van de Skaeve Huse wordt er voldoende rekening gehouden met natuur en ecologie bij de uitvoering en realisatie van het plan.

4.6

Luchtkwaliteit De luchtkwaliteit in Nederland is de afgelopen jaren verbeterd, maar veroorzaakt nog steeds veel schade aan de gezondheid. Luchtverontreiniging veroorzaak en verergert aandoeningen aan luchtwegen en longen (inclusief longkanker) en aandoeningen aan hart en bloedvaten. Iedereen kan ziek worden maar kinderen, ouderen en mensen met luchtweg- of hart- en vaataandoeningen zijn extra gevoelig en lopen een hoger risico. Blootstelling aan luchtverontreiniging veroorzaakt ook vroegtijdige sterfte. Een omgevingsvergunning milieubelastende activiteit is vereist als een activiteit onder andere leidt tot een verhoging van de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Het bevoegd gezag toetst de vergunningaanvraag aan de omgevingswaarden. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan luchtverontreiniging. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.

Als de gemeente activiteiten toelaat die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3 . Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl. 2. Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen. Planspecifiek Voor dit plan is een rapport luchtkwaliteit opgesteld (zie bijlage 4). De planontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 8 woonunits. Het plan valt hiermee binnen de gestelde NIBM grenzen voor woningbouwlocaties. Daarmee is aannemelijk gemaakt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Hiermee voldoet het plan aan de milieukwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Aanvullend zijn er ter hoogte van de beoordelingspunten geen overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

Het aantal overschrijdingen van de daggemiddelden is voor deze locatie berekend op 6 keer per jaar, ruim onder de grenswaarde van 35 keer per jaar. Ook is het berekende jaargemiddelde van 16,4 ìg/m3 ruim onder de grenswaarde van 40 ìg/m3. Ook aan de EU-grenswaarde van 20 ìg/m3 wordt voldaan. Aan de WHO-advieswaarde van 15 ìg/m3 wordt niet voldaan. Dat hier niet aan wordt voldaan, komt met name door de achtergrondconcentratie van 15,7 ìg/m3. Uit de luchtkwaliteitsberekeningen blijkt dat

29 ter hoogte van het plangebied ruim wordt voldaan aan de grenswaarden van fijnstof (PM10) uit de Omgevingswet. Ook aan de EU-grenswaarde van 20 ìg/m3 wordt voldaan. Aan de WHO-advieswaarde van 15 ìg/m3 wordt niet voldaan, maar dit komt vooral door de achtergrondconcentratie die al hoger is dan de WHO-advieswaarde. De gemeente Amersfoort heeft geen toetsingskader voor de beoordeling van de luchtkwaliteit in relatie tot een goede ruimtelijke ordening. Wel heeft de gemeente Amersfoort het Schone Lucht Akkoord (SLA) ondertekend, waarna de doelstelling in de Omgevingsvisie is geformuleerd om 50% gezondheidswinst te behalen ten opzichte van 2016. Aanvullend adviseert de GGD met betrekking tot een gezonde luchtkwaliteit een minimumafstand tot een drukke weg of een snelweg. Waarbij de volgende minimum afstanden worden aangeven: - Snelweg: ten minste 150 meter - Drukke weg buiten de bebouwde kom: ten minste 50 meter - Drukke weg binnen de bebouwde kom: ten minste 25 meter: Dit initiatief is op meer dan 150 meter afstand van de dichtstbijzijnde snelweg (de A28) en voldoet hiermee aan de minimum afstand die de GGD adviseert. Conclusie Op basis van het bovenstaande voldoet het plan aan de eisen die worden gesteld met betrekking tot luchtkwaliteit en zijn geen aanvullende eisen nodig.

4.7

Spuitzone Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen kan het gebeuren dat gewasbeschermingsmiddelen onbedoeld in de lucht of op de grond terechtkomen. Dit wordt ook wel een drift genoemd. Om risico's voor de gezondheid te voorkomen is het nodig een spuitzone te hebben. Een spuitzone wordt ook wel spuitvrijezone genoemd, waarbij het verboden is om binnen dit gebied gewasbestrijdingsmiddelen te gebruiken. Planspecifiek De directe omgeving is bestemd als 'agrarisch met waarden – Slagenlandschap met perceelsbegroeiing'. Hierbij is de mogelijkheid voor eigenaren van deze gronden om het perceel te gebruiken voor het verbouwen van gewassen. Hierbij kan er sprake zijn van het gebruik van pesticide. Op dit moment worden de percelen niet zodanig gebruikt, maar de planologische mogelijkheden geven hier ruimte voor. De woonunits zijn een gevoelige activiteit omdat er gewoond zal worden. Ter bescherming van de bewoners van het Skaeve Huse project wordt een zogenaamde spuitzone opgelegd. In deze zone is het verboden om binnen 50 meter van een gevoelige activiteit met pesticiden te sproeien. Dit wordt vertaald in een regel waarin het niet mogelijk zal zijn om gebruik te maken van gewasbeschermingen binnen 50 meter van de Skaeve Huse. Conclusie Rond 50 meter van de Woonunits wordt een spuitzone opgelegd. Dit wordt gedaan ter bescherming van de toekomstige inwoners van de Skaeve Huse.

Dit is van belang omdat de Skaeve Huse een gevoelige activiteit is. Door het opleggen van de spuitzone is het niet mogelijk om binnen 50 meter van de woonunits met pesticiden te sproeien. Dit is afgestemd met de grondeigenaren. Hiermee wordt de gevoelige activiteit voldoende beschermd en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

30

4.8

Geluid De regels voor geluid zijn opgenomen in het omgevingsplan van Amersfoort (bruidsschatregels) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (Artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; gebouw voor kinderopvang met bedden; bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Het beschermen van deze geluidsgevoelige gebouwen gebeurt aan de hand van vastgestelde geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen. Gebouwen met een woonfunctie zijn geluidgevoelige gebouwen op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en dienen getoetst te worden aan de standaard- en grenswaarden die in het Bkl zijn vastgelegd voor geluidbelasting door verkeerswegen.

Voor agrarische bedrijven gelden de geluidnormen uit het Omgevingsplan van de gemeente Amersfoort. Planspecifiek Bij dit plan worden 8 woningen en een beheerdersunit gerealiseerd volgens het Skaeve Huse principe. De 8 woningen zijn geluidsgevoelige gebouwen waarbij het van belang is dat deze gebouwen geen significant nadeel ondervinden van geluidshinder. Om dit te controleren is er een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting van nabijgelegen gemeentewegen, de rijksweg A28 en twee agrarische bedrijven gelegen op de Palestinaweg 3 en Palestinaweg Oost 7-9. Het akoestisch onderzoek wegverkeer en bedrijven is te vinden in bijlage 5 van deze onderbouwing. Uit de resultaten voor wegverkeerslawaai blijkt dat er wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB die geldt voor de gemeentewegen. Aanvullende maatregelen zijn hier niet nodig. Er wordt echter niet voldaan aan de standaardwaarde van maximaal 50 dB die geldt voor de rijkswegen volgens de rijksregels. Wel wordt voldaan aan de grenswaarde van 60dB die staat in de concept geluidsregels van de gemeente Amersfoort waarbij moet worden voldaan aan een paar voorwaarden. Deze geluidvoorwaarden houden in dat wanneer de geluidbelasting voor wegen tussen de 53 en 60 dB ligt, er tenminste 1 geluidluwe gevel aanwezig is en tenminste 1 slaapkamer aan geluidluwe gevel is gesitueerd.

Daarnaast dient een geluidluwe (gemeenschappelijke) buitenruimte aanwezig te zijn en mag het gecumuleerde geluid niet hoger zijn dan 65 dB. Het gezamenlijk en het gecumuleerde geluid van alle bronnen bij elkaar bedraagt in voorliggend project maximaal 60 dB. Alle gevels binnen de geluidaandachtsgebieden dienen voldoende geluidisolatie te bevatten om het geluid binnen de woningen voldoende laag te houden. Dit betreft toetsing aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) onder de Omgevingswet. De benodigde gevelisolatie van de woningen dient te worden bepaald op basis van het uiteindelijk optredende gezamenlijke geluid. Het gezamenlijk geluid dient maximaal 60dB te zijn en dit zal worden vastgelegd in het omgevingsplan. In figuur 8 is het maximale gezamenlijk geluid

31 per woning aangegeven. Verdere aanvullende geluidmaatregelen voor de rijksweg A28 worden als niet doelmatig beschouwd, vanwege de afstand van de woningen tot de rijksweg en het beperkte aantal geplande woningen. Uit de resultaten voor industrielawaai blijkt dat de vergunningvoorschriften voor het bedrijf Palestinaweg Oost 7-9 gelden ter plaatse van de woningen van derden. De afstand van de woningen in het plangebied tot het bedrijf Palestinaweg Oost 7-9, is groter dan de afstand van die voormalige woning tot het bedrijf. De omgevingsvergunning voor het bedrijf is sinds 2016 niet gewijzigd, dus er zijn geen extra bedrijfsactiviteiten bij gekomen. Daarnaast zal in de toekomst de ontsluiting van het bedrijf omgelegd worden. Dit zal de situatie ter plaatse van de woningen binnen het plangebied verbeteren. De nieuwe woningen zullen geen beperking vormen voor de bedrijfsactiviteiten van het agrarisch bedrijf en zij daarmee inpasbaar.

Figuur 9: Gezamenlijk geluid ter hoogte van de beoogde woningen. (bron Akoestisch onderzoek wegverkeer en bedrijven Skaeve Huse; d.d. 27-02-2025) Conclusie Rekening houden met het bovenstaande voldoet het plan aan de eisen die worden gesteld met betrekking tot geluid. Hierbij dient gezamenlijk geluid van max van 60dB te worden vastgelegd in de regels van voorliggend omgevingsplan voor de locatie en dient er tenminste 1 slaapkamer te worden gerealiseerd aan de geluidluwe kant van de gevels van de woonunits.

4.9

Geur Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. In artikel 5.91 Bkl is opgenomen wat geurgevoelige gebouwen zijn. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 van het Bkl. Planspecifiek Met Skaeve Huse worden woonunits mogelijk gemaakt. Dit zijn geurgevoelige objecten,

32 waarvoor bij het wijzigen van het omgevingsplan onderzocht moet worden of voor Skaeve Huse kan worden voldaan aan een goed woon- en verblijfsklimaat. Daarnaast moet worden vastgesteld of het plan niemand onevenredig raakt. Dit heeft betrekking op bedrijven in de omgeving. Omdat nieuwe geurgevoelige objecten niet mogelijk zijn op grond van het vigerende omgevingsplan moet worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat voldoet aan de eisen die vanuit geur worden gesteld en dat de (agrarische) bedrijven in de omgeving niet onevenredig worden benadeeld. Uit het geuronderzoek (bijlage 6) blijkt dat het plangebied niet binnen de minimum afstandsnormen of binnen de geurcontour van 14 oue/m3 van de omliggende veehouderijen valt. Er worden hiermee met de planontwikkeling geen geurgevoelige objecten gerealiseerd binnen de minimum afstandsnormen of geurcontouren. Met de realisatie van het plan worden de omliggende veehouderijen daarmee ook niet belemmerd in de bedrijfsvoering.

Figuur 10: Kwaliteit achtergrondbelasting, planlocatie rood omkaderd (bron geuronderzoek) Binnen het plangebied bedraagt de voorgrondbelasting 2,6 oue/m3. Dit geeft binnen het plangebied een hinderpercentage tussen de 5 en 10%, dit betekent dat de milieukwaliteit in de klasse 'goed' valt. In het algemeen kan dit worden gezien als een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierbij voldoet het niet alleen aan de normen van Amersfoort maar ook de normen van de GGD die een maximum voorgrondbelasting van 5,0 oue/m3 hanteert. Geitenhouderij Aanvullend ligt er een geitenhouderij in de gemeente Nijkerk op ongeveer 1 kilometer afstand. De GGD heeft vanwege de gerezen 'geitenhouderijen problematiek' in Brabant waar veel geitenveehouderijen dicht op elkaar voorkomen - een advies uitgebracht waarbij een richtafstand van 1 km wordt aangehouden tot gevoelige bestemmingen (zoals woningen, verzogingshuizen, kinderopvang en scholen). Dit betreft geen wettelijke norm maar een gezondheidsadvies van de GGD. De geitenhouderij aan de Bunschoterweg 48 is een solitair bedrijf en de huidige afstand tot Skaeve Huse bedraagt circa 930/1004 (zie figuur 11) meter. Met deze afstand voldoen we nagenoeg aan de richtafstand van de GGD. Het verschil in genoemde meters valt te

33 verklaren dat er geen indicatie wordt gegeven vanaf welk meetpunt moet worden gemeten (bijvoorbeeld vanaf de emissiebron, het agrarisch bouwvlak of grens van het bouwvlak). Verder is van belang dat de locatie van Skaeve Huse niet in de dominante windrichting van de betreffende geitenhouderij ligt. De vaak gehanteerde cirkel van 1 km houdt namelijk geen rekening met lokale weersinvloeden of windrichtingen. Het geuronderzoek in bijlage 6 van de onderbouwing onderstreept dit ook, waarbij de milieukwalitet van locatie in de klasse 'goed' valt. Tot slot blijkt uit het advies van de GGD wel duidelijk dat hoe groter de afstand, hoe kleiner de 'extra' kans op het krijgen van longontsteking is. De toekomstige bewoners van Skaeve Huse behoren niet tot de extra kwetsbare groep zoals kinderen, ouderen en mensen met onderliggende gezondheidsproblemen (longaandoeningen, hart- en vaatziekten). De locatie ligt hiermee op geruime afstand vande geitenhouderij en uit de gedane onderzoeken blijkt niet dat de toekomstige bewoners op dit gebied een verhoogd gezondheidsrisico oplopen.

Figuur 11: Straal van 1004,37 meter, gemeten vanaf de geitenhouderij aan de Bunschoterweg 48 (Bron gemeente Nijkerk). Conclusie Op basis van bovenstaande zijn er op het gebied van geurhinder en veehouderij geen belemmeringen om de toekomstige plannen.

4.10

Omgevingsveiligheid Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan. Of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Waar onder het oude recht de regels over externe veiligheid verspreid waren, waaronder in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), zijn de belangrijkste regels over externe veiligheid onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Aandachtsgebieden De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het geval was. Bij

34 risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Deze maatregelen dienen te geschieden met voorschriftengebieden.

Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Plaatsgebonden risico Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er geen inhoudelijke wijzigingen voor het plaatsgebonden risico. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde 'in acht worden genomen'. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR(plaatsgebonden risico)-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, zoals verspreid liggende woningen en kleine sportlocaties, geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. Hiermee moet in het omgevingsplan 'rekening gehouden worden'. Dit houdt in dat aan de norm van ten hoogste één op de miljoen per jaar moet worden voldaan, tenzij er redenen zijn om af te wijken. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn.

Vervoer gevaarlijke stoffen Er geldt verschillende nationale en internationale wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit zorgt ervoor dat de kans op een ongeval en het vrijkomen van deze stoffen zo klein mogelijk is. Er bestaat wet- en regelgeving voor vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, oftewel het Basisnet. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven buiten de Omgevingswet bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Alle artikelen over de ruimtelijke ordening gaan over naar de Omgevingsregeling. In bijlage VII onder C bij het Bkl zijn de afstanden voor de aandachtsgebieden voor het Basisnet: 30 meter voor een brandaandachtsgebied 200 meter voor een explosieaandachtsgebied De Omgevingsregeling (artikel 2.23 Invoeringsregeling Omgevingswet) wijst wegen en spoorwegen aan die een aandachtsgebied hebben. Welke wegen en spoorwegen dit zijn, staat in de Regeling basisnet, tabellen I en II. Voor deze wegen en spoorwegen gelden dan de eerdergenoemde aandachtsgebieden. Planspecifiek

35 Plaatsgebonden risico Om de externe veiligheid te controleren is een onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7). In dit onderzoek wordt aangegeven dat nabij het plangebied de A28 en de buisleidingen A-510 en W-500-1 liggen. Voor de A28 geldt een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) van 20 meter. Dit volgt uit de Regeling Basisnet. Het PR wordt, volgens artikel 14, lid 4 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, gemeten vanaf de middenberm van de weg. De A28 ligt op ongeveer 300 meter ten oosten van het plangebied. Het PR van de A28 reikt daarmee niet over het plangebied en vormt dus géén belemmering voor het gewenste plan. Voor de buisleidingen A-510-01 en W-500-01 geldt geen PR 10-6 contour. De PR 10-6 contour van W-500-01 is berekend en deze is uitgekomen op de buisleiding zelf. Op onderstaande figuur is een blauw gebied te zien rechts bovenin: de PR 10-6 contour van A-510-01. De PR 10-6 contour vormt geen belemmering voor het plangebied, omdat de grens- én richtwaarde niet overschreden wordt. Voor de buisleidingen A-510-01 en W-500-01 zijn PRcontouren van 1 op de 100 miljoen (verder: PR 10-8) vastgesteld. Op de Atlas leefomgeving kaart zijn deze PR 10-8 contouren weergegeven met een groene stippellijn. Op onderstaande figuur is te zien dat het beoogde plan binnen de PR 10-8 contour valt.

Aangezien het plangebied binnen de PR 10-8 contour van beide buisleidingen ligt is het advies om bouwkundige maatregelen aan de woonunits toe te passen. Dit zorgt ervoor dat toekomstige bewoners binnenshuis voldoende worden beschermd tegen de vrijkomende warmtestraling bij een mogelijke fakkelbrand. Deze maatregelen volgen uit artikel 4.91 tot en met 4.95 van het Bbl. De PR 10-6 aandachtgebied van de beide leidingen en de A28 vormen geen belemmering voor het initiatief. Op basis van de plaatsgebonden risico kan het initiatief gerealiseerd worden met de eerder genoemden voorwaarden met betrekking tot de PR 10-8 contouren.

36

Figuur 12: Plaatsgebonden risico contouren buisleidingen Aandachtsgebieden De beoogde locatie van de Skaeve Huse valt gedeeltelijk binnen het gifwolkaandachtsgebied en ligt binnen de brandaandachtsgebieden van de buisleidingen A-510-1 en W-500-01. Voor de leiding A-510-01 worden bouwkundige maatregelen toegepast op basis van artikel 4.91 - 4.95 van het Bbl. Voor W-500-01 wordt ingezet op het minimaliseren van het restrisico, door de woonunits preventief te ontruimen bij graaf- of onderhoudswerkzaamheden bij of aan deze buisleidingen. Verantwoording groepsrisico Omdat de beoogde locatie van de Skaeve Huse gedeeltelijk binnen het gifwolkaandachtsgebied en binnen het brandaandachtsgebieden van de buisleidingen A-510-1 en W-500-01 valt, dient er een verantwoording te worden genomen van het groepsrisico. Daarom worden de volgende maatregelen genomen om het groepsrisico te beperken. Er wordt buiten de 100% letaliteitszone van leiding A-510-01 gebouwd; Er wordt preventief ontruimd bij geplande graaf- of onderhoudswerkzaamheden die vlakbij of aan de leiding W-500-01 worden gebouwd. In- en uitgangen van gebouwen en woningen van de risicobron af gericht te situeren. Minimaal twee vluchtroutes om het gebied te verlaten of te schuilen. Vluchtroutes

37 zijn zichtbaar, richten zich van de risicobronnen af, zijn breed genoeg en vrij van obstakels. Heldere communicatie over de veilige vluchtroute (bewegwijzering); Een mechanisch ventilatiesysteem wordt aangebracht en deze is makkelijk met de hand uit te schakelen. Voldoende bluswatervoorzieningen worden aangebracht (geboorde put, open water of bluskraan) in overleg met Vitens of Waterschap Vallei en Veluwe; Afstemmen juist handelingsperspectief aan bewoners met inzet van hulpdiensten; Pas voor woonunits bouwkundige maatregelen toe die passen binnen een brandvoorschriftengebied (Art. 4.91 - 4.95 uit het Besluit bouwwerken leefomgeving). Door het nemen van de bovenstaande maatregelen wordt er voldoenden rekening gehouden met de verantwoording van het groepsrisico. Conclusie Het projectgebied ligt binnen het gifwolkaandachtsgebied van de A28 en in de nabijheid van twee hogedruk aardgasleidingen. Het is verplicht een voorschriftengebied aan te wijzen als er sprake is van zeer kwetsbare gebouwen binnen een aandachtsgebied, zoals een ziekenhuis of kinderdagverblijf. Daar is in dit geval geen sprake van en daardoor zijn de effecten te overzien. Doormiddel van het opnemen van de bovengenoemde maatregelen wordt er voldoende rekening gehouden met het aspect omgevingsveiligheid.

4.11

Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen. Planspecifiek Archeologie Het initiatief bevindt zich op een locatie met een lage tot middelhoge archeologische verwachting. Dit vertaalt zich in het tijdelijke omgevingsplan tot de regels die gelden voor archeologie categorie 3 en 4. Om deze reden is een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd middels 6 boringen. In één van de boringen is een diepgaande verstoring gevonden. Dit betekent dat een aanvullend vervolgonderzoek nodig is in de vorm van

38 een inventariserend veldonderzoek middels proeflsleuven. Op 3 november is dit aanvullende onderzoek uitgevoerd conform het programma van eisen. Dit onderzoek heeft geen aanleiding getoond voor een vervolgonderzoek waarbij het plan met betrekking tot archeologie akkoord is. Dit besluit wordt opgenomen bij het verlenen van de vergunning en is te zien in bijlage 12 van deze toelichting.

Figuur 13: Archeologische beleidskaart Cultuurhistorie Er zijn geen monumentale waarden in of nabij het plangebied aanwezig. Daarnaast zijn er geen cultuurhistorische aspecten aanwezig in de nabijheid van het plangebied. Het projectgebied bevindt zich wel in een gebied waar de landschappelijke waarden behouden moeten worden. De landschappelijke waarden worden niet aangetast, de perceelsbegroeiing blijft behouden. Conclusie Naar aanleiding van het veldonderzoek is er geen reden om aan te nemen dat er archeologische waarden te vinden zijn op de projectlocatie. Op het gebied van archeologie zijn de benodigde onderzoeken gedaan en is het plan akkoord. Wel zal er een meldingsplicht in de vergunning worden opgenomen, conform artikel 5.10 van de Erfgoedswet. Met betrekking tot cultuurhistorie blijft de perceelsbegroeiing behouden en wordt daardoor de landschappelijke waarden van het gebied niet aangetast. Verder zijn er geen cultuurhistorische of monumentale aspecten om en nabij het plangebied.

4.12

Bodem Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd: Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een

39 bodemgevoelig gebouw; Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Planspecifiek In het kader van de aanvraag Omgevingsvergunning en de geplande graafactiviteiten dient een verkennend bodemonderzoek cf. NEN 5740 te worden uitgevoerd. Op 5 december 2024 is dit verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 8). Hierbij is het doel van het onderzoek om de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de locatie aan te tonen. Waarbij aangetoond moet worden dat de bodem van de locatie vanuit milieuhygiënische eisen acceptabel is voor wonen.

Op basis van de resultaten van het voorliggend onderzoek gelden voor de voorgenomen graafwerkzaamheden, bij meer dan 25 m3 bodemvolume, de inhoudelijke regels uit de milieubelastende activiteit (MBA) uit paragraaf 4.119 van de Besluit activiteiten leefomgeving (“Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde”). De grond aan de voorzijde van de voormalige schuur (B09) dient gescheiden ontgraven te worden van grond op het overige deel van het terrein. Dit vanwege de verschillen in kwaliteitsklassen (Wonen versus Landbouw/natuur). De uitvoerende instantie – initiatiefnemer dient minimaal één week voor aanvang van de graafwerkzaamheden informatie te verschaffen aan het bevoegd gezag, middels een melding via het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet). De grond voldoet aan de maximale kwaliteitsklasse 'Wonen'; deze klasse sluit aan bij het toekomstige gebruik van het perceel (woonunits). Vervolgonderzoek vanuit de Omgevingswet is derhalve niet noodzakelijk. Aanvullend is er een onderzoek gedaan naar asbest in de grond. Dit is van belang vanwege de voormalige schuur met een asbestdak. In geen van de onderzochte inspoelzones nabij de schuur is asbest aangetoond. Wel is plaatselijk in de vrijkomende grond aan de voorzijde van de voormalige schuur asbest aangetoond. In gat BG09 is een gewogen asbestgehalte van 17 mg/kg ds aangetoond.

Aangezien het gehalte asbest kleiner is dan de interventiewaarde gedeeld door een factor 2 (50 mg/kg d.s) geldt geen noodzaak tot nader asbestonderzoek. Het is statistisch aannemelijk (vanwege de worst-case benadering op gat-niveau) dat de interventiewaarde voor asbest niet zal worden overschreden. Conclusie De conclusie uit het bodemonderzoek zijn afgestemd met de RUD. De conclusies uit het bodemonderzoek worden meegenomen bij de vergunningaanvraag. Waarbij aangetoond is dat het grond voldoet aan de maximale kwaliteitsklasse 'Wonen' en de bodem geen belemmering vormt voor de realisatie van het initiatief. Gezien de nieuwe functie van het perceel, zal deze naar verwachting niet leiden tot een verslechtering van de bodemkwaliteit en daarmee geen aanzienlijk milieueffect hebben.

40

4.13

Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Europese Kaderrichtlijn Water (2000) De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater.

Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; verbetering van emissies; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma (NWP) beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma is vastgesteld in 2021 en anticipeert op de Omgevingswet. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur, scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Voor de periode 2022-2027, maar ook verder vooruit. Doel is werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het Nationaal Waterprogramma is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021. Bodem- en waterprogramma 2022-2027 Het Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027 (hierna BWP) is vastgesteld in 2021.

Hierin zijn de ambities voor bodem en water uit de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht uitgewerkt. Onderdeel van het programma is het wettelijke verplichte Regionaal Waterplan onder de Waterwet. Het plan voldoet aan de eisen van een Regionaal Waterprogramma volgens de Omgevingswet. In het BWP wordt uitvoering gegeven aan vier verplichte Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Ook actuele thema's, zoals omgaan met toenemende periodes van droogte en wateroverlast, en toenemende drukte in de ondergrond, zijn onderdeel van het BWP. Verder wordt beschreven wat de relatie is met andere provinciale beleidsthema's of programma's. Het programma is een vervolg op het Bodem-, Wateren Milieuplan 2016-2021. Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma 2016-2021 geeft Waterschap Vallei en Veluwe inzicht in de doelen en maatregelen die het waterschap in deze periode van zes jaar gaat bereiken. De maatregelen zijn hierin op hoofdlijnen beschreven. Dit plan is mede kader voor de wijze waarop omgegaan wordt met water in het plangebied. Het Blauw

41 Omgevingsprogramma 2022-2027 (BOP) is eind 2021 vastgesteld en is de opvolger van het waterbeheerprogramma. Het BOP is de gebiedsgerichte doorvertaling van de BOVI2050. Het BOP is het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. Het BOP is resultaatsverplichtend en zelfbindend. Voor het Eemland zijn gebiedsdoelen/-programma's vastgesteld. Deze laten zien waar het waterschap voor staat t.a.v. waterveiligheid en schoon en voldoende oppervlaktewater. Watervisie gemeente Amersfoort 2021-2040 De watervisie is het kader voor integraal en duurzaam waterbeheer in Amersfoort. De ambitie is dat Amersfoort een gezonde, groene stad is met mogelijkheden om te groeien. Een goede waterhuishouding is elementair voor een afgewogen inrichting en beheer. Ook speelt een goede waterhuishouding een belangrijke rol in (recreatief) gebruik, economie, cultuurhistorie, groenblauwe structuren, biodiversiteit en toekomstbestendige (klimaat)oplossingen. Het klimaat verandert, er ligt een grote binnenstedelijke woningbouwopgave en het gebruik van de openbare ruimte zal intensiveren. Daarom zijn extra inspanningen nodig op het gebied van het waterbeheer om de stad leefbaar te houden. Met name bij nieuwe ontwikkelingen liggen hiervoor kansen.

Daarbij wil de gemeente Amersfoort om kunnen gaan met de gevolgen van klimaatverandering en de natuur meer kansen geven. Amersfoort hanteert voor de duurzame ontwikkeling van nieuwbouwplannen het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw. Specifiek voor water zijn aanvullende uitgangspunten opgesteld (Uitgangspunten Klimaatadaptief Bouwen, dec. '23). Gemeentelijk rioleringsplan 2021-2031 In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is beschreven hoe de gemeente de komende jaren invulling geeft aan de gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Centraal doel is het behouden en versterken van een vitale en gezonde leefomgeving. Het inzamelen en verwerken van hemelwater dat redelijkerwijs niet op particulier terrein kan worden verwerkt is een taak van de gemeente. Daarnaast treft de gemeente op doelmatige wijze maatregelen tegen structurele grondwateroverlast en verwerking van ingezameld grondwater. De uitvoering van deze taken zoveel mogelijk aansluitend bij de natuurlijke situatie en in verbinding met andere maatschappelijke opgaven. In het landelijke Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie is afgesproken dat Nederland in 2050 klimaatbestendig is. Op basis van het GRP zijn maatregelen benoemd om regenwateroverlast tot een acceptabel niveau te beperken. De uitvoering van is zo mogelijk gekoppeld aan andere ontwikkelingen in de stad.

Omgevingsprogramma Groen-Blauw 2040 Uitgangspunt van het programma Groen-Blauw 2040 (vastgesteld jan. '24) is een groene stad in een groene omgeving die water omarmt. In het omgevingsprogramma zijn duidelijke afspraken vastgesteld hoe groen te behouden en te laten meegroeien. Zo kan Amersfoort een groene en gezonde gemeente zijn en blijven. Weging van het waterbelang Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor watersystemen en moeten de betrokken bestuursorganen worden betrokken. De initiatiefnemer heeft op 16 september 2025 het wateradvies www.hetwateradvies.nl ingevuld. Het Waterschap Vallei en Veluwe is via deze weg door de initiatiefnemer van de ruimtelijke ontwikkeling op de hoogte gebracht van de plannen. Planspecifiek

42 Huidige situatie Oppervlaktewater Het perceel ligt in het beheergebied van Waterschap Vallei en Veluwe binnen peilgebied GPG_1743 met een minimum peil van NAP-0,7 en een maximum peil van NAP-0,5m. Het perceel is aan alle zijden omringd door C-watergangen die afwateren in westelijke en vervolgens noordelijke richting.

Figuur 14: Afwatering van hemelwater Afvalwater Aan de Palestinaweg-Oost ligt een persriool. De persriool in het gebied is eigendom van de gemeente Nijkerk. Hemelwater Het terrein is onverhard. Hemelwater infiltreert in de bodem en stroomt af naar omliggende watergangen. De kans op water op straat is klein. Grondwater Er is geen grondwaterpeilbuis in of nabij het plangebied. Schatting op basis van verder gelegen peilbuizen en grondwatermodellen geeft een grondwaterstand tussen de 30 en 80 cm beneden maaiveld. Waterveiligheid Ten zuidwesten van het perceel ligt watergang De Laak met een dijk met een beschermingszone. Het plangebied ligt buiten deze beschermingszone.

43 Het maaiveld ligt tussen NAP+1,4m en NAP+2,2m. Volgens de overstromingrisicokaart is er door deze hoge ligging geen overstromingsrisico.

Figuur 15: Uitsnede overstromingsrisicokaart Toekomstige situatie Oppervlaktewater In de toekomstige situatie blijven de omliggende c-watergangen behouden. Er wordt geen nieuw water gegraven. Afvalwater Afvalwater wordt gescheiden van regenwater opgevangen en afgevoerd. Er komt een pompput op de kavel waar de woningen met vrijvervalleidingen op aansluiten. Vanaf de pompput wordt aangesloten op het huidige persriool aan de Palestinaweg-Oost van gemeente Nijkerk. Hemelwater In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak toe. Hemelwater wordt gescheiden van het vuilwater opgevangen en afgevoerd. Er wordt op het perceel dat zorgt voor voldoende berging en vertraagde afvoer/infiltratie van het regenwater. Dit wordt vormgegeven met een wadi. De voorgestelde hoogte van de vloeren is zo hoog, dat bij hevige neerslag geen zodanige schade ontstaat, dat bewoning niet meer mogelijk zou zijn. Grondwater Het grondwaterpeil ligt dicht onder maaiveld dus de ontwatering is relatief klein. Met name op de laaggelegen delen. Om grondwateroverlast te voorkomen is daarom ophoging benodigd. Waterveiligheid Het plangebied ligt niet in een overstroombaar gebied. Er zijn daardoor geen maatregelen nodig tegen overstroming. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen

44

4.14

Ontplofbare oorlogsresten De gemeente Amersfoort heeft voor de gehele gemeente een vooronderzoek laten uitvoeren naar niet gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Om te bepalen of er een risico voor explosieven in of rondom het plangebied bestaat is de kaartlaag 'risicokaart niet gesprongen explosieven' op Amersfoort in Beeld geraadpleegd. Planspecifiek Het initiatief bevindt zich niet binnen een locatie dat is aangeduid als het hebben van een verhoogd risicoprofiel of als een verdacht gebied. Er is geen reden om aanvullend onderzoek te doen of om voorwaarden op te nemen met betrekking tot explosiegevaar.

Figuur 16: Risicokaart explosieven Conclusie Er is geen reden om aan te nemen dat er sprake is van ontplofbare oorlogsresten in de grond. Dit aspect vormt geen belemmering tot het plan en aanvullende voorwaarden hoeven niet genomen te worden.

4.15

Stikstof Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:

45

aanwezige dier- en plantensoorten; typen natuurlijke habitats; leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Planspecifiek Met 2,5 kilometer ligt het projectgebied op ruime afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Arkemheen. Directe effecten zoals ruimtebeslag of lichthinder kunnen omwille van de afstand op voorhand worden uitgesloten. Het gebied Arkemheen is niet stikstofgevoelig. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is de Veluwe. Gezien de afstand van dit gebied tot de gemeente Amersfoort, heeft de gemeente Amersfoort beleid vastgesteld waarin wordt aangegeven dat stikstofonderzoek niet nodig is, in het geval van een woningbouwontwikkeling van 60 woningen of minder. Er worden bij dit initiatief minder dan 60 woningen gerealiseerd. De generieke voortoets van Amersfoort toont in voldoende mate aan dat het initiatief om acht tot tien woonunits te realiseren geen relevante bijdrage levert aan de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het initiatief. Conclusie Het plan heeft een zeer beperkte stikstofdepositie. Waarbij het plan ruim onder de waarden zit van de generieke stikstofonderzoek die de gemeente Amersfoort heeft vastgesteld. Het plan is met betrekking tot het aspect stikstof uitvoerbaar.

46

Hoofdstuk 5

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie.

5.1

Wettelijk vooroverleg Provincie Vanwege de ligging in het buitengebied van de gemeente Amersfoort is het plan voorgelegd aan de provincie Utrecht. Hierbij heeft de provincie verzocht om een paar van de regels aan te scherpen zodat het meer overeen komt met de provinciale verordening. Waarbij het van belang is dat bij de wijziging in het omgevingsplan de agrarische bedrijvigheid niet meer mogelijk is op de locatie waar de Skaeve Huse komen en is verzocht om het begrip van de Skaeve Huse beter te concretiseren in het Omgevingsplan.

5.2

Participatie omgeving De participatiegids vormt de leidraad voor het communicatie- en participatietraject. In de gids wordt een minimale vorm van participatie gevraagd afhankelijk van het type ontwikkeling. Dit initiatief betreft een 'Meest complexe ontwikkeling' waarbij de stappen zijn doorlopen met betrekking tot dit type ontwikkeling Participatieproces Op 20 oktober 2022 heeft de gemeente gesproken met omwonenden en andere belanghebbenden tijdens een inloopbijeenkomst. Dit is gedaan in samenwerking met Omnia Wonen en de zorgaanbieders Kwintes, De Tussenvoorziening en Leger des Heils. Geïnteresseerden zijn geïnformeerd over Skaeve Huse en de uitkomst van de QuickScan over de voorkeurslocatie aan de Palestinaweg Oost 3-5. Deze gesprekken vonden plaats om te horen wat er speelt en leeft onder omwonenden en andere belanghebbenden. Daaruit kwamen veel vragen, opmerkingen en zorgen. Tijdens de bijeenkomst werd ook duidelijk dat een eenduidige en bij voorkeur plenaire bijeenkomst met goede verslaglegging nodig was. De vragen zijn beantwoord en aangevuld in de QuickScan op www.amersfoort.nl/skaevehuse. Tijdens een plenaire informatiebijeenkomst op 22 februari 2023 zijn, onder leiding van een onafhankelijke gespreksleider, de antwoorden op de vragen toegelicht en werden de vervolgstappen uitgelegd.

Alle ontvangen inbreng vanuit deze bijeenkomsten hebben bijgedragen aan de kaderstellende notitie, die vastgesteld is op 30 januari 2024. Hieruit zijn kaders gekomen die vorm hebben gegeven aan de verdere uitwerking van het project. Tijdens de plenaire bijeenkomsten is onder andere veiligheid van omwonenden en de begeleiding van Skaeve Huse-bewoners als belangrijk aangegeven. Aanvullend is voor dit project een klankbordgroep ingesteld. De klankbordgroep is een groep mensen met verschillende belangen, zorgen, inzichten, ideeën en wensen. Denk aan (direct) omwonenden en organisaties in de omgeving. De klankbordgroep denkt mee en reageert op de plannen, tekeningen en regels die opgesteld worden. Het heeft een raadgevende rol. Onder andere is het woonzorgplan afgestemd met de leden van de klankbordgroep. Hierbij zoekt de gemeente steeds naar de balans tussen het verwerken van de inbreng van alle belanghebbenden en het bewaken van de voortgang en de uitvoerbaarheid van het project. Het aanmelden voor de klankbordgroep kon via skaevehuse@amersfoort.nl. Op 3 juni 2025 is het uitwerkingsvoorstel vastgesteld. Hierin zijn de laatste kaders van het initiatief vastgesteld. Waarbij onder andere het woonzorgplan en het stedenbouwkundig voorstel zijn afgestemd. Dit uitwerkingsvoorstel, het woonzorgplan en het stedenbouwkundig voorstel zijn als basis gebruikt voor het opstellen van deze

47 onderbouwing. Stappen participatiegids Hieronder staat een overzicht van de genomen stappen tijdens het participatieproces: De gemeente onderzocht meerdere locaties in Amersfoort. De Palestinaweg Oost in Over de Laak - Vathorst Noord gekozen als de meest geschikte plek voor Skaeve Huse. In oktober 2022 zijn gesprekken geweest met buurtbewoners tijdens een inloopbijeenkomst. Deze opmerkingen en vragen zijn beantwoord en de quickscan Skaeve Huse is aangevuld op basis van de uitkomsten van de inloopbijeenkomst. Tijdens een nieuwe informatiebijeenkomst op 22 februari 2023 is de quickscan toegelicht en zijn vervolgvragen beantwoord van omwonenden en andere belanghebbenden. De notulen van deze avond zijn op de site van de gemeente Amersfoort te vinden Het college besloot op 5 april 2023 om het plan verder uit te werken. Daarop werkten professionals van de gemeente samen met de woningcorporatie en zorgaanbieders de voorwaarden uit in een kaderstellende notitie. Hierin staan de uitgangspunten waarbinnen het project Skaeve Huse moet worden uitgevoerd. Daarop konden tot en met 22 november 2023 omwonenden en andere belangstellenden reageren. De gemeenteraad stelde op 30 januari 2024 de kaderstellende notitie vast.

Vervolgens werkten professionals van de gemeente, woningcorporatie, zorgaanbieders en Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (RUD) de kaders verder uit in een concept uitwerkingsvoorstel. Het woonzorgplan en het stedenbouwkundig ontwerp maken daar onderdeel van uit. De klankbordgroep van omwonenden en andere belanghebbenden heeft gekeken naar het concept. Zij lieten weten zich zorgen te maken over hun woongenot, leefbaarheid en veiligheid. Daarom vroegen zij om een bureau dat niet eerder betrokken was bij de realisatie van Skaeve Huse Amersfoort, vanuit dat perspectief naar het woonzorgplan te laten kijken. Daar ging de gemeente akkoord mee. Het gevraagde advies ging niet over de locatiekeuze, omdat besluitvorming hierover al is afgerond. De adviezen van het onafhankelijke bureau heeft de gemeente verwerkt in het woonzorgplan en besproken met de klankbordgroep en de zorgaanbieders. De gemeenteraad heeft op 15 juli ingestemd met het uitwerkingsvoorstel en het woonzorgplan voor Skaeve Huse aan de Palestinaweg Oost.

5.3

Vaststellingsprocedure De procedure tot vaststelling van dit TAM-Omgevingsplan volgt de uitgebreide procedure van de Algemene wet bestuursrecht (Awb, afdeling 3.4). Dat betekent dat de volgende stappen worden doorlopen: In het kader van het wettelijk vooroverleg worden andere bestuursorganen gevraagd om hun reactie te geven op het plan. Deze reacties worden verwerkt in het TAM-omgevingsplan. De Veiligheidsregio Utrecht (VRU) is in het kader van het vooroverleg betrokken en heeft een reactie ingediend. Het ontwerp TAM-omgevingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd. Eenieder heeft in die periode hun zienswijze kenbaar kunnen maken. Er zijn 14 zienswijzen ontvangen. Een deel van de zienswijze heeft geleid tot aanpassingen van het plan. De zienswijzen zijn beantwoord in de zienswijzennota

48

Het TAM-omgevingsplan wordt vastgesteld door de gemeenteraad indien sprake is van meerderheid van stemmen

5.4

Bezwaar en beroep Omdat de coördinatieregeling van toepassing is verklaard kunnen belanghebbenden die over de wijziging van het omgevingsplan of over de omgevingsvergunning al dan niet een zienswijzen hebben ingediend en niet-belanghebbenden die wel een zienswijzen hebben ingediend gedurende zes weken na bekendmaking van het besluit tot wijziging en verlenen een gemotiveerd beroepschrift indienen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA, Den Haag. De omgevingsvergunning wordt verleend door het college van burgemeester en wethouders en de wijziging van het omgevingsplan wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Beide besluiten treden in werking vier weken na de bekendmaking. Een eventueel beroep schorst de werking van deze besluiten niet. Daarvoor moet een afzonderlijk verzoek om voorlopige voorziening worden gericht aan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

49

Hoofdstuk 6

Financiële uitvoerbaarheid

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het Publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een vergunning voor een BOPA. Deze voorschriften zijn mogelijk voor zover ze betrekking hebben op het gebied waar de vergunningaanvraag op ziet én voor zover de voorschriften betrekking hebben op de aangevraagde ontwikkeling. De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige 'financiële bijdrage gebiedsontwikkeling' worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.

Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning. Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is art. 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden. Planspecifiek De gemeente Amersfoort heeft een Anterieure Overeenkomst (AO) afgesloten met woningcorporatie Omnia Wonen. Deze overeenkomst (AO) regelt de financiële bijdragen en verantwoordelijkheden van beide partijen voor de ontwikkeling van het project. Daarnaast sluiten de gemeente, Omnia Wonen en de Tussenvoorziening een Samenwerkingsovereenkomst (SOK). Deze overeenkomst legt de afspraken vast over de samenwerking en financiering van de zorg- en ondersteuning voor de bewoners van de Skaeve Huse. Met deze afspraken hebben alle betrokken partijen duidelijkheid over hun financiële verplichtingen en bijdragen.

50

Hoofdstuk 7 Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties De voorgenomen ontwikkeling betreft een initiatief waarbij 8 woonunits en één beheerdersunit volgens het Skaeve Huse principe worden gerealiseerd in het buitengebied van de gemeente Amersfoort. Het initiatief is getoetst aan het rijks-, provinciaal-, en gemeentelijk beleid. Hieruit blijkt dat het initiatief in lijn is met dat beleid en in ieder geval niet in strijd is met het beleid. Daarnaast is het initiatief getoetst op alle relevante aspecten over de fysieke leefomgeving en het milieu. Vanuit deze aspecten komt naar voren dat er geen belemmeringen worden gevormd voor de uitvoering van de beoogde ontwikkeling en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.

Gemeente Amersfoort Sector Stedelijke ontwikkeling en Beheer Afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling

Postadres

Bezoekadres

Postbus 4000 3800 EA Amersfoort

Stadhuisplein 1 3811 LM Amersfoort

t 14 033 i www.amersfoort.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16910699/1