Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland (Ecogroen, 7 juli 2025)
Tekst van het document
Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland Inventarisatie en beoordeling in het kader van de natuurweten regelgeving Gemeente Amersfoort
Definitief
(085) 4871265 info@ecogroen.nl www.ecogroen.nl
Colofon Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland Inventarisatie en beoordeling in het kader van de natuurwet- en regelgeving
25-305
7 juli 2025
Definitief
M.D. (Marc) Belt & D. (Dieuwertje) Boonstra
M.D.(Marc) Belt
S. (Sebastiaan) Kraaieveld
Gemeente Amersfoort
©Ecogroen bv Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, mits onder vermelding van bron en status. Belt, M.D. & Boonstra, D. (2025). Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland. Inventarisatie en beoordeling in het kader van de natuurwet- en regelgeving. Rapport 25-305. Ecogroen bv.
Inhoud Samenvatting
4
1.
Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling 1.2.1 Huidige situatie 1.2.2 Voorgenomen ontwikkeling 1.3 Leeswijzer
6 6 6 6 7 8
2.
Wettelijk kader en methode 2.1 Omgevingswet 2.2 Onderzoeksmethode
9 9 9
3.
Soortbescherming 3.1 Flora 3.2 Zoogdieren 3.3 Vogels 3.4 Amfibieën 3.5 Overige soortgroepen 3.6 Specifieke zorgplicht
11 11 11 14 15 16 16
4.
Gebiedsbescherming 4.1 Natura 2000-gebieden 4.2 Natuurnetwerk Nederland
17 17 18
Geraadpleegde bronnen
19
Bijlagen Bijlage 1 - Natuur in de Omgevingswet: Wettelijke kaders Bijlage 2 - Ecologisch logboek
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsvoetbalveld voetbalveldV.V. V.V.Hoogland Hoogland
Samenvatting Aanleiding en doelstelling Gemeente Amersfoort heeft het voornemen aanpassingen te verrichten aan twee voetbalvelden op het terrein van V.V. Hoogland in Hoogland. De grasvelden van deze twee voetbalvelden worden vervangen door kunstgras en er wordt verlichting geplaatst rondom het voetbalveld waar deze nog ontbreekt. Voor uitvoering van het voornemen is een omgevingsvergunning nodig voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Wet- en regelgeving omtrent de bescherming van natuur verplicht vooraf te toetsen of activiteiten (kunnen) conflicteren met beschermde natuurwaarden. In deze quickscan natuurtoets zijn de effecten van het voornemen getoetst aan de beschermingskaders van de Omgevingswet ten aanzien van soorten en Natura 2000-gebieden. Er wordt niet afgeweken van het omgevingsplan waardoor toetsing aan de beschermingskaders van het NNN niet aan de orde is. De bomen en hagen binnen en in de nabije omgeving van het projectgebied zullen als gevolg van de werkzaamheden niet worden geveld, waardoor ook geen toetsing ten aanzien van houtopstanden nodig is.
Soortbescherming • In het projectgebied zijn geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Er is geen sprake van aantasting van essentiële vliegroutes en onmisbaar foerageergebied van vleermuizen. Uitstraling van verlichting kan effect hebben op mogelijk in de omgeving aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen. • In het projectgebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. In de heggen en bomen binnen en in de nabije omgeving van het projectgebied kunnen wel gebruikt worden als nestlocatie door veelvoorkomende soorten als: gaai, roodborst, tjiftjaf, vink, houtduif, Turkse tortel en merel. Uitstraling van verlichting kan effect hebben op mogelijk in de omgeving aanwezige nestplaatsen van huismussen. • De werkzaamheden leiden niet tot verlies of verstoring van groei-, nest- en/of verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied van flora, overige zoogdieren, overige amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden, uitgezonderd soorten waarvoor een vrijstelling van vergunningplicht geldt in de provincie Utrecht. Wel is altijd de specifieke zorgplicht van toepassing.
Gebiedsbescherming • Het projectgebied ligt buiten Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Arkemheen) ligt op meer dan vijf kilometer van het projectgebied. Vanwege deze afstand en (lokale)
04
Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland
aard van het voornemen zijn nadelige gevolgen – met uitzondering van stikstofdepositie – op voorhand uitgesloten. • Het projectgebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het meest nabij gelegen NNNgebied ligt op circa 1.550 meter van het projectgebied. Er wordt niet afgeweken van het omgevingsplan waardoor toetsing aan de beschermingskaders van het NNN niet aan de orde is.
Advies en vervolgstappen • Aanvullend onderzoek is nodig om de effecten van stikstofemissie in beeld te brengen. Met een zogenoemde stikstofberekening met het rekenmodel AERIUS Calculator kan worden beoordeeld of er vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet nodig zijn voor Natura 2000-gebieden. • In de definitieve situatie kunnen vleermuizen en huismussen worden verstoord. Er zijn maatregelen nodig om te zorgen dat deze verstoring niet plaatsvindt. Indien dit niet mogelijk is, is aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen en nestplaatsen van huismussen noodzakelijk. • Werkzaamheden die broedbiotopen van aanwezige vogels beschadigen moeten altijd worden voorkomen. Hierom dient de uitvoering van de werkzaamheden zoveel mogelijk buiten het broedseizoen plaats te vinden. Voor de meeste soorten kan de periode tussen begin maart en half juli worden aangehouden als broedperiode. Indien werkzaamheden in de periode maart tot oktober worden opgestart, wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole door een ecologisch deskundige uit te laten voeren. Bij het aantreffen van in gebruik zijnde nesten van vogels wordt in overleg met een ecologisch deskundige bepaald hoe de werkzaamheden op een zorgvuldige wijze binnen de wettelijke kaders kunnen worden uitgevoerd. • De specifieke zorgplicht ten aanzien van soorten is altijd van toepassing.
In paragraaf 3.6 zijn voorzorgsmaatregelen genoemd om nadelige gevolgen voor soorten te voorkomen. Indien volgens deze voorzorgsmaatregelen wordt gewerkt én dit wordt vastgelegd in een logboek (of ecologisch werkprotocol) kan worden aangetoond dat er zorgvuldig en conform de specifieke zorgplicht wordt gewerkt.
05
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsvoetbalveld voetbalveldV.V. V.V.Hoogland Hoogland
1. Inleiding 1.1
Aanleiding en doelstelling Gemeente Amersfoort heeft het voornemen aanpassingen te verrichten aan twee voetbalvelden op het terrein van V.V. Hoogland in Amersfoort. Het gras van deze twee voetbalvelden wordt vervangen door kunstgras en er wordt verlichting geplaatst rondom het voetbalveld waar deze nog ontbreekt. Voor uitvoering van het voornemen is een omgevingsvergunning nodig voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Wet- en regelgeving omtrent de bescherming van natuur verplicht vooraf te toetsen of activiteiten (kunnen) conflicteren met beschermde natuurwaarden. In deze quickscan natuurtoets zijn de effecten van het voornemen getoetst aan de beschermingskaders van de Omgevingswet ten aanzien van soorten en Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van afwijking van het omgevingsplan, waardoor toetsing aan de beschermingskaders van het NNN niet aan de orde is. Er worden binnen het projectgebied geen bomen en/of hagen geveld. Toetsing aan het onderdeel houtopstanden is zodoende niet aan de orde.
1.2
Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling
1.2.1
Huidige situatie Het projectgebied ligt in het westen van Hoogland in de gemeente Amersfoort en omvat twee voetbalvelden op het terrein van V.V. Hoogland. Het projectgebied ligt nabij park Schothorst. Specifiek betreft het voetbalveld 3 en 4 (zie figuur 1.1). De voetbalvelden bestaan uit intensief gemaaid en betreden grasland. De voetbalvelden worden omrand door hagen en laanbomen die aansluiten op in de omgeving gelegen groenstructuren. Er bevindt zich in het projectgebied geen oppervlaktewater. Voetbalveld 3 wordt al verlicht door lichtmasten aan alle zijden, bij voetbalveld 4 is dat nog niet het geval. Voetbalveld 4 grenst aan woningen ten zuiden, in het noorden liggen op grotere afstand ook woningen. Aan de oostzijde grenst dit voetbalveld aan een grasveld van Park Schothorst.
06
Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland
Figuur 1.1 De ligging van het projectgebied (rood omlijnd) met in het kader de ligging van het projectgebied (rode stip) in Hoogland. Bron ondergrond: PDOK/TopoRD.
1.2.2
Voorgenomen ontwikkeling Gemeente Amersfoort is voornemens de twee voetbalvelden om te zetten van grasvelden naar kunstgrasvelden. Hierbij wordt de huidige grasmat tot 30 of 40 centimeter diepte afgegraven, hier wordt vervolgens een sporttechnische laag op aangebracht waar het kunstgras opgelegd wordt. Daarnaast wordt er verlichting geplaatst bij voetbalveld 4 (meest oostelijk gelegen veld), er worden zes lichtmasten geplaatst (zie figuur 1.2). Door deze verlichting is het mogelijk voetbalveld 4 voor trainingen te gebruiken in de avonduren. De trainingen vinden plaats tot maximaal 22:00 uur en tijdens de zomerstop (juli en augustus) wordt er niet getraind. Bij deze werkzaamheden worden geen bomen gekapt en/of heggen gerooid. Na voorbereiding van de werkzaamheden vindt de uitvoering waarschijnlijk eind 2025 plaats.
07
Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland
Figuur 1.2 Nieuw te plaatsen lichtmasten bij voetbalveld 4 op het terrein van V.V. Hoogland. Bron ondergrond: PDOK.
1.3
Leeswijzer Het juridische kader waarbinnen de quickscan natuurtoets is uitgevoerd en de gebruikte methodiek zijn beschreven in hoofdstuk 2. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 beschreven of er beschermde soorten voorkomen of te verwachten zijn binnen de invloedssfeer van het initiatief. Hierbij is aangegeven welke mitigerende maatregelen mogelijk zijn om schadelijke handelingen te voorkomen, of een vergunningplicht van toepassing is en of vervolgonderzoek nodig is om kennisleemten op te vullen. Hoofdstuk 4 gaat in op de ligging ten opzichte van beschermde gebieden en hoofdstuk 5 op beschermde houtopstanden. Hierbij wordt bepaald of het initiatief kan leiden tot nadelige gevolgen op de beschermde waarden. Indien dit het geval is wordt aangegeven welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Tot slot is een overzicht opgenomen van gebruikte bronnen.
08
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsvoetbalveld voetbalveldV.V. V.V.Hoogland Hoogland
2. Wettelijk kader en methode 2.1
Omgevingswet De juridische bescherming van natuur in ons land is geregeld via de Omgevingswet. Deze bestaat, naast de Omgevingswet zelf, uit vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) en één ministeriele regeling. De Omgevingswet regelt onder meer de bescherming van flora en fauna, Natura 2000gebieden, houtopstanden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bijlage 1 bevat een samenvatting van de wetteksten. In dit rapport wordt ingegaan op de onderdelen flora en fauna, Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland.
2.2
Onderzoeksmethode
2.2.1
Bureaustudie Om een beeld te krijgen van aanwezige natuurwaarden in en in de omgeving van het projectgebied is gestart met een bureaustudie. Hierbij zijn onder andere bekende verspreidingsgegevens van beschermde soorten uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Bij het raadplegen van de NDFF is een zoekgebied van ruim vijf kilometer rondom het projectgebied aangehouden en is gezocht naar waarnemingen in de afgelopen tien jaar. Daarnaast zijn de Informatiekaart Natuur (IKN) en provinciale kaartviewers geraadpleegd om een beeld te krijgen van de ligging van nationaal en provinciaal beschermde gebieden in en rondom het projectgebied.
2.2.2
Quickscan veldbezoek De verzamelde informatie uit de bureaustudie vormt de basis voor een veldbezoek dat op 23 april 2025 (11 graden, bewolkt, droog en weinig wind) is uitgevoerd door een ecoloog van Ecogroen. Tijdens het veldbezoek zijn het projectgebied en directe omgeving (zone circa 100 meter rondom het projectgebied) onderzocht, waarbij aandacht is besteed aan (biotoop van) beschermde soorten. Naast een beoordeling van de aanwezige biotopen is onder andere gelet op aanwijzingen voor (mogelijke) jaarrond beschermde nesten van vogels en verblijfplaatsen van vleermuizen.
2.2.3
Toets flora- en fauna-activiteit Aan de hand van de uitgevoerde bureaustudie en het veldbezoek is beoordeeld of er beschermde soorten voorkomen of te verwachten zijn binnen de invloedsfeer van het project. Vervolgens is bepaald of het project kan leiden tot schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde soorten en/of hun leefgebied. Tot slot is beoordeeld of er vervolgstappen nodig zijn, zoals het nemen van
09
Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland
mitigerende maatregelen, vervolgonderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. 2.2.4
Toets Natura 2000-activiteit Aan de hand van de uitgevoerde bureaustudie en het veldbezoek is beoordeeld of het project kan leiden tot (significant) nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Er is gestart met het bepalen van de (mogelijke) negatieve effecten die kunnen optreden als gevolg van het project. Vervolgens is beoordeeld of negatieve gevolgen te verwachten zijn voor instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden, en zo ja, of deze significant (kunnen) zijn. Als er mogelijk sprake is van significant nadelige gevolgen is er advies gegeven over te nemen vervolgstappen.
2.2.5
Toets Natuurnetwerk Nederland
2.2.6
Er is geen sprake van afwijking van het omgevingsplan, waardoor toetsing aan de beschermingskaders van het NNN niet aan de orde is. In hoofdstuk 4 is een korte onderbouwing opgenomen. Toets houtopstanden Er worden bij dit project geen bomen gekapt waardoor vervolgstappen met betrekking tot houtopstanden niet van toepassing zijn.
10
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsvoetbalveld voetbalveldV.V. V.V.Hoogland Hoogland
3. Soortbescherming 3.1
Flora Tijdens het veldbezoek zijn geen plantensoorten aangetroffen waarvoor een vergunningplicht geldt. De voetbalvelden worden intensief gemaaid en wordt regelmatig betreden waardoor er weinig natuurwaarden aanwezig zijn. Op basis van de aangetroffen soortensamenstelling, de terreingesteldheid (verhard) en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2025) worden deze soorten ook niet verwacht. Het nemen van ver-volgstappen ten aanzien van de soortgroep flora is in het kader van de Omgevingswet niet aan de orde.
3.2
Zoogdieren
3.2.1
Vleermuizen In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van foeragerende en langsvliegende exemplaren gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis (NDFF, 2025). Het leefgebied van vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden (zie ook kader 3.1). Hieronder worden deze onderdelen nader beschreven. Kader 3.1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bijvoorbeeld bomen, bebouwing en kelders. Dit kunnen onder andere kraamverblijven, zomerverblijven, baltslocaties, paarverblijven en winterverblijven zijn. Het verstoren, beschadigen, vernielen of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Vleermuizen gebruiken vaak jarenlang dezelfde structuren om zich te oriënteren tijdens de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Als alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘essentieel’ en zodoende beschermd. Foerageergebieden Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water, zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen.
Foerageergebied van vleermuizen heeft binnen de Omgevingswet echter geen juridische bescherming, tenzij het essentieel is voor het voortbestaan van een populatie.
Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich voornamelijk in gebouwen en/of bomen. In het projectgebied en in de directe omgeving zijn enkele bomen aanwezig. Hierin zijn geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen, zoals spechtenholtes en inrottingsgaten. Binnen het
11
Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland
projectgebied zijn tevens geen gebouwen aanwezig. Verblijfplaatsen van vleermuizen worden in het projectgebied uitgesloten. Ten zuiden van voetbalveld 4 zijn woningen aanwezig waar potentie aanwezig is voor verblijfplaatsen van vleermuizen (figuur 3.1). Vleermuizen kunnen hier bijvoorbeeld verblijven in de spouw of achter betimmering. Rondom voetbalveld 4 is verlichting gepland dat uitstraalt op de woningen aan de Zadelmakerstraat 8, 10, 12, 13 en 15. Uitstraling van deze verlichting kan een verstorend effect hebben op mogelijk aanwezige vleermuizen in verblijfplaatsen. Het opzettelijk verstoren van vleermuizen is strijdig met de Ow.
Figuur 3.1 Projectgebied (rood omlijnd) en woningen in de nabijheid gevoelig voor lichtverstoring door potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen (groen omlijnd). Bron achtergrond: PDOK.
Om verstoring van potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen door verlichting te voorkomen, zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk. Dit kan door het gebruiken van gerichte armaturen of het afschermen van verlichting. Dit laatste kan bijvoorbeeld door de bestaande aanplant aan de zuidzijde van voetbalveld 4 te versterken met hogere beplanting tussen de aanwezige bomen. Als aanvulling op voorgaand punt zijn in kader 3.2 maatregelen genoemd die in het lichtplan kunnen worden opgenomen om verstoring door verlichting tot een minimum te beperken. Kader 3.2 Verlichting Door bepaalde uitgangspunten ten aanzien van verlichting te hanteren, kan de verlichting bijdragen aan de veiligheid binnen het projectgebied, maar verstoring van het natuurlijke gedrag van nacht-actieve soorten zoals vleermuizen, vogels en grondgebonden zoogdieren tot een minimum worden beperkt. Bij de realisatie en het aanpassen van de verlichting wordt het volgende geadviseerd: • Verlichtingssterkte: gebruik een zo laag mogelijke intensiteit. • Dynamische verlichting: verlicht alleen wanneer dat nodig is. Zo kunnen lampen bij afwezigheid van mensen worden gedimd of geheel uitgeschakeld worden. • Gerichte armaturen: scherm verlichting af zodat alleen daar verlicht wordt waar dat nodig is en verstrooiing van verlichting naar de omgeving wordt voorkomen.
• Aantal verlichtingspunten: verlicht alleen daar waar nodig en gebruik zo min mogelijk lichtbronnen.
12
Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland
Maatregelen dienen opgenomen en doorberekend te worden in het lichtplan. Door deze maatregelen te treffen wordt op voorhand voorkomen dat verblijfplaatsen in de omgeving van het projectgebied worden aangetast als gevolg van lichtverstoring. Indien het niet mogelijk is om lichtverstoring naar de woningen ten zuiden van het projectgebied te voorkomen, is aanvullend onderzoek noodzakelijk om te bepalen of als gevolg van het initiatief schadelijke handelingen optreden ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen.
Vliegroutes In het projectgebied zijn lijnvormige elementen aanwezig, zoals de populieren ten noorden van veld 2,3 en de populieren tussen veld 3 en 4. Deze lijnvormige elementen zijn geschikt als vliegroute voor vleermuizen, zoals de watervleermuis, meervleermuis, gewone dwergvleermuis en laatvlieger (zie ook kader 3.1). Deze vliegroutes zijn niet essentieel, in de omgeving zijn alternatieven aanwezig (met name de bomenlaan aan de Pottenbakkerstraat is waarschijnlijk een belangrijke vliegroute voor vleermuizen) waarvan wordt verwacht dat deze worden gebruikt als essentiële vliegroute door de ligging nabij water, de aansluiting op lijnvormige elementen en ontbreken van lichtverstoring van de huidige voetbalvelden. Vanwege de eventuele verstoring van nieuwe verlichting om voetbalveld 4 kan de route aangrenzend aan dit voetbalveld als geleidend element verloren gaan, omdat het hierbij niet gaat om een essentiële vliegroute is vergunningplicht voor een flora- en fauna-activiteit voor vliegroutes van vleermuizen hier niet aan de orde. Foerageergebieden Door de aanwezigheid van beplanting wordt het projectgebied mogelijk als foerageergebied gebruikt door diverse vleermuissoorten. Het projectgebied bestaat uit kort gemaaid gras met weinig natuurwaarden waardoor dit geen essentieel foerageergebied is.
Er gaat slechts beperkt foerageergebied verloren en tijdens en na de werkzaamheden blijft er ruim voldoende foerageergebied aanwezig in de nabije omgeving van het projectgebied in de vorm van de bosranden en bomenrijen, waterpartijen en groenstructuren van park Schothorst. Een vergunningplicht voor een flora- en fauna-activiteit ten aanzien van foerageergebied van vleermuizen is niet aan de orde. 3.2.2
Kleine marterachtigen In de wijde omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van de kleine marterachtigen; bunzing, hermelijn en wezel (NDFF, 2025). De voorkeursbiotoop van bovengenoemde soorten bestaat uit kleinschalig en structuurrijk landschap met onder andere (boeren)erven en veel (lijnvormige) landschapselementen zoals houtwallen, bosjes, heggen, greppels en sloten. Tijdens het veldbezoek zijn geen exemplaren of sporen van wezel, bunzing of hermelijn aangetroffen. Het projectgebied is niet geschikt voor verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen door het ontbreken van ruig begroeide delen. De begrenzende heggen in het projectgebied zijn niet geschikt als permanente verblijfplaats. Verblijfplaatsen van kleine marterachtigen worden in het gebied uitgesloten waardoor vervolgstappen ten aanzien van kleine marterachtigen niet aan de orde zijn.
3.2.3
Overige zoogdieren (Vaste) verblijfplaatsen en/of essentieel foerageergebied van andere beschermde grondgebonden zoogdieren die zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde zoogdieren zonder provinciale vrijstelling (zoals haas en konijn) worden op basis van de terreinkenmerken, het veldbezoek en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2025) uitgesloten. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde.
13
Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland
Wel zijn binnen het projectgebied vaste verblijfplaatsen van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten bekend en/of te verwachten. Dit zijn onder andere de huisspitsmuis, gewone bosmuis en rosse woelmuis. Bij werkzaamheden in het projectgebied kunnen enkele exemplaren van deze grondgebonden zoogdieren geschaad worden. In voorliggende situatie is voor deze soorten in de provincie Utrecht een vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Omgevingswet, waardoor voor deze zoogdieren geen omgevingsvergunning nodig is.
3.3
Vogels Bij vogels wordt onderscheid gemaakt in twee categorieën met een verschillend beschermingsregime (zie bijlage 1). Voor een aantal vogelsoorten geldt dat de nestlocaties inclusief de functionele omgeving jaarrond beschermd zijn (zie kader 3.2). Kader 3.3 Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Onder jaarrond beschermde nesten van vogels wordt in provincie Utrecht verstaan: in functie zijnde nesten en rustplaatsen van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Voor sommige andere soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
3.3.1
Vogels met jaarrond beschermde nesten Huismus In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van huismus (NDFF, 2025). Binnen het projectgebied is geen bebouwing aanwezig waardoor nestplaatsen van huismus worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn wel enkele huismussen in de heggen rondom de voetbalvelden waargenomen. Huismussen maken hun nesten in Nederland vrijwel altijd in en nabij gebouwen, alleen wanneer er voldoende voedsel aanwezig is en geen geschikte nestplaatsen zullen zij zelf nesten maken in dichte bomen of struiken (BIJ12, 2023). In de omgeving van het projectgebied is voldoende bebouwing die geschikt is voor nestplaatsen van huismus waardoor de heggen niet in gebruik zullen zijn als nestplaats. Naar verwachting maken de heggen wel onderdeel uit van de functionele leefomgeving van in de omgeving broedende huismussen. De heggen blijven behouden en ook wordt geen verstorend effect verwacht op mogelijk in het projectgebied foeragerende huismussen. De woningen ten zuiden van voetbalveld 4 zijn geschikt als nestgelegenheid voor huismussen, tijdens het veldonderzoek zijn hier geen huismussen aangetroffen maar zonder aanvullend onderzoek zijn nestplaatsen van de huismus niet uit te sluiten. Deze potentiële nestplaatsen kunnen door het aanbrengen van verlichting verstoord worden.
Om verstoring van potentiële nestplaatsen van huismussen door verlichting te voorkomen, zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk. Dit kan door het gebruiken van gerichte armaturen of het afschermen van verlichting. Dit laatste kan bijvoorbeeld door de bestaande aanplant aan de zuidzijde van voetbalveld 4 te versterken met hogere beplanting tussen de aanwezige bomen. Als aanvulling op voorgaand punt zijn in kader 3.2 maatregelen genoemd die in het lichtplan kunnen worden opgenomen om verstoring door verlichting tot een minimum te beperken. Indien het niet mogelijk is om lichtverstoring naar de woningen ten zuiden van het projectgebied te voorkomen, is aanvullend onderzoek noodzakelijk om te bepalen of als gevolg van het initiatief schadelijke handelingen optreden ten aanzien van nestplaatsen van huismussen.
14
Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland
Overige vogels met jaarrond beschermde nesten In het projectgebied en in de directe omgeving (<75 meter) zijn waarnemingen bekend van buizerd en sperwer (NDFF, 2025), tijdens het veldonderzoek zijn nesten in de bomen aangetroffen. Aangezien het projectgebied uit intensief gemaaid en betreden grasland met weinig natuurwaarden bestaat, is er ook geen (essentieel) foerageergebied aanwezig voor vogels met jaarrond beschermde nesten. Het nemen van vervolgstappen voor overige vogels met jaarrond beschermde nesten is niet aan de orde. 3.3.2
Vogels zonder jaarrond beschermde nesten Door de aanwezigheid van bomen, beplanting en heggen binnen het projectgebied is broedbiotoop aanwezig voor enkele algemene vogelsoorten als gaai, roodborst, tjiftjaf, vink, houtduif, Turkse tortel en merel. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Verstoren is verboden wanneer de verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort of wanneer verstoring leidt tot het afbreken van het broedgeval. Voor de te verwachten soorten kunnen schadelijke handelingen (altijd) worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen. In het kader van de Omgevingswet wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Daarmee is het van belang dat een broedgeval niet wordt beschadigd of verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen begin maart en half juli worden aangehouden als broedseizoen. Vooral soorten als houtduif kunnen tot laat in het seizoen doorgaan met broeden en ook vroeg in het seizoen starten met broeden.
Indien werkzaamheden in de periode half februari tot oktober worden opgestart wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole door een ecologisch deskundige uit te voeren. Bij het aantreffen van nesten van vogels wordt in overleg met een ecologisch deskundige bepaald hoe de werkzaamheden op een zorgvuldige wijze binnen de wettelijke kaders kunnen worden uitgevoerd. Indien geen nesten in gebruik zijn ten tijde van de werkzaamheden, kunnen negatieve effecten op broedende vogels worden uitgesloten. Vervolgstappen zijn voor vogels zonder jaarrond beschermde nesten niet aan de orde, mits rekening wordt gehouden met het broedseizoen.
3.4
Amfibieën Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken en verspreidingsgegevens (NDFF, 2025) wordt voortplanting en overwintering van overige in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde amfibieën zonder vrijstelling, zoals rugstreeppad, in het projectgebied uitgesloten. Door afwezigheid van oppervlaktewater en elementen als een strooisel laag binnen het projectgebied zijn vaste verblijfplaatsen en exemplaren van algemeen voorkomende grondgebonden amfibieensoorten ook niet te verwachten. Bovendien geldt in voorliggende situatie voor deze soorten in de provincie Utrecht een vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Omgevingswet, waardoor er voor (het schaden van exemplaren of leefgebied van) deze amfibieën geen omgevingsvergunning nodig is voor het uitvoeren van de werkzaamheden. Wel is de specifieke zorgplicht van toepassing (zie paragraaf 3.6).
15
Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland
3.5
Overige soortgroepen Op basis van de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2025), worden in het projectgebied geen (vaste) verblijfplaatsen of essentieel leefgebied verwacht van vissen, reptielen en ongewervelden waarvoor een omgevingsvergunningplicht geldt. Wel is (mogelijk) de specifieke zorgplicht van toepassing (zie paragraaf 3.6).
3.6
Specifieke zorgplicht Vanuit de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor soorten. De specifieke zorgplicht schrijft voor dat nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen en beperkt moeten worden. Dit betekent dat er bij de uitvoering van het project voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden om invulling aan deze specifieke zorgplicht te geven (zie ook bijlage 1, kader B1.2). De specifieke zorgplicht geldt voor alle van nature in het wild voorkomende flora en fauna. In voorliggende situatie betreft het soorten uit de soortgroepen: zoogdieren en vogels. De graafwerkzaamheden en de te plaatsen lichtmasten kunnen nadelige gevolgen hebben voor die soorten. Met onderstaande maatregelen wordt invulling gegeven aan de specifieke zorgplicht voor soortbescherming bij de graafwerkzaamheden. Geadviseerd wordt om de maatregelen tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden vast te leggen in een logboek (zie voor een voorbeeld bijlage 2). Met behulp van het logboek kan in geval van handhaving worden aangetoond dat er zorgvuldig en conform de specifieke zorgplicht wordt gewerkt. a. De werkzaamheden worden bij voorkeur uitgevoerd in de periode september en oktober. Dit is buiten de kwetsbare voortplantingsperiode en overwinteringsperiode van de te verwachten soorten. b.
Om verstoring van nachtactieve dieren, zoals vleermuizen te voorkomen, worden de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd en worden eventuele bouwlampen niet op bomen en bosranden gericht. c. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden wordt één kant opgewerkt. Hierbij wordt stapvoets gereden zodat dieren kunnen wegvluchten. d. Bouwmateriaal en materieel wordt zoveel mogelijk geplaatst op bestaande verharding in plaats van op en in het groen. Waar mogelijk wordt vegetatie gespaard. e. Er wordt waar mogelijk materieel ingezet met een zo minimaal mogelijke footprint, zoals een minikraan en machines met beperkte stikstofemissies (stage IV of elektrisch). f. Werkzaamheden op een bepaalde werklocatie worden in een zo kort mogelijk tijdbestek en zoveel mogelijk aaneengesloten uitgevoerd.
16
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsvoetbalveld voetbalveldV.V. V.V.Hoogland Hoogland
4. Gebiedsbescherming 4.1
Natura 2000-gebieden
4.1.1
Algemeen Het projectgebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Arkemheen, een Vogelrichtlijngebied. Dit gebied ligt op meer dan vijf kilometer afstand van het projectgebied (zie figuur 4.1). Het Eemmeer, eveneens een Vogelrichtlijngebied, ligt op circa 9,5 kilometer afstand. De Veluwse randmeren is het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitatrichtlijngebied en ligt op 10,4 kilometer afstand van het projectgebied. Directe nadelige gevolgen, waaronder betreding en oppervlakteverlies van habitattypen en leefgebieden van soorten, worden vanwege de afstand tussen het projectgebied en omliggende Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten. Op basis van de effectenindicator (Broekmeyer et al., 2005, 2008; Broekmeyer, 2010) worden indirecte (uitstralende) effecten door bijvoorbeeld licht of geluid eveneens uitgesloten, gezien de aard en omvang van het voornemen en de afstand tot habitattypen en leefgebieden van soorten. Alleen indirecte nadelige gevolgen door stikstofdepositie (verzuring en/of vermesting) kunnen niet op voorhand worden uitgesloten, gezien de reikwijdte van stikstofdepositie.
Figuur 4.1 De ligging van het projectgebied (rode stip) ten opzichte van Natura 2000-gebied Arkemheen (blauw). Kaartondergrond: PDOK.
17
Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland
4.1.2
Stikstofdepositie De activiteiten in het projectgebied kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden. Een teveel aan stikstof kan leiden tot verzuring en vermesting van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebied(en). Op basis van de kleinschaligheid van de geplande werkzaamheden, de grootte van het projectgebied en de afstand tot stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden worden negatieve gevolgen van stikstof niet verwacht. Dit is echter alleen met zekerheid aan te tonen door het uitvoeren van een stikstofberekening met het rekenmodel AERIUS Calculator.
4.1.3
Specifiek zorgplicht Natura 2000 Vanuit de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor Natura 2000 (zie ook bijlage 1, kader B1.3). De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-activiteiten maar ook voor activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden, maar die niet significant zijn (zoals verstorende of verslechterende gevolgen). Uit voorgaande paragrafen blijkt dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden, waardoor er bij voorliggend project geen vervolgstappen aan de orde zijn in het kader van de specifieke zorgplicht Natura 2000. Een eventuele uitzondering hierop geldt voor de mogelijke nadelige gevolgen door stikstofdepositie. Aanvullend onderzoek moet uitwijzen of dit aan de orde is (zie paragraaf 4.1.2).
4.2
Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het meest nabij gelegen NNN-gebied ligt op circa 1550 meter van het projectgebied (zie figuur 4.2). Er is geen sprake van afwijking van het omgevingsplan, waardoor toetsing aan de beschermingskaders van het NNN niet aan de orde is.
Figuur 4.2 De ligging van het projectgebied (rode stip) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (groen). Kaartondergrond: PDOK.
18
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsvoetbalveld voetbalveldV.V. V.V.Hoogland Hoogland
Geraadpleegde bronnen Literatuur BIJ12 (2023). Kennisdocument Huismus Passer domesticus. Versie 2.1 februari 2023. BIJ12, Utrecht. Broekmeyer, M.E.A., E.P.A.G. Schouwenberg, M. van der Veen, D. Prins & C.C. Vos (2005). Effectenindicator Natura 2000gebieden; achtergronden en verantwoording ecologische randvoorwaarden en storende factoren. Alterra-rapport 1375, Alterra, Wageningen. https://edepot.wur.nl/44536. Broekmeyer, M.E.A., E.P.A.G. Schouwenberg, M. van der Veen, D. Prins, & C.C. Vos (2008). Effectenindicator Natura 2000gebieden. Aanvulling bij Alterra-rapport 1375 uit 2005. Alterra, Wageningen. Https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/handreikingen/Toelichting_update_effectindicator_2008.pdf. Broekmeyer, M.E.A. (2010). Update effectenindicator 2009. Wageningen, Alterra-rapport 1976, Alterra, Wageningen. https://edepot.wur.nl/134147. Lux4you (2025). Lichthinderberekening voetbalvereniging Hoogland. 02-04-2025.
Internet ATLAS informatie. (Z.d.). Provinciale viewer Utrecht. (https://geo-point.provincie-utrecht.nl/pages/atlas). Laatste raadpleging 6 mei 2025. BIJ12 (2025). Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming. (https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/ ) Laatste raadpleging 23 april 2025. NDFF (2025). Nationale databank flora en fauna. Uitvoerportaal (https://ndff-ecogrid.nl). Laatste raadpleging 6 mei 2025.
19
Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland
Bijlagen
Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland
Bijlage 1 Natuur in de Omgevingswet: Wettelijke kaders Kader B1.1: Algemene zorgplicht Algemene zorgplicht (Afd 1.3 Ow) De Omgevingswet kent een algemene zorgplicht, uitgewerkt in de artikelen 1.6, 1.7 en 1.7a van de Omgevingswet. Deze geeft aan dat eenieder (overheden, bedrijven en burgers) verantwoordelijk is voor een veilige en gezonde leefomgeving, door nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk te voorkomen, te beperken en ongedaan te maken. Het bevat ook een algemeen verbod op het verrichten van activiteiten die leiden tot aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. In principe geldt de algemene zorgplicht altijd, tenzij er een specifieke zorgplicht is uitgewerkt voor bepaalde activiteiten.
Kader B1.2: Flora en fauna Specifieke zorgplicht flora en fauna In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een specifieke zorgplicht opgenomen voor alle in het wild levende dieren en planten, met inbegrip van de relevante directe leefomgeving van soorten (foerageergebied, rustplaatsen). Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht (zie kader B1.1). Iedereen die een activiteit uitvoert met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten (‘flora- en fauna-activiteit’), moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.27 lid 1 van het Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. In het tweede lid onder a is er met betrekking tot de reikwijdte van de zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat onderzoek wordt verricht naar het voorkomen van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn.
Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: • Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I VR en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 lid 2 van de VR; • Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V van de HR; • Dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; • Nationaal beschermde soorten (bijlage IX van het Bal). De kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten is dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Ook in art. 11.27, tweede lid, van het Bal wordt verwezen naar passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen. Een voorbeeld van een dergelijke maatregel is het werken in de minst kwetsbare periode van soorten. In art. 11.27, tweede lid, onder b, van het Bal wordt aangegeven dat er moet worden ‘vastgesteld’ of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te hebben voldaan, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een quickscan of nader onderzoek wordt vastgelegd.
Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland
Flora- en fauna-activiteit Bij het uitvoeren van activiteiten in de leefomgeving moet op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet beoordeeld worden of sprake is van: 1. een flora- en fauna-activiteit en 2. of voor de gevolgen van een flora- en fauna-activiteit een omgevingsvergunningplicht geldt. Een flora- en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn de handelingen genoemd waarvoor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit vereist is ten aanzien van de daarin genoemde beschermde dieren en planten in het wild. Het betreft de bescherming van: • Vogels zoals genoemd in de Vogelrichtlijn (artikel 11.37 van het Bal), in de praktijk vaak onderverdeeld in: – Vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, gierzwaluw en buizerd. – Overige vogels, waarvan nesten alleen tijdens het broedseizoen zijn beschermd (periode van nestbouw, eileg, broeden en voeren van de jongen op het nest). • Soorten (exclusief vogels) van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I), zoals bedoeld in artikel 11.46 van het Bal.
• Andere soorten (artikel 11.54 van het Bal), onderverdeeld in: – Soorten waarvoor een omgevingsvergunning vereist kan zijn (bijlage IX van de HR). – Soorten waarvoor -op basis van de betreffende provinciale verordening- vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt (artikel 11.56 van het Bal). Als bij ruimtelijke ingrepen verbodsbepalingen worden overtreden dan is het noodzakelijk om een omgevingsvergunning aan te vragen bij het bevoegd gezag, tenzij gewerkt kan worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of activiteit plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning moet zijn beschreven hoe de initiatiefnemer ervoor zorgt dat schade aan beschermde soorten tot een minimum beperkt blijft, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn, dat alternatieven ontbreken, aan welk wettelijk belang wordt voldaan en dat de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort niet in gevaar komt. Voorafgaand aan het vaststellen van een plan moet in het geval van schadelijke handelingen zijn beoordeeld of er zicht is op het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. Als aantoonbaar zicht is op het verkrijgen van een omgevingsvergunning kan het plan worden vastgesteld.
Kader B1.3: Natura 2000-gebieden Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000-gebieden (en bijzondere nationale natuurgebieden) (art. 11.6 van het Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6 lid 1 van het Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. Er moet worden nagegaan of nadelige gevolgen op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, dan verplicht de specifieke zorgplicht om met betrekking tot deze mogelijke gevolgen passende preventieve maatregelen te nemen (art. 11.6 lid 2 onder d van het Bal), of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen (art. 11.6 lid 2 onder f van het Bal). Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de effectiviteit van deze maatregelen worden gemonitord.
De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-activiteiten maar ook voor activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden, maar die niet significant zijn (zoals verstorende of verslechterde gevolgen). Natura 2000-activiteit De Omgevingswet regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bestaande uit Habitatrichtlijngebieden (HR) en Vogelrichtlijngebieden (VR). Bij een project moet beoordeeld worden of sprake is van een ‘Natura 2000-activiteit’. Dat is een ‘activiteit (het realiseren van een project) die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’. Of sprake is van een Natura-2000-activiteit wordt onderzocht in een voortoets. Een Natura 2000-activiteit is vergunningplichtig (art. 5.1 lid 1 van de Ow). De term ‘Natura 2000-activiteit’ geldt alleen voor projecten. Voor plannen is er een ander afwegingskader dat, hoewel vergelijkbaar met een Natura 2000-activiteit, elders in het stelsel Omgevingswet is verankerd. Een plan mag volgens art. 10.24 Bkl worden
Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland
vastgesteld als uit een passende beoordeling, bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid, van de Omgevingswet de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Als er uit de voortoets naar voren komt dat de activiteit geen ‘Natura 2000-activiteit’ is, of als er sprake is van een vergunningsvrij geval, is er mogelijk nog wel sprake van een ‘activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied’. Hoewel voor deze type activiteit geen vergunningplicht geldt, blijft de specifieke zorgplicht voor deze activiteiten van toepassing.
Kader B1.4: Houtopstanden Specifieke zorgplicht houtopstanden In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een specifieke zorgplicht opgenomen voor houtopstanden (art. 11.116 van het Bal). Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht (zie kader B1.1). Iedereen die een activiteit uitvoert waarbij een beschermde houtopstand wordt geveld en grond wordt herbeplant, moet nadelige gevolgen voor de natuurbescherming, het bosareaal en landschappelijke waarden zoveel mogelijk voorkomen, en voor zover dat niet mogelijk is moeten gevolgen worden beperkt of ongedaan gemaakt (art. 11.116 van het Bal). Houtopstanden Afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt de bescherming van houtopstanden. Een bij het Bal beschermde houtopstand betreft een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen, én die zich bevindt buiten de bebouwingscontour houtkap. De bebouwingscontour houtkap (art. 11.111 lid 2 van het Bal) is (door de gemeente) vastgelegd in een omgevingsplan (art. 5.165b van het Bkl).
In bepaalde gevallen is er - ondanks dat aan genoemde voorwaarden voldaan wordt - alsnog geen sprake van een beschermde houtopstand, bijvoorbeeld wanneer deze zich bevindt op een erf of in een tuin (art. 11.111 lid 2 van het Bal). Voor het vellen (van een deel) van een beschermde houtopstand geldt een meldplicht (art. 11.126 van het Bal) en herplantplicht (art. 11.129 van het Bal). Het voornemen tot velling moet tijdig gemeld worden bij bevoegd gezag; waarbij de termijn bepaald wordt door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep plaatsvindt (art. 11.113 van het Bal), soms is dat het Rijk (art. 11.114 onder a van het Bal). Binnen drie jaar moet dezelfde grond op bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn herbeplant (art. 11.129 van het Bal). Provinciale staten kunnen in de omgevingsverordening regels opnemen over de melding en de herplant, zoals herplant op andere gronden dan waar de (deels) gevelde opstand stond.
Kader B1.5: Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en uitgewerkt in provinciale omgevingsverordeningen. In het Bkl staat dat bij omgevingsverordening gebieden moeten worden aangewezen die het Natuurnetwerk Nederland vormen, waarbij tevens de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden worden vastgesteld. Bij omgevingsverordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden, regels gesteld omtrent de inhoud van omgevingsplannen en projectbesluiten. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen of nabij het NNN, waarbij een omgevingsplan gewijzigd moet worden dan wel een projectbesluit wordt verleend, geldt een ‘ja, mits’-afweging. Dit houdt kortweg in dat aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN alleen toegestaan is als deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. Regels voor beoordeling van effecten op het NNN zijn vastgelegd in de omgevingsverordening en verankerd in de omgevingsplannen.
Quickscan natuurtoets voetbalveld V.V. Hoogland
Bijlage 2 Ecologisch logboek Handeling
Datum
Locatie
Paraaf ecologisch toezichthouder
Eventuele bijzonderheden/ opmerkingen