CConstaterende datAmersfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Goede onderbouwing voor de fysieke leefomgeving (GoFlo) Hogeweg 261

Raadsvergadering 22 april 2026, gemeente AmersfoortBij agendapunt: Bindend advies gemeenteraad omgevingsvergunning Hogeweg 26114.587 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van: • • •

aanwezige dier- en plantensoorten; typen natuurlijke habitats; leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.

Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten in het wild, kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:

• •

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are. Planspecifiek Voorafgaand aan het plan is er al een vergunning verleend voor het kappen van 76 bomen en het slopen van het gebouw. Voor beide vergunningen was een flora en fauna onderzoek nodig. Op 10 februari 2025 is een ecologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 8.8.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden en NNN Mede in verband met de ligging van de projectlocatie ten opzichte van Natura 2000gebieden en de schaal en aard van de werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden door interne of externe factoren. Een uitzondering op het voorgaande betreft echter stikstofdeposities. Er is geen noodzaak tot het nemen van maatregelen in het kader van de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden. De projectlocatie is niet gelegen binnen Natuurnetwerk Nederland waardoor geen verdere maatregelen nodig zijn. Soortenbescherming Quickscan Op basis van het verkennend onderzoek is niet uit te sluiten dat kleine marterachtigen, haas of konijn rust- of verblijfplaatsen bezetten binnen de projectlocatie. De ontwikkeling leidt mogelijk tot nadelige gevolgen op voorgaand genoemde soorten. Er zijn in het kader van de Ow geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling wat betreft overige soorten, mits maatregelen worden genomen, mede in het kader van de algemene en specifieke zorgplicht. Aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen, haas of konijn is noodzakelijk.

Aanvullend onderzoek Uit het vervolgonderzoek (zie bijlage 8.9) blijkt voor de kleine marterachtige het volgende: •

•

De zuidgrens van de projectlocatie met boomsingel en verruiging biedt een geschikt verbindend element in het landschap en kan in gebruik genomen worden als foerageergebied. Op deze plek zijn vaste rust- en verblijfplaatsen tevens niet uit te sluiten. Werkzaamheden met betrekking tot het realiseren van een doorsteek voor een wandelpad leiden mogelijk tot het opheffen van vaste rust- of verblijfplaatsen en het verdwijnen van een klein deel van het leefgebied van deze soorten. Overige delen binnen de projectlocatie voorzien niet in essentieel leefgebied of vaste rust- of verblijfplaatsen.

Voor de haas en konijn blijkt het volgende: •

Er zijn geen hazen of konijnen vastgesteld binnen het onderzoek binnen de projectlocatie. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat hazen of konijnen essentieel leefgebied of rust- of verblijfplaatsen bezetten binnen de projectlocatie. Echter, het incidenteel voorkomen van de soorten is niet uit te sluiten.

De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling resulteert mogelijk in het opheffen van vaste rust- en verblijfplaatsen van de bunzing, wezel of hermelijn en het opheffen van een klein deel van het leefgebied van deze soorten. De ontwikkeling zal door het nemen van maatregelen geen wezenlijke invloed hebben op de instandhouding van de soorten. Echter, het aanvragen van een omgevingsvergunning blijft van toepassing. Er dient een activiteitenplan te worden opgesteld als ondersteuning bij de vergunningsaanvraag waarin maatregelen worden opgenomen. Maatregelen bestaan onder andere uit: • •

Het realiseren van permanent, alternatief leefgebied voor de bunzing, wezel en hermelijn; Het werken buiten kwetsbare periodes van de bunzing, wezel en hermelijn.

De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling resulteert niet in het opheffen van essentieel leefgebied of rust- of verblijfplaatsen van hazen of konijnen. Het incidenteel voorkomen van deze soorten binnen de projectlocatie is echter niet uit te sluiten. In het kader van de specifieke zorgplicht wordt geadviseerd maatregelen te nemen. Houtopstanden Uit de Quickscan blijkt dat er in het kader van de Omgevingswet geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling wat betreft beschermde houtopstanden. Er is geen noodzaak tot het nemen van maatregelen in het kader van de specifieke zorgplicht voor houtopstanden. Stikstofdepositie

Als onderhavig planvoornemen negatieve effecten veroorzaakt op stikstofgevoelige habitattypen en soorten in een Natura 2000-gebied als gevolg van stikstof of andere effecten (conform artikel 2.7 en 2.8 van de Wet natuurbescherming), is een passende beoordeling en een natuurvergunning nodig. Met een voortoets moet bepaald worden of er negatieve effecten te verwachten zijn, of dat dit op voorhang kan worden uitgesloten (wanneer er dus ook geen natuurvergunning nodig is). Initiatiefnemers van bouwplannen tot 40 grondgebonden woningen of 50 appartementen hoeven geen onderbouwing te leveren voor het aspect stikstofneerslag. De gemeente Amersfoort heeft volgens de methode van de voortoets al onderzoek laten uitvoeren waaruit blijkt dat er geen negatieve effecten zijn. Ten behoeve van dit plan is een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie bijlage 8.3). Hieruit blijkt dat zowel tijdens de bouw- als ook gebruiksfase van de 11 woningen en 5 bedrijfsunits aan de Hogeweg 261 te Amersfoort niet meer bedraagt dan 0,00 mol N/ha/jaar. Significante effecten zijn niet te verwachten. Er geldt voor het project geen vergunningplicht in het kader van de Omgevingswet. Stikstofdepositie vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.6 Luchtkwaliteit De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3 . Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl. 2. Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen. Planspecifiek De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl.

Het beoogde plan heeft een dermate geringe omvang, dat geen overschrijding van grenswaarden kan optreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Geluid De regels voor geluid zijn opgenomen in het omgevingsplan van Amersfoort (bruidsschatregels) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (Artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: • • • • •

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; gebouw voor kinderopvang met bedden; bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Het beschermen van deze geluidsgevoelige gebouwen gebeurt aan de hand van vastgestelde geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen. Planspecifiek Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek in verband met geluid van wegen en spoorwegen uitgevoerd (zie bijlage 8.1 van deze onderbouwing). Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er twee woningen zijn waarbij een geluidsbelasting boven de 52 dB wordt verwacht. Dit is op de noordgevel van de meest noordelijk en noordwestelijk gelegen bouwblokken. Nergens in de ontwikkeling wordt de grenswaarde voor geluid overschreden. Voor de twee woningen met een belasting boven de 53 dB kan aan de zuidzijde een geluidsluwe gevel worden gerealiseerd, waardoor voldaan wordt aan het concept-geluidbeleid van de gemeente Amersfoort. Hiervoor wordt in de voorliggende omgevingsvergunning een voorwaarde opgenomen dat deze woningen worden uitgevoerd met een dove gevel en wordt het gezamenlijke geluid vastgelegd. Het gecumuleerde geluid overschrijdt nergens de maximale toegestane waarde van het geluidbeleid.

Het is mogelijk dat het bedrijf Multipark (Koedijkerweg 5), de bedrijvenunits op het perceel aan de Koedijkerweg 3, en het perceel van het voormalige bedrijf Boshuizen (Hogeweg 230) beperkingen ondervinden door de beoogde ontwikkeling. Daarom is ook het geluid ten aanzien van deze omliggende bedrijven onderzocht (zie bijlage 8.2 van deze onderbouwing). Ook is onderzocht of de nieuwe bedrijfsunits geluidsoverlast op de nieuwe woningen kunnen hebben. De invulling van de bedrijfsunits is nog niet bekend.

Wel is bekend dat in de bedrijvenunits activiteiten tot ten hoogste milieucategorie 2 (volgens VNG-brochure) worden toegestaan.

Afbeelding 12: Luchtfoto van de onderzochte locatie en omgeving met omliggende bedrijvigheid (bron: akoestisch onderzoek Aldeco, zie bijlage 8.2)

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ten aanzien van het Multipark, de Koekdijkerweg 3 als ook Boshuizen de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus aan de grenswaarden uit de Bruidsschat voldoen aan de grenswaarden uit de Bruidschat en richtwaarden voor de beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ook voor de nieuwe bedrijfsunits geldt dat, als het geluid van de drie bedrijfskavels gecumuleerd wordt, bij alle nieuwe woningen aan de 50dB(A)-etmaalwaarde wordt voldaan. Bij een geluidwering van de gevels van 22 dB van de nieuwe woningen, bedraagt het binnenniveau in de woningen ten hoogste 55 dB(A) vanwege de piekgeluiden. Met de hedendaagse bouwtechnieken wordt een geluidwering van 22 dB zonder meer bereikt. Daarnaast kan worden meegewogen dat gelijkwaardige piekgeluiden zullen optreden vanwege de activiteiten op het eigen terrein. Hiermee is het woon- en leefklimaat in de woningen voldoende geborgd en is voor de maximale geluidniveaus ter plaatse van de nieuwe woningen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.8 Geur Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. In artikel 5.91 Bkl is opgenomen wat geurgevoelige gebouwen zijn. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. In beginsel stelt de gemeente in het omgevingsplan regels voor geur om te zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan.

Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan dan gelden de regels uit de Bruidsschat. Voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. De gemeente stelt in aanvulling hierop waar nodig 1 of meer bebouwingscontouren geur vast waaraan een beschermingsniveau gekoppeld is. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke regels ze stelt. Tevens kan de gemeente omgevingswaarden voor geur opnemen in het omgevingsplan. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling betreft geen geurveroorzakende activiteit. Bovendien zijn er geen in de nabije omgeving van het plangebied geen (agrarisch) bedrijven gelegen die een belemmering zouden kunnen vormen voor de beoogde woningen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief.

4.9 Omgevingsveiligheid Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan. Of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Waar onder het oude recht de regels over externe veiligheid verspreid waren, waaronder in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), zijn de belangrijksteregels over externe veiligheid onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Kwetsbare gebouwen en locaties Om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s, gaat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in op drie categorieën waar afstanden voor kunnen gelden: ‘beperkt kwetsbare gebouwen en locaties’, ‘kwetsbare gebouwen en locaties’ en ‘zeer kwetsbare gebouwen’. Beperkt kwetsbaar zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen, bij kwetsbaar gaat het hierbij om meer dan 50 personen. Onder kwetsbare gebouwen vallen gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing), kantoren en sportgebouwen.

De categorie zeer kwetsbaar is nieuw en hieronder vallen gebouwen die groepen mensen bevatten die niet of slecht zelfredzaam zijn. Deze vielen voorheen onder de categorie kwetsbaar en bevatten onder meer onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. Aandachtsgebieden De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het geval was. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt het Besluit

kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Deze maatregelen dienen te geschieden met voorschriftengebieden. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn.

In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Plaatsgebonden risico Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er geen inhoudelijke wijzigingen voor het plaatsgebonden risico. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR(plaatsgebonden risico)-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, zoals verspreid liggende woningen en kleine sportlocaties, geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. Hiermee moet in het omgevingsplan ‘rekening gehouden worden’. Dit houdt in dat aan de norm van ten hoogste één op de miljoen per jaar moet worden voldaan, tenzij er redenen zijn om af te wijken. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn.

Seveso-inrichtingen De milieubelastende activiteit Seveso-inrichting wordt in paragraaf 3.3.1 van het Bal aangewezen. Deze activiteit kan schadelijk zijn voor het milieu. Er zijn vooral nadelige gevolgen voor de omgevingsveiligheid vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Bij een Seveso-inrichting gaat het om een bedrijf waar een gevaarlijke stof aanwezig is of

mag zijn, of kan ontstaan bij verlies van controle over de processen. In bijlage VII van het Bkl staan de afstanden voor het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Onderdeel E6 gaat in op Sevesoinrichtingen. Daar staat dat beide afstanden moeten berekend worden. Vervoer gevaarlijke stoffen Er geldt verschillende nationale en internationale wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit zorgt ervoor dat de kans op een ongeval en het vrijkomen van deze stoffen zo klein mogelijk is. Er bestaat wet- en regelgeving voor vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, oftewel het Basisnet. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven buiten de Omgevingswet bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Alle artikelen over de ruimtelijke ordening gaan over naar de Omgevingsregeling. In bijlage VII onder C bij het Bkl zijn de afstanden voor de aandachtsgebieden voor het Basisnet: • •

30 meter voor een brandaandachtsgebied 200 meter voor een explosieaandachtsgebied

De Omgevingsregeling (artikel 2.23 Invoeringsregeling Omgevingswet) wijst wegen en spoorwegen aan die een aandachtsgebied hebben. Welke wegen en spoorwegen dit zijn, staat in de Regeling basisnet, tabellen I en II. Voor deze wegen en spoorwegen gelden dan de eerdergenoemde aandachtsgebieden. Planspecifiek Het plangebied ligt aan de Hogeweg te Amersfoort binnen het explosie,- en gifwolkaandachtsgebied van het doorgaande spoor richting Deventer waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het risico van dit transport legt echter geen beperkingen op voor de realisatie van de plannen. De ontwikkeling draagt niet of slechts zeer beperkt bij aan de hoogte van het groepsrisico. Aanvullende maatregelen worden niet nodig geacht. De aanbeveling is om het plan voor advies voor te leggen aan de Veiligheidsregio Utrecht.

4.10 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal).

Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen. Planspecifiek Archeologie Het omgevingsplan gemeente Amersfoort bevat nog geen specifieke regels voor archeologie en cultuurhistorie ter plaatse van de Hogeweg 261. Hierom wordt teruggevallen op de regels uit de bruidsschat (Hoofdstuk 22 uit het Omgevingsplan) en het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voor de locatie Hogeweg 261 bestaat het tijdelijk deel van het omgevingsplan uit het bestemmingsplan ‘Woon-werkzone Bloeidaal’ en ‘Partiële herziening Veegplan B – Archeologie’.

Hierbinnen is bepaald dat plaatse van de Hogeweg 261 de ‘Waarde - Archeologie 3’ geldt, waarbij het verboden is om zonder of in afwijking van een vergunning grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 cm en met een oppervlakte van meer dan 500m2 uit te voeren. De onderzoeksplicht voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek wordt doorgezet naar de individuele omgevingsvergunning voor het bouwen. Hoe dan ook geldt op en in de gronden met deze dubbelbestemming slechts mag worden gebouwd overeenkomstig de regels van die bestemming(en) en mits de aanvrager van een omgevingsvergunning een archeologisch onderzoeksrapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden, die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld. Cultuurhistorie Binnen het plangebied of in de directe omgeving zijn geen monumenten aanwezig. In het plangebied of in de omgeving zijn daarnaast geen cultuurhistorische waarden aanwezig die aangetast worden door de beoogde ontwikkeling.

4.11 Bodem Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve

omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd: •

•

Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw; Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Planspecifiek In het Bkl wordt in 5.89i gesteld dat een omgevingsplan waarden dient te bevatten waarin de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw is genoteerd. Om te toetsen of wordt voldaan aan deze bodemkwaliteit dient bij een functiewijziging naar een gevoelig gebruik (zoals wonen) een bodembeoordeling plaats te vinden. In het kader van voorliggend plan heeft ZVS Milieu daarom in januari 2025 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 8.6). Verkennend onderzoek Uit het onderzoek blijkt dat met het oog op de voorgenomen ontwikkeling van het perceel is deze al eens in 2019 verkennend en nader onderzocht. Onderhavig onderzoek betreft een actualisatie. Het terrein is inmiddels braakliggend. Gedurende het onderzoek in 2019 werd in de bovengrond lokaal kolengruis of koolas aangetroffen. In de huidige boringen ter plaatse van deze waarnemingen is een dergelijke bijmenging niet meer bevestigd. Wel is op een ander meetpunt (boring 216) op het perceel in de bovengrond zwak kolen als bijmenging aangetroffen.

In dit analysemonster zijn in tegenstelling tot voorgaand onderzoek geen matig tot sterke verhogingen vastgesteld. Verder blijkt dat de ondergrond niet verontreinigd is. Het grondwater is licht verontreinigd met molybdeen. Ook molybdeen werd bij het onderzoek van 2019 in het grondwater in deze mate aangetroffen. Dit is naar verwachting een meer regionaal van aard. Met de over het algemeen aangetroffen lichte en lokaal een matige verhoging aan lood in de grond is geen sprake van een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit volgens het Omgevingsplan van de gemeente Amersfoort voor een bodemgevoelig gebouw (i.e. voor

overschrijden van de waarde voor toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m³ bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde). Eventueel grondwerk dient, volgens de Omgevingswet, te worden gemeld onder de milieubelastende activiteit Graven onder de interventiewaarde. Conclusie De bodemkwaliteit is in voldoende mate vastgesteld. De onderzoeksresultaten wijzen uit dat er geen nader onderzoek noodzakelijk is.

4.12 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Omgevingsprogramma Groen-Blauw 2040 Uitgangspunt van het programma Groen-Blauw 2040 (vastgesteld jan. '24) is een groene stad in een groene omgeving die water omarmt. In het omgevingsprogramma zijn duidelijke afspraken vastgesteld hoe groen te behouden en te laten meegroeien. Zo kan Amersfoort een groene en gezonde gemeente zijn en blijven. Planspecifiek In het gebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Milieutechniek ZVS Eemnes (zie bijlage 8.7).

In totaal 19 zijn boringen uitgevoerd tot een diepte van maximaal 3,0m -mv. Op basis van deze gegevens is de bodemsituatie beschouwd. Met de herontwikkeling van het perceel aan de Hogeweg 261 bedraagt het toekomstige verhard oppervlak ca. 4.095 m². De openbare ruimte wordt voorzien van ruimte voor parkeren en groen. Langs de westzijde wordt de bestaande greppel verruimd en voorzien van stuwen om meer waterberging te voorzien. Langs de noordzijde langs de Hogeweg komen twee greppels waarin waterberging mogelijk is. Zuidelijk in de groenzone worden twee wadi’s aangelegd. Ten behoeve van het behoud van de bestaande afwatering worden aan de oostzijde volwaardige greppels gerealiseerd.

Met ca. 4.205 m2 van het verhard oppervlak dient de berging in totaal ca. 245,7m3 te bedragen. De totale beschikbare berging bedraagt ca. 257 m3. Dit is ruim voldoende berging on aan de eis van 60mm te voldoen. Verder wordt een HWA-stelsel gerealiseerd. Vuilwater wordt afgevoerd middels een DWA-stelsel. In de verdere civiele uitwerking dient bepaald te worden welk verhard oppervlak naar welke watergang/greppel/wadi gaat om alle bergingen te benutten. De greppel aan de oostzijde is in de bestaande situatie nog niet geheel aanwezig door de grote verschillen in maaiveldhoogte. In de verdere civiele uitwerking dient hierom goed naar de hoogtes van bestaande en nieuwe keerwanden gekeken te worden om te bepalen waar de nieuwe keerwanden moeten beginnen en eindigen. Conclusie In het inrichtingsplan is rekening gehouden met het realiseren van voldoende waterberging. Uit de beoordeling van de stukken volgt dat het plan de waterbelangen niet schaadt. In de wadi’s en de watergangen kan de benodigde berging worden gerealiseerd om 60mm neerslag te kunnen bergen. De voorzieningen kunnen middels een stuw met geknepen doorlaat geledigd worden. Met de inachtneming van bovengenoemde zijn er vanuit het aspect ‘water’ bezien, geen belemmeringen voor het plan.

4.13 Ontplofbare Oorlogsresten De gemeente Amersfoort heeft voor de gehele gemeente een vooronderzoek laten uitvoeren naar niet gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Om te bepalen of er een risico voor explosieven in of rondom het plangebied bestaat is de kaartlaag 'risicokaart niet gesprongen explosieven' op Amersfoort in Beeld geraadpleegd. Planspecifiek

Afbeelding 13 Locatie Hogeweg 261 in relatie tot ontplofbare oorlogsresten (bron: amersfoort-in-beeld.nl)

Door T&A is in 2019 een Risicoanalyse CE uitgevoerd en gerapporteerd (zie bijlage 8.7 Conventionele Explosieven’. Op basis van de risicokaart van de gemeente Amersfoort (REASeuro - Kenmerk RO-120098 d.d. 31 oktober 2013) ligt de onderzoekslocatie namelijk in een verdacht gebied voor de aanwezigheid van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Het onderzoek heeft geresulteerd in 23 verdachte objecten, circa 1.200 m2 verstoord gebied en circa 3.000 m2 niet ingemeten gebied waar momenteel nog opstal staat. Daarom is nader veldzwerk uitgevoerd om (mogelijk) Concventionele Explosieven te detecteren, te benaderen, te identificeren en tijdelijk veilig te stellen en overdracht aan de EOD. Vervolgens is het opsporingsproces bepaald en zijn de resultaten van het Explosievenonderzoek in het hiervoor genoemde rapport verwerkt. Met de inachtneming van bovengenoemde zijn er vanuit het aspect ‘Ontplofbare oorlogsresten’ bezien, geen belemmeringen voor het plan.

4.14 Trillingen De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wijzen trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten aan. De instructieregels uit het Bkl hebben uitsluitend betrekking op door het Rijk aangewezen trillinggevoelige gebouwen. Dit zijn gebouwen of een gedeelte van een gebouw met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie met bedgebied of een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang

met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Voor andere gebouwen en functies moeten de gemeenten zelf de mate van bescherming tegen trillinghinder bepalen. Uit de taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2 van de Omgevingswet) volgt dat ook voor gebouwen en locaties die niet door het Rijk zijn aangewezen het aspect trillingen in sommige gevallen van belang is. Vaak is een beperkt beschermingsniveau acceptabel en zijn specifieke regels niet nodig. In bepaalde situaties is een motivatie van de bescherming nodig. Hier is bij nieuwbouw een onderzoek naar trilling binnen 100 meter van de bron de norm. Het gaat dan bijvoorbeeld om het toelaten van kantoren of recreatiewoningen. Kantoormedewerkers of recreanten kunnen namelijk hinder ondervinden van trillingen. Behalve het beschermen van gebouwen kan ook het beschermen van bepaalde locaties wenselijk zijn, bijvoorbeeld begraafplaatsen of binnentuinen in parken. Er kan voor het bepalen of er sprake is van onevenredige trillinghinder worden aangesloten bij de door de Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR) opgestelde richtlijn ‘Hinder voor personen in gebouwen 2006’. Deze richtlijn, die grotendeels aansluit bij internationale richtlijnen, gaat in op schade aan gebouwen, op hinder voor personen in gebouwen en op storing aan apparatuur.

Naast aandacht voor de meting van trilling bevat de richtlijn ook een beoordelingssystematiek. In de richtlijn zijn streef-, standaarden grenswaarden voor trillingen opgenomen. Overschrijding van deze waarden leidt tot een reële kans op hinder. De trillingsfrequentie en trillingsintensiteit worden bepaald moet als de trillingsbron in werking is. Daarna kan een beoordeling of toetsing aan de streef-, standaard en grenswaarden plaatsvinden. Achteraf worden de uitkomsten omgerekend om de trillingen te toetsen aan de beoordelingscriteria. Dit gebeurt bijvoorbeeld op het einde van de werkdag of na een referentieperiode. Daarnaast kunnen trillingen in gebouwen berekend worden met: gegevens van de trillingsbron, de afstand tussen bron en ontvanger of de kenmerken van de bodem en de gebouwen. Dit kan onder andere worden toegepast bij het beoordelen van toekomstige situaties, zoals mogelijke nieuwbouw langs een spoorweg. Planspecifiek De nieuwe woningen zijn trilling gevoelige gebouwen volgens het Bkl. Uit de projectm.e.r.-beoordeling (bijlage 8.5) blijkt dat de ontwikkeling van het plangebied aan de Hogeweg 271niet aan trillingen onderhevig is.

4.15 Lichthinder Lichthinder kan ontstaan door verschillende locaties die gebruik maken van kustmatig licht. Denk hierbij aan snelwegen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbedrijven en sportterreinen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat geen rijkinstructieregels voor lichthinder. Het is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Enkel voor kustlicht in de tuinbouw bij kassen staan rijksregels in het Besluit activiteiten

leefomgeving (Bal). Het Bal noemt het thema lichthinder niet als een specifieke milieubelastende activiteit. In het geval dat een lichthinder veroorzakende activiteit een functioneel ondersteunende activiteit is bij een milieubelastende activiteit in de zin van het Bal is de specifieke zorgplicht van het Bal van toepassing. De specifieke zorgplicht beschermd de belangen benoemd in artikel 2.2. van het Bal. In artikel 2.2, 1e lid, onderdeel c, onder 5, wordt lichthinder benoemd. De gemeente kan zelf bepalen of ze regels willen stellen in het omgevingsplan om lichthinder te voorkomen. Planspecifiek De ontwikkeling aan de Hogeweg 261 betreft geen tuinbouw, of een lichthinder veroorzakende milieubelastende activiteit. Omdat het in het (tijdelijk) omgevingsplan van de gemeente Amersfoort geen regels zijn opgenomen met betrekking tot lichthinder bij een woon(zorg)voorziening is er geen ruimtelijk kader waaraan voldaan moet worden. Desondanks kan worden gesteld dat de lichthinder als gevolg van de ontwikkeling aan de Hogeweg 261 van beperkte omvang is en passend binnen de bestaande, bebouwde omgeving. Door de natuurzone (en de verplichte instandhouding daarvan) tussen de woningen en natuurgebied Bloeidaal blijft de lichthinder van de nieuwe ontwikkeling beperkt.

5. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Onder de omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie. Procedure In beginsel is bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken. In sommige gevallen kan het college echter wel bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten de uitgebreide procedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaren. Bij de reguliere procedure bestaat de mogelijkheid voor bezwaar. Bij de uitgebreide procedure bestaat geen mogelijkheid voor bezwaar. Daar bestaat de mogelijkheid zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen. Participatie omgeving De initiatiefnemer is gedurende het hele planontwikkelingsproces in gesprek geweest met omwonenden, zowel bewoners als bedrijven. In deze gesprekken zijn de zorgen van

de omgeving besproken en de volgende punten door de initiatiefnemer en de omgeving met elkaar vastgesteld. • •

•

•

De uitwerking van het plan, de oplossing voor het geluid en het vormen van een woon-buffer naar het naastliggende bedrijfsterrein, worden gewaardeerd; Er worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd voor de nieuwe bewoners en de werkunits. De bewoners ervaren parkeerdruk vanuit de omliggende bedrijvigheid en willen niet dat deze vergroot wordt door deze ontwikkeling; Tijdens de bouwwerkzaamheden blijft de Hogeweg altijd bereikbaar. Dit is van belang omdat de bussluis er voor zorgt dat er maar aan een kant uitgereden kan worden. De direct omwonenden willen regelmatig op de hoogte worden gehouden van de uitwerking van de woningen en het inrichtingsplan. Aandachtspunten daarbij zijn waarborg van privacy, uitstraling van het geheel en de uitwerking van het groen en de natuur.

In een laatste bijeenkomst voor belanghebbenden, eind 2023, is het gewijzigde plan gepresenteerd. De ruim 30 aanwezigen waren daarin unaniem positief over het plan en hebben aangegeven graag actief betrokken te worden bij de verdere uitwerking. Vervolgens is dit gewijzigde plan in het Uitwerkingsvoorstel vastgesteld. De voorliggende onderbouwing is de onderbouwing voor de omgevingsvergunning om de beoogde ontwikkeling te realiseren. Voor en volledige weergave van het participatieverslag wordt verwezen naar bijlage 8.10 van deze motivering.

6. Financiële uitvoerbaarheid Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het Publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een vergunning voor een BOPA. Deze voorschriften zijn mogelijk voor zover ze betrekking hebben op het gebied waar de vergunningaanvraag op ziet én voor zover de voorschriften betrekking hebben op de aangevraagde ontwikkeling. De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor

ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied. Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning. Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is art. 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden. Planspecifiek Met de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst kan worden aangemerkt als een anterieure overeenkomst. Op grond van deze overeenkomst komt de ontwikkeling en realisatie van het project voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De door de gemeente gemaakte en te maken plan- en apparaatskosten evenals de mogelijk uit te keren tegemoetkomingen in schade (planschade) worden door de initiatiefnemer aan de gemeente vergoed. Het plan is vanuit gemeentelijk perspectief financieel en economisch uitvoerbaar. Het vaststellen van een exploitatieplan is daarom niet nodig.

7.Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft de ontwikkeling van vijf woon-werkwoningen met een bedrijfsunits en zes vrijstaande woningen. Het initiatief is getoetst aan het rijks-, provinciaal-, en gemeentelijk beleid. Hieruit blijkt dat het initiatief in lijn is met dat beleid en in ieder geval niet in strijd is met het beleid. Daarnaast is het initiatief getoetst op alle relevante aspecten over de fysieke leefomgeving en het milieu. Vanuit deze aspecten komt naar voren dat er geen belemmeringen worden gevormd voor de uitvoering van de beoogde ontwikkeling en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.

8. Bijlagen 8.1 Akoestisch onderzoek (wegen en spoor), Aldeco d.d. 9-05-2025 8.2 Akoestisch onderzoek (bedrijven), Aldeco d.d. 19-12-2025 8.3 Notitie schouw, FF Solutions, d.d. 16-08-2022 8.4 Onderzoek stikstofdepositie, Noorman, d.d. 16-2-2024 8.5 AERIUS-berekening Noorman, d.d. 13-02-2024 8.6 Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, BügelHajema, d.d. 12-11-2024 8.7 Verkennend bodemonderzoek, ZVS Milieu, d.d. 12-11-2024 8.8 Explosievenonderzoek, T&A Suvery, d.d. 7-10-2019 8.9 AERIUS berekening, Noorman bouw- en milieuadvies, d.d. 16-02-2024 8.10 Quickscan Natuurwetgeving, FF Solutions, d.d. 10-02-2025 8.11 Aanvullend onderzoek soortenbescherming, FF Solutions, d.d. 12-092025 8.12 Participatieverslag. Smink Vastgoed BV

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16811493/2