centrumgemeenteregeling urgentieverordening Bijlage 2 (verordening)
Tekst van het document
O N T W E R P
Huisvestingsverordening urgent woningzoekenden Friese Wadden (urgentieverordening) gemeente Ameland 2025 De raad van de gemeente Ameland, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 4 van de Huisvestingswet 2014, besluit onderstaande verordening vast te stellen. Huisvestingsverordening urgent woningzoekenden Friese Wadden (urgentieverordening) gemeente Ameland 2025
Artikel 1 Definities 1. college: college van burgemeester en wethouders. 2. omklapconstructie: constructie bestaande uit twee overeenkomsten. Een gemengde huuren begeleidingsovereenkomst tussen urgent woningzoekende en zorgaanbieder waarbij het zorgelement bovenliggend is ten opzichte van het woonelement en een huurovereenkomst tussen zorgaanbieder en corporatie. Op het moment dat het zorgelement niet meer bovenliggend is, wordt een huurovereenkomst gesloten tussen de urgent woningzoekende en het Gemeentelijk Woningbedrijf Ameland (GWA) voor de betreffende woonruimte. 3. RVRV: Regeling versterking regie volkshuisvesting. 4. sociale huurwoning: (on)zelfstandige woonruimte met aanvangshuur die niet hoger is dan de rekenhuur, genoemd in artikel 13, eerste lid, onder a of b van de Wet op de huurtoeslag.
5. urgent woningzoekende: woningzoekende met een urgentieverklaring op grond van deze verordening.
1
6. Woningmarktregio: de door gedeputeerde staten van Fryslân aangewezen woningmarktregio Fryslân, die alle Friese gemeenten omvat. Artikel 2 Meldingsplicht vrijkomende sociale huurwoningen; quotum voor houders urgentieverklaring; invulling fair share 1. Elke in de gemeente vrijkomende sociale huurwoning die bij het GWA in beheer is, wordt door het GWA gemeld bij het college. 2. Bij 15% van de vrijkomende sociale huurwoningen in de gemeente wordt voorrang gegeven aan woningzoekenden met een urgentieverklaring bij het verlenen van huisvestingsvergunningen. 3. Het college gaat in beginsel eens per zes maanden na of aan het tweede lid wordt voldaan. Peildata zijn 1 januari en 1 juli, waarbij er een beoordeling plaatsvindt over de voorgaande zes maanden. Artikel 3 Urgentieverklaring 1. Door of namens een woningzoekende kan een urgentieverklaring worden aangevraagd bij het college. 2. Om voor een urgentieverklaring in aanmerking te komen, moet de woningzoekende aan de volgende vereisten voldoen: a. minstens achttien jaren oud zijn of meerderjarig zijn verklaard met toepassing van artikel 235 of 235ha van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; b. woningzoekende zijn, ingeschreven bij het GWA, en voor wie voorziening in de behoefte aan woonruimte in de woningmarktregio Fryslân dringend noodzakelijk is, en c.
behoren tot woningzoekenden als genoemd in artikel 2 van de Regeling versterking regie volkshuisvesting (RVRV), of woningzoekenden als genoemd in artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet 2014 en met inachtneming van artikel 4, artikel 5, eerste lid, artikel 7, eerste lid, en artikel 8, eerste lid, RVRV. 3. Het college kan van een aanvrager nadere gegevens verlangen die nodig zijn om te bepalen of de aanvrager voor een urgentieverklaring in aanmerking komt. 4. Op de aanvraag wordt, met inachtneming van lid 3, uiterlijk vier weken na ontvangst van een volledige aanvraag beschikt. In bijzondere gevallen kan deze termijn met nog eens vier weken worden verlengd. 5. De aanvraag kan uitsluitend worden afgewezen in de gevallen, genoemd in artikel 3 RVRV. 6. In de urgentieverklaring kan het college opnemen waar een passende woning of woonruimte voor de woningzoekende aan moet voldoen. 7. Aan een urgentieverklaring kunnen voorwaarden worden verbonden als bedoeld in artikel 6, 7, tweede lid, of 8, tweede lid, RVRV.
2
8. De urgentieverklaring vervalt zodra aan de woningzoekende een huisvestingsvergunning is verleend. Bij mantelzorgurgenties vervalt de urgentieverklaring ook bij het beëindigen van de mantelzorgsituatie. 9. De urgentieverklaring kan worden ingetrokken in de gevallen, genoemd in artikel 9 RVRV. 10. Het college verstrekt het GWA minimaal eens per maand een opgave van de houders van een urgentieverklaring die zij heeft aangewezen om in aanmerking te komen voor de toewijzing van een sociale huurwoning. Artikel 4 Toekenning van gemelde woningen; aanvaarding; huisvestingsvergunning 1. Bij het aanbieden van een sociale huurwoning aan een woningzoekende hebben woningzoekenden die beschikken over een urgentieverklaring voorrang op andere woningzoekenden. Bij meerdere woningzoekenden met een urgentieverklaring is de volgorde van verlening van de urgentieverklaringen aan woningzoekenden in beginsel leidend. Vervolgens geldt de volgordebepaling zoals vastgesteld in de Huisvestingsverordening gemeente Ameland 2023. Onder het aanbieden van een sociale huurwoning wordt tevens verstaan het aanbieden van een huurovereenkomst aan een zorgaanbieder in het kader van de omklapconstructie. 2. Het GWA bepaalt welke sociale huurwoning aan welke urgent woningzoekende wordt aangeboden. Daarbij wordt rekening gehouden met de eisen van passendheid die blijken uit de urgentieverklaring. 3.
De woningzoekende kan de aangeboden woning alleen weigeren als deze niet passend is. Het GWA meldt een weigering van een aangeboden sociale huurwoning direct aan het college. 4. Bij aanvaarding van het aanbod wordt er een huurovereenkomst gesloten tussen het GWA en woningzoekende. In het geval van een omklapconstructie worden er na aanvaarding van het aanbod twee overeenkomsten gesloten, namelijk een huur- en begeleidingsovereenkomst tussen de woningzoekende en zorgaanbieder en een huurovereenkomst tussen zorgaanbieder en corporatie. 5. Het GWA doet van het sluiten van een huurovereenkomst of omklapconstructie direct mededeling aan het college. Daarop verstrekt het college de woningzoekende per ommegaande een huisvestingsvergunning voor die woonruimte. 6. De voorwaarden die conform artikel 3 lid 7 zijn opgenomen in de urgentieverklaring worden opgenomen in de huisvestingsvergunning. Artikel 5 Bestuurlijke boete In geval van overtreding van artikel 2, tweede lid, door het in gebruik geven van een sociale huurwoning zonder huisvestingsvergunning, kan het college de overtreder een bestuurlijke boete opleggen tot hoogstens het bedrag dat is vastgesteld voor de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 6 Inwerkingtreding en vervallen verordening 1. Deze verordening treedt in werking per 1 januari 2026. 3
2. De verordening vervalt vier jaren na de dag van haar inwerkingtreding. Artikel 7 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Huisvestingsverordening urgent woningzoekenden gemeente Ameland 2025.
4
Toelich ng Algemeen Vanuit de Wet versterking regie volkshuisves ng (Wvrv) zijn alle gemeenten verplicht een huisves ngsverordening met urgen eregeling of urgen everordening vast te stellen. Deze verordening, in Friesland “Huisves ngsverordening urgent woningzoekenden Fryslân (urgen everordening)” genoemd, borgt dat bij woningtoewijzing we-elijk bepaalde aandachtsgroepen voorrang krijgen bij de toewijzing van sociale huurwoningen. De gemeenteraden stellen deze verordeningen vast. Daarmee is de verordening een juridisch verplichtend kader voor de uitvoering van de urgen eregelingen in Fryslân. Deze verandering moet ervoor zorgen dat juist de kwetsbare groepen nergens tussen wal en schip vallen. Bovendien regelt de Huisves ngsverordening urgent woningzoekenden Fryslân (urgen everordening) dat alle gemeenten een eerlijke bijdrage leveren aan de huisves ng van deze mensen, de zogenoemde “fair share”. Daarbij werken de Friese gemeenten samen, vanuit het vertrekpunt dat mensen in Fryslân er voor elkaar zijn; de mienskip.
Fair share Vanuit de Wet versterking regie volkshuisves ng is vastgelegd dat gemeenten in de regio samen invulling geven aan de huisves ngsopgave voor urgent woningzoekenden. Zij maken hierover fair share afspraken. Deze fair share afspraken moeten volgens de wet (art. 6 lid 7 Huisves ngswet) verankerd zijn in de verordening. De Friese gemeenten hebben hierbij de volgende afspraken gemaakt: 1) De huisves ngsopgave van urgent woningzoekenden gaat uit van een gelijkma ge verdeling over de verschillende gemeenten, naar rato van het aantal inwoners. Alleen voor de Waddeneilanden is gelet op hun karakter afgesproken dat zij een lager aandeel huisvesten. 2) Aanvullend op deze ‘naar rato’ verdeling is afgesproken dat eerst toegewezen wordt op basis van de passende woonplek, te definiëren als het principe “instroom=uitstroom”. Voor een aantal urgenten bepalen nabijheid van zorg, voorzieningen of (openbaar) vervoer deze plek. 3) Niet voor alle urgent woningzoekenden is die passende plek eenduidig, bijvoorbeeld omdat het principe “instroom=uitstroom” niet van toepassing of gewenst is. In die situa es wordt gekeken naar een toedeling rich ng gemeenten die nog een te beperkt aandeel huisvesten. 4) In een aantal gemeenten met zeer weinig sociale huurwoningen zullen door een te beperkt aanbod van sociale huurwoningen rela ef veel vrijkomende woningen naar urgenten gaan.
Dat zet het maatschappelijk draagvlak onder druk. Om recht te doen aan de posi e van andere woningzoekenden en voor behoud van maatschappelijk draagvlak geldt dat in een gemeente niet meer dan 1/3 deel van de vrijkomende sociale huurwoningen toegewezen wordt aan deze urgenten (de zogenaamde ‘cap’). Bij gemeenten met een laag aandeel sociale huur ligt nadrukkelijk een opgave voor de gemeente en corpora es om meer sociale huur toe te voegen. 5) Voor de Waddeneilanden geldt als norm dat 15% van de vrijkomende woningen met voorrang worden toegewezen aan urgenten. Dit percentage is gelijk aan het minimale we-elijke niveau. Tevens wordt de specifieke woningmarktsitua e op de Waddeneilanden gerespecteerd, waarbij vrijkomende sociale huurwoningen worden toegewezen aan mensen met een sterke binding met het eiland. Immers in de Huisves ngswet is reeds vastgesteld dat door de geografische ligging de woonwerksitua e op de Waddeneilanden zo met elkaar verweven is, dat een strikte sturing op
5
bindingseisen gerechtvaardigd is. Deze economische-maatschappelijke binding geldt derhalve ook voor urgent woningzoekenden. De verhouding van één op de drie woningen is bepaald op basis van de analyse dat gemiddeld in Fryslân ruim 25% van de vrijkomende sociale huurwoningen naar een urgente kandidaat zou moeten gaan. Die één op de drie lijkt daarmee gemiddeld ruim voldoende om te voorzien in de huisves ngsopgave. Deze werkwijze is uitgewerkt in art. 2 lid 2 en lid 4 van de “Huisves ngsverordening urgent woningzoekenden Fryslân (urgen everordening)”. In lid 2 is de genoemde cap bepaald. Minstens zo belangrijk is daarbij lid 4. Daarin wordt gesteld dat gemeenten die minder urgent woningzoekenden hebben dan de een derde ook een kleiner aandeel urgenten huisvesten. In fic ef rekenvoorbeeld geeB aan hoe dat werkt: • In een gemeente met 20.000 inwoners moeten naar rato van haar omvang in een half jaar 100 urgent woningzoekenden worden gehuisvest. In deze gemeente komen halDaarlijks 300 sociale huurwoningen vrij. Hiervan wordt een derde deel toegewezen aan een urgent woningzoekende, conform art. 2 lid 2. • In een gemeente met 40.000 inwoners moeten naar rato van haar omvang in een half jaar 200 urgent woningzoekenden worden gehuisvest. In deze gemeenten komen halDaarlijks 800 sociale huurwoningen vrij.
Toewijzing van 25% van de woningen (200 van de 800) aan urgent woningzoekenden is in deze gemeente voldoende. Dat kan volgens art. 2 lid 4. Er is sprake van toenemende schaarste. De urgen everordening en fairshare-afspraken voorzien in een evenwich ge verdeling van die schaarste. Soms kunnen meerdere opgaven echter samenkomen met de huisves ng van de urgenten uit deze verordening. Bijvoorbeeld voor personen of huishoudens die vanwege herstructurering hun woning moeten verlaten of bij calamiteiten in de sociale huurvoorraad en daarom snel een woning nodig hebben. De absolute noodzaak van de huisves ng bij herstructurering wordt door alle par jen gedeeld. Die groepen kunnen in een bepaalde periode of in een bepaalde plaats onderling concurreren. Om daarop te an ciperen, bij te sturen en alle belangen maximaal te (blijven) dienen, treffen de gemeente, corpora e(s) en huurdersorganisa es aanvullende maatregelen. Al naar gelang de situa e en jd kunnen die variëren. Te denken valt onder meer aan: aanvullende monitoring en vooral forecas ng, extra afspraken tussen corpora es of gemeenten over uitwisseling van de opgave/het aandeel, spreiding in de jd of kernen, de inzet van alterna eve (al dan niet jdelijke) huisves ng e.d.. Corpora es zorgen voor adequate huisves ng van herstrureringskandidaten en nemen verantwoordelijkheid voor een periode of situa e waarin de verhouding knelt.
Zij nemen dan ini a ef, in overleg met de huurdersorganisa es en betreffende gemeente. De gemeente denkt mee over het vinden van ruimte in een dergelijke situa e en levert daar een construceve bijdrage aan. Werken met een verordening en huisves ngsvergunning: melding, bemiddeling en huisves ngsvergunning In de Huisves ngsverordening urgent woningzoekenden Fryslân (urgen everordening) is de huisvesngsvergunning als instrument opgenomen (art. 2 lid 2 van de verordening). Dit instrument is vanuit de Huisves ngswet verplicht om in te ze-en bij het hanteren van een huisves ngs- of urgen everordening1. Daarmee beoogt de wetgever af te bakenen welke woningen of woonruimte vallen onder de regulering van de verordening en enkel met een vergunning in gebruik mogen worden genomen. Op
1
De huisves ngswet 2014 geeB aan dat de gemeente een huisves ngsverordening ‘kan’ instellen, en dan een vergunningstelsel hanteert. De aanpassingen in de Wet versterking regie verandert dit. De kan-bepaling wordt een ‘moeten’ voor het onderdeel urgen es. Het vergunningstelsel verandert niet en blijB gekoppeld aan de regulering.
6
de Waddeneilanden zijn vanwege de bestaande huisves ngsverordeningen alle sociale huurwoningen van corpora es of het gemeentelijk woningbedrijf al vergunningsplich g. Het deel van de vergunningsplich ge woningen dat aan urgenten wordt toegewezen is vanwege de unieke situa e op de Waddeneilanden vastgesteld op 15% van de vrijkomende sociale huurwoningen. De vrijkomende sociale huurwoningen moeten bekend gemaakt worden bij de gemeente, dan wel de gemandateerde urgen eorganisa e Een (regionale) urgen eorganisa e is de instan e die namens het college de uitvoering van de Huisves ngsverordening urgent woningzoekenden doet. Zo kan gemonitord worden welk deel van de woningen toegewezen wordt aan woningzoekenden met een urgen everklaring. De adressen van de woningen voor urgent woningzoekenden worden bepaald op basis van bemiddeling van urgent woningzoekenden naar een passende woning. Hoe werkt dat in de prak jk? Belangrijk bij de werking is dat we bij de aMakening van taken in het urgen eproces hebben vastgesteld dat de gemeente (de urgen eorganisa e) bepaalt wie urgent is en hiervoor de urgen everklaring afgeeB. De kandidaten met een urgen everklaring worden vervolgens door de urgen eorganisa e doorgegeven aan het GWA, op basis van onder andere het woonplaatsbeginsel en het uitgangspunt fair-share.
Onder woonplaatsbeginsel wordt verstaan dat indien de urgent woningzoekenden als bedoeld in ar kel 12 lid 3 sub c, e, f, g en h Huisves ngswet jdelijk verblijB in een andere gemeente bij het afgeven van de urgen everklaring in beginsel wordt gekoppeld aan het GWA indien hij of zij gehuisvest was binnen de gemeente Ameland voor dit jdelijke verblijf. Het GWA is vervolgens verantwoordelijk voor de bemiddeling van de kandidaat naar een geschikte woning. Deze werkwijze en de formele regeling van melding en verstrekken van de huisves ngsvergunning passen in de algemene Friese aanpak als volgt in elkaar: •
Het GWA meldt rich ng de urgen eorganisa e een overzicht van de vrijgekomen sociale huurwoningen per gemeente.
•
De urgen eorganisa e geeB de urgen everklaring af en meldt de kandidaat bij de corpora e, met daarbij een overzicht van wat in het kader van de urgen e een passende woning is. Periodiek toetst de urgen eorganisa e of de verklaring nog geldig is.
•
Het GWA bemiddelt de kandidaten op basis van de voorwaarden in de urgen everklaring. Het GWA houdt hierbij ook rekening met wat zij als een geschikte woning ziet, op basis van eigen professionele overwegingen rond bijvoorbeeld leeMaarheid in een complex.
•
Na bemiddeling meldt het GWA de bemiddelde woning aan de urgen eorganisa e. Het aantal bemiddelde woningen in een periode van zes maanden moet daarbij gelijk zijn aan een derde (15% op de Wadden) van de vrijgekomen gemelde woningen in die periode (zie onder fair share).
•
De urgen eorganisa e verstrekt op basis van de bemiddeling op grond van de urgen estatus (per ommegaande) de huisves ngsvergunning voor het betreffende adres.
Vanwege het afwijkende karakter en de unieke omstandigheden van de Waddeneilanden wordt daar een andere werkwijze gehanteerd dan het hierboven beschreven stappenplan.
Defini e passende woonruimte Huisves ngswet versus Woningwet Naast de koppeling naar de gemeente, kan de gemeente ook bepalen welke woningen passend zijn voor de urgent woningzoekenden. Te denken is aan een bepaald type woonruimte (groo-e, aantal kamers, toegankelijkheid) in een bepaald type omgeving (in verband met rust, veiligheid). Het begrip passend in de “Huisves ngverordening urgent woningzoekenden Fryslân (urgen everordening)” verwijst naar het begrip in de Huisves ngswet en gaat over wat in het kader van de urgen e een passende woonruimte is. Dat is een ander begrip van passendheid dan die de corpora es hanteren op basis van 7
de Woningwet. Ook daar spreekt de wet over passend toewijzen, maar dan op basis van inkomen. Dat komt verwarrend over. Daarom hierbij de nadrukkelijke toevoeging dat het begrip passend rond urgenes enkel gaat over dat wat een passende woonruimte en -plek is in het kader van de achtergrond van de urgen e.
Boeteclausule In de verordening is in ar kel 5 de mogelijkheid voor het opleggen van een bestuurlijke boete opgenomen. Dit instrument zet de gemeente in met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het evenredigheidsbeginsel. Dit betekent dat de gemeente bij de afweging of er een boete wordt opgelegd alle betrokken belangen meeneemt. Hierbij wordt, bijvoorbeeld bij calamiteiten of herstructurering, rekening gehouden met zeer bijzondere omstandigheden waardoor het in redelijkheid niet mogelijk was om aan de verordening te voldoen.
Definiëring urgente groepen De criteria om te bepalen wie een urgen everklaring kan krijgen, volgen uit de wet (Huisves ngswet 2014, Hvw) en de ministeriële regeling (Regeling versterking regie volkshuisves ng, RVRV). De criteria uit deze we-en zijn op overzichtelijke wijze gegroepeerd. Dat wordt hier toegelicht. Daarbij is ook de tekst van de in het ar kel genoemde bepalingen uit Hvw en RVRV opgenomen. Voor de verhouding tussen de urgen everklaring en de huisves ngsvergunning, zie de algemene toelich ng, onder het kopje ‘Werken met een huisves ngsverordening en huisves ngsvergunning’. Vereisten voor een urgen everklaring a. Alleen meerderjarigen kunnen een urgen everklaring aanvragen. b. Daarbij geldt de algemene, overkoepelende eis: men moet dringend om woonruimte in de regio Fryslân verlegen zi-en. c. Vervolgens onderscheiden we verschillende deelcategorieën die voor een urgen everklaring in aanmerking kunnen komen. Dat zijn de drie groepen asielzoekers met een verblijfsvergunning (de Hvw noemt ze ‘vergunninghouders’). En het zijn de groepen die vanuit de Wet versterking regie volkshuisves ng (art. 12 lid 3 Huisves ngswet) en de nadere definiëring hiervan in de Regeling versterking regie volkshuisves ng zijn benoemd. De bepalingen uit de wet en regeling waarnaar in de verordening wordt verwezen, zijn hieronder integraal overgenomen: Art. 2 RVRV 1.
Een woningzoekende als bedoeld in ar kel 12, derde lid, onderdelen a tot en met i, van de wet [zie hieronder] is: a. economisch gebonden aan de woningmarktregio of de gemeente indien hij met het oog op de voorziening in het bestaan een redelijk belang heeB zich in die woningmarktregio of die gemeente te ves gen; b. maatschappelijk gebonden aan de woningmarktregio of die gemeente indien hij: 1°. ten minste drie jaar onafgebroken ingezetene is dan wel gedurende de voorafgaande vijf jaar ten minste drie jaar onafgebroken ingezetene is geweest van die woningmarktregio of die gemeente; of 2°. verbleef in een instelling als bedoeld in ar kel 12, derde lid, onderdelen c tot en met h, van de wet in die woningmarktregio of die gemeente; of c. behoort tot een urgen ecategorie als bedoeld in ar kel 12, derde lid, onderdelen d en h, van de wet die een zwaarwegend belang heeB zich niet in huidige woningmarktregio of gemeente te ves gen. 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, is een woningzoekende als bedoeld in ar kel 12, derde lid, onderdeel a, van de wet in elk geval maatschappelijk gebonden aan zowel de
8
woningmarktregio of gemeente waar de mantelzorggever woont, als de woningmarktregio of gemeente waar de mantelzorgontvanger woont. – die van ar kel 12 Hvw zoals nader gespecificeerd in de RVRV: Art. 12 Hvw, derde lid 3. Tot de woningzoekenden, bedoeld in het eerste lid [dat zijn woningzoekenden voor wie de voorziening in de behoe e aan woonruimte dringend noodzakelijk is], behoren in ieder geval: a. woningzoekenden die mantelzorg als bedoeld in ar kel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verlenen of ontvangen; b. woningzoekenden die op grond van erns ge en chronische medische redenen dringend woonruimte behoeven; c. woningzoekenden aan wie in ieder geval wegens dakloosheid een voorziening voor opvang als bedoeld in ar kel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is verleend; d. woningzoekenden aan wie wegens huiselijk geweld of mensenhandel een voorziening voor opvang als bedoeld in ar kel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is verleend en deze opvang verlaten; e. woningzoekenden die een voorziening voor beschermd wonen als bedoeld in ar kel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verlaten; f.
woningzoekenden die een verblijf in een instelling als bedoeld in ar kel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg verlaten waar zij geneeskundige geestelijke zorg ontvingen of woningzoekenden die in verband met geneeskundige zorg als bedoeld in ar kel 10, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet in een instelling verbleven in verband met zorg zoals psychiaters en klinischpsychologen plegen te bieden en deze verlaten; g. woningzoekenden die de leeBijd van achTen jaar doch niet de leeBijd van drieëntwin g jaar hebben bereikt en die een accommoda e of gesloten accommoda e als bedoeld in ar kel 1.1 van de Jeugdwet verlaten(hieronder vallen ook degenen die een Nidos jeugdinrich ng verlaten) ; h. woningzoekenden die een inrich ng of voorziening als bedoeld in ar kel 3a van de Beginselenwet jus ële jeugdinrich ngen, een peniten aire inrich ng als bedoeld in ar kel 3, eerste lid, van de Peniten aire beginselenwet of een instelling voor forensische zorg als bedoeld in ar kel 1.1, eerste lid, van de Wet forensische zorg verlaten; en i. woningzoekenden die deelnemen aan een overheidsprogramma gericht op duurzaam uitstappen waarbinnen begeleiding van sekswerkers plaatsvindt bij het vinden van werk of dagbesteding buiten de seksbranche. Bij ministeriële regeling [zie hieronder] worden de voorwaarden gesteld waaraan de woningzoekenden, bedoeld in de eerste volzin, moeten voldoen. Art.
4 RVRV Onverminderd het bepaalde in ar kel 3 [afwijzingsgronden, zie art. 3; zie hierna] komen woningzoekenden als bedoeld in ar kel 12, derde lid, onderdeel a, van de wet in ieder geval in aanmerking voor indeling in die urgen ecategorie indien: a. de mantelzorg in de drie maanden voorafgaande aan het moment van de aanvraag ten minste acht uur per week is verleend of ontvangen; b. de in onderdeel a bedoelde acht uur mantelzorg per week is verleend gedurende ten minste vier dagen per week, tenzij de medische problema ek zoals Alzheimer, schizofrenie of andere chronische psychische aandoeningen 24 uur per dag nabijheid vereisen en de hulp op onverwachte momenten wordt geboden; c. de mantelzorgsitua e naar verwach ng nog minstens één jaar zal voortduren; d. de rela e tussen mantelzorgverlener en mantelzorgontvanger gebaseerd is op familiebanden of langdurige sociale omgang; 9
e. de mantelzorgontvanger of mantelzorgverlener niet in een intramurale instelling wonen; f. de mantelzorgverlener medisch, fysiek en psychisch in staat is mantelzorg te verlenen; g. het betrekken van een woonruimte in de woningmarktregio de meest geschikte manier is om ervoor te zorgen dat de mantelzorgontvanger zelfstandig kan blijven wonen; en h. de mantelzorgverlener en mantelzorgontvanger op ten minste vijf kilometer afstand van elkaar wonen of een gemiddelde reis jd heeB van een half uur. Art. 5, eerste lid, RVRV 1. Onverminderd het bepaalde in ar kel 3 [afwijzingsgronden; zie hierna] komen woningzoekenden als bedoeld in ar kel 12, derde lid, onderdeel b, van de wet in ieder geval in aanmerking voor indeling in een urgen ecategorie indien: a. de woningzoekende kampt met erns ge en chronische medische problema ek, waarbij de huidige woonsitua e levensontwrichtend is omdat de woningzoekende niet meer in staat is zelfstandig te func oneren in de huidige woonruimte, dan wel de behandeling van het probleem aantoonbaar in hoge mate onguns g door de woonsitua e wordt beïnvloed; b. een zelfstandige woonruimte een substan eel deel van de oplossing voor het probleem van de woningzoekende vormt; en c.
de woningzoekende met erns ge en chronische problema ek van psychische aard op het moment van aanvraag ten minste twaalf maanden onder behandeling is of is geweest voor het betreffende medische probleem bij een specialis sche, tweedelijns instelling als bedoeld in arkel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg voor geneeskundige geestelijke zorg of instelling voor geneeskundige zorg als bedoeld in ar kel 10, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet in verband met zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen plegen te bieden, of vrijgeves gd psychiater in Nederland. Art. 7, eerste lid, RVRV 1. Onverminderd het bepaalde in ar kel 3 komen woningzoekenden als bedoeld in ar kel 12, derde lid, onderdeel h, van de wet in ieder geval in aanmerking voor indeling in een urgenecategorie, indien het verblijf, bedoeld in ar kel 12, derde lid, onderdeel h van de wet, ten minste drie maanden heeB geduurd. Art. 8, eerste lid, RVRV 1. Onverminderd het bepaalde in ar kel 3 komen woningzoekenden als bedoeld in ar kel 12, derde lid, onderdeel i, van de wet in ieder geval in aanmerking voor indeling in een urgenecategorie indien huisves ng een voorwaarde is om het uitstappen uit de seksbranche duurzaam mogelijk te maken.
Beslistermijn Wanneer aanvullende gegevens zijn gevraagd (ar kel 3, derde lid van de verordening), wordt de beslistermijn opgeschort totdat die gegevens zijn ontvangen of de gestelde termijn ongebruikt is verstreken (art. 4:15, eerste lid, Awb). Als verlenging van de termijn nodig blijkt, zal dat moeten worden gemo veerd in de verlengingsbeschikking (art. 3:46 Awb). Afwijzingingsgronden van ar kel 3 RVRV Art. 3 RVRV Het college kan een aanvraag van een woningzoekende als bedoeld in ar kel 12, derde lid, onderdelen a tot en met i, van de wet voor indeling in een urgen ecategorie, uitsluitend afwijzen indien: a. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisves ngsprobleem is ontstaan als gevolg van huisuitzeTng in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag door overlast,
10
fraude of criminele ac viteiten die zijn veroorzaakt door de aanvrager of een lid van diens huishouden; b. de posi e op de woningmarkt van de aanvrager zodanig is dat deze zelf binnen een redelijke termijn een woonruimte via de reguliere weg binnen de regio kan vinden; c. de woningzoekende de mogelijkheid heeB om binnen een redelijke termijn het woonprobleem op te lossen door het al dan niet jdelijk bewonen van onzelfstandige woonruimte; d. het huisves ngsprobleem is ontstaan of bestaat doordat de aanvrager of een lid van het huishouden een woningaanpassing als bedoeld in ar kel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 niet heeB uitgevoerd; e. de woningzoekende niet in staat is om langdurig zelfstandig te wonen; f. de woningzoekende niet in het eigen bestaan of in de kosten voor de woning kan voorzien of de schulden niet geregeld zijn; of g. de woningzoekende al is ingedeeld door een college van een andere gemeente binnen de woningmarktregio in de urgen ecategorie waarvoor de woningzoekende een aanvraag heeB ingediend. Geschikte woning Naast de in het vijfde lid genoemde zaken zijn ook de voorwaarden van het zesde lid belangrijke elementen van het ‘zoekprofiel’, dat bepalend is voor de vraag wat een geschikte woning is, dus naar welk type woning (en waar) moet worden gezocht. Art.
6 RVRV Onverminderd het bepaalde in ar kel 3 kan het college uitsluitend de volgende aanvullende voorwaarden stellen bij het indelen in een urgen ecategorie voor woningzoekenden als bedoeld in ar kel 12, derde lid, onderdelen c tot en met g, van de wet: a. de woningzoekende ontvangt begeleiding voor een door het college te bepalen duur van een instelling in de regio, indien dit naar het oordeel van het college nodig is voor het zelfstandig wonen van de woningzoekende; b. de woningzoekende neemt de woonruimte in gebruik van een zorginstelling, indien dat naar het oordeel van het college nodig is voor het zelfstandig wonen van de woningzoekende; of c. de indeling in de urgen ecategorie beperkt zich tot een woonruimte in een gebied met kenmerken die structureel bijdragen aan de deelname van de woningzoekende aan de maatschappij. Art. 7, tweede lid, RVRV 2. Het college kan bij de indeling in een urgen ecategorie als bedoeld in ar kel 12, derde lid, onderdeel h, van de wet uitsluitend de volgende aanvullende voorwaarden stellen: a. de woningzoekende ontvangt begeleiding voor een door het college te bepalen duur van een instelling in de regio, indien dit naar het oordeel van het college nodig is voor het zelfstandig wonen van de woningzoekende; b.
de woningzoekende krijgt de woonruimte in gebruik van een zorginstelling, indien dat naar het oordeel van het college nodig is voor het zelfstandig wonen van de woningzoekende; of c. de indeling in de urgen ecategorie beperkt zich tot een woonruimte in een gebied met kenmerken die structureel bijdragen aan de deelname van de woningzoekende aan de maatschappij. Art. 8, tweede lid, RVV 2. Het college kan als aanvullende voorwaarde stellen aan de woningzoekende, bedoeld in het eerste lid, dat hij begeleiding ontvangt voor een door het college te bepalen duur van een instelling in de regio, indien dit naar het oordeel van het college nodig is voor het zelfstandig wonen van de woningzoekende. 11
De intrekkingsgronden van ar kel 9 RVRV Art. 9 RVRV Het college kan een indeling in een urgen ecategorie uitsluitend intrekken indien: a. niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in ar kel 2; b. er sprake is van een afwijzingsgrond als bedoeld in ar kel 3 nadat de indeling in een urgen ecategorie heeB plaatsgevonden; c. de woningzoekende niet meer in aanmerking komt voor toedeling in een urgen ecategorie op grond van de ar kelen 4 tot en met 8; d. de woningzoekende bij het verzoek om indeling in een urgen ecategorie onjuiste of onvolledige gegevens heeB verstrekt; of e. de woningzoekende een of meerdere malen een geschikte woning heeB geweigerd.
12