Was-wordt-tabel verordening jeugdhulp
Tekst van het document
Was-wordt-tabel wijziging Verordening Jeugdhulp Ameland
In de ‘bestaande tekst’ zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert, cursief gezet- en als het een facultatieve bepaling betreft – eveneens onderstreept (aangezien dan de hele bepaling cursief is i.v.m. het facultatieve karakter). In de ‘nieuwe tekst’ zijn de nieuwe woorden en leestekens vet gedrukt. De verordening jeugdhulp gemeente Ameland 2018 wordt als volgt gewijzigd: Intitulé wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Intitulé Verordening Jeugdhulp Ameland 2018 De raad van de gemeente Ameland,
Nieuwe tekst Intitulé Verordening Jeugdhulp gemeente Ameland 2026 De gemeenteraad van de gemeente Ameland,
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31 oktober 2017;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 december 2026;
gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 derde lid, van de Jeugdwet;
-
gezien het advies van de raadscommissie van de gemeente Ameland,
-
besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Ameland 2018:
-
gelet op artikel 108, tweede lid en artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1 derde lid, van de Jeugdwet; gezien het advies van de raadscommissie van de gemeente Ameland; besluit vast te stellen de Verordening Jeugdhulp gemeente Ameland 2026.
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: 1. Aanvraag: het verzoek van de jeugdige en/of ouder(s) aan de gemeente om een beslissing te nemen op de vraag om een individuele maatwerkvoorziening te verstrekken. 2. Algemene voorziening: het aanbod van diensten of activiteiten dat zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en
Andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;
Gesprek: gesprek als bedoeld in artikel 6; Hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet; Individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid; Cliёntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; Melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid; Overige voorziening: overige voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid; Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; ZIN: zorg in natura; Wet: Jeugdwet; Intensiteit: de intensiteit geeft de zwaarte aan van de behandeling, begeleiding of ondersteuning van specialistische jeugdhulp; Jeugdige: persoon die: de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt (dit impliceert
ook een ongeborene vanaf – 9 maanden), de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan
mogelijkheden van de gebruiker toegankelijk is. In de Jeugdwet wordt dit een ‘overige voorziening’ genoemd. 3. Andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. 4. Besluit: een besluit dat door of namens het college op een aanvraag voor ondersteuning genomen wordt en vastgelegd wordt in een beschikking aan de jeugdige en/of ouders. 5. Bovengebruikelijke hulp: alle dagelijkse hulp, zorg en begeleiding die de gebruikelijke hulp per dag overstijgt. 6. Budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder. 7. Budgethouder: de persoon die een Pgb ontvangt op grond van de wet. 8. College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ameland. 9. Deskundige: een professional/beroepskracht met (middels diploma of ervaringscertificaat) aantoonbare specifieke kennis en vaardigheden ten aanzien van de opgroei- opvoed- en ontwikkelingsproblematiek van de jeugdige of zijn ouders en/of de benodigde individuele maatwerkvoorziening én die aantoonbaar voldoet aan de in de branche geldende kwaliteitseisen én een gericht op de voorziening passende registratie heeft bij de KvK of in loondienst is bij een formele zorgaanbieder. Een beroepskracht voor Jeugdhulp moet daarnaast geregistreerd staan in een relevant beroepsregister, zoals SKJ of BIG. 10.
Gebruikelijke hulp: de normale, dagelijkse hulp, zorg en begeleiding die de ouder(s) geacht worden te bieden aan de jeugdige. 11. Hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroeien opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet. 12. Individuele voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid. 13. Intensiteit: de zwaarte van de ondersteuning of behandeling, zoals die per voorziening is vastgesteld overeenkomstig artikel 2, derde lid.
overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van de wet: is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, noodzakelijk is; vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is. Ondersteuningsprofiel: een algemeen geformuleerd profiel binnen specialistische jeugdhulp dat de aard van de ondersteuningsbehoefte weergeeft. Er zijn binnen specialistische jeugdhulp 10 ondersteuningsprofielen gedefinieerd zoals vastgelegd in artikel 2, tweede lid, sub c; Traject: een traject omvat alle ondersteuning die een jongere en/of het gezin nodig heeft in een bepaalde situatie; Gebruikelijke hulp: de normale, dagelijkse hulp, zorg en begeleiding die de ouder(s) geacht worden te bieden aan de jeugdige; Bovengebruikelijke hulp: alle dagelijkse hulp, zorg en begeleiding die de gebruikelijke hulp per dag overstijgt.
Sociale netwerk: een netwerk van betekenisvolle personen (bijvoorbeeld familie, vrienden en /of kennissen) dat functioneert als ondersteuningsbron voor de jeugdige of zijn ouders; Formele ondersteuning: ondersteuning die met een vergoeding vanuit het Pgb wordt geboden door een deskundige, niet zijnde een persoon uit het sociaal netwerk van de jeugdige of de ouder(s); Informele ondersteuning: ondersteuning die met een vergoeding vanuit het Pgb wordt geboden door een persoon die niet formele ondersteuning biedt, zoals een persoon uit het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders of een beroepskracht niet zijnde een deskundige; Deskundige: beroepskracht met specifieke kennis en vaardigheden ten aanzien van de opgroei- en opvoedproblematiek van de jeugdige of zijn ouders en/of de benodigde individuele maatwerkvoorziening, die kan aantonen dat hij voldoet aan de in de branche geldende kwaliteitseisen.
14. Ondersteuningsprofiel: een profiel binnen de specialistische jeugdhulp, zoals uitgewerkt in artikel 2, tweede lid, dat de aard van de ondersteuningsbehoefte van een jeugdige weergeeft. 15. Overige voorziening: overige voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid. 16. Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken. 17. Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring van de jeugdige en/of ouder(s) (familielid, huisgenoot, echtgenoot, voormalig echtgenoot of mantelzorger) of iemand buiten de huiselijke kring waarmee de jeugdige en/of ouder(s) een sociale relatie heeft. Onder een sociale relatie verstaan we een relatie met een persoon waarmee de jeugdige en/of ouder(s) regelmatig contact onderhoudt. 18. Wet: Jeugdwet.
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP
Artikel 2. Vormen van ondersteuning De volgende vormen van ondersteuning zijn zonder voorafgaand onderzoek beschikbaar:
Artikel 2. Vormen van jeugdhulp 1. De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar:
Preventieve jeugdhulp, waaronder publieke jeugdgezondheidszorg; Toegang en toeleiding en lichte ambulante ondersteuning (onder andere gebiedsteam en POH-Jeugd); Basisdiagnostiek; Toegangsfunctie (voor individuele voorzieningen); Veilig Thuis (Advies- en Meldpunt geweld en Kindermishandeling). De volgende vormen van ondersteuning zijn niet zonder voorafgaand onderzoek beschikbaar: Pleegzorg: Ondersteuning waarbij pleegouders de jeugdige verblijf, verzorging en opvoeding bieden in combinatie met professionele begeleiding van het pleegkind, de pleegouders en de biologische ouders door een pleegzorgaanbieder. Pleegzorg kan zowel tijdelijk als langdurig en zowel 24/7 als in deeltijd of weekeind opvang geboden worden. Een pleeggezin kan zowel een gezin uit het pleeggezinnenbestand van een voorziening voor pleegzorg als een gezin uit het eigen netwerk van familie of bekenden zijn. Specialistische jeugdhulp : Alle ambulante gespecialiseerde jeugdhulp en jeugdhulp met verblijf, niet zijnde dyslexiezorg, pleegzorg of hoog specialistische jeugdhulp. Ambulante jeugdhulp betreft jeugdhulp die op vaste of onregelmatige tijden plaats vindt bij de jeugdige thuis, op locatie van de aanbieder of elders (school, kinderdagverblijf e.d.). Bij jeugdhulp met verblijf verblijft een jeugdige, op vrijwillige of gedwongen basis, in een (open) instelling.
Specialistische jeugdhulp (zowel ambulante jeugdhulp als jeugdhulp met verblijf) wordt op basis van een
a. Preventieve jeugdhulp: waaronder publieke jeugdgezondheidszorg (inclusief het Opvoedpunt) en het gesubsidieerde Preventief aanbod Jeugd. b. Jeugd ondersteuner Kindercentra (JOK): onafhankelijke expertise binnen een Integraal Kindercentrum, ten behoeve van het vroegtijdig signaleren van ontwikkelingsvragen, opvoedvragen en ondersteuningsvragen van kinderen, ouders en het IKC team. Met als doel hier preventief, snel en effectief op te acteren en bij te dragen aan het verstrekken van een inclusieve pedagogische omgeving voor kinderen van 0-12 jaar, waarbij aandacht is voor vernieuwde werkwijzen. c. Praktijk Ondersteuning HuisartsJeugd (POH- Jeugd): hulp en ondersteuning binnen de huisartsenpraktijk aan jeugdigen met psychische en/of psychosociale problemen die, zelf of via hun ouders/begeleiders, een beroep doen op hun huisarts. De POH-GGZ-Jeugd biedt deze ondersteuning snel, zonder wachtlijst en in een vertrouwde omgeving. De POH-GGZ-Jeugd brengt in 5 gesprekken de problemen in kaart en komt tot een goed advies of ondersteuningsplan. De POH-GGZJeugd is de verbindende schakel tussen de huisarts en het Gebiedsteam Ameland. d.
Cliëntenondersteuning: onafhankelijk geven van informatie, advies en korte ondersteuning, waarbij het belang van de jeugdige het uitgangspunt is, ten behoeve van het verkrijgen van (integrale) ondersteuning of het uitoefenen van de rechten van de jeugdige en/of ouder(s) hierbij. En cliëntenondersteuner wordt ook wel
ondersteuningsprofiel en in de vorm van een traject geboden. Verblijf wordt altijd in combinatie met een ondersteuningsprofiel verstrekt en kan niet apart verstrekt worden. Binnen Specialistische jeugdhulp zijn de volgende ondersteuningsprofielen vastgesteld: Behoefte aan het verbeteren van psychosociaal functioneren jeugdige en verbeteren van gezinscommunicatie. Behoefte aan het vergroten van specifieke opvoedingsvaardigheden ouders plus hulp vanwege kind eigen problematiek. Behoefte aan vergroten van specifieke opvoedingsvaardigheden van ouders met een beperking. Behoefte aan het vergroten van specifieke opvoedingsvaardigheden voor ouders met eigen problematiek plus hulp voor de jeugdige bij zijn ontwikkeling. Behoefte aan het verminderen problematiek en verbeteren van het functioneren jeugdige door middel van zorg en behandeling. Behoefte aan het leren van vaardigheden en verbeteren van functioneren voor jeugdige, rekening houdend met verminderen van eigen problematiek ouders en waarborgen veiligheid jeugdige. Behoefte aan begeleiding en behandeling in samenhang met een verstandelijke beperking. Behoefte aan begeleiding en behandeling in samenhang met een verstandelijke beperking en gedragsproblematiek. Behoefte aan begeleiding vanwege een lichamelijke beperking. Behoefte aan leren van vaardigheden en verbeteren functioneren voor 0-6 jarige binnen het gezin.
Rekening houdend met verminderen van eigen problematiek ouders en waarborgen veiligheid van het jonge kind. Hoog specialistische jeugdhulp: Zeer complexe, intensieve specialistische jeugdhulp, waarbij een klinische achtervang in een besloten of gesloten (Jeugdzorg Plus) setting, een driemilieuvoorziening of spoedeisende ondersteuning (Crisiszorg) noodzakelijk en 24/7 beschikbaar is. Er is
vertrouwenspersoon genoemd. Deze ondersteuning kan informeel (uit het eigen netwerk van de jeugdige en/of ouder(s)) of formeel (door een professional) geboden worden. e. Basisondersteuning: algemene ondersteuning geboden door een professional die bijdraagt aan het veilig en gezond opgroeien van jeugdige en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, onderwijs, welzijn, wonen, schuldhulpverlening, werk en inkomen. Binnen de basisondersteuning wordt vanuit de Jeugdwet ook lichte opvoedondersteuning geboden. f. Mantelzorgondersteuning: ondersteuning ten behoeve van de mantelzorger met als doel het blijven kunnen bieden van de mantelzorg en het voorkomen van overbelasting van de mantelzorger, door waar nodig (deels of tijdelijk) taken over te dragen aan een vrijwilliger of professional. 2. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar: a. Dyslexiezorg: ondersteuning voor jeugdigen met (een vermoeden van) Ernstige Dyslexie (ED), in de vorm van dyslexie-onderzoek en/of behandeling. Dyslexiezorg wordt geboden aan jeugdige in de leeftijd van 7 tot en met 12 jaar, dan wel aan jeugdigen waarvan de dyslexiezorg vóór de 13e verjaardag van de jeugdige is gestart.
Er is sprake van ED als de leerachterstand in lezen en/of spellen erg groot is gezien de leeftijd en het onderwijsniveau, ondanks extra instructie op school. Er is alleen sprake van ED als er volgens het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 2.0 een diagnose is gesteld en er geen andere oorzaken zijn gevonden die de problemen kunnen verklaren. b. Pleegzorg: ondersteuning voor jeugdigen die (tijdelijk of blijvend) niet thuis kunnen wonen. Ondersteuning waarbij pleegouders de jeugdige basiszorg op het gebied van dagelijkse en specifieke verzorging en opvoeding, onderwijs en wonen bieden in combinatie met professionele begeleiding van het
sprake van meervoudige ernstige problematiek, die vraagt om een multidisciplinaire aanpak vanuit meerdere jeugdhulpdisciplines. Jeugdbescherming: Ondersteuning in de vorm van jeugdbeschermingsmaatregelen. Deze maatregelen kan de rechter opleggen als vrijwillige hulp niet toereikend is en de jeugdige ernstig bedreigd wordt in zijn ontwikkeling. Soms woont een kind daarom (tijdelijk) niet meer thuis. Gezinsvoogden van een gecertificeerde instelling begeleiden een gezin bij de opvoeding, tot de ouders dit weer zelfstandig kunnen. Hiertoe gecertificeerde instellingen zijn het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, William Schrikker Groep en Leger des Heils. Jeugdreclassering: Ondersteuning in de vorm van intensieve begeleiding en controle voor jongeren die veroordeeld zijn of verdacht worden van een strafbaar feit. Dit kan zowel op basis van een proces-verbaal van de politie als van de leerplichtambtenaar zijn. De jeugdreclassering wordt uitgevoerd door een gecertificeerde instelling of de volwassenreclassering. Het college kan bij nadere regeling vaststellen welke overige en individuele voorzieningen op basis van het eerste en tweede lid beschikbaar zijn.
pleegkind, de pleegouders en de biologische ouders door een pleegzorgaanbieder. Pleegzorg kan zowel tijdelijk als langdurig en zowel in voltijd, deeltijd als crisis geboden worden. Een pleeggezin kan zowel een gezin uit het pleeggezinnenbestand van een voorziening voor pleegzorg als een gezin uit het eigen netwerk van familie of bekenden zijn. c. Woonvoorziening: woonvormen voor jeugdige die (tijdelijk) niet thuis kunnen wonen, waar jeugdigen kunnen opgroeien en opvoedondersteuning ontvangen. Woonvormen zijn: gezinshuizen, kleinschalige woonvoorzieningen, ouder en kind woonvoorzieningen en zelfstandigheidstraining woonvoorzieningen. d. Specialistische jeugdhulp: ondersteuning voor jeugdigen met ontwikkelings- en gedragsproblemen. Binnen Specialistische Jeugdhulp worden de volgende profielen onderscheiden: I. Profiel A: Enkelvoudige Specialistische Jeugdhulp. Ambulante ondersteuning gerichte aanpak enkelvoudige ontwikkel-, gedrags- emotionele en/of verslavingsproblematiek (ook bij jeugdigen met beneden gemiddelde intelligentie). II. Profiel B: Meervoudige Specialistische Jeugdhulp. Ambulante ondersteuning gerichte aanpak meervoudige ontwikkel-, gedrags- emotionele en/of verslavingsproblematiek (ook bij jeugdigen met beneden gemiddelde intelligentie). III. Profiel c: Complexe problematiek.
Ambulante ondersteuning gericht op het oplossen dan wel verminderen van complexe problematiek. Het gehele gezin is onderdeel van de behandeling en mogelijk is ook individuele problematiek van meerdere gezinsleden aan de orde.
IV.
V.
VI.
VII.
VIII.
Profiel D: (Zeer) Complexe en intensieve problematiek. Ambulante ondersteuning gericht op het oplossen dan wel verminderen van de aanwezige zeer complexe problematiek. Profiel E: Begeleiding en ondersteuning bij duurzame problematiek en versterken van zelfredzaamheid jeugdige en ouders. Ondersteuning en begeleiding gericht op het leren hanteren en omgaan met duurzame problematiek en het versterken van de zelfredzaamheid van de jeugdige en het gezinssysteem. Profiel F: Dagopvang (niet zijnde 24 uur per dag). Opvang van de jeugdige met (ouders met) langdurig of zelfs chronische problematiek in een pedagogische setting buiten de eigen thuissituatie van de jeugdige. De opvang is aanvullend op profiel B,C,D of E en tijdelijk en beperkt van aard. Profiel G: Dagbehandeling Specialistische Jeugdhulp. Behandeling (indien aangevuld met diagnostiek en/of ondersteuning) gericht op het oplossen dan wel verminderen van de aanwezige problematiek zodat een stabiele situatie ontstaat. Profiel H: Residentiële Specialistische Jeugdhulp. Verblijf (inclusief begeleiding en verzorging) gedurende meerdere dagen per week op locatie van een aanbieder. Het verblijf is aanvullend op behandeling die gericht is op het oplossen dan wel verminderen van de aanwezige problematiek
zodat een stabiele situatie ontstaat. IX. Profiel I: Logeren. Logeeropvang in een pedagogische setting aanvullend op profiel B, C, D of E. X. Profiel J: Randvoorwaardelijke zaken en producten. De onder dit profiel vallende producten kunnen noodzakelijk zijn om er voor te zorgen dat er sprake is van effectieve jeugdhulp. Het gaat om de volgende producten: 1) vervoer; 2) reistijd: bij hulpverlening op één van de Friese Waddeneilanden; 3) medicatiecontrole; 4) overbrugging: naar Wlz of Diagnostiek; 5) laag frequent contact; 6) nazorg; 7) multidisciplinaire Diagnostiek: t.b.v. het bepalen van passende Jeugdhulp. e. Open 3 milieus voorziening (O3M): Ondersteuning in de vorm van residentiële jeugdhulp voor jeugdigen met ernstige gedrags- en/of gezinsproblemen, al dan niet met een licht verstandelijke beperking en/of psychiatrische problematiek. De voorziening heeft als doel om binnen de 3 milieus - wonen, onderwijs en vrije tijd - met 24 uurs verblijf en begeleiding een gezonde ontwikkeling van jeugdigen te stimuleren, aanwezige problemen te verminderen, en de stabiliteit, veiligheid en positieve interactie tussen de jeugdige en zijn sociale netwerk te herstellen. f. JeugdzorgPlus: Ondersteuning in de vorm van gesloten residentiële jeugdhulp voor jeugdigen die zich onttrekken aan de jeugdhulp die noodzakelijk is.
Zonder behandeling vormen zij een risico voor zichzelf en/of hun omgeving. Deze
ondersteuning wordt indien nodig ingekocht buiten de regio Fryslân. g. Landelijk Transitiearrangement (LTA): Ondersteuning voor jeugdigen met een zeer weinig voorkomende ondersteuningsvraag die zeer specialistische inzet vraagt. Deze ondersteuning is namens alle gemeenten landelijk ingekocht door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Een overzicht van het LTA staat op: www.vng.nl/artikelen/functies-enaanbieders-jeugdhulp. h. Crisishulp: ondersteuning die directe inzet vraagt om de veiligheid van de jeugdige en/of zijn ouder(s) te garanderen. Dit kan zijn in situaties waarbij gevaar voor een jeugdige dreigt door ernstige verwaarlozing, fysiek geweld of seksueel misbruik, situaties waarin een ouder of jeugdige dreigt met zelfdoding of een psychose heeft. Crisishulp kan zowel ambulant als residentieel zijn. i. Jeugdbescherming: ondersteuning in de vorm van jeugdbeschermingsmaatregelen. Een (voorlopige) ondertoezichtstelling en een gezagsbeëindigende maatregel zijn jeugdbeschermingsmaatregelen. Deze maatregelen kan de rechter opleggen als vrijwillige hulp niet toereikend is en de jeugdige ernstige bedreigd wordt in zijn ontwikkeling. Soms woont een kind daarom (tijdelijk) niet meer thuis. Gezinsvoogden van een gecertificeerde instelling begeleiden een gezin bij de opvoeding, tot de ouders dit weer zelfstandig kunnen. j.
Jeugdreclassering: ondersteuning in de vorm van intensieve begeleiding op controle voor jongeren die veroordeeld zijn of verdacht worden van een strafbaar feit. Dit kan zowel op basis van een proces-verbaal van de politie als van de leerplichtambtenaar zijn. De jeugdreclassering wordt uitgevoerd door een gecertificeerde instelling of de volwassenenreclassering. 3. Het college maakt in het kader van de (regionale) inkoop- of subsidierelatie met aanbieders op geaggregeerd niveau afspraken over in ieder geval de volgende aspecten van de individuele voorzieningen: a. doelgroepen;
b. c. d. e. f. g.
activiteiten; doorlooptijd; intensiteit; kwaliteit; beoogd resultaat; en vermelding productcode iJw.
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN
Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de te verlenen individuele voorziening vast in een beschikking als bedoeld in artikel 10. Ook het afwijzen van een gevraagde individuele voorziening wordt, indien de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken vastgelegd in een beschikking.
1. Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid aanhef onder e van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts, als en voor zover de gecontracteerde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat deze inzet nodig is. 2. Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er is voldaan aan de voorwaarden voor een Pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. 3. Van het tweede lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening op grond van bijzondere feiten en omstandigheden. 4. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contractof subsidierelatie.
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag Jeugdigen en ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college.
Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.
In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.
Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige voorziening.
Nieuwe tekst Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college. 2. Het eerste contact over de hulpvraag wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht als is voldaan aan de vormvoorschriften bedoeld in artikel 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht. 3. Het college merkt een door het Gebiedsteam Ameland opgesteld, en door belanghebbende ondertekend, ondersteuningsplan aan als een aanvraag, als er, gelet op het tweede lid, nog geen aanvraag is ingediend en dit daarop door de belanghebbende is aangegeven. 4. De hulpvraag van de jeugdige en zijn ouder(s) is vormvrij en kan schriftelijk, digitaal, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. 5. Als een jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een Pgb, dient hij daartoe een Pgb-plan in als bedoeld in artikel 12. Een door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ondertekend Pgb-plan wordt aangemerkt als een aanvraag voor een Pgb. 6. Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen 10 weken na ontvangst van de aanvraag. 7. Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking. 8.
In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 4 weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.
Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5. Vooronderzoek Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 6, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.
Nieuwe tekst n.v.t. dit artikel is niet overgenomen in de nieuwe verordening, maar de inhoud is verwerkt in artikel 6.
Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige of zijn ouders verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid. Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd (artikel 5 in nieuwe verordening): Bestaande tekst
Artikel 6. Gesprek Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de jeugdige of zijn ouders, achtereenvolgens:
Nieuwe tekst HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1. Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 6 weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In overleg met het college kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger de aanvraag lopende het onderzoek wijzigen. 2. Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de wet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld
3.
4. wat de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouders is en stelt deze vast; 5.
of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja welke problemen en stoornissen dat zijn;
welke doelen gesteld kunnen worden en welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te kunnen participeren; welk ondersteuningsprofiel van toepassing is;
6.
a. b.
c.
in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende 2 weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt schriftelijk bevestigd. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht.
Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of een ouder of een wettelijke vertegenwoordiger zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger: wat de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) is, wat die hulpvraag heeft doen ontstaan en stelt deze vast; de behoefte aan ondersteuning, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en/of ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; of er sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptie gerelateerde problemen en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens: 1° welke problemen of stoornissen dit zijn; 2°. welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende
in hoeverre de eigen mogelijkheden, het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) en het sociale netwerk toereikend zijn om zelf nodige hulp en ondersteuning te bieden en waar nodig de hulp en ondersteuning van deskundigen betrokken moet worden.
d.
e.
Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken. Het college zorgt ervoor dat de jeugdige en/of zijn ouders een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de jeugdige het uitgangspunt is.
Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een gesprek.
7.
8.
zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; 3°. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; en 4°. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s); Indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Als de jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord.
Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden er bestaan om onder bepaalde voorwaarden te kiezen voor de verstrekking van een Pgb. De jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordigers wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.
Toevoeging artikel tussen artikel 6 en 7 (artikel 6 nieuwe verordening): Bestaande tekst n.v.t. dit artikel is in de nieuwe verordening toegevoegd.
Nieuwe tekst Artikel 6. Deskundig oordeel en advies 1. Het college wint, met inachtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de
beoordeling van een aanvraag dit vereist. 2. Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional: a. bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; b. bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of c. op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. 3. Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt. Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 7. Verslag Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, bedoeld in artikel 6. Binnen 10 werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders een verslag van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te wensen. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden aan het verslag toegevoegd.
Nieuwe tekst Artikel 7. Verslag 1. Binnen 10 werkdagen na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. 2. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger worden aan het verslag toegevoegd. 3. Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen. 4. Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel wettelijke vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de
jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. 5. Als uit het verslag blijkt dat gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of door de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening. Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 8. Aanvraag
Nieuwe tekst n.v.t. Dit artikel is verwijderd, de inhoud is opgenomen in artikel 4.
Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college. Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de jeugdige of zijn ouders dat op het verslag hebben aangegeven. Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd (artikel 8 in nieuwe verordening): Bestaande tekst Artikel 9. Individuele voorziening Een individuele voorziening kan in de vorm van ZIN of Pgb worden verstrekt. In aanvulling op lid 1 kan een Pgb alleen verstrekt worden door het college.
Nieuwe tekst Artikel 8. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening 1. Het college toetst vooraf, op basis van het woonplaatsbeginsel, of de gemeente Ameland de verantwoordelijke gemeente is voor het bieden van ondersteuning vanuit de Jeugdwet aan de jeugdige en/of ouder(s). 2. Onverminderd dat de jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische
3.
4.
5.
6.
7.
8.
problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen. Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsproblemen of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2025 zoals deze luiden op 1 januari 2025 of gaan luiden in de toekomst. Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze: a. daadwerkelijk beschikbaar is; en b. passend en toereikend is voor de hulpvraag. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdige beschikbare voorziening. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag.
In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening. Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige
problematiek in de context van het gezin. Toevoeging artikel tussen artikel 9 en 10 (artikel 9 nieuwe verordening):
Bestaande tekst n.v.t. dit artikel is toegevoegd in de nieuwe verordening.
Nieuwe tekst Artikel 9. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1. Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s). 2. Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s). 3. Tot de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten. 4.
Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:
a. geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; b. een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of c. overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 5. Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met: a. de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; b. de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan 3 maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; c. de planbaarheid van de hulp; d. de benodigde ondersteuningsintensiteit; e. de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; f. de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien. Toevoeging artikel tussen artikel 9 en 10 (artikel 10 nieuwe verordening): Bestaande tekst n.v.t. dit artikel is toegevoegd in de nieuwe verordening.
Nieuwe tekst Artikel 10. Vervoer 1. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. 2. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 3. Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening. 4. Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 9, in elke individuele situatie of er
specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen. 5. Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden. Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd (artikel 11 nieuwe verordening): Bestaande tekst Artikel 10. Inhoud beschikking In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als Pgb wordt verstrekt.
Bij het verstrekken van een voorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: welke individuele voorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; de ingangsdatum en duur van de verstrekking. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een Pgb vermeldt de beschikking in ieder geval: welk resultaat met het Pgb wordt beoogd; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het Pgb; de hoogte van het Pgb en hoe deze is bepaald; de duur van de verstrekking waarvoor het Pgb is bedoeld. Bij het besluit wordt aan de belanghebbende informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en zijn ouders op grond van de wet, de verordening en de nadere regels.
Nieuwe tekst Artikel 11. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of in de vorm een Pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke individuele voorziening verstrekt wordt, wat de omvang is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum en duur van de verstrekking; c. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een Pgb vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welk resultaat met het Pgb wordt beoogd; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het Pgb; c. de hoogte van het Pgb en hoe deze is bepaald; d. welke voorwaarden aan het Pgb zijn verbonden; e. de duur van de verstrekking waarvoor het Pgb is bedoeld; f. de wijze van verantwoording van de besteding van de Pgb. 4. Bij het besluit wordt aan de belanghebbende informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en zijn ouders op grond van de wet, de verordening en de nadere regels.
5. Het ondertekende verslag, bedoeld in artikel 7, maakt in zijn geheel deel uit van de beschikking. Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 11. Weigerings- en beeïndigingsgronden
Nieuwe tekst n.v.t. Dit artikel is verwijderd. De inhoud is opgenomen in artikel 8.
Het college weigert dan wel beëindigt een individuele voorziening, in ieder geval, als: de gemeente gelet op het woonplaatsbeginsel niet (meer) verantwoordelijk is voor de jeugdhulp; de jeugdige of zijn ouders in staat zijn zelf de problemen op te lossen, eventueel met hulp van personen uit het sociaal netwerk (eigen kracht), waaronder mede wordt verstaan het kunnen oplossen van de problemen middels gebruikelijke hulp;
gebruik kan worden gemaakt van een andere voorliggende voorziening; gebruik kan worden gemaakt van een overige voorziening; de individuele voorziening is afgerond en het beoogde resultaat is bereikt; naar het oordeel van het college anderszins niet langer noodzakelijk is of geen betrekking (meer) heeft op de opgroei- en opvoedingsprblemen, psychische problemen en stoornissen. Het college stelt nadere regels vast met betrekking tot het sociale netwerk, de gebruikelijke hulp en de bovengebruikelijke hulp. Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst HOOFDSTUK 5. AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB
Artikel 12. Regels voor Pgb
Artikel 12. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een Pgb
Het college verstrekt een Pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet. De hoogte van een Pgb:
1. Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een Pgb, dienen de jeugdige
is gebaseerd op een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld plan. is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen, en bedraagt ten hoogste de kostprijs van de maximale intensiteit van het ondersteuningsprofiel van zorg in natura dat van toepassing is. In het plan zoals bedoeld in lid 2 moet zijn opgenomen: omschrijving van de doelen zoals bedoeld in artikel 6 lid c; omschrijving van de hulp en ondersteuning die wordt ingezet voor het bereiken van de doelen; wie welk deel van de hulp en ondersteuning gaat bieden; of het formele of informele zorg betreft; in geval van informele zorg: waarom er sprake is van bovengebruikelijke zorg wat de kosten van de in te zetten hulp en ondersteuning zijn en wat het totaal benodigde budget is; Ten behoeve van de toets op kwaliteit zoals bedoeld in artikel 8.1.1 lid 2, onderdeel c van de Wet verstrekt de jeugdige of diens ouders in aanvulling op het plan de concept zorgovereenkomst(en) die men voornemens is om aan te gaan na toekenning van het Pgb.
Het college gebruikt de kwaliteit van het plan zoals bedoeld in lid 3 en de zorgovereenkomsten zoals bedoeld in lid 4 ter onderbouwing van zijn oordeel over het al dan niet in staat zijn om de aan een Pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, zoals bedoeld in artikel 8.1.1 lid 2, onderdeel a van de wet; De persoon aan wie een Pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk: dat deze persoon voor zijn diensten maximaal het op grond van de Wet langdurige zorg geldende Pgb-uurtarief voor hulp van niet-professionele zorgverleners krijgt betaald, en
of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger daartoe een Pgbplan in. In het Pgb-plan is opgenomen: a. de motivatie waarom het naturaaanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouder(s) niet passend is en een Pgb gewenst is; b. welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen inkopen met een Pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe geëvalueerd wordt; c. de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening in de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; d. op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd; e. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; f. indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; g. de motivatie aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 13 waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een Pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. 2. Het college verstrekt een Pgb als: a. de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend achten; b.
uit de beoordeling van de Pgbvaardigheid met inachtneming van artikel 13 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een Pgb met zich meebrengt; c. naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 15 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger van het budget
dat deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt, en dat het geen ggz gerelateerde behandeling betreft; De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding uit een Pgb: Kosten voor bemiddeling; Kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; Kosten voor het voeren van een Pgb-administratie; Kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een Pgb; Kosten voor feestdagenuitkering en eenmalige uitkering;
willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het Pgb-plan opgenomen beoogde resultaat. 3. Het college verstrekt geen Pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag: a. fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd; b. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; c. veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; d. op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder. 4. Het college weigert een Pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is. 5. Voor informele hulp als bedoeld in artikel 14 wordt alleen een Pgb verstrekt voor de profielen genoemd in artikel 2, te weten: A: Enkelvoudige Specialistische Jeugdhulp, E: Begeleiding en Ondersteuning, en I: Logeren. Dit in verband met de doelmatigheid van de geboden hulp in combinatie met de complexere problematiek in de andere profielen. Tenzij het college anders besluit in het belang van het kind.
Toevoeging artikel tussen artikel 12 en 13 (artikel 13 nieuwe verordening): Bestaande tekst n.v.t. dit artikel is toegevoegd in de nieuwe verordening.
Nieuwe tekst Artikel 13. Pgb-vaardigheid 1. Om aan de voorwaarden voor Pgbvaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval: a. een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;
b. op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het Pgb of deze zelf (online) weten te vinden; c. in staat te zijn om een overzichtelijke Pgb-administratie bij te houden; d. voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, SVB en de zorgverleners; e. in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; f. in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; g. in staat te zijn te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; h. in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i. in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en j. voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. 2. Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een Pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a.
het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend of de persoon eerste of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de jeugdige; b. er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: 1. schuldenproblematiek; 2. ernstige verslavingsproblematiek; 3. aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;
4. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; 5. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; 6. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; 7. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; 8. het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag. Toevoeging artikel tussen artikel 12 en 13 (artikel 14 nieuwe verordening): Bestaande tekst n.v.t. dit artikel is toegevoegd in de nieuwe verordening.
Nieuwe tekst Artikel 14. Onderscheid formele en informele hulp 1. Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het Pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of b. zzp-ers die ten aanzien van de voor het Pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; c. personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (wet BIG) of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 2. Van informele hulp is sprake als de jeugdhulp geboden wordt door: a. een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk;
b. een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het eerste lid onder c. Toevoeging artikel tussen artikel 12 en 13 (artikel 15 nieuwe verordening):
Bestaande tekst n.v.t. dit artikel is toegevoegd in de nieuwe verordening.
Nieuwe tekst Artikel 15. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een Pgb 1. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een Pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen: a. beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren voor de uitoefening van diens functie. Ouder(s) zijn uitgesloten van deze eis; b. beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; c. houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; d. is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren; e. werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgesteld; f. voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college; g. stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s); h. stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken; i. respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; j. neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of
zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; k. meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college; l. werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en m. is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast. 2. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een Pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen: a. hetgeen is bepaald in artikel 14, eerste lid; b. handelt in overeenstemming met de professionele standaard; c. werkt op basis van een hulpverleningsplan; d. werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; e. hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en f. stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren. 3. Er wordt geen Pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is. Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd (artikel 16 nieuwe verordening): Bestaande tekst Artikel 13.