Onderbouwing BOPA Van Ghent-, Van Nes- en Van Galenstraat
Tekst van het document
Beoordeling Volgens artikel 4.59 bestaat een vergunningsplicht voor activiteiten die de geluidbelasting door extra verkeer met meer dan 1 dB laten toenemen, evenals voor het bouwen, gebruiken of toewijzen van een nieuw of tijdelijk geluidgevoelig gebouw wanneer de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de vastgestelde standaardwaarden van 53 dB Lden voor gemeentewegen, 50 dB Lden voor rijks- en provinciale wegen en 55 dB Lden voor hoofdspoorwegen. Artikel 4.60 schrijft voor dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning op grond van artikel 4.59 een geluidrapport moet worden aangeleverd. Tabel 4.3.9 geeft de absolute limieten voor geluid: 65 dB Lden voor gemeentewegen en hoofdspoorwegen, en 60 dB Lden voor rijks- en provinciale wegen.
30
Onderbouwing BOPA - Amersfoort, Van Ghentstraat, Van Nesstraat en Van Galenstraat
Onderhavig initiatief betreft het realiseren van geluidsgevoelige gebouwen. De locatie is niet gelegen binnen een geluidsproductieplafond van een industrieterrein. Wel ligt het plan op korte afstand van meerdere wegen en het spoor, waardoor akoestisch onderzoek uitgevoerd is. Door Embridge Nederland is een akoestisch onderzoek (rail) verkeer uitgevoerd, opgenomen als bijlage 4. Hieruit blijkt het volgende: Wegverkeerslawaai De hoogste geluidsbelasting, bedraagt 47 Lden op de alle etages van toetspunt 13 (TP13) en op etage 1 en 2 van toetspunt 12(TP12). Uit de overige resultaten blijkt dat de standaardwaarde van 55 Lden nergens wordt overschreden. Hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarde voor wegverkeer op gemeentelijke wegen. Railverkeerslawaai De hoogste geluidsbelasting, bedraagt 52 Lden op de 2de of 3de verdieping van toetspunten 19 (19_C), 75 (75_D), 77 (77_D) en 43 (TP43_C). Uit de overige resultaten blijkt dat de standaardwaarde van 55 Lden nergens wordt overschreden. Hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarde voor railverkeer. Omdat voor zowel wegverkeerslawaai als voor railverkeerslawaai wordt voldaan aan de standaardwaarde van respectievelijk 53 Lden of 55 Lden zijn er geen aanvullende eisen nodig en kan er met betrekking tot geluid een goede fysieke leefomgeving worden gegarandeerd ter plaatse van de nieuwe appartementen.
Conclusie Het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.7.
Trilling
Wettelijk kader Trillinggevoelige gebouwen worden beschermd tegen trillingen van activiteiten en bedrijven. Wat een trillinggevoelig gebouw en trillinggevoelige ruimte is, wordt beschreven in artikel 5.80 en 5.81 van het Bkl. De gemeente neemt in haar omgevingsplan regels op omtrent trillingen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.5 van het omgevingsplan, ook wel de bruidsschat genoemd. In het Bkl worden standaardwaarden voor trillingen gegeven. De gemeente mag in haar omgevingsplan lagere waarden vaststellen. Ook mag zij onder voorwaarden hogere waarden vaststellen. In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillingshinder worden beoordeeld. In sommige gevallen kan het zelfs nodig zijn om het onderzoeksgebied tot 250 meter aan weerszijden van het spoor uit te breiden. De afwegingen daarvoor zijn in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen opgenomen. Met behulp van deze handreiking kunnen plannen worden gemaakt voor een gezonde fysieke leefomgeving.
ruimte voor ontwikkeling
31
Beoordeling De planlocatie ligt op circa 110 meter van het spoor. Algemeen bezien is op basis van deze afstand weinig tot geen kans op trillingshinder te verwachten. Volledigheidshalve is dit voorgelegd aan het bevoegd gezag. De Omgevingsdienst Utrecht heeft bevestigd dat een nader onderzoek naar trillingen niet noodzakelijk is. De combinatie van de afstand tot het spoor en het type nieuwbouw biedt voldoende zekerheid dat trillingshinder voor deze locatie niet relevant is.
Conclusie Op basis van de afstand tot het spoor en de beoordeling door de Omgevingsdienst Utrecht is het niet noodzakelijk een apart trillingsonderzoek uit te voeren voor het plangebied. Het aspect trilling vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.8.
Bodem
Wettelijk kader In paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl zijn instructieregels voor het aspect bodem opgenomen. Deze regels zijn van toepassing op bodemgevoelige gebouwen. Artikel 5.89g geeft aan wanneer een gebouw als bodemgevoelig gebouw wordt aangemerkt. De gemeente moet in haar omgevingsplan de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opnemen. De gemeente Amersfoort heeft in paragraaf 4.3.2. Bodem regels opgenomen die van toepassing zijn. Subparagraaf 4.3.2.1. stelt de algemene bouwregels over bodem vast: Artikel 4.16 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond: Bepaalt dat het verboden is te bouwen op zodanig verontreinigde bodem dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers. Artikel 4.17: Melding bouwen bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie: bepaalt dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw minimaal vier weken vooraf moet worden gemeld, tenzij de activiteit vergunningplichtig is. De melding moet onder andere gegevens bevatten over de locatie, de bouwmethode, de aard en het gebruik van de activiteit, de uitvoerder, een risicobeoordeling van bodem en grondwater (volgens NEN 4740) en een beschrijving van de huidige bodem- en grondwatersituatie.
Artikel 4.18 Specifieke beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen op verontreinigde bodem: Bepaalt dat een omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de bodemkwaliteit voldoet aan de normen of als passende sanerende of beschermende maatregelen worden getroffen. Artikel 4.19 Ontplofbare oorlogsresten bepaalt dat bij bodemingrepen, met het oog op de veiligheid, de explosievenkaart en het bijbehorende beleid van de gemeente moeten worden geraadpleegd. Subparagraaf 4.3.2.3 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde en een bodemvolume van meer dan 25 m3 bepaalt dat bij het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde en een volume groter dan 25 m³ specifieke regels gelden. Er kan worden volstaan met een vooronderzoek bodem als wordt voldaan aan de Nota bodembeheer, vrijkomende grond moet gescheiden worden gehouden volgens deze nota en bij tijdelijke opslag van grond moet een hekwerk worden geplaatst.
32
Onderbouwing BOPA - Amersfoort, Van Ghentstraat, Van Nesstraat en Van Galenstraat
Beoordeling
Ten behoeve van onderhavig initiatief is een verkennend- en naderbodemonderzoek uitgevoerd door BOOT. De volledige rapportage is bijgevoegd als bijlage 5. Het bodemonderzoek laat zien dat er enkele verhoogde concentraties van onder andere koper en PAK aanwezig zijn, maar dat deze voldoende zijn afgeperkt en de interventiewaarden slechts in beperkte hoeveelheden worden overschreden (circa 6 m³ koper en 10 m³ PAK). De verontreinigingen zijn vermoedelijk ontstaan vóór 1987, waardoor de zorgplicht niet van toepassing is. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de geplande nieuwbouw, en de vrijkomende grond wordt indicatief ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse Industrie. Bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden in de bodem geldt, afhankelijk van de omvang van het werk en of er wordt gegraven boven of onder de interventiewaarde voor bodemkwaliteit, een informatie- of meldingsplicht. Tijdens het graven dienen de algemene zorgplicht- en basisregels te worden gevolgd, waaronder zorgvuldig graven en het gescheiden houden van verschillende kwaliteiten grond en bodemvreemde materialen. De resultaten van het nader bodemonderzoek kunnen als indicatie worden gebruikt voor grondverzet binnen de onderzoekslocatie. Indien een gesloten grondbalans bij de ontwikkeling niet mogelijk is, moet grond van de locatie worden afgevoerd.
Daarnaast kan in overleg met de gemeente een toepassing worden gezocht in het kader van actief bodembeheer, bijvoorbeeld via een bodembeheerplan of de bodemkwaliteitskaart. Voor toepassingen buiten de onderzoekslocatie is het uitvoeren van een partijkeuring noodzakelijk om de definitieve indeling in bodemkwaliteitsklasse en de mogelijkheden voor hergebruik vast te stellen.
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.9.
Geur
Wettelijk kader De rijksregels voor geur zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl. Het Rijk heeft voor een aantal gebouwen specifieke regels voor geur gesteld. Het gaat hierbij om de zogenoemde geurgevoelige gebouwen. Dit zijn onder andere gebouwen met een woonfunctie. Gevangenissen, hotels, asielzoekerscentra en recreatiewoningen worden niet als woonfunctie aangemerkt. De gemeente moet voor alle geurgevoelige gebouwen zoals opgenomen in artikel 5.91 van het Bkl regels stellen in het omgevingsplan om deze gebouwen te beschermen tegen geurhinder. Voor overige gebouwen of locaties mag de gemeente zelf kiezen of zij daar specifieke regels voor geur over opneemt in het omgevingsplan. De gemeente moet daarnaast in haar omgevingsplan een ‘bebouwingscontour geur’ vastleggen rondom een rioolwaterzuiveringsinstallatie, rondom locaties waar landbouwhuisdieren in een dierenverblijf worden gehouden en rondom agrarische activiteiten als deze activiteiten geur veroorzaken op een geurgevoelig gebouw. Binnen de contour geldt een ‘hoge bescherming’ en
ruimte voor ontwikkeling
33
daarbuiten een ‘lage bescherming’. Voor andere geurveroorzakende activiteiten mag een gemeente zelf bepalen of zij daar geurregels voor opstelt in het omgevingsplan. Zolang de gemeente zelf nog geen regels in haar omgevingsplan heeft opgenomen omtrent geur, gelden de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit zijn de regels uit de gemeentelijke geurverordening en de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van het omgevingsplan, ook wel de Bruidsschat genoemd. Hierin wordt nog onderscheid gemaakt tussen locaties binnen en buiten de bebouwde kom, in plaats van een bebouwingscontour. De regels voor geur gaan twee kanten op. Naast de bescherming voor geurgevoelige gebouwen en locaties, zijn de regels ook opgesteld voor het toelaten van activiteiten in de buurt van geurgevoelige gebouwen en locaties.
Beoordeling Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich diverse voorzieningen en bedrijven, waaronder maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleinschalige bedrijvigheid. Deze functies liggen op korte afstand van het plangebied. Gelet op de aard van de omliggende functies, de bestaande situatie en de onderlinge afstanden wordt geconcludeerd dat de nieuwe functie geen significante belemmeringen veroorzaakt voor de bestaande functies in de omgeving. Evenmin is aannemelijk dat de nieuwe functie onevenredige hinder zal ondervinden van geur afkomstig van omliggende activiteiten.
Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.10. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Paragraaf 5.1.5 van het Bkl bevat regels met het oog op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden zijn een element van omgevingskwaliteit en het beschermen van die waarden is in artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet opgenomen als één van de oogmerken die van belang kan zijn bij de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet. De invulling hiervan wordt grotendeels overgelaten aan gemeenten en provincies. Op rijksniveau worden er onder meer regels gesteld over de kust, over de Waddenzee en het Waddengebied, over het zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand (de ladder voor duurzame verstedelijking) en over cultureel erfgoed. De ontwikkeling is niet in of nabij de kust, de Waddenzee of het Waddengebied gelegen, waardoor die instructieregels niet van toepassing zijn. De laatste twee onderwerpen, de laddertoets en cultureel erfgoed, komen in de volgende paragrafen aan bod.
34
Onderbouwing BOPA - Amersfoort, Van Ghentstraat, Van Nesstraat en Van Galenstraat
4.11.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Wettelijk kader Het nationale beleid vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Artikel 5.129g van het Bkl geeft aan dat als een ontwikkeling voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, rekening moet worden gehouden met: a. De behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Dit geldt voor een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
Beoordeling Allereerst moet beoordeeld worden of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit jurisprudentie blijkt dat er in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanaf de realisatie van 12 woningen. Onderhavig initiatief betreft de bouw van 202 woningen, waardoor het doorlopen van de laddertoets noodzakelijk is. Om de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling te onderzoeken kan worden gekeken naar de beschreven woningbehoefte in het gemeentelijke woonbeleid. De gemeente Amersfoort heeft de ambitie om tot 2030 gemiddeld circa 1.000 woningen per jaar toe te voegen. Daarbij ligt een sterke focus op betaalbaarheid voor lage en middeninkomens. Voorgenomen plan sluit aan bij de beschreven behoefte naar woningen voor bepaalde doelgroepen. Er worden met voorgenomen ontwikkeling 98 woningen gesloopt waarvoor 202 nieuwe woningen worden terug gebouwd. Binnen projecten geldt dat minimaal 35% van het programma uit sociale huurwoningen bestaat. Van deze sociale huurwoningen dient minimaal 75% te worden verhuurd tot de eerste aftoppingsgrens. Daarnaast geldt als kwaliteitsborging dat sociale huurwoningen een minimale gebruiksoppervlakte van 40 m² hebben. De woningen in onderhavig initiatief vallen onder het sociale huursegment en het middenhuursegment.
De omgeving van het plangebied wordt dominant gekenmerkt door woningen, daarmee is het initiatief een logische toevoeging in de omgeving. Tevens wordt de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving verbeterd, waarbij er een centraal collectief hart als buitenruimte wordt gerealiseerd en openbare
ruimte voor ontwikkeling
35
ruimte natuurinclusief en klimaatadaptief wordt ingericht. Hieruit volgt dat het plan van toegevoegde waarde is voor de omgeving. Daarnaast is onderhavig initiatief binnen bestaand stedelijk gebied gelegen. Voorliggend plan betreft herontwikkeling van 98 te slopen woningen naar 202 nieuw te bouwen woningen.
Conclusie Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.12.
Cultuurhistorie en archeologie
Wettelijk kader In het Bkl is bepaald dat gemeenten in hun omgevingsplan een beschermingsregime moeten opnemen voor cultureel erfgoed. Hierbij moeten de instructieregels uit paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl in acht worden genomen. Dit gaat onder meer over: •
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
•
verplaatsing van beschermde monumenten;
•
gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
•
aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
•
aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; en
•
conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Tot dat de gemeentes regels over cultureel erfgoed in het omgevingsplan hebben opgenomen, geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit bestaat uit de geldende ruimtelijke regelingen zoals bestemmingsplannen, de gemeentelijke erfgoedverordening en de regels die van rijkswege zijn opgenomen in het omgevingsplan, ook wel de Bruidsschat genoemd.
Beoordeling cultuurhistorie De panden kennen geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en zijn niet aangemerkt als beeldbepalende panden in het geldende omgevingsplan. Ook is de planlocatie niet gelegen in een cultuurhistorisch waardevol gebied of waardevolle structuur. Geconcludeerd kan worden dat met het plan geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren.
Wettelijk kader Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal).
36
Onderbouwing BOPA - Amersfoort, Van Ghentstraat, Van Nesstraat en Van Galenstraat
De gemeente Amersfoort in paragraaf 4.2.1 Archeologische waarden regels opgenomen die van toepassing zijn.
Beoordeling archeologie Artikel 4.4. Verguningsplicht stelt dat in het werkingsgebied Archeologie 3 een omgevingsvergunning verplicht is voor grondwerkzaamheden die dieper zijn dan 30 cm of voor ophogingen van meer dan 30 cm, wanneer het betreffende gebied groter is dan 500 m². Artikel 4.5 Aanvraagvereisten bepaalt dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning volgens artikel 4.4 een door het college goedgekeurd archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend, waaruit blijkt dat de archeologische waarden van de grond voldoende zijn vastgesteld. Bij proefsleuvenonderzoek of opgraving moet vooraf een goedgekeurd archeologisch programma van eisen worden aangeleverd, het archeologisch onderzoek kan pas starten nadat het college een goedgekeurd archeologisch plan van aanpak heeft ontvangen. De projectlocatie ligt in het werkingsgebied ‘Archeologie 3’. Door bureau voor archeologie is er een bureauonderzoek en verkennend boordonderzoek uitgevoerd, dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 6. Uit dit onderzoek bleek dat er in het plangebied vermoedelijk sporen van historische wegen en een loopgraaf uit de Tweede Wereldoorlog liggen (deze zijn aangegeven op figuur 36 achter in het rapport). Bureau voor Archeologie adviseert ter hoogte van de historische wegen niet dieper te graven dan 60 cm -mv en ter hoogte van de loopgraaf niet dieper dan 80 cm -mv.
Indien dit niet mogelijk wordt geadviseerd een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. De werkwijze van het proefsleuvenonderzoek is vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed gekeurd Programma van Eisen (PvE). De sleuven zullen waarschijnlijk grotendeels in achtertuinen moeten worden aangelegd. Bureau voor Archeologie adviseert de rest van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Door Raap is een programma van eisen voor het archeologisch proefsleuvenonderzoek opgesteld. Dit PvE is bijgevoegd aan deze onderbouwing als bijlage 7.
Conclusie In de uitvoeringsfase zal, na sloop van de bestaande bebouwing en voorafgaand aan de werkzaamheden, nader archeologisch onderzoek worden uitgevoerd conform het opgestelde Programma van Eisen. Dit Programma van Eisen is goedgekeurd door het bevoegd gezag. Hiermee wordt geborgd dat eventuele archeologische waarden zorgvuldig worden onderzocht.
ruimte voor ontwikkeling
37
4.13. Ruimte voor toekomstige functies, infrastructuur en openbare buitenruimte Wettelijk kader Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist in bepaalde gevallen dat gebieden worden vrijgehouden voor toekomstige ontwikkelingen die alleen op bepaalde locaties kunnen plaatsvinden. Zo kan uitbreiding van een infrastructuurnetwerk meestal beter – en goedkoper – gebeuren op de locatie waar dat netwerk al aanwezig is. Tegelijkertijd is op veel van die locaties sprake van een vrij grote ontwikkeldruk. Daarom wordt in paragraaf 5.1.6 van het Bkl in navolging van het voormalig Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een aantal reserveringsgebieden aangewezen. Het gaat om gebiedsreserveringen voor de lange termijn voor de grote rivieren, gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen, gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimte voor de Parallelle Kaagbaan en de reservering van de Tweede Maasvlakte voor deep sea gebonden activiteiten.
In paragraaf 5.1.7 van het Bkl wordt geregeld dat ontwikkelingen geen belemmering mogen vormen voor militaire terreinen en objecten, oefen- en schietgebieden, militaire zend- en ontvangstinstallaties, laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen, militair radarbeeld, elektriciteitsopwekking, kernenergiecentrales, hoogspanningsverbindingen, rijksvaarwegen, scheepvaart, communicatie-, navigatie- en radarapparatuur burgerluchtvaart en landelijke fiets- en wandelroutes. Tot slot moet conform paragraaf 5.1.8 van het Bkl rekening gehouden worden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
Beoordeling en conclusie Het plangebied is niet gelegen in een gebied zoals bedoeld in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl. Er is vanuit dit aspect dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. In het plangebied is openbare ruimte aanwezig. In het plan wordt rekening gehouden met de toegankelijkheid voor personen met een functiebeperking.
4.14.
Flora en fauna
Wettelijk kader Er moet ten allen tijde rekening gehouden worden met de flora en fauna om de natuur te beschermen. In artikel 5.1 van de Omgevingswet wordt geregeld dat er een omgevingsvergunning nodig is voor Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Een flora- en fauna-activiteit wordt omschreven als een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Daarnaast bevat ook de provincie regels voor het beschermen van flora en fauna. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming.
38
Onderbouwing BOPA - Amersfoort, Van Ghentstraat, Van Nesstraat en Van Galenstraat
Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. Het gaat om soorten van nationaal belang en soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijnen vallen. Voor de soortenbescherming gelden rijksregels. De provincies zijn echter verantwoordelijk voor de soortenbescherming. Door de brede formulering van een ‘flora- en faunaactiviteit’ is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving vrijwel altijd nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn, om te onderzoeken of de activiteit mogelijk gevolgen heeft voor beschermde soorten.
Gebiedsbescherming Er zijn verschillende gebieden met belangrijke waarde voor flora en fauna: Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en andere bijzondere gebieden en landschappen. De Natura 2000gebieden worden op Europees niveau beschermd en de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de Omgevingswet. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk dat door de provincies is aangewezen. Bijna alle Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Een Natura 2000-activiteit kan zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden, want een activiteit buiten een Natura 2000-gebied kan ook van invloed zijn op het gebied. Voor de bescherming van NNN gelden voornamelijk provinciale regels.
Stikstofdepositie Veel Natura 2000-gebieden bevatten stikstofgevoelige habitattypen. Toename van de stikstofdepositie op het gebied betekent een verslechtering van de habitattypen. Om die reden moet vooraf onderzocht worden of de betreffende activiteit niet leidt tot onevenredige toename van stikstofdepositie op beschermde stikstofgevoelige gebieden. Met de AERIUS calculator kan berekend worden of er bij het uitvoeren van een activiteit sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Hierbij dient zowel de gebruikersfase als de realisatiefase doorgerekend te worden. Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn, is er geen belemmering voor een plan op het gebied van stikstofdepositie.
Zorgplicht Ten tijde van de uitvoering van werkzaamheden geldt ten allen tijde de zorgplicht (artikel 11.6 en 11.27 Bal). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna en Natura 2000-gebieden zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Concreet betekent dit dat iemand die een activiteit wil verrichten op een plek, eerst moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat de beschermde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen.
Beoordeling De voorgenomen activiteit betreft een flora- en fauna-activiteit, waardoor een quickscan flora en fauna is uitgevoerd om na te gaan of de ontwikkeling leidt tot significante negatieve gevolgen op
ruimte voor ontwikkeling
39
beschermde flora en fauna (bijlage 8). Uit de quickscan kwam naar voren dat er nader onderzoek nodig is naar steenmarter, ransuil, huismus, gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen. Nader onderzoek naar ecologie is uitgevoerd (bijlage 9). Hieruit kan geconcludeerd worden dat er in het plangebied nesten van huismussen en gierzwaluwen zijn aangetroffen. De oostelijke en zuidelijke groenstrook aan de rand van het plangebied is grotendeels aangemerkt als essentieel groenelement voor huismus. Daarnaast zijn er in het plangebied zomerverblijfplaatsen en paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Voor de beoogde ingrepen in het plangebied aan de Van Nesstraat en Van Ghentstraat te Amersfoort zijn er voor huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis negatieve effecten vastgesteld. Voor de nesten van huismus en gierzwaluw en de verblijfplaatsen gewone dwergvleermuis is een omgevingsvergunning (bijlage 10) verleend. Voor andere beschermde soorten zijn geen consequenties in het kader van de Omgevingswet te verwachten. Om te beoordelen wat de effecten op Natura 2000-gebieden zijn, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator (bijlage 11). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Arkemheen en ligt op circa 7,4 kilometer afstand van het plangebied.
Uit de analyse blijkt dat de NOX uitstoot in de toekomstige gebruiksfase 101,5 kg per jaar en in de aanlegfase 256,5 kg per jaar bedraagt. De berekening met de AERIUS Calculator laat zien dat in gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Ook voor de aanlegfase is er geen depositie berekend. Er zijn namelijk geen rekenresultaten, hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.15.
Duurzaamheid
Duurzame leefomgeving Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie.
Klimaatbestendigheid Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan
40
Onderbouwing BOPA - Amersfoort, Van Ghentstraat, Van Nesstraat en Van Galenstraat
rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.
Energietransitie Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld. Dit kan bijvoorbeeld op de volgende wijzen: •
de woningen zullen voldoen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving ten aanzien van de energieprestatie;
•
de woningen worden 'aardgasvrij' gebouwd.
Beoordeling en conclusie De woningen worden volledig gasloos en goed geïsoleerd gerealiseerd.
4.16.
Parkeren en verkeer
Parkeren auto Op basis van de Beleidsregels Parkeernormen Amersfoort kan inzicht worden verkregen in de nieuwe parkeersituatie. In onderstaande tabel is per functie berekend hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn. Hieruit blijkt dat er minimaal 99 parkeerplekken vereist zijn. Het aantal te realiseren parkeerplekken in het plangebied betreft 101 parkeerplekken. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm.
Berekening aantal parkeerplaatsen volgens parkeernorm (bron: bijlage 2. Studie Moke architecten)
ruimte voor ontwikkeling
41
Parkeren fiets Bij de entrees van de gebouwen worden in totaal 66 fietsparkeerplaatsen voor bezoekers gerealiseerd. Aantallen zijn bepaald conform Beleidsregels Parkeernormen Amersfoort. In bijlage 2 Studie Moke architecten is op pagina 81 gespecificeerd hoeveel fietsparkeerplaatsen er in de fietsenstalling voor bewoners benodigd zijn. Hierbij wordt voldaan aan de Amersfoortse bouwbrief.
Verkeer In de gewenste situatie is de verkeersgeneratie te bepalen aan de hand van kencijfers van de CROWpublicatie 744 ‘Parkeerkencijfers 2024, basis voor parkeernormering’. Voor woningen in een sterk stedelijk gebied, schil gelden onderstaande maximale kencijfers (mvt/etmaal per woning). • • • • •
80 m² gbo (vrije sector): 2 woningen × 3,3 mvt/etmaal = 6,6 mvt/etmaal Sociale huurwoning > 80 m² gbo: 8 woningen × 3,0 mvt/etmaal = 24,0 mvt/etmaal 55 – 80 m² gbo (vrije sector): 41 woningen × 3,0 mvt/etmaal = 123,0 mvt/etmaal Sociale huurwoning 55 – 80 m² gbo: 74 woningen × 2,9 mvt/etmaal = 214,6 mvt/etmaal Sociale huurwoning < 55 m² gbo: 77 woningen × 2,9 mvt/etmaal = 223,3 mvt/etmaal
De totale maximale verkeersaantrekkende werking in de beoogde situatie bedraagt daarmee 591,5 mvt/etmaal.
Conclusie Daar de parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd worden, vormt het aspect parkeren geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De verkeersbewegingen nemen met onderhavig initiatief toe met maximaal 591,5 mvt/etmaal. Gezien de ligging, huidige verkeersgeneratie van de bestaande woningen en de verkeerssituatie ter hoogte van het plangebied wordt aangenomen dat dit niet tot problemen leidt met de verkeersafwikkeling in het plangebied.
4.17.
Kabels en leidingen
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: •
gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
•
aardgasleidingen afhankelijk van druk;
•
defensiebrandstoffen;
•
warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.
Uit het geldende omgevingsplan is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.
42
Onderbouwing BOPA - Amersfoort, Van Ghentstraat, Van Nesstraat en Van Galenstraat
Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.
4.18.
Milieueffectrapportage
Wettelijk kader De wet- en regelgeving omtrent de m.e.r. is geen puur nationale aangelegenheid. De verplichting om in bepaalde gevallen een soort m.e.r. op te stellen volgt uit het Europese recht, te weten de m.e.r.-richtlijn en de Europese richtlijn voor Strategische Milieubeoordeling (hierna: SMB-richtlijn). De m.e.r.-regelgeving wordt onder de Omgevingswet geïmplementeerd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Aangezien de regelgeving moet blijven voldoen aan de Europese richtlijnen verandert er relatief weinig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit in 1 lijst zijn zowel de mer-plichtige als de merbeoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten.
Beoordeling Voorliggende ontwikkeling kan gezien worden als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (J.11 uit bijlage V Ob), waardoor beoordeeld moet worden of er sprake zal zijn van aanzienlijke milieueffecten. Bij deze beoordeling is rekening gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect). Er is een aanmeldnotitie opgesteld (bijlage 12).
Conclusie Er zijn geen nadelige aanzienlijke milieueffecten te verwachten. Met een MER-beoordelingsbesluit is het niet noodzakelijk om een uitgebreide MER-rapportage op te stellen.
ruimte voor ontwikkeling
43
5.
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1.
Economische uitvoerbaarheid
De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Omgevingswet. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. Plankosten worden via de anterieure overeenkomst geregeld. Voor wat betreft nadeelcompensatie zal de gemeente met initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht.
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1. Participatie De gemeenteraad van Amersfoort heeft bij besluit van 22 februari 2022 activiteiten aangewezen waarbij participatie van en overleg met derden verplicht is voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een BOPA kan worden ingediend (artikel 16.55, zevende lid van de Ow). De ontwikkeling heeft wel betrekking op een van deze activiteiten. De gemeente heeft een participatiegids opgesteld, daarmee weten initiatiefnemers wat ze moeten doen en belanghebbenden wat ze kunnen verwachten. Concept ontwerp De Alliantie heeft samen met de gemeente Amersfoort meerdere participatiebijeenkomsten gehouden. Op 16 juni 2025 is het concept uitwerkingsplan met het aangepaste stedenbouwkundige plan gepresenteerd. Het doel van deze bijeenkomst was het raadplegen van de bewoners, omwonenden en andere geïnteresseerden. Dat betekent dat belanghebbenden kunnen vertellen wat zij vinden van het ontwerp en ervaringen kunnen delen. Er zijn in totaal zo’n 330 bewoners en omwonenden uitgenodigd per brief. Via de projectwebsite werden overige geïnteresseerden ook uitgenodigd om langs te komen. Belangrijke stakeholders uit de directe omgeving werden ook uitgenodigd. Uiteindelijk waren er zo’n 40 geïnteresseerden bij deze bijeenkomst, voornamelijk omwonenden. Bezoekers gaven aan dat ze het Concept Uitwerkingsplan er goed uit vinden zien.
De uitstraling van de gebouwen werd positief ontvangen. Een aantal omwonenden maakt zich zorgen om bezonning en privacy van hun huis/tuin door de nieuwbouw. Ook kon men het met de landschap ontwerpers hebben over de uitstraling van het groene middengebied. Daarvoor waren diverse ideeën (strakke lijnen of juist meer organische vormen in de inrichting) waar de bezoekers ook ideeën over hadden. Bankjes voor ontmoeting, een kleine speelplek of moestuin werden geopperd voor de verdere invulling. Sommige bezoekers waren geïnteresseerd om hier in de toekomst wellicht te komen wonen en hadden vragen over wat voor type woningen er komen en wat de huurprijzen zullen zijn. Ook een belangrijk gespreksonderwerp was het parkeren en verkeer in de wijk, mede in relatie tot het vergunning parkeren wat binnenkort wordt ingevoerd in Amersfoort. Ook werd er gesproken over de éénrichtingsverkeer ideeën voor de Van Galenstraat; deze werden door sommige mensen omarmd en door anderen niet. Concept definitief ontwerp
44
Onderbouwing BOPA - Amersfoort, Van Ghentstraat, Van Nesstraat en Van Galenstraat
Op 1 december 2025 konden bezoekers het concept definitief ontwerp voor de nieuwbouw bekijken. Er waren zo’n 30 geïnteresseerden bij deze bijeenkomst, voornamelijk omwonenden. In deze uitwerkingsslag hebben zij de nieuwbouw verder uitgewerkt, onder andere op het gebied van materiaalkeuzes. Ook het landschapsontwerp van Loos van Vliet was verder uitgewerkt, waarbij de organische vormen in het landschap zichtbaar zijn gemaakt. Tevens kon men zien wat er is veranderd ten opzichte van de voorgaande participatiemomenten. Bezoekers gaven aan dat ze het concept Definitief Ontwerp mooi vinden. De kleurstellingen en materialen werden positief ontvangen. Ook het ontwerp van de openbare ruimte werd positief ontvangen. Wel werd nog benoemd dat het van belang is om na te gaan waar de vuilcontainers worden geplaatst, mede in relatie tot bestaande vuilcontainers in de wijk. Omwonenden stelden vooral vragen en uitten enkele zorgen over de plannen. Ze wilden duidelijkheid over het aantal woningen, de huurprijzen en hoe de toewijzing zal verlopen, waarbij sommigen aangaven een voorkeur te hebben voor een evenwichtige mix van bewoners van verschillende leeftijden. Daarnaast waren er vragen over verkeer en parkeren, zoals het wel of niet invoeren van eenrichtingsverkeer en het gebruik van parkeerplaatsen door niet-bewoners.
Ook leefden er zorgen over de bouwfase: omwonenden vroegen aandacht voor het hergebruik van groen, de veiligheid van kinderen in verband met bouwverkeer en mogelijke schade aan omliggende woningen door de werkzaamheden.
5.2.2. Procedure De raad beschikt over adviesrecht, zoals vastgesteld op 22 februari 2022. De gemeente Amersfoort heeft een beleidsregel opgesteld waarin onder artikel 2 wordt aangegeven welke gevallen als uitgebreide procedure worden aangemerkt. Gezien de omvang van het voorliggende initiatief, wordt dit project behandeld als een uitgebreide omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De ontwerpvergunning wordt ter inzage gelegd, waarna voor een periode van 6 weken het voor eenieder mogelijk is een zienswijze in te dienen.
ruimte voor ontwikkeling
45
Eindconclusie In deze onderbouwing is gemotiveerd dat de ontwikkeling van 202 woningen in lijn is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast blijkt uit deze onderbouwing dat voldaan wordt aan de instructieregels van het Rijk en de provincie. Om dit te beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving aspecten (voor zover relevant) nader onderzocht en afgewogen. Voorts past het initiatief binnen het beleid van de gemeente Amersfoort en voorziet het initiatief in de vraag naar woningen waarmee het een bijdrage levert aan de woningmarkt. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.
46
Onderbouwing BOPA - Amersfoort, Van Ghentstraat, Van Nesstraat en Van Galenstraat
ruimte voor ontwikkeling
47