CConstaterende datAmeland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage. KNRM_ruimtelijke_onderbouwing (incl. bijlagen).pdf

Raad 19 december 2022, gemeente AmelandBij agendapunt: Voorstel inzake verklaring van geen bedenkingen nieuwbouw stallingsruimte en bemanningsverblijf KNRM Ballumerbocht28.253 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Realisatie botenhuis KNRM Ruimtelijke onderbouwing

Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij 1 augustus 2022

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Realisatie botenhuis KNRM Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij

Ruimtelijke onderbouwing Definitief 1 augustus 2022 124913/22-007.038

124913 J. Hassing drs. M.J. Schilt

W. Claus MSc J. Hassing J. Hassing

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Ligging plangebied

5

1.3

Geldende beheersverordening

6

1.4

Leeswijzer

6

2

BESCHRIJVING PLANGEBIED

7

2.1

Huidige situatie

7

2.2

Toekomstige situatie

9

2.3

Toetsing aan beheersverordening

10

3

BELEIDSKADER

12

3.1

Rijksbeleid

12

3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4

12 13 13 14

3.2

3.3

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Ladder voor duurzame verstedelijking Derde nota Waddenzee

Provinciaal beleid

14

3.2.1 3.2.2

14 15

Omgevingsvisie Fryslân 2020 Verordening Romte Fryslân 2014

Gemeentelijk beleid

16

3.3.1 3.3.2

Structuurvisie Ameland 2011 Welstandsnota 2016

16 17

4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

18

4.1

Natuur

18

4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.2

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Water 4.2.1 4.2.2

18 19 23 23

Toetsingskader Resultaten

23 24

4.2.3

Conclusie

26

4.3

Bodem

27

4.4

Verkeer en parkeren

27

4.5

Archeologie

28

4.5.1 4.5.2 4.5.3

28 28 29

4.6

4.7

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Landschap en cultuurhistorie

30

4.6.1 4.6.2 4.6.3

30 30 31

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Externe veiligheid

31

4.7.1 4.7.2 4.7.3

31 32 33

Toetsingskader Resultaten Conclusie

4.8

Bedrijven en milieuzonering

33

4.9

Luchtkwaliteit

34

4.9.1 4.9.2 4.9.3

34 34 34

Toetsingskader Resultaten Conclusie

4.10

Geluid

34

4.11

Kabels en leidingen

35

4.12

Ontplofbare oorlogsresten

35

4.12.1

Toetsingskader

35

5

UITVOERBAARHEID

36

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

36

5.2

Economische uitvoerbaarheid

36

5.2.1 5.2.2

36 36

Financiering en grondverwerving Beheer

Laatste pagina

Bijlage(n)

36 Aantal pagina's

I

Aanzichten en ontwerptekeningen

4

II

Plankaart van de beheersverordening 'Havens Nes en Ballumerbocht’

1

III

Rapport Quickscan Flora en Fauna

38

IV

Notitie Stikstofdepositie onderzoek

33

V

Waterveiligheidsbeschouwing en ontwerpnota

42

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

De Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (hierna: KNRM) is een stichting voor het verlenen van hulp aan in nood verkerende mensen en schepen langs de Nederlandse kust. Van de KNRM zijn twee reddingstations actief op Ameland: reddingsstation Nes en reddingsstation Ballumerbocht. Om de werkzaamheden in de toekomst efficiënter te kunnen uitvoeren worden deze twee stations samengevoegd tot één station. De kleinere locatie in het dorp Nes wordt samengevoegd met de grotere locatie aan de Ballumerbocht. Om de samenvoeging van de stations mogelijk te maken is de KNRM voornemens een groter botenhuis bij het reddingstation Ballumerbocht te bouwen, waarvoor het vergroten van het buitendijkse terp als waterkering en het slopen van het huidige botenhuis een noodzakelijke stappen zijn. Voor de realisatie van het nieuwe botenhuis is een omgevingsvergunning vereist om af te wijken van de beheersverordening. Het betreft een buitenplanse afwijking. Dit betekent dat de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend als de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat (conform artikel 2.12 lid 1a sub 3 Wabo). Voorliggende ruimtelijke onderbouwing dient als motivering voor de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

De omgevingsvergunning ziet enkel op het bouwen van het botenhuis en niet op het vergroten van de terp. Echter, de terpvergroting wordt wel besproken in de ruimtelijke onderbouwing, omdat de terpvergroting als randvoorwaarde geldt voor de realisatie van het nieuwe botenhuis. In paragraaf 2.3 is de strijdigheid met de beheersverordening nader beschreven.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de zuidkant van Ameland ter hoogte van de Ballumerbocht in de gemeente Ameland (provincie Friesland). De locatie ligt op circa twee kilometer ten oosten van het dorp Ballum. Het plangebied is kadastraal bekend bij de gemeente Ameland onder de nummers 551-H en 88-E. Daarnaast ligt het plangebied in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân (waterschap). De kuststrook waarin het plangebied is gelegen is onderdeel van een primaire waterkering in eigendom en beheer bij Wetterskip Fryslân. Het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’ (UNESCO werelderfgoed) grenst aan de oostelijke zijde van het plangebied. De wijde omgeving van het plangebied kenmerkt zich door agrarisch grondgebruik. Het huidige botenhuis is ontsloten aan de Smitteweg. Afbeelding 1.1 geeft een globale weergave van de ligging van het plangebied.

5 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

Afbeelding 1.1 Globale weergave ligging plangebied

1.3

Geldende beheersverordening

Ter plaatse gelden de beheersverordening 'Havens Nes en Ballumerbocht' (onherroepelijk, vastgesteld 2406-2013) en de 'Partiële herziening beheersverordening Havens Nes en Ballumerbocht' (onherroepelijk, vastgesteld 25-11-2013). Beheersverordening Haven Nes en Ballummerbocht Voor het gebied Havens Nes en Ballumerbocht is in april 1995 een bestemmingsplan vastgesteld. In 1998 is een partiële herziening opgesteld. Voor het plangebied moest destijds een geactualiseerd bestemmingsplan worden opgesteld. Dit bestemmingsplan is echter niet voor 1 juli 2013 vastgesteld. Ter overbrugging van de periode tot aan de vaststelling van dit geactualiseerde plan kiest de gemeente Ameland voor het opstellen van een beheersverordening. Met deze beheersverordening kan tijdig aan de actualisatieplicht uit de Wet ruimtelijke ordening worden voldaan. De beheersverordening van 2013 verwijst naar de regels en de plankaart uit het oude bestemmingsplan Havens Nes en Ballumerbocht uit 1995. Partiële herziening beheersverordening Havens Nes en Ballumerbocht Er is gebleken dat in de beheersverordening een te grote vrijwaringszone voor de primaire waterkering is opgenomen. Daarnaast zijn ter plaatse van de vrijwaringszone op basis van de beheersverordening helemaal geen ontwikkelingen mogelijk, die vanuit het beleid van het Wetterskip Fryslân en de provincie Friesland wel zijn toegestaan.

De gemeente Ameland heeft daarom besloten de beheersverordening op dit gebied te herzien.

1.4

Leeswijzer

Deze ruimtelijke onderbouwing bestaat uit vijf hoofstukken. Na dit eerste inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie. Daarnaast wordt in hoofdstuk 2 de toekomstige situatie getoetst aan de geldende beheersverordening. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader van het Rijk, de provincie Friesland en de gemeente Ameland. Hoofdstuk 4 onderbouwt de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de milieu- en omgevingsaspecten. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 de uitvoerbaarheid van het plan beschreven.

6 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

2 BESCHRIJVING PLANGEBIED In dit hoofdstuk wordt het plangebied beschreven. Allereerst wordt ingegaan op de huidige situatie en vervolgens wordt ingegaan op de toekomstige situatie. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk de toekomstige situatie getoetst aan de geldende beheersverordening en de partiële herziening.

2.1

Huidige situatie

Op Afbeelding 2.1 is de huidige situatie van de KNRM aan de Ballumerbocht weergegeven. Het huidige botenhuis ligt op een buitendijkse terp (zie Afbeelding 2.2). Deze terp maakt deel uit van de kernzone van de primaire waterkering van normtraject 2-2 en is in eigendom en beheer bij Wetterskip Fryslân. De pier bestaat grotendeels uit verhardingen en ligt op circa 2,5 tot 4,5 meter boven NAP, waardoor deze bij storm soms deels onder water komt te staan. De pier bestaat uit basaltblokken en puinverharding, waarbij delen begroeid zijn met vegetatie en andere delen vrij zijn van vegetatie. Er zijn geen bomen aanwezig op de locatie. De pier is grotendeels vrij toegankelijk voor publiek. Er bevindt zich tevens een loopbrug ten behoeve van de afmeervoorziening. Het gebouw doet dienst als vergader- en ontmoetingsruimte voor de reddingbootbemanning en als werkruimte voor de beroepsschipper. Het gebouw beschikt tevens over een droog- en opslagruimte voor de overlevingspakken, een werkplaatsje voor klein onderhoud, een KNRMwinkeltje waarin artikelen worden opgeslagen en een opvangruimte voor gereddenen en patiënten. Het huidige gebouw aan de Ballumerbocht is op dit moment niet toereikend voor de huidige bemanning. Daarnaast sluit het huidige botenhuis niet aan op de ambitie van de KNRM om energie neutraal te worden en is de bestaande bebouwing verzakt.

7 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

Afbeelding 2.1 Huidige situatie

Afbeelding 2.2 Impressie van het plangebied

8 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

2.2

Toekomstige situatie

Op dit moment bevinden zich twee reddingstations op Ameland: te Nes en te Ballum. Deze reddingstations zijn op zichzelf staande eenheden met eigen bemanning en een eigen bemanningsverblijf, boothuis en materieel. In de toekomstige situatie worden deze stations samengevoegd tot één station aan de Ballumerbocht. Hierdoor verdubbelt het aantal reddingsboten op de locatie aan de Ballumerbocht van 1 naar 2 reddingsboten. Het aantal acties (inclusief oefeningen) bedraagt gemiddeld 15 (bestaande uit 30 vaarbewegingen) per jaar voor het reddingsstation te Nes en gemiddeld 45 (bestaande uit 90 vaarbewegingen) per jaar voor het reddingsstation Ballumerbocht. Omdat de stations worden samengevoegd telt het totale aantal acties op tot 60 acties per jaar vanuit reddingsstation Ballumerbocht in de toekomstige situatie. Wanneer de twee stations worden samengevoegd verdubbelt het bemanningsaantal en het bijbehorende materieel. Het huidige gebouw aan de Ballumerbocht is op dit moment niet toereikend voor de huidige bemanning. Bovengenoemde samenvoeging van zowel bemanning als opslag van materieel is niet mogelijk in het huidige botenhuis. Om de samenvoeging van de stations mogelijk te maken is de KNRM voornemens een groter botenhuis bij het reddingstation Ballumerbocht te bouwen.

De KNRM is voornemens om een gebouw neer te zetten dat groot genoeg is om beide bemanningsploegen met volledige uitrusting onder één dak te kunnen huisvesten en waar ook voldoende ruimte is voor de opslag van materieel. Het nieuwe botenhuis bestaat onder andere uit een stallingsruimte, een kantoor, een bemanningsverblijf, een werkplaats, een pakkenruimte en doucheruimtes. De KNRM is voornemens een energieneutraal gebouw te realiseren dat gebruik maakt van zonnepanelen, een warmtepomp en gasvrije voorzieningen en aansluitingen. Om het botenhuis te kunnen realiseren wordt eerst het huidige botenhuis gesloopt en vervolgens de terp verhoogd en verbreed. De terp wordt verhoogd van circa 4,0 meter boven NAP naar circa 5,0 meter boven NAP. Het nieuwe botenhuis heeft een oppervlakte van circa 450 m2. De nok van het nieuwe botenhuis heeft een hoogte van circa 6,5 meter. In Afbeelding 2.3 is de toekomstige situatie weergegeven. Afbeelding 2.4 geeft de aanzichten van het nieuwe botenhuis (ontwerp). De aanzichten en ontwerptekeningen zijn opgenomen in bijlage I. Afbeelding 2.3 Toekomstige situatie

9 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

Afbeelding 2.4 Aanzichten nieuwe botenhuis

2.3

Toetsing aan beheersverordening

In deze paragraaf wordt het voornemen getoetst aan de geldende beheersverordening. Zoals in paragraaf 1.3 is beschreven zijn de beheersverordening 'Havens Nes en Ballumerbocht' (onherroepelijk, vastgesteld 2406-2013) en de 'Partiële herziening beheersverordening Havens Nes en Ballumerbocht' (onherroepelijk, vastgesteld 25-11-2013) de geldende ruimtelijke plannen ter plaatse van het plangebied. Beheersverordening Haven Nes en Ballummerbocht Ter plaatse van het te realiseren botenhuis rust de bestemming ‘Waterstaatsdoeleinden, categorie I’ (artikel 6). De op de kaart voor waterstaatsdoeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor waterkeringen, met daarbij behorende verhardingen, wegen en paden, parkeervoorzieningen, gebouwen, wateren en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Het boothuis is daarom in strijd met de gebruiksregels van de bestemming ‘Waterstaatsdoeleinden, categorie I’. De terpvergroting kan worden geschaard onder waterstaatsdoeleinden en is daarmee planologisch inpasbaar. Daarnaast bevat de plankaart een bouwvlak waarbinnen gebouwen mogen worden gebouwd. In de kaart is een aanduiding opgenomen dat het bouwvlak voor 50 % mag worden volgebouwd. Het bouwvlak heeft een oppervlakte van 192 m2 wat betekent dat de oppervlakte van een gebouw hier maximaal 96 m2 mag

10 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

bedragen. Het nieuwe botenhuis betreft een gebouw met een oppervlakte van ongeveer 450 m2. Tevens geldt vanuit de plankaart voor dit bouwvlak een bouwhoogte (nokhoogte) van 5 meter. Deze de toegestane bouwhoogte (nokhoogte) van 5 meter wordt ook overschreden met de bouw van het nieuwe botenhuis. Om de voorgenomen ontwikkeling planologisch mogelijk te maken, wordt een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ aangevraagd (artikel 2.1 lid 1 onder c Wabo). Voor de strijdigheden zijn geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo dient de omgevingsvergunning daarom te zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Deze ruimtelijke onderbouwing is de invulling van dit artikel. In bijlage II is de plankaart van de beheersverordening 'Havens Nes en Ballumerbocht' weergegeven. Partiële herziening beheersverordening Havens Nes en Ballumerbocht In Afbeelding 2.5 is een uitsnede weergegeven van de plankaart van de ‘Partiële herziening beheersverordening Havens Nes en Ballumerbocht’. Afbeelding 2.5 Uitsnede plankaart ‘Partiële herziening beheersverordening Havens Nes en Ballumerbocht’

Ter plaatse van het te realiseren boothuis rust de vrijwaringszone ‘dijk’. De beheersverordening geeft aan dat binnen deze zone geen gebouwen, overkappingen en andere bouwwerken mogen worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de dijk (artikel 4.1.1.). Artikel 2.2 van de ‘Partiele herziening beheersverordening Havens Nes en Ballumerbocht’ biedt echter een binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.1.1 in die zin dat gebouwen, overkappingen en/of andere bouwwerken mogen worden gebouwd, mits vooraf advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de dijk, in dit geval Wetterskip Fryslân.

11 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

3 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden voor onderhavig plan relevante ruimtelijk beleid en wet- en regelgeving beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen het plan en het beleid en getoetst wordt of het plan in overeenstemming is met het geldende beleid.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI beschrijft 21 nationale belangen. De volgende belangen zijn van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling: - waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid; - beperken van klimaatverandering. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid Het is van nationaal belang om de waterveiligheid te waarborgen.

De veiligheid komt tot stand door inzet op de drie lagen van meerlaagsveiligheid: inzet op het voorkomen van een overstroming door sterke dijken, dammen en duinen (preventie) én het beperken van de gevolgen van een overstroming via waterrobuuste ruimtelijke inrichting en crisisbeheersing (evacuatie, rampenplannen). In Nederland kunnen een snellere zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, intensivering van neerslagpieken en grotere kans op extreme warme en droge periodes extra risico’s opleveren voor de waterveiligheid, mede met het oog op mogelijke ontwikkelingen na 2050. Beperken van klimaatverandering In het akkoord van Parijs is afgesproken de mondiale klimaatverandering te beperken tot ruim onder de twee graden temperatuurstijging ten opzichte van pre-industrieel niveau en te streven naar 1,5 graad, om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering significant te beperken. Ook is afgesproken om zo snel mogelijk een mondiale piek in de emissies te bereiken en daarna afname van emissies. Het doel is in de tweede helft van de eeuw een balans tussen antropogene emissies en vastlegging van broeikasgassen te realiseren. Nederland heeft zich hieraan gecommitteerd. Het is van nationaal belang om de internationaal afgesproken doelen te halen en de in de Klimaatwet vastgelegde bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering te leveren.

12 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

Relatie plan met NOVI Met de voorgenomen ontwikkeling wordt invulling gegeven aan bovengenoemde nationale belangen. De KNRM is een organisatie met een maatschappelijke doelstelling, namelijk het verlenen van hulp aan in nood verkerende mensen en schepen langs de Nederlandse kust. Met de toename van extremen in de weerspatronen is de dienstverlening van de KNRM de laatste jaren belangrijker geworden. Door de twee reddingsstations samen te voegen kunnen reddingsacties op een efficiëntere manier worden uitgevoerd. Hiermee maakt het plan deel uit van de crisisbeheersing van de waterveiligheid in Nederland. In paragraaf 4.2 wordt uiteengezet waarom een toekomstige versterking van de waterkering niet onomkeerbaar wordt belemmerd met voorgenomen plan. Daarnaast is de KNRM voornemens een energieneutraal gebouw te realiseren dat gebruik maakt van een warmtepomp, groene energie en gasvrije voorzieningen en aansluitingen. Hiermee draagt het plan bij aan de klimaatdoelstellingen. Het voornemen past daarmee binnen de nationale belangen beschreven in de NOVI.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de NOVI ten aanzien van de daarin genoemde nationale belangen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan de versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Relatie plan met Barro In het Barro wordt het plangebied aangewezen als waddengebied (titel 2.5 Barro). In artikel 2.5.2 van het Barro zijn de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de Waddenzee en het waddengebied opgenomen. Als landschappelijke kwaliteiten van de Waddenzee worden aangemerkt de rust, weidsheid, open horizon en natuurlijkheid met inbegrip van de duisternis. In titel 2.5 zijn enkel regels opgenomen ten aanzien van het opstellen van een bestemmingsplan. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing dient als motivering voor de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het Barro staat daarmee het planvoornemen niet in de weg.

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Deze regeling staat beschreven in artikel 3.1.6 Bro. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt via een bestemmingsplan, uitwerkings- of wijzigingsplan, of een omgevingsvergunning. Zo bevat een dergelijk plan een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling.

13 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

Relatie plan met ladder voor duurzame verstedelijking Het voorgenomen plan valt niet onder de definitie van stedelijke ontwikkeling in de zin van een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet aan de orde.

3.1.4

Derde nota Waddenzee

De derde nota Waddenzee bevat de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor de Waddenzee. Deze planologische kernbeslissing (pkb) integreert het ruimtelijk beleid voor de Waddenzee en is gebiedsgericht van karakter. Daarnaast is de pkb richtinggevend voor het ruimtelijk beleid van provincies en gemeenten. Onder het waddengebied wordt in de pkb verstaan de Waddenzee, de Waddeneilanden, de zeegaten tussen de eilanden, de Noordzeekustzone tot 3 zeemijl uit de kust, alsmede het grondgebied van de aan de Waddenzee grenzende vastelandsgemeenten. Het waddengebied staat weergegeven op toelichtende kaart van de pkb. De hoofddoelstelling voor de Waddenzee is de duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied en het behoud van het unieke open landschap. Er mag in de Waddenzee geen bebouwing worden opgericht op geplaatst, met uitzondering van bouwwerken noodzakelijk voor de veiligheid van het scheepvaartverkeer in de Waddenzee. Daarnaast mag nieuwe bebouwing in de nabijheid van de Waddenzee alleen plaatsvinden binnen de randvoorwaarden van het nationaal ruimtelijk beleid, en dient qua hoogte aan te sluiten bij de bestaande bebouwing en daar waar het gaat om bebouwing in het buitengebied, te passen bij de aard van het landschap. Relatie plan met derde nota Waddenzee Het plangebied is niet op de toepassingskaart opgenomen als pkb-gebied.

In het kader van het planvoornemen wordt een botenhuis gerealiseerd ten behoeve van het verlenen van hulp aan in nood verkerende mensen en schepen langs de Nederlandse kust. De maatschappelijke functie van de KNRM is daarmee essentieel langs de Nederlandse kust. De landschappelijke inpasbaarheid wordt besproken in paragraaf 3.3.2 en paragraaf 4.6. Het planvoornemen is niet in strijd met de derde nota Waddenzee.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Fryslân 2020

Op 23 september 2020 hebben Provinciale Staten de omgevingsvisie Fryslân 2020 vastgesteld. De hoofdambitie voor de provincie Fryslân is een vitale, veerkrachtige, karakteristieke en gezonde leefomgeving. In de visie worden een aantal vraagstukken die op provinciaal niveau spelen besproken. Om de ambities voor de lange termijn te kunnen realiseren, vragen vier opgaven nu om acties en keuzes: - Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar; - Fryslân zet de energietransitie met kracht voort; - Fryslân wordt klimaat-adaptief ingericht; - Fryslân versterkt de biodiversiteit. Per ambitie wordt in de omgevingsvisie aangegeven wat de opgave is, wat de doelstellingen zijn en hoe de ambitie wordt aangepakt. Hieronder wordt het thema waterveiligheid toegelicht, welke wordt geschaard onder het thema klimaat-adaptief inrichten. Waterveiligheid Voor toekomstige versterking van primaire waterkeringen moet voldoende ruimte beschikbaar blijven. Het reserveren van zones voor toekomstige dijkversterking draagt eraan bij dat deze versterkingen tegen de laagste maatschappelijke kosten kunnen plaatsvinden. Hiermee voorkomen we onomkeerbare ruimtelijke

14 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

ontwikkelingen die nadelig kunnen zijn voor toekomstige dijkversterkingen. Ter voorkoming van calamiteiten wordt gewerkt met het principe van meerlaagsveiligheid: - preventie; - ruimtelijke inrichting en locatiekeuze; - calamiteitenbeheersing. Voor de waterveiligheid moet elke laag op orde zijn. Samen met het Wetterskip Fryslân heeft de provincie Fryslân bekeken waar het nodig is om de reserveringszones voor dijkversterking te borgen in de Omgevingsverordening (zie paragraaf 3.2.2). Energietransitie Om de afspraken van Parijs te halen moet de uitstoot van broeikasgassen (voornamelijk CO2) dalen. Hiertoe zal in de komende 20 tot 30 jaar de overstap van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energie moeten worden gemaakt. De energietransitie heeft grote impact op het gebruik van de ruimte en op de identiteit en beleving van het landschap. De provincie Friesland richt zich vooral op vormen van duurzame energieopwekking die weinig of geen effect op het landschap hebben en weinig of geen overlast veroorzaken. Relatie plan met omgevingsvisie Fryslân 2020 Met de voorgenomen ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de bovengenoemde ambitie ten aanzien van waterveiligheid. De KNRM is een organisatie met een maatschappelijke doelstelling, namelijk het verlenen van hulp aan in nood verkerende mensen en schepen langs de Nederlandse kust.

Met de toename van extremen in de weerspatronen is de dienstverlening van de KNRM de laatste jaren belangrijker geworden. Door de twee reddingsstations samen te voegen kunnen reddingsacties op een efficiëntere manier worden uitgevoerd. Hiermee maakt het plan deel uit van de crisisbeheersing van de waterveiligheid in Nederland. In paragraaf 3.2.2 wordt ingegaan op de reserveringszone ten aanzien van toekomstige dijkversterkingen. Daarnaast is de KNRM voornemens een energieneutraal gebouw te realiseren dat gebruik maakt van een warmtepomp, groene energie en gasvrije voorzieningen en aansluitingen. Het energieneutrale gebouw heeft geen effect op het landschap. Hiermee draagt het plan bij aan de klimaatdoelstellingen van de provincie Fryslân. Het voornemen past daarmee binnen de ambities beschreven in de Omgevingsvisie Fryslân 2020.

3.2.2

Verordening Romte Fryslân 2014

Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de verordening Romte Fryslân vastgesteld. In de verordening zijn regels opgenomen die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. In de verordening staan regels over de thema’s bundeling, ruimtelijke kwaliteit, wonen, werken, recreatie en toerisme, landbouw, natuur, kustverdediging en duurzame energie. De regels in de verordening zijn een verdere uitwerking van het Streekplan Fryslân 2007 en bevatten de provinciale kaders waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. In de verordening staat geen nieuw beleid. Dit betekent dat uitsluitend geldend provinciaal ruimtelijk beleid is omgezet in algemeen geldende regels. Relatie plan met Verordening Romte Fryslân 2014 Gelet op artikel 1.1.1 (bundeling) van de verordening mogen in een plan voor het landelijk gebied geen bouwmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies. Het planvoornemen gaat echter niet om een functie die is gekoppeld aan het functioneren van een dorp of stad. Het thema bundeling vormt geen belemmering voor de bouw van het botenhuis. Het plangebied is op de kaarten van de verordening aangewezen als reserveringszone voor versterking primaire waterkeringen. In artikel 8.1 van de verordening zijn regels opgenomen ten aanzien van deze reserveringszone.

Bebouwing voor hulpdiensten is toegestaan ingevolge artikel 8.1.1, lid 2, sub c. In

15 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

paragraaf 4.2 wordt uiteengezet waarom een toekomstige versterking van de waterkering niet onomkeerbaar wordt belemmerd met voorgenomen plan. De Verordening Romte Fryslân 2014 vormt geen belemmering voor het plan.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Ameland 2011

De structuurvisie geeft een integraal kader voor ruimtelijke ontwikkelingen voor de komende 10 jaar op Ameland. Naast kaders voor toekomstige ontwikkelingen geeft de structuurvisie ook aan, op welke wijze de gemeente Ameland haar ambities wil realiseren. De visie voor de gemeente Ameland is het toekomstbeeld voor de gemeente, bestaande uit een visiekaart met de uitgangssituatie, een visiekaart met ontwikkelingen en een toelichting. Landschap, natuur en cultuurhistorie bepalen de ruimtelijke kaders, andere functies zijn hier onderdeel van. Dit zijn bestaande functies die de gemeente Ameland minimaal wil behouden en beheren. Het totaalbeeld hiervan vormt de uitgangssituatie en is weergegeven op de 'structuurvisiekaart uitgangssituatie'. Verschillende van deze functies wenst de gemeente verder te ontwikkelen, te vernieuwen of te herstructureren. Deze ambities zijn beschreven in tekst of zijn in de vorm van concrete projecten terug te vinden op de visiekaart. Zij zijn onderdeel van het ontwikkelingsprogramma voor de komende 10 jaar en weergegeven op de 'structuurvisiekaart ontwikkelingen'.

Afbeelding 3.1 Structuurvisiekaart uitgangssituatie

16 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

Afbeelding 3.2 Structuurvisiekaart ontwikkelingen

Relatie plan met Structuurvisie Ameland 2011 Op de ‘structuurvisiekaart uitgangspositie’ is het plangebied aangewezen als corridor voor laagvliegverkeer en haven. Dit zijn de bestaande functies ter plaatse van het plangebied die de gemeente Ameland minimaal wil behouden en beheren. Voorgenomen plan heeft geen invloed op de corridor voor laagvliegverkeer, omdat de bouwhoogte van het nieuwe botenhuis niet substantieel afwijkt van de bouwhoogte van het huidige botenhuis. Daarnaast vindt met voorgenomen plan geen wijziging plaats aan de haven. Het plangebied is niet aangewezen op de ‘structuurvisiekaart ontwikkelingen’ als een gebied waar bepaalde ontwikkelingen zijn voorzien. Het voorgenomen plan staat de structuurvisie Ameland niet in de weg.

3.3.2

Welstandsnota 2016

De gemeenteraad van Ameland heeft op 21 maart 2016 de Welstandsnota 2016 vastgesteld. Deze nota is een actualisering van de Welstandsnota 2004. De welstandscriteria zijn grotendeels gericht op het behoud van de basiskwaliteiten van de gebouwde omgeving. Dit betekent echter niet dat nieuwe, bijzondere of afwijkende bouwplannen niet meer mogelijk zijn. Ook bijzondere bouwplannen zijn op Ameland van harte welkom. Daar waar mogelijk en gewenst, biedt de welstandsnota dan ook een sturend en stimulerend kader. De Welstandsnota geeft het welstandsbeleid van de gemeente Ameland weer. De welstandscriteria zijn grotendeels gericht op het behoud van de basiskwaliteiten van de gebouwde omgeving. De Welstandsnota is altijd naast het bestemmingsplan van toepassing. Relatie plan met welstandsnota 2016 Voor het plangebied is het deelgebied ‘Havengebied’ van toepassing. Het beleid van dit deelgebied is gericht op het behoud van de huidige beeldkwaliteit. De plaatsing van de gebouwen is divers, maar altijd vrij in de ruimte. Door de openheid van het haventerrein en de zichtbaarheid van de gebouwen vanaf het water zijn de gebouwen van diverse kanten te benaderen. Het huidige botenhuis van de KNRM aan de Ballumerbocht is opgenomen als voorbeeld van bebouwing in het deelgebied ‘Havengebied’.

Het beleid is geconcretiseerd met afzonderlijke criteria die strikt dienen te worden gehandhaafd/gerespecteerd en criteria waarbij enige ruimte voor incidentele wijzigingen aanwezig is. Het thema landschappelijke inpasbaarheid wordt nader besproken in paragraaf 4.6.

17 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een bestemmingsplan door middel van een integrale ruimtelijke benadering nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de consequenties van het plan voor de omgeving en omwonenden. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is van toepassing voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de bespreking van diverse omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen, en hiermee wordt de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Hoewel de omgevingsvergunning - afwijken bestemmingsplan enkel ziet op het realiseren van het nieuwe botenhuis, zijn ook de effecten van de terp vergroting hieronder beschouwd.

4.1

Natuur

In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het ontwerp vanuit het oogpunt van natuur.

4.1.1

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming regelt op hoofdlijnen drie zaken: 1 bescherming van planten- en diersoorten; 2 bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden; 3 bescherming van bos en houtopstanden. Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Wet natuurbescherming onderscheid in drie categorieën: - vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; - Habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn; - andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond. Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang. Er zijn vijf categorieën broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1-4) of waarvan de nesten beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn (categorie 5).

De categorie ‘andere soorten’ gaat om soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden. De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen

18 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Gebiedsbescherming Natura 2000 De Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Wet natuurbescherming de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden nagenoeg gelijk blijft aan de bepalingen uit de voormalige Natuurbeschermingswet 1998. Voor beschermde natuurmonumenten geldt echter dat de beschermingsstatus van deze gebieden in de nieuwe wet is komen te vervallen. Toetsing aan (oude doelen van) beschermde natuurmonumenten is derhalve vanaf het moment van inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming niet meer noodzakelijk. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones.

Houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: - alleen bossen die buiten de 'bebouwde kom Boswet' liggen; - alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); - bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de 'bebouwde kom Boswet' bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de 'bebouwde kom Verkeerswet'. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd.

4.1.2

Resultaten

Voor het plan is een quickscan flora en fauna opgesteld (zie bijlage III). In deze quickscan flora en fauna is zijn de effecten van de sloop- en bouwwerkzaamheden en de vergroting van de terp beschouwd. Het uitvaren van KNRM is geregeld in het beheerplan. Daarnaast is het stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd om de stikstofdepositie op natuurgebieden te bepalen (zie bijlage IV). In dit onderzoek is zowel de aanlegfase als gebruiksfase meegenomen. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de ‘Waddenzee’, dat direct rondom de pier gelegen is (zie Afbeelding 4.1). Dit gebied heeft de status van Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn gebied. Op iets grotere afstand (circa 1 kilometer) ten noorden van het plangebied, ligt het Natura 2000-gebied ‘Duinen Ameland’. Dit heeft ook het status van Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn gebied. Direct achter de duinen, ook ten noorden van het plangebied, ligt op circa 2 kilometer afstand het Natura 2000-gebied ‘Noordzeekustzone’ (eveneens Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn gebied.

19 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

Afbeelding 4.1 Het eiland Ameland met omliggende Natura 2000-gebieden en een detailafbeelding van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’

Het plangebied ligt op zeer geringe afstand van het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’. Als gevolg van de korte afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden kan potentieel sprake zijn van een verstoring door geluid (onder andere sloop), licht (’s avonds en ’s nachts werken), trilling of optische verstoring (bouwverkeer). Deze verstoringsaspecten dienen in een Voortoets verder te worden beoordeeld op mogelijke negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’. Voor de overige Natura 2000-gebieden geldt dat fysieke effecten, zoals geluid en optische verstoring, worden uitgesloten. In aanvulling op de uitgevoerde quickscan flora en fauna is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. De stikstofdepositie tijdens de aanlegfase bedraagt 0,01 mol/ha/jaar. Op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is een natuurvergunning noodzakelijk als een project significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied tijdens de realisatiefase, zoals bijvoorbeeld stikstofdepositie. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Middels deze wet is artikel 2.9a aan de Wet natuurbescherming toegevoegd.

Het artikel is hieronder opgenomen: ‘De gevolgen van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten van de bouwsector, worden buiten beschouwing gelaten voor de toepassing van artikel 2.7, tweede lid. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld.’ In artikel 2.5 van het Besluit natuurbescherming is opgenomen voor welke activiteiten de vrijstelling van de vergunningplicht geldt: ‘Als activiteiten van de bouwsector als bedoeld in artikel 2.9a van de wet worden aangewezen: - het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; - het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen’. De voorgenomen werkzaamheden vallen onder artikel 2.5, sub a. Een vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming is niet nodig voor de omgevingsvergunning - afwijken bestemmingsplan.

20 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

Tijdens de gebruiksfase vindt geen stikstofdepositie als gevolg van de vaarbewegingen plaats, zodat significant negatieve effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. In tegenstelling tot directe effecten kunnen indirecte effecten een zeer grote reikwijdte hebben. Voorbeelden van mogelijke indirecte effecten zijn ‘verzuring door stikstof uit de lucht’, ‘vermesting door stikstof uit de lucht’ of ‘verontreiniging’, ‘verzoeting’, ‘verzilting’, ‘verontreiniging’, ‘verdroging’ of ‘vernatting’. Het voornemen betreft het ophogen en vergoten van een terp en het slopen en opnieuw bouwen van een pand voor de KNRM. Als gevolg van deze werkzaamheden is geen sprake van ‘verontreiniging’, ‘verzoeting’, ‘verzilting’, ‘verdroging’ of ‘vernatting’ binnen de omliggende Natura 2000-gebieden, omdat de werkzaamheden geen effect hebben op de waterhuishouding of verontreiniging veroorzaken. Van significante verhoging van de stikstofemissie als gevolg van werkzaamheden met zwaar materieel en werktuigen is geen sprake (zie stikstofdepositie). Natuurnetwerk Nederland (en weidevogelleefgebied) Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een NNN-gebied (in de provincie Friesland wordt de term EHS gehanteerd). In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende gebieden behorende tot het NNN-netwerk van de provincie Friesland (in Afbeelding 4.2 EHS genoemd).

Het dichtstbijzijnde perceel van het NNN-netwerk is gelegen rondom de pier en bestaat uit het beheergebied ‘Zee en Wad N01.01’. Vanaf het plangebied bezien liggen westelijk op circa 250 meter afstand tot het plangebied diverse agrarische percelen. Deze percelen zijn aangeduid als ‘Open grasland A01.01’ en maken onderdeel uit van een agrarisch zoekgebied voor natte dooradering. Deze percelen zijn aangewezen als weidevogelgebied. Op ongeveer een kilometer ten noorden van het plangebied loopt een houtsingel met beheertype ‘Droog bos met productie N16.03’.

Afbeelding 4.2 Overzicht Natuurnetwerk Nederland (hier EHS genoemd)

Omdat het plangebied buiten de grenzen van het NNN/EHS ligt, en de Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Friesland geen bepalingen bevat over externe werking, is er geen sprake van directe negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS/NNN. Een weidevogelgebied ligt op circa 250 meter ten noordwesten van het plangebied. Tussen het plangebied en het weidevogelgebied ligt de zeedijk (Smitteweg) en loopt onder andere een autoweg en een brede watergang. Weidevogels worden verstoord door wegen en gaan op ruime afstand van de weg broeden

21 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

(circa 100 meter afstand). Doordat de weg al een verstorende factor is en het weidevogelgebied op ruime afstand ligt (250 meter), is van visuele verstoring geen sprake. Bovendien zorgt de zeedijk voor een fysieke afscherming van het weidevogelgebied en het plangebied. Tijdens de aanlegfase vinden geen heiwerkzaamheden plaats. Stiltegebied Het plangebied is geclassificeerd als stiltegebied. Tijdens de permanente fase kan geluidhinder worden veroorzaakt door de reddingsboten. In de Provinciale milieuverordening Fryslân is opgenomen dat het verboden is in een milieubeschermingsgebied (zoals stiltegebied) waar voorkoming of beperking van geluidhinder wordt nagestreefd zonder noodzaak geluid voort te brengen, te doen of te laten voortbrengen in zodanige mate dat de heersende natuurlijke rust in het gebied wordt verstoord. Op grond van artikel 4.2, lid 1 van de Provinciale milieuverordening Fryslân geldt het verbod niet voor activiteiten met een noodzaak. Het verlenen van hulp aan in nood verkerende mensen en schepen langs de Nederlandse kust kan als noodzakelijk worden geacht. Tijdens de realisatie fase wordt gebruik gemaakt van machines en/of installaties waardoor mogelijk de ervaring van de natuurlijke geluiden kan worden verstoord. De realisatie van het nieuwe boothuis is echter noodzakelijk om de bedrijfsvoering van de KNRM voor te zetten in de toekomstige situatie.

Het aanvragen van een ontheffing is niet aan de orde.

Afbeelding 4.3 Stiltegebieden bestaand

Soortenbescherming In de quickscan flora en fauna komt naar voren dat het voorkomen van beschermde flora, zoogdieren, reptielen, vissen, vlinders, libellen en andere ongewervelden waarvoor een ontheffingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming geldt in het plangebied zijn uitgesloten. In het plangebied kan de aanwezigheid van de rugstreeppad (amfibie) en broedvogels niet worden uitgesloten. Met de inachtneming van mitigerende maatregelen kan verstoring van deze soorten worden voorkomen. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat door de voorgenomen werkzaamheden zomer- en/of paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis worden vernietigd. Nader onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis conform het vleermuizenprotocol kan dit vaststellen. Nader ecologisch onderzoek wordt in 2022 uitgevoerd.

22 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

4.1.3

Conclusie

Gebiedsbescherming Als gevolg van de korte afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden kan sprake zijn van een verstoring door geluid (o.a. sloop), licht (’s avonds en ’s nachts werken), trilling of optische verstoring (bouwverkeer). Een Voortoets om directe effecten van het voornemen op Natura 2000-gebieden te toetsen is nodig. Van indirect effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden is geen sprake. Het plangebied ligt buiten het NNN. Voor gronden die grenzen aan het NNN, maar daar zelf buiten liggen, gelden volgens het provinciale NNN-beleid geen beperkingen. Een weidevogelgebied ligt op circa 250 meter ten noordwesten van het plangebied. Doordat de Smitteweg op de dijk al een verstorende factor is en het weidevogelgebied op ruime afstand ligt (250 meter), is van fysieke verstoring geen sprake. Bovendien zorgt de zeedijk voor een fysieke afscherming van het weidevogelgebied en het plangebied. De KNRM kan gebruik maken van de vrijstelling opgenomen in de Provinciale milieuverordening Fryslân voor het uitvoeren van noodzakelijke activiteiten. Er geldt geen ontheffingsplicht ten aanzien van het verstoren van de ervaring van de natuurlijke geluiden in het stiltegebied. Soortenbescherming In het plangebied zijn verscheidene beschermde soorten aanwezig.

Voor alle soorten, met uitzondering van de ruige dwergvleermuis, geldt dat met mitigerende maatregelen de effecten op soorten zoveel mogelijk kan worden beperkt. Voor de ruige dwergvleermuis geldt echter dat nader onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen (conform protocol) nodig is in de periode 15 april tot en met 1 oktober. Een ontheffing Wet natuurbescherming is enkel aan de orde indien uit dit onderzoek volgt dat door de werkzaamheden een verblijfplaats (indirect) wordt aangetast. Conclusie planvoornemen en goede ruimtelijke ordening Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden worden de maatregelen ter voorkoming van overtreding van de Wet natuurbescherming (soortenbescherming) in acht genomen. Een Voortoets (gebiedsbescherming) en nader vleermuisonderzoek (soortenbescherming) worden uitgevoerd. Indien uit deze onderzoeken blijkt dat een ontheffing Wet natuurbescherming nodig is wordt deze ontheffing aangevraagd. De Provinciale milieuverordening Fryslân staat het plan niet in de weg.

4.2

Water

De voorgenomen ontwikkeling kan effecten hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zowel kwantitatief als kwalitatief. In Nederland is daarom de watertoets een verplicht onderdeel van elke ruimtelijke ontwikkeling. De watertoets is een procesinstrument waarbij de waterbeheerders in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling, zodat verschillende aspecten van ‘water’ een goede plaats krijgen in de planvorming. In de waterparagraaf worden de effecten van het ontwerp op deze verschillende aspecten omschreven, zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, beheer en onderhoud en het effect op grondwaterpeilen.

4.2.1

Toetsingskader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Hieronder staat een overzicht van de voor het plangebied relevante wet- en regelgevingen en nota's. Het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet (Wtw) in werking getreden. Het doel van de Waterwet is verwoord in artikel 2.1 van de wet. Hierbij gaat het om voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen,

23 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Dit kader wordt vervolgens in de Waterwet en onderliggende regelgeving geconcretiseerd met concrete normen voor waterkeringen, waterkwantiteit, functievervulling en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Het rijk, de provincies en de regionale waterbeheerders dienen hun beleid op deze normen af te stemmen en dat te beschrijven in water(beheer)plannen. Nationaal Waterplan (NWP2) Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Dit plan is vastgesteld op 14 december 2015. Er wordt ingezet op het robuust en toekomstgericht inrichten van het Nederlandse watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Er wordt gestreefd naar een integrale benadering waarin wateropgaven zoveel mogelijk in samenhang met andere thema’s worden ontwikkeld. Het Nationaal Waterplan gaat uit van een sterke relatie tussen ruimtelijke ontwikkeling en ruimtelijke adaptatie.

Water staat nooit los van de omgeving. Het raakt aan andere belangen. Er wordt gestreefd naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Hiervoor wordt de strategie inpassing, rivierverruiming, meekoppelen, integrale uitwerking en slimme combinaties toegepast. Waterbeheerplan 2016-2021 In het Waterbeheerplan 2016 – 2021 beschrijft Wetterskip Fryslân de doelen voor de komende jaren, de strategische keuzes en de financiële consequenties daarvan. Het Wetterskip wil in de planperiode richting geven aan goed, efficiënt en betaalbaar waterbeheer, nu en in de toekomst. Enkele speerpunten zijn: -

grond- en oppervlaktewaterpeilen regelen en het watersysteem onderhouden; de inrichting van het watersysteem afstemmen op de functies en wensen van gebruikers; de waterkwaliteit monitoren en waar nodig verbeteren; zeedijken, boezemkaden, duinen en andere waterkeringen onderhouden en ervoor zorgen dat ze aan de veiligheidsnormen voldoen.

Het waterbeheersplan geeft het beleid weer aan de hand van de volgende thema's: - waterveiligheid; - voldoende water; - schoon water; - water in de samenleving.

4.2.2

Resultaten

Momenteel staat het botenhuis van de KNRM op een terp bij de Ballumerbocht. Deze terp is onderdeel van de primaire waterkering van Wetterskip Fryslân. De terp is gelegen ter hoogte van kmr 6,7 van normtraject 2-2. Deze terp wordt verhoogd van circa 4,0 meter boven NAP naar circa 5,0 meter boven NAP en verbreed, zodat het nieuwe botenhuis kan worden gerealiseerd. Het botenhuis en de terp zijn gelegen in de kernzone van de primaire waterkering (zie Afbeelding 4.4).

24 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

Afbeelding 4.4 Bovenaanzicht boothuis (groene cirkel) en terp, de rode lijn is de referentielijn van normtraject 2-2

In het kader van het planvoornemen is de waterveiligheid beschouwd. Daarnaast is een ontwerpnota opgesteld voor de vergroting van de terp, waarbij wordt ingegaan op de bekleding en de stabiliteit van de terp in de permanente fase. De waterveiligheidsbeschouwing en ontwerpnota zijn opgenomen in bijlage V. Waterveiligheid De terp en het boothuis zijn vanuit het perspectief van de waterveiligheid van traject 2-2 een NietWaterkerend Object (NWO). Hierbij is het van belang dat wordt voldaan aan de waterveiligheidseisen. Het NWO mag de primaire kering niet in dusdanig negatieve zin beïnvloeden dat de primaire kering niet meer aan de waterveiligheidseisen voldoet. Om de invloed van de terp op de waterveiligheid van traject 2-2 te beschouwen, zijn de stappen van hoofdstuk 25 NWO’s conform de WBI2017-normering gehanteerd. Hierbij is de controle op bebouwing buiten de 4∙H zone toegepast (stap E.2.4.3 eenvoudige toets bebouwing). De 4∙H zone beslaat het gebied dat zich binnen een afstand van 4 maal de hoogte van de dijk vanuit de dijkteen bevindt. Deze regel wordt binnen het WBI2017 toegepast voor bebouwing. De overstromingskans is verwaarloosbaar bij bebouwing buiten de 4∙H zone. Met behulp van AHN-4 gegevens zijn de dwarsprofielen bekeken ter hoogte van het betreffende NWO.

Hiermee is gekeken naar de hoogte van de dijk en de afstand tussen het vlakke voorland van de waterkering en het NWO. De dijk is circa 3 meter hoog. Het laagste punt in het voorland is 2,2 meter boven NAP en het hoogste punt van de dijk is 6,2 meter boven NAP. Dit resulteert in een dijkhoogte van 4 meter. De 4∙H zone is dan 16 meter. De terp ligt op een afstand van meer dan 200 meter van de dijk. De terp heeft hierdoor geen negatieve invloed op de waterveiligheid van de achterliggende waterkering. Ontwerpnota De terp is ontworpen op basis van een levensduur van 25 jaar. Dit komt grofweg overeen met een zichtjaar van 2050. De achterliggende primaire waterkering (normtraject 2-2) heeft een norm van 1/1.000 jaar. De terp is gelegen in de kernzone van de waterkering maar heeft geen invloed op de waterveiligheid van de achterliggende dijk (zie bovenstaande paragraaf Waterveiligheid) Hierdoor staat de waterveiligheid van de terp los van de waterveiligheid van het achterland en daarmee gelden er afwijkende risico’s voor de terp. De normering van 1/1.000 jaar weegt te zwaar voor de terp, omdat de risico’s kleiner zijn dan voor het achterland. In overleg met de betrokken partijen (Wetterskip Fryslân en KNRM) is besloten om een

25 | 36

Witteveen+Bos | 124913/22-007.038 | Definitief

normering van 1/100 jaar aan te houden. Als belangrijkste randvoorwaarde geldt dat de situatie niet verslechtert ten opzichte van de huidige situatie. Voor de stabiliteitsanalyse is opgemerkt dat de waterveiligheid is geborgd door een D-stability berekening te schematiseren, conform WBI2017-normering. Indien de safety factor (ruim) boven 1,0 ligt is de stabiliteit van de terp gewaarborgd. Omdat een boothuis op de terp wordt geplaatst, is het ook van belang dat de terp constructief voldoet. Hierbij is de Eurocode van toepassing met RC1 klasse, omdat het om laagbouw (minder dan 4 verdiepingen) gaat en de gevolgen op dodelijke slachtoffers hierdoor beperkt zijn tijdens stormcondities. Hierbij geldt eveneens dat de safety factor boven de 1,0 ligt. Watervergunningplicht Op grond van de Keur van Wetterskip Fryslân gelden verscheidene vergunningplichten. Allereerst geldt ingevolge artikel 3.2 van de keur dat het verboden is zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te maken of te behouden, vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.

In het kader van het planvoornemen vinden handelingen plaats in de kernzone van de primaire waterkering waardoor een watervergunningplicht geldt. Daarnaast geldt ingevolge artikel 3.3 van de keur dat het verboden is om zonder watervergunning van het bestuur neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond wordt bebouwd of verhard. Op grond van artikel 2.12.1 van de algemene regels bij de keur Wetterskip Fryslân 2018 gelden voor het landelijke gebied aanvullende vrijstellingen van vergunningplicht, te weten: - de verharding/bebouwing vindt plaats in het buitengebied en het oppervlak van de verharding/bebouwing bedraagt minder dan 1500 m2 en er is door het waterschap geen wateradvies verstrekt; - de verharding/bebouwing vindt plaats in het buitengebied en de uitvoering geschiedt conform het door het waterschap afgegeven wateradvies over een omgevingsvergunning dan wel bestemmingsplan. In het kader van het plan voornemen is geen wateradvies verstrekt door Wetterskip Fryslân. Het bebouwingsoppervlak bedraagt minder dan 1.500 m2, waardoor het planvoornemen is vrijgesteld van vergunningplicht.

Op grond van artikel 2.12.2 van de algemene regels geldt dat degene die neerslag tot afvoer laat komen via nieuw verhard oppervlak naar oppervlaktewater, waarvoor ingevolge artikel 2.12.1 geen vergunning is vereist, is vrijgesteld van de meldingsplicht.

4.2.3

Conclusie

Uit de waterveiligheidsbeschouwing is gebleken dat de terp zich op dusdanig een grote afstand van de dijk bevindt dat deze geen invloed heeft op de waterveiligheid. Hiermee is geconcludeerd dat de waterveiligheid niet in het geding komt bij werkzaamheden in de kernzone van de primaire waterkering. Uit de ontwerpnotitie van de terpvergroting komt naar voren dat de stabiliteit zowel voldoet aan de WBI2017-normering als aan de Eurocode-normering. In beide gevallen is de safety factor boven 1,0. Hiermee is de stabiliteit van het buitentalud met een taludhelling van 1:2,7 een veilige taludhelling. De aan te leggen bekleding lijkt zo veel mogelijk op de huidige bekleding van de terp. De nieuw te ontwerpen bekleding van de terp is geschematiseerd in steentoets en voldoet aan de WBI2017-normering. Daarnaast geldt een watervergunningplicht vanwege de werkzaamheden in de kernzone van de primaire waterkering. In het kader van het planvoornemen is een watervergunning verleend door het Wetterskip Fryslân (d.d. 28 juli 2022, kenmerk WF-148534). Er geldt geen vergunning- en/of meldplicht in het kader van de toename van verhard oppervlak. In de nieuwe situatie wijzigen de lozingspunten niet. Ten aanzien van het mogelijk lozen in oppervlaktewater (kwalitatief) als gevolg van sloop- en nieuwbouw werkzaamheden wordt een melding Besluit lozen buiten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Ameland&id=4c777924-9e48-4b5d-a645-cb109d7b366a