Second opinion EV-gedeelte OFLO en EV-onderzoek (5 februari 2026)
Tekst van het document
dGm* Second
opinion EV-gedeelte OFLO
datum
5 februari Arnhem
vestiging ons
kenmerk
en
2026
project
OAR
JPO|OZU
opinion
windturbines
-
versie
(geanonimise rd) 1
opinion EV-gedeelte OFLO
en
OFLO en
EV-
onderzoek
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Wedemr.nl/088 346 78 17
e-mail/telefoon
1.
2nd
Beoordeling EV-gedeelte
contactpersoon
windturbines
-
betreft auteur
Second
Isselt
Amersfoort
M.2025.0063.00.N005
2e lezer/secr.
EV-onderzoek
EV-onderzoek
Isselt
Inleiding
De gemeente Amersfoort overweegt twee windturbines te laten plaatsen op bedrijventerrein Isselt. Momenteel passen deze turbines niet binnen de regels van het Omgevingsplan. Om de turbines
mogelijk
te
maken, wordt
een
ruimtelijke procedure doorlopen.
Daarvoor heeft de
gemeente meerdere milieuonderzoeken laten uitvoeren, waaronder het onderzoek ‘externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag’. Meerdere concepten van dit onderzoek en concept van de OFLO hebben wij beoordeeld en voorzien van terugkoppeling. In deze notitie beoordelen
2.
wij
het EV-onderzoek
en
de OFLO zoals deze op 27
januari
beschikbaar
een
zijn gesteld’.
Samenvatting
In tabel
1 hebben
we het eerder opgestelde overzicht met opmerkingen opgenomen, waarbij de heeft aangegeven deze in de OFLO te verwerken. Deze punten zijn overgenomen eerdere notitie d.d. 12 december 2025 met kenmerk M.2025.0063.00.N004. Een groot deel
initiatiefnemer uit
onze
van
de
een e
e
opmerkingen
kleur aangegeven
is niet verwerkt.
aanzien
van
de herhaalde
opmerkingen hebben ruimtelijke procedure:
we
met
wij het risico op afbreuk zien bij een verwerking (of het niet verwerken), maar we zien het niet als een groot issue in de ruimtelijke procedure. Oranje: oneens met de verwerking (of het niet verwerken) en zien het als een zodanig gebrek dat we het rapport hierop zouden afkeuren voor een ruimtelijke procedure. Daarmee is het ook voor tegenstanders van dit plan een kansrijke reden tot bezwaar. Eventueel kan de initiatiefnemer deze punten bij twijfel aan een derde partij (bijvoorbeeld de ODRU als adviseur van de gemeente) voorleggen. Geel:
oneens
met
hoe
Ten
de
Met
betrekking tot het toetsen aan het plaatsgebonden risico en het voldoen aan deze grenswaarde heeft de gemeente Amersfoort bij vergunningverlening niet alleen een rol als vergunningverlener maar ook een taak met betrekking tot het Omgevingsplan. Rondom de windturbines ligt nu nog een bouwvlak, waar geen beperkt kwetsbare gebouwen staan, maar waar deze beperkt kwetsbare gebouwen niet zijn uitgesloten. Om een toekomstige saneringssituatie te voorkomen dient de gemeente, in geval van vergunningverlening voor het toelaten van de windturbines, dan ook het gemeentelijke Omgevingsplan? hierop aan te passen.
1
Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag versie 1.7 d.d. 27 januari 2026 en Onderbouwing Fysieke Leefomgeving Wind op Isselt paragraaf 5.6. 1 Afhankelijk van de exacte omvang van de windturbine kan de 10:°/jaar PR-contour ook over het gedeelte van het bedrijventerrein reiken dat bij de gemeente Soest behoort. Dan zou ook die gemeente haar plan moeten aanpassen met de eigenaar van het terrein een overeenkomst moeten worden gesloten.
of zou
Second opinion EV-gedeelte OFLO en EV-onderzoek windturbines Isselt -6 De gemeente heeft de realisatie van kwetsbare gebouwen binnen de 10/jaar PR-contour moeilijk gemaakt , maar niet volledig uitgesloten. Ook dit dient de gemeente vanuit rechtszekerheid aan te
passen.
tabel 1: samenvatting bevindingen Onderdeel Toetsing plaatsgebonden risico
Toetsing overige objecten
62 02 20 50 xc do . 72 10 62 _ lf oo _ ne _ k eo zr d eno _ ve _ gi n le d ro oe
b5 00 n 00 36 00 52 02 \3 m 60 0\ 52 02\ \ mco d\ : k
Ruimtelijke Onderbouwing
Nieuwe rekenmethodiek
Overige opmerkingen op de OFLO die niet in eerdere beoordelingen terugkwamen
Opmerking Voor kwetsbare gebouwen mag gemotiveerd worden afgeweken van de standaardwaarde. Deze motivatie en of er sprake is van ETFAL (goede ruimtelijke ordening) ontbreken. Dit moet t. z. t. worden gemotiveerd bij vergunningverlening/in toelichting ruimtelijk besluit.
Voor de gashouder wordt getoetst aan een veiligheidsmatrix. Andere objecten op dit terrein worden hiervoor niet getoetst , maar kunnen ook de continuïteit van de RWZI bedreigen of tot slachtoffers leiden. Er is geen sprake van een extern risico ; wel raden wij aan dit voor te leggen aan het waterschap. Een voorgenomen activiteit moet niet alleen voldoen aan het wettelijk kader ; er moet ook sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Faalkansen en daarmee risicocontouren worden veelal kleiner. Scenario bladbreuk in delen leidt tot een grotere effectafstand dan nu bepaald. Deze zijn , ondanks eerdere toezeggingen hierover niet beschouwd.
Beoordeling OFLO -5 Binnen de 10/jaar PR-contour ligt een bouwvlak. Er zijn geen kwetsbare gebouwen aanwezig en nieuwbouw is onwaarschijnlijk , maar niet uitgesloten: er ligt een bouwvlak. -6 Binnen de 10/jaar PR-contour zijn kwetsbare gebouwen zeer onwaarschijnlijk door de regels die het Omgevingsplan stelt aan kantoren in dit gebied. Ook dit is echter niet volledig uitgesloten. De gemeente dient hiervoor het omgevingsplan aan te passen. Bosch en Van Rijn heeft toegelicht dat sprake is van een lage populatiedichtheid. Naar onze mening is voor windturbine 2 geen sprake van een lage populatiedichtheid. Daarnaast is gesteld dat voor een bedrijventerrein een ander beschermingsniveau kan worden verwacht. De onderbouwing van deze stelling is niet te herleiden. Voor een aantal bedrijven in de omgeving van de windturbine is het toelaten van een verhoogd extern risico niet zonder meer logisch. Onze eerdere opmerkingen hebben niet tot verwerking in het onderzoek EV of in de OFLO geleid. Vanuit omgevingsveiligheid moet de integriteit van de RWZI als geheel nader worden beoordeeld.
Deze opmerking komt grotendeels overeen met de opmerkingen over toetsing van plaatsgebonden risico. De motivatie dat dit voor 29 gebouwen , waaronder 15 beperkt kwetsbare gebouwen acceptabel is , is beperkt en naar onze mening onjuist. Het groepsrisico van Smit en Zoon en een eventuele verhoging daarvan is niet beschouwd. De nieuwe rekenmethodiek is niet beschouwd in het onderzoek en ook niet in de OFLO. Deze nieuwe rekenmethodiek leidt tot kleinere PR-contouren en naar verwachting zullen ook de trefkansen afnemen. Het bevoegd gezag moet vanuit ETFAL in de toelichting op het ruimtelijke besluit rekening houden met de verwachte nieuwe rekenmethodiek. Maak aannemelijk dat de voorgenomen wijziging van de rekenmethodiek niet tot nieuwe knelpunten leidt door hogere trefkansen buiten de 154-meter zone (nominale werpafstand). Enkele passages zijn te beperkt beschreven en zijn daardoor onduidelijk , onjuist of roepen vragen op: - Verlaging trefkansen Smit en Zoon: deze onderbouwing is te vrijblijvend. Welke maatregelen worden concreet genomen en aan welke IEC-klasse gaan windturbine en mast voldoen? - Onderbouwing analyse waterkering. Zoals in ons gesprek d. d. 25 november aangegeven is deze onderbouwing discutabel ; hij wordt stelliger als dit zo met het waterschap is afgestemd. - Conclusie: de verwoording in de OFLO verschilt sterk van die uit het onderzoek externe veiligheid.
Deze richt zich sterk op toetsing aan de minimale normen en niet of sprake is van een goede onderbouwing. - Risicogebied externe veiligheid: het wordt duidelijk dat in deze analyse hier iets anders mee wordt bedoeld dan in artikel 5. 16 van het Bkl.
2
Second opinion EV-gedeelte OFLO en EV-onderzoek windturbines Isselt
3. Toelichting bevindingen
62 02 20 50 xc do . 72 10 62 _ lf oo _ ne _ k eo zr d eno _ ve _ gi n le d ro oe
b5 00 n 00 36 00 52 02 \3 m 60 0\ 52 02\ \ mco d\ : k
Ruimtelijke onderbouwing van de toetsing -6 Voor het toestaan van 29 gebouwen binnen de 10/jaar PR-contour is aangegeven dat dit acceptabel is vanwege de lage populatiedichtheid en omdat het om bedrijven gaat. Daarbij maken wij de volgende opmerkingen: 1 Het gaat om een relatief groot aantal gebouwen binnen deze contour. Dat is mede te wijten -6 aan de ruime 10/jaar PR-contour en daardoor het grote oppervlak. In tabel 2 hebben we voor een aantal andere plannen waarbij een windturbine bij een bedrijventerrein is geplaatst het -6 aantal kwetsbare gebouwen binnen de 10/jaar PR-contour opgenomen. Dit aantal is -mede -6 door een kleinere 10/jaar PR-contour- een stuk lager. 2 De populatiedichtheid op het bedrijventerrein verschilt sterk. In veel richtingen is zoals gesteld een lage populatiedichtheid. Daarbij zijn twee uitzonderingen: a Ten noordoosten van windturbine 2 staan twee gebouwen , waar het feitelijke gebruik een lage populatiedichtheid betreft , maar binnen het omgevingsplan een uitbreiding mogelijk is. Hoe voorkomt de gemeente dat hier kantoren worden gerealiseerd of andere bedrijfswerkzaamheden die arbeidsintensiever zijn? Het omgevingsplan staat weliswaar niet toe dat parkeergelegenheid buiten het eigen terrein wordt gerealiseerd , maar met ploegendienst (carpoolen) of een fietsenstalling is dit op het eigen terrein mogelijk.
b Ten zuidoosten van windturbine 2 is al sprake van een hogere populatiedichtheid. Op basis van het aantal parkeerplekken binnen de aangegeven zone en de gebouwen in deze zone gaat het om 63 personen binnen 10, 5 ha , ofwel 60 pers/ha. Deze bedrijfsgebouwen zullen niet iedere dag volledig in gebruik zijn , maar ook dan is niet zonder meer sprake van een lage populatiedichtheid. Zowel qua gebruikscategorieën als personendichtheid is de dichtheid op dit deel van het bedrijventerrein volgens PGS 1 deel 6 te kenmerken als gemiddeld (40 pers/ha) of zelfs hoog (80 pers/ha). De lage populatiedichtheid zoals in PGS 1 deel 6 aangegeven heeft als kental 5 pers/ha en komt vooral voor in de landbouw en in de grootschalige op- en overslag. -5 Voor 3 het toetsen aan de 10/jaar PR-contour is het feitelijke gebruik getoetst. Het bestemmingsplan bedrijventerreinen e. o. en snelwegen d. d. 9 december 2014 sluit de -5 realisatie van nieuwe gebouwen binnen de 10/jaar PR-contour niet uit. Dit staat nog onjuist in de toegestuurde Save-W bijlage. Hoe regelt de gemeente Amersfoort dit in een ruimtelijke procedure? 4 Voor bedrijven kan een hoger risico worden toegelaten. Dat wil niet zeggen dat dit ook móet. Dat is erg bedrijfsafhankelijk. Voor een overslagbedrijf in grond en containers (Hartog) is een hoger risico gezien de aard van de werkzaamheden (zware machines , stof) logisch.
Voor bedrijvigheid met een lager arbeidsrisico , zoals een administratiekantoor , taxicentrale of een -6 verfwinkel of -aan de rand van de 10/jaar PR-contour- een kledingbank vinden we het toestaan van een verhoogd risico minder vanzelfsprekend. De gemeente heeft een bestuurlijke vrijheid om een dergelijk risico toe te staan , maar dat ligt met betrekking tot de aangegeven -6 bedrijven en mogelijk richting andere initiatiefnemers waar zij de 10/jaar PR-contour wel handhaaft , gevoelig.
3
Second opinion EV-gedeelte OFLO en EV-onderzoek windturbines Isselt
tabel 2: vergelijkbare projecten met windturbine-6 op bedrijventerrein Locatie , bestemmingsplan Houten , Sport- en werklandschap Meerpaal
PR-contour 136 meter
Gebouwen binnen 10/jaar PR-contour 2 beperkt kwetsbare gebouwen
Nieuwegein , Bedrijvenpark het Klooster De Lier , Bedrijventerrein De Lier Ede , Ede West Arnhem , Windpark Zonneveld en Koningspleij
4 x 162 meter
2x1 , 1x0 en 1x2 gebouwen.
35 meter
Klein deel gebouw
45 meter 4 x 60 meter
0 2 beperkt kwetsbare gebouwen.
Geen gebouwen toegestaan Geen kwetsbare gebouwen , beperkt kwetsbaar tot 66 meter toegestaan.
Amersfoort ,
2 x 193 meter
29 (10 + 19) gebouwen , waarvan minstens 15 (5 + 10) beperkt kwetsbare gebouwen.
Kwetsbare gebouwen niet expliciet uitgesloten , maar niet aannemelijk.
voorgenomen plan
Planregels
Geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten (gebouwen) toegestaan met uitzondering van bestaande opslaggebouwen. Kwetsbare objecten (gebouwen) uitgesloten , bestaande bouw betreft opslaghallen. Vrijwaringszone met minimale bebouwing
62 02 20 50 xc do . 72 10 62 _ lf oo _ ne _ k eo zr d eno _ ve _ gi n le d ro oe
b5 00 n 00 36 00 52 02 \3 m 60 0\ 52 02\ \ mco d\ : k
figuur 1: ligging gebouwen met potentieel meer gebruik en zone met hoge dichtheid
4
Second opinion EV-gedeelte OFLO en EV-onderzoek windturbines Isselt
tabel 3: gebouwen in zone hoge dichtheid
62 02 20 50 xc do . 72 10 62 _ lf oo _ ne _ k eo zr d eno _ ve _ gi n le d ro oe
b5 00 n 00 36 00 52 02 \3 m 60 0\ 52 02\ \ mco d\ : k
– berekening
populatiedichtheid (dagperiode)
Gebouwnummer 2
Adres Nijverheidsweg Noord 130
Populatie BAG 14 gebouwdelen , 25
4
Nijverheidsweg Noord 128
-6 Binnen 10/jaar PRcontour: 2 gebouwdelen , 6
9 10 11 12 15
Radonweg 4-12
16
Radonweg 10 - 16
Aangrenzend gebouwdeel 23, personen 6 + 15, = 75, personen
17 18 20
Radonweg 2 Radonweg 2 Radonweg 2
Niet opgenomen Niet opgenomen Niet opgenomen
21
Neonweg 14
11 personen (achterste van 6 gebouwdelen)
27 Totaal
Nijverheidsweg Noord 132
20 124
personen personen
-6 3 objecten binnen 10/jaar PR-contour , samen 52
personen
Uraniumweg 45
parkeerplekken Bedrijfsverzamelgebouw , 32 parkeerplekken Bedrijfsverzamelgebouw , 26 parkeerplekken – ligt buiten -6 10/jaar PR-contour 7 parkeerplekken MIB-installateur -6 Gebouw ligt buiten 10/jaar PR 27 plekken voor gehele gebouw ; 3/16 gebouw binnen 10 -6 PR-contour - > 5 personen 4 parkeerplekken voor activiteiten op terrein. Gebouw 17 is een kantoortje , gebouw 18 en 20 opslaghalruimtes. Circa 30 plekken voor het gehele gebouw – 5 voor achterste deel. 10 parkeerplekken 62
Nieuwe rekenmethodiek Naar verwachting wordt in 2027 een nieuwe rekenmethode van kracht. In de zone buiten de nominale werpafstand kan dit leiden tot een verhoogde trefkans. Naar onze verwachting leidt dit niet tot een knelpunt: voor Smit en Zoon is mastbreuk het maatgevende scenario en die kansen nemen af met ruim een factor 2. Deze trefkansen worden in dat geval lager dan de trefkansen met de versterkte mast waar nu mee is gerekend (reductiefactor 16). , Wel vinden we dat deze trefkansen en bijkomende risicoverhoging bij besluitvorming moeten worden meegewogen om uit te sluiten dat bij invoering van de nieuwe rekenmethodiek een knelpunt ontstaat. Wanneer de trefkansen bij de nieuwe rekenmethodiek hoger worden dan onder de huidige rekenmethodiek kan een situatie ontstaan dat Smit en Zoon alsnog maatregelen moet nemen of de woning moet worden gesaneerd. Een dergelijk scenario moet worden voorkomen. Ook de werpafstanden bij bladbreuk in delen (circa 600 meter) komen dan niet meer als een verrassing , ook al geven deze afstanden door de lage faalkans geen directe ruimtelijke beperking. Toetsing overige objecten RWZI De consequenties van het treffen van de gashouder worden in de OFLO beschreven met een verwijzing naar de matrix. Zonder de matrix zelf is deze passage in de OFLO lastig te begrijpen.
Ook het treffen van andere onderdelen van de RWZI kan gevolgen hebben voor het functioneren van de RWZI. Dit betreft zowel verblijfsgebouwen als tanks op het terrein. Hoewel hiervoor vanuit externe veiligheid voor deze risicobron 3 geen wettelijke toetsing geldt , wordt geen opmerking of afweging gemaakt dat dit een risico is voor de integriteit van de RWZI. Door een vallend windturbinedeel kan de RWZI langdurig uitvallen met milieurisico’s als gevolg. Hier is in de OFLO geen rekening mee gehouden.
3 Seveso-bedrijven , zoals Smit en Zoon zijn vanuit hun veiligheidsrapportage verplicht om een dergelijk risico (falen van de RWZI) wel in beeld te brengen , bijvoorbeeld door afstroming bij een incident met milieubezwaarlijke stoffen. Hoewel dit bij windturbines niet verplicht is , kan hier vanuit zorgvuldige besluitvorming wel rekening mee worden gehouden.
5
Second opinion EV-gedeelte OFLO en EV-onderzoek windturbines Isselt
Vragen die daarbij moeten worden beantwoord zijn: • Wat is de kans dat de RWZI faalt door falen van de windturbine? • Wat is de verwachte milieuschade? • Kan een dergelijke uitval worden ondervangen (verdeling over andere RWZI’ s , restcapaciteit van deze RWZI)?
Smit en Zoon De trefkans wordt verlaagd aan de hand van een correctiefactor uit de Handreiking Risicozonering Windturbines. Deze handreiking is niet meer wettelijk voorgeschreven , wel verwijst Module IV naar deze handreiking. Daarmee is deze factor naar onze mening onderbouwd en toe te passen. De passage om de mast te overdimensioneren op basis van een zwaardere windklasse is nog relatief vrijblijvend opgeschreven. Duidelijk moet zijn dat deze maatregel kan worden toegepast 4 en als dat nodig is ook daadwerkelijk wordt toegepast. Helder moet zijn aan welke IEC-klasse de windturbine gaat voldoen en aan welke IEC-klasse de mast gaat voldoen. Waterkering Zoals eerder aangegeven hebben we onze bedenkingen bij de aangegeven methodiek. In het gesprek van 25 november jl. is aangegeven dat de gestelde analyse zo is afgestemd met het waterschap: in dat geval moet dit zo worden verwoord , anders roept de huidige verwoording vragen op.
Conclusie De verwoording in de OFLO verschilt sterk van het onderzoek externe veiligheid: tabel 4: verschillen conclusie EV-onderzoek en OFLO 62 02 20 50 xc do . 72 10 62 _ lf oo _ ne _ k eo zr d eno _ ve _ gi n le d ro oe
b5 00 n 00 36 00 52 02 \3 m 60 0\ 52 02\ \ mco d\ : k
EV-onderzoek De voorziene windturbines voldoen niet aan de standaardwaarde die is gesteld in de conceptwindturbinebepalingen met betrekking tot (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties. Indien het bevoegd gezag ervoor kiest om gemotiveerd af te wijken tot de grenswaarde voldoen de turbines wel.
Met betrekking tot risicovolle installaties is een nadere beschouwing van het effect van de windturbines op de risico’s van de opslag van gevaarlijke stoffen op het terrein van Smit & Zoon vereist. Er wordt niet voldaan aan de standaardwaarde ; het bevoegd gezag kan hier gemotiveerd van afwijken. Voor het Seveso-bedrijf is nader onderzoek nodig
OFLO Het plan voor de windturbines voldoet aan de toetsafstanden uit de Handreiking risicozonering windturbines , regels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Besluit activiteiten leefomgeving en de minimumafstanden uit de Beleidsregel van Rijkswaterstaat. Voor de bedrijven die zijn gelegen binnen de PR10-6-contour van de windturbines is in dit hoofdstuk gemotiveerd dat deze getoetst kunnen worden aan de PR10-5-contour. Hiermee is de plaatsing van de windturbines met betrekking tot (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties aanvaardbaar. Ten aanzien van de Seveso-inrichting en bijbehorende omgevingsrisico’s zal geborgd worden dat door toevoeging van de windturbine geen kwetsbare gebouwen of locaties binnen de PR10-6contour aanwezig zijn. Geconcludeerd wordt dat wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid de uitvoering van het project niet in de weg staat.
Verschil Er ligt in de OFLO geen nadruk op de afwijking van de standaardwaarde. Het EV-onderzoek legt de motivatie tot afwijken bij het bevoegd gezag ; in de OFLO heeft de initiatiefnemer motivatie dat sprake is van een lage populatiedichtheid 5 overgenomen als onderbouwing tot afwijken. Naast de norm van het plaatsgebonden risico omvat externe veiligheid meer criteria , zoals het groepsrisico , bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Er zijn volgens het EVonderzoek aandachtspunten op het gebied van externe veiligheid. Onder de juiste voorwaarden kan hieraan worden voldaan.
4 De windsnelheid op ashoogte is maatgevend voor de IEC-klasse. Dit windklimaat is ons niet bekend. Als bijvoorbeeld nu al sprake is van de hoogste IEC-klasse (IEC-klasse 1) , is een hogere IEC-klasse niet meer mogelijk. 5 Zoals door ons eerder gesteld zijn wij het niet eens dat hier sprake is van een lage populatiedichtheid.
6
dGm* Second
opinion EV-gedeelte OFLO
en
EV-onderzoek windturbines
Isselt
Terminologie risicogebied externe veiligheid Een risicogebied externe veiligheid , voorheen een gebiedsgebonden veiligheidscontour , is een gebied waarin het plaatsgebonden risico niet wordt getoetst. Deze gebieden worden vastgesteld rondom clusters van risicobedrijven , zodat deze bedrijven geen belemmering voor elkaar vormen en grootschalige risicovollere activiteiten in deze gebieden mogelijk zijn. Deze worden in een aparte procedure vastgelegd. Een voorbeeld is de veiligheidscontour voor Maasvlakte 1 en 20. In dit geval is sprake van een individueel Seveso-bedrijf en hebben gemeente en provincie geen apart risicogebied externe veiligheid vastgesteld. Overige opmerkingen e Op pagina 17 van het EV-onderzoek
e
staat de zin: “Er geldt hoe dan ook dat de te plaatsen windturbines mogen resulteren in een PR10-6-contour over een kwetsbaar gebouw. ” We vermoeden dat wordt bedoeld dat dit niet mag resulteren in een PR 10*-contour over o een kwetsbaar gebouw. In de OFLO staat op p. 52 de passage “Daarom is voor de trefkansberekeningen een reductiefactor toegepast op het scenario bladbreuk. ” Bedoeld wordt de kans op mastbreuk later in de tekst is dit wel goed verwoord en ook in de berekeningen. In een eerdere documentatieronde (zie hiervoor DGMR-notitie M. 2025. 0063. 00. N003 d. d. 12 november 2025) hebben we aangegeven dat het discutabel is hoe om te gaan met middeling rond de nominale werpafstand: haaks op het object of haaks op de lijn windturbine-object. Deze discussie is in het laatste EV-onderzoek niet meer genoemd. Niettemin zal het effect klein zijn zolang mastbreuk maatgevend is voor de trefkans. Het Definitief Eindproduct Omgevingsadviesraad Wind op Isselt 26 jan 2026 is ter kennisgeving aangenomen. Omdat hierin ook veel opmerkingen staan die niet van DGMR afkomstig zijn , hebben we dit stuk niet volledig gecontroleerd en beoordeeld. -
e
e
05-02-2026
vb_onederozoek_ern_odfloe_26l012i7.dnocxg
-
ing. J. D. ( g e a n o n i m i s e e r d ) ( g e a n o n i m i s e e r d ) DGMR
Industrie , Verkeer
6 https:/
/www. zuid-holland. nl/ politiek-bestuur/gedeputeerde-staten/besluiten/besluit/herziening-veiligheidscontour-
en
Milieu
B. V.
_e
k:\doc\m\2025\063\m20250630n05
maasvlakte-1-en-maasvlakte -2-ter-hoogte-van-het-in