Beantwoording feitelijke vragen van gemeenteraad over Uitkomst AZC-onderzoek
Tekst van het document
Feitelijke vragen bij Uitkomst AZC-onderzoek Programma: 2.1. Zorg, ondersteuning, inclusie en vluchtelingen Zaaknummer: 538507 Vragensteller (fractie)
nr.
Vraag
Antwoord
Chris Bruijnes (Amersfoort2014)
1.
Onderzoek Populytics: Hoe waarderen het college en de onderzoekers de respons van ca. 22% op het gesloten onderzoek? Hoe hoog schatten het college en de onderzoekers de respons van het open onderzoek? Welke conclusie kan daaruit opgemaakt worden?
Populytics heeft aangegeven dat 22% een zeer hoge respons is in vergelijking met andere onderzoeken die zij hebben uitgevoerd. De respons ligt meestal onder de 10%. Hier kan de conclusie uit getrokken worden dat inwoners het een belangrijk onderwerp vinden om over mee te praten. Voor het open onderzoek geldt dat de gemeente ongeveer 136 duizend inwoners van 16 jaar of ouder heeft. 2778 deelnemers aan dit onderzoek betekent dan 2% respons. Meer dan 5000 deelnemers aan een gemeentelijk participatietraject is op basis van ervaring van Populytics een goed resultaat. Los van de percentages, zien we dat het allerlei verschillende inwoners hebben meegedaan: uit verschillende wijken, van verschillende leeftijden en opleidingen en inwoners die voorstander, tegenstander en neutraal zijn over het plan van de gemeente om nieuwe opvangplekken te zoeken.
Chris Bruijnes (Amersfoort2014)
2.
Waarom is er überhaupt een open onderzoek gehouden, terwijl de onderzoekers aangeven dat alleen het gesloten onderzoek representatief is?
Een belangrijk doel is dat we de mening willen horen van iedereen die hem wil delen. Daarvoor is er ook een open onderzoek, waar iedereen aan mee kan doen. Beide raadplegingen worden meegenomen in de resultaten, waarbij de open en de gesloten raadpleging afzonderlijk worden geanalyseerd. Zo is het onderzoek zowel representatief als inclusief. Zie ook collegebericht Online onderzoek voor criteria voor opvangplekken (azc's)
Pagina 1 van 5
Chris Bruijnes (Amersfoort2014)
3.
Hoe en wanneer bepalen het college en de onderzoekers of een vergelijking van het resultaat van het gesloten onderzoek met die van het open onderzoek relevant is? (zie pag. 12 van het onderzoeksrapport)?
Alleen het onderzoeksbureau heeft bepaald of en waar de resultaten van de open raadpleging zijn opgenomen in het rapport. Zij hebben dat gedaan voor de inleidende vragen, de vragen over het type opvang en de gemiddelden van de twee vragen waar deelnemers punten konden verdelen. Deze zijn opgenomen ter referentie en laten zien dat er op hoofdlijnen een vergelijkbaar beeld ontstaat. De verdere uitsplitsingen zijn als bijlage opgenomen. Hiermee willen ze zowel volledig zijn als zorgen dat het hoofdrapport goed leesbaar blijft.
Chris Bruijnes (Amersfoort2014)
4.
Hoe representatief is het om naar eigen inzicht motivaties uit het open onderzoek te gebruiken voor analyses, als gesteld wordt dat het open onderzoek niet representatief is?
Reactie van Populytics: De motivaties geven duiding aan de adviezen die deelnemers geven. De adviezen zelf zijn representatief, de motivaties dus vooral illustratief. We presenteren ze daarom ook niet in concrete verdelingen of aantallen, maar laten zien welke dingen vaker en welke dingen minder vaak worden gezegd. De ervaring van Populytics is dat de resultaten tussen een open en een gesloten raadpleging soms wel verschillen, maar de kern van de argumenten verschilt niet zo sterk.
Chris Bruijnes (Amersfoort2014)
5.
Op pagina 13 wordt aangegeven dat er relatief veel meer theoretisch opgeleide inwoners hebben deelgenomen aan de onderzoeken, dan gemiddeld in Amersfoort wonen. Hoe beïnvloedt dit de resultaten? Kan er meer inzicht gegeven worden in de toegepaste wegingsfactoren? (methode pg. 82) ? Waarom zijn de wegingsfactoren niet gepubliceerd?
Reactie van Populytics: We houden rekening met verschillen in kenmerken tussen deelnemers en de populatie van de gemeente Amersfoort. Dat doen we door wegingsfactoren toe te passen. Dus door het toepassen van deze statistische technieken, op basis van de richtlijnen van het CBS, zorgen we ervoor dat de resultaten niet beïnvloed worden door de oververtegenwoordiging van hoger opgeleiden. We kunnen de wegingsfactoren met de raad delen.
Chris Bruijnes (Amersfoort2014)
6.
Waren, naar het oordeel van het college en de onderzoekers, de deelnemers er voldoende bewust van dat je 541 asielzoekers blijkbaar kunt opvangen in 2 ‘kleine’ opvanglocaties, uitgaande van de aangegeven grens van max. 300 voor een kleine locatie ? Hoe waarderen de onderzoekers in dat licht de voorkeuren voor één grote, een mix van groot en klein, of alleen kleine opvanglocaties?
Reactie van Populytics: Naar het oordeel van de onderzoekers was dit voldoende duidelijk geformuleerd en zijn er geen concrete aanwijzingen om aan te nemen dat deelnemers zich hier onvoldoende van bewust waren. Deelnemers die kiezen voor alleen kleinere locaties, geven bijna altijd aan 200 bewoners of minder in een locatie te willen, met de sterkste voorkeuren rond 25-50 en 100-150. Deelnemers die kiezen voor een combinatie van grotere en kleinere locaties, geven vaker aan 200, 250 of 300 bewoners op een kleine locatie te willen. Bijna de helft van de Pagina 2 van 5
deelnemers die een combinatie wil, wil 300 bewoners in de grotere locatie. Zij hadden in theorie dus ook voor alleen kleinere locaties kunnen kiezen. Wij concluderen hieruit dat deze groep inwoners graag onderscheid wil maken tussen ‘kleinere’ locaties: een combinatie van een locatie met 300 bewoners en één of enkele locaties met 50-150 bewoners. Chris Bruijnes (Amersfoort2014)
7.
Is het onderzoek beoordeeld door (een) externe deskundige(n) (‘peer reviews’)? Zo ja, wat was daar het resultaat van? Zo nee, waarom niet?
Reactie van Populytics: Verschillende concepten van dit onderzoek zijn voor feedback voorgelegd aan: stakeholders binnen en buiten de gemeente een groep willekeurig uitgenodigde inwoners. Van hen hebben wij nog opmerkingen en aanvullingen gekregen die we hebben verwerkt. een externe partij gespecialiseerd in toegankelijk taalgebruik onderzoekers van Populytics buiten het projectteam voor kwaliteitscontrole. Er heeft geen extra beoordeling plaatsgevonden door (een) externe deskundige(n). De methodologie (PWE) is beoordeeld in meer dan 20 wetenschappelijke publicaties. Zie onder meer de onderstaande publicaties. Bahamonde-Birke, F.J., Mouter, N., 2025. About positive and negative synergies of social projects: Treating correlation in participatory value evaluation. Environment and Planning B: Urban Analytics and City Science 52 (3), 563-577. Boxebeld, S., Mouter, N. and Van Exel, J. (2024). Participatory Value Evaluation: A New Preference-Elicitation Method for Decision Making in Healthcare. Applied Health Economics and Health Policy, 22, 145 – 154.
Pagina 3 van 5
Dekker, T., Koster, P. and Mouter, N. (2024). A microeconometric framework for Participatory Value Evaluation. Journal of Choice Modelling, 52, 100507. Mouter, N., Jara, K.T., Hernández, J.I. et al. (2022). Stepping into the shoes of the policy maker:Results of a Participatory Value Evaluation for the Dutch long term COVID-19 strategy. Social Science & Medicine, 314, 115430 Chris Bruijnes (Amersfoort2014)
8.
Gesprekken Hoe beoordeelt het college de respons op de uitnodigingen voor het houden van diverse varianten van gesprekken? (wijken dorpsgesprekken 92, stadsgesprekken 83)?
Het college waardeert de betrokkenheid van de inwoners en andere betrokkenen die hebben deelgenomen aan de gesprekken. De opbrengsten van deze gesprekken zijn als waardevol ervaren. Door de combinatie van verschillende participatievormen – zoals wijk- en dorpsgesprekken, stadsgesprekken, straatgesprekken– zijn uiteenlopende perspectieven opgehaald. De opkomst bij de fysieke bijeenkomsten was in absolute zin beperkt. Hiervoor kunnen verschillende verklaringen een rol spelen. Het kan zijn dat het voor inwoners niet meer urgent was nadat het college de beide locaties had teruggetrokken. Zo kan het onderwerp voor een deel van de inwoners nog abstract zijn. Ook kan het zijn dat inwoners ervoor kiezen om op een later moment aan te haken, bijvoorbeeld wanneer duidelijk wordt dat er iets in hun directe woonomgeving verandert. Sommige bewoners hadden zich aangemeld, maar zijn uiteindelijk niet gekomen, ivm ziekte, vergeten of er kwam iets anders tussen. Tot slot hebben we signalen ontvangen dat bij het tweede stadsgesprek het natte weer er toe geleid kan hebben dat een deel van de aangemelde mensen niet is gekomen.
Chris Bruijnes (Amersfoort2014)
9.
Het college spreekt van ‘feitelijke veiligheid’ en het ‘gevoel van veiligheid’. Hoe kwantificeert en kwalificeert het college de ‘feitelijke veiligheid’?
Het college verstaat onder ‘feitelijke veiligheid’ de objectief vast te stellen veiligheidssituatie. Deze wordt niet gebaseerd op beleving, maar op meetbare en verifieerbare gegevens. Zoals registraties en meldingen. Pagina 4 van 5
Chris Bruijnes (Amersfoort2014)
10.
Moet naar het oordeel van het college de gemeente extra rekening houden met het ‘gevoel van (on)veiligheid’ door aanwezigheid van asielzoekers, als de ‘feitelijke veiligheid’ daar geen aanleiding toe geeft? Waarom (niet)?
Ja, het college vindt het belangrijk om ook het ‘gevoel van (on)veiligheid’ serieus te nemen, ook wanneer de feitelijke veiligheid daar geen directe aanleiding toe geeft. Het gevoel van veiligheid bepaalt immers in belangrijke mate hoe inwoners hun leefomgeving ervaren en of zij zich thuis en op hun gemak voelen in hun wijk. Dat vraagt om aandacht en zorgvuldige omgang.
Pagina 5 van 5