Bestemmingsplan Buitengebied Ameland_ontwerp_18-10-2023
Tekst van het document
bestemmingsplan
Buitengebied Ameland Ameland
DATUM IMRO IDN
18-10-2023 NL.IMRO.0060.BG110206-ON01
PROJECT PROJECTLEIDER
Buitengebied Ameland T. de Jong
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Gemeente Ameland 20220103
AUTEUR STATUS
M. Hooftman / P. van Dijk ontwerp
Inhoudsopgave
Toelichting
7
Hoofdstuk 1
Inleiding
8
1.1
Aanleiding
8
1.2
Plangebied
8
1.3
Vigerende regeling
9
1.4
Functie en karakter bestemmingsplan
10
1.5
Algemene uitgangspunten
11
1.6
Nota van uitgangspunten
12
1.7
Plansystematiek
12
1.8
Omgevingswet
12
1.9
Leeswijzer
13
Hoofdstuk 2
Beleidskader
14
2.1
Europees beleid
14
2.2
Rijksbeleid
16
2.3
Provinciaal beleid
18
2.4
Gemeentelijk beleid
29
Huidige situatie en planuitgangspunten
45
3.1
Landbouw
45
3.2
Landschap
54
3.3
Cultuurhistorie
57
3.4
Archeologie
60
3.5
Natuur
60
3.6
Duin- en zeewaterkering
61
3.7
Wonen
62
3.8
Recreatie en toerisme
63
3.9
Technische infrastructuur
64
Omgevingsaspecten
66
4.1
Inleiding
66
4.2
Milieueffectrapportage
66
4.3
Archeologie
69
4.4
Ecologie
71
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
3/563
4.5
Water
73
4.6
Bodem
76
4.7
Agrarische bedrijvigheid
77
4.8
Niet-agrarische bedrijvigheid
78
4.9
Geluid
79
4.10
Luchtkwaliteit
80
4.11
Externe veiligheid
81
Toelichting op de regels
85
5.1
Algemeen
85
5.2
Toelichting op de enkelbestemmingen
85
5.3
Toelichting op de dubbelbestemmingen
93
5.4
Toelichting op de gebiedsaanduidingen
95
5.5
Toelichting op enkele bouwaanduidingen
96
Uitvoerbaarheid
97
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
97
6.2
Economische uitvoerbaarheid
97
6.3
Grondexploitatie
98
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Bijlagen toelichting
99
Bijlage 1
Nota van uitgangspunten
101
Bijlage 2
Lijst gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden
135
Bijlage 3
Landschapsplan Jelmeraweg 4 Ballum
141
Bijlage 4
planMER
143
Bijlage 5
Advies externe veiligheid FUMO 16 april 2018
335
Bijlage 6
Vooroverlegreacties
359
Bijlage 7
Reactienota inspraak en overleg
399
Regels Hoofdstuk 1
INLEIDENDE REGELS
419
Artikel 1
Begrippen
419
Artikel 2
Wijze van meten
433
BESTEMMINGSREGELS
434
Agrarisch
434
Hoofdstuk 2 Artikel 3
4/563
418
Artikel 4
Bedrijf
446
Artikel 5
Bedrijf - Agrarisch loonbedrijf
451
Artikel 6
Bedrijf - Delfstof- en energiewinning
453
Artikel 7
Bedrijf - Drinkwaterbedrijf
454
Artikel 8
Bedrijf - Loonwerk- en aannemersbedrijf
455
Artikel 9
Bedrijf - Milieustraat
458
Artikel 10
Bedrijf - Nutsvoorziening
459
Artikel 11
Bedrijf - Zonnepark
461
Artikel 12
Groen
462
Artikel 13
Horeca
463
Artikel 14
Maatschappelijk - Begraafplaats
467
Artikel 15
Maatschappelijk - Museum
469
Artikel 16
Maatschappelijke - Vuurtoren
471
Artikel 17
Natuur
472
Artikel 18
Recreatie - Dagrecreatie
478
Artikel 19
Recreatie - Groepsaccommodatie
479
Artikel 20
Recreatie - Kampeerterrein
483
Artikel 21
Recreatie - Recreatiewoning
484
Artikel 22
Recreatie - Verblijfsrecreatie
486
Artikel 23
Sport - Golfbaan
488
Artikel 24
Sport - Manege
490
Artikel 25
Sport - Sportvelden
493
Artikel 26
Verkeer
494
Artikel 27
Verkeer - Luchthaven
496
Artikel 28
Viskwekerijbedrijf
498
Artikel 29
Water
500
Artikel 30
Water - Waterkering
501
Artikel 31
Wonen
502
Artikel 32
Leiding - Gas
507
Artikel 33
Waarde - Archeologie 1
509
Artikel 34
Waarde - Archeologie 2
511
Artikel 35
Waarde - Cultuurhistorie
513
Artikel 36
Waarde - Landschap open gebied
514
Artikel 37
Waarde - Waterwingebied
515
ALGEMENE REGELS
516
Anti-dubbeltelbepaling
516
Hoofdstuk 3 Artikel 38
5/563
Artikel 39
Algemene bouwregels
517
Artikel 40
Algemene gebruiksregels
518
Artikel 41
Algemene aanduidingsregels
520
Artikel 42
Algemene afwijkingsregels
524
Artikel 43
Overige regels
526
OVERGANGS- EN SLOTREGELS
527
Artikel 44
Overgangsrecht
527
Artikel 45
Slotregel
528
Hoofdstuk 4
Bijlagen regels
529
Bijlage 1
Bedrijvenlijst
531
Bijlage 2
Specifieke toetsingscriteria ondergeschikte tweede tak of deeltijdfunctie
543
Bijlage 3
Lijst met kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
545
Bijlage 4
Lijst gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden
547
Bijlage 5
Inpassingsplan Jelmeraweg 4 Ballum
553
Verbeelding
6/563
555
Toelichting
7/563
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Het bestemmingsplan Buitengebied Ameland voorziet in een herziene en geactualiseerde planologisch-juridische regeling voor het buitengebied van de gemeente Ameland. Dit bestemmingsplan maakt deel uit van de actualisering bestemmingsplannen gemeente Ameland. Het maken van een herziening voor het betreffende gebied past in het kader van de actualisering van de verouderde bestemmingsplannen in de gemeente Ameland. Op 15 september 2003 heeft de gemeenteraad het “meerjarenplan bestemmingsplannen gemeente Ameland” vastgesteld. In dit plan is een programma opgezet voor het actualiseren van alle bestemmingsplannen op Ameland. Op 15 mei 2007 heeft het college, op basis van de startnotitie Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting, besloten de actualisering van de bestemmingsplannen projectmatig aan te pakken. De planning in het meerjarenplan is geactualiseerd. Herzien zijn onder meer de bestemmingsplannen voor het recreatieterrein Nes-Buren, de recreatieterreinen Hollum en voor de kernen Hollum, Ballum, Nes en Buren. Met dit bestemmingsplan wordt het bestemmingsplan voor het buitengebied herzien.
1.2
Plangebied
Het plangebied omvat het buitengebied van de gemeente Ameland, met uitzondering van de kernen en grote verblijfsrecreatieve terreinen. Onderstaand figuur geeft het plangebied weer. De volgende gebieden zijn buiten het plangebied gelaten: het Waddengebied, de Havens en de kernen Hollum, Ballum, Nes en Buren. Daarnaast worden de grotere recreatieterreinen bij Hollum, Ballum, Nes en Buren in een apart bestemmingsplan geregeld. Ook is het gebied Ballum Reeweg 1-5 buiten het plangebied van dit bestemmingsplan gelaten. Voor dit gebied is een afzonderlijk bestemmingsplan opgesteld. Het plangebied is in bijgaand figuur te zien.
8/563
Figuur: Ligging plangebied
1.3
Vigerende regeling
Voor het plangebied van dit bestemmingsplan is momenteel de beheersverordening Buitengebied van kracht. Deze beheersverordening is vastgesteld op 21 mei 2013. De beheersverordening vervangt in planologisch-juridische zin de volgende bestemmingsplannen: bestemmingsplan Buitengebied (vastgesteld op 17 augustus 1998); bestemmingsplan Binnenduinrandzone Hollum-Ballum 1996 (vastgesteld op 14 september 1998); Bestemmingsplan de Vlijen (vastgesteld 17 maart 1986). (Valt binnen de beheersverordening ' Recreatieterreinen', vastgesteld op 24 juni 2013). De beheersverordening moet gezien worden als een tijdelijke overbrugging naar een nieuw bestemmingsplan. Met het opstellen van dit bestemmingsplan Buitengebied wordt hier in voorzien.
9/563
1.4
Functie en karakter bestemmingsplan
Het bestemmingsplan regelt het gebruik van gronden, stuurt ontwikkelingen en is het instrument dat juridisch vorm krijgt door middel van een verbeelding en planregels. In het plan is te lezen welke regels gelden voor het bebouwen en gebruiken van gronden. Het bestemmingsplan actualiseert de bestaande verouderde regels uit 1998, en stelt een actueel beheerkader voor bestaande functies. Het bestemmingsplan buitengebied Ameland kent een overwegend conserverend karakter. Dit betekent dat de actuele huidige situatie is vastgelegd en zo veel mogelijk is aangesloten op de vigerende regelingen. Het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied is daarmee in hoofdzaak een actualisatie van de vigerende bestemmingsplannen; bestaande planologische rechten blijven zo mogelijk op de oude voet gehandhaafd. Het buitengebied wordt echter niet 'op slot' gezet; er wordt enige ruimte geboden voor nieuwe ontwikkelingen ten behoeve van bestaande functies. Deze nieuwe ontwikkelingen zullen echter afgestemd moeten worden op de identiteit van het landschap om de specifieke waarden van het buitengebied te kunnen bewaren en te beschermen. Ingrijpende ontwikkelingen worden met dit bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. Dergelijke projecten kunnen, als ze zich voordoen, met een omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt of met een apart bestemmingsplan.
Voor zover het bestemmingsplan planologische ontwikkelruimte biedt betreft dit slecht kleinschalige perceelsgebonden ontwikkelingen. Ontwikkelruimte agrarische bouwpercelen Uitgangspunt voor het bestemmingsplan is dat alle volwaardige agrarische bedrijven er in netto bouwmogelijkheden niet op achteruit gaan in vergelijking met het vigerende plan. De netto oppervlakte van een bouwperceel bedraagt voor volwaardige agrarische bedrijven in principe maximaal 1,5 ha. In het kader van dit bestemmingsplan heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de agrarische bouwpercelen. Deze inventarisatie is in 2022 geactualiseerd. Voor een verdere toelichting op dit onderdeel zie paragraaf 3.1.2 en 3.1.3. Geconcludeerd kan worden dat de bouwmogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt vergelijkbaar zijn met de bouwmogelijkheden in het het vigerende plan. Het bestemmingsplan biedt ruimte voor verbreding van de agrarische bedrijven. Overkoepelende randvoorwaarde voor activiteiten binnen het agrarische gebied is het behoud van de kenmerkende landschappelijke en cultuurhistorische waarden. De activiteit vindt plaats binnen de bestaande bebouwing. Voor het toestaan van nevenactiviteiten geldt een nader afwegingsmoment in de vorm van een procedure om af te wijken van het bestemmingsplan, gekoppeld aan ruimtelijke randvoorwaarden.
Zie verder paragraaf 3.1.6 Ontwikkelruimte (verblijfs)recreatie In het bestemmingsplan voor het buitengebied is het beleid uit de Nota verblijfsrecreatief beleid gemeente Ameland 2016-2020 (Partieel gewijzigd 20 september 2021) voor zo ver van toepassing aangehouden. Huidige verblijfsrecreatieve functies worden vastgelegd. Er wordt in planologische zin geen ruimte voor nieuw ontwikkelingen gegeven, met uitzondering van kleinschalige perceelsgebonden ontwikkelingen. Het bestemmingsplan maakt verder geen activiteiten op het gebied van recreatie mogelijk anders dan de
10/563
activiteiten die al in het kader van het beheerplan Duinen Ameland zijn beoordeeld. In het beheerplan zijn alle vormen van het bestaand gebruik op een rij gezet. Daarna is getoetst of deze activiteiten negatieve gevolgen kunnen hebben voor de Natura 2000 doelen. De uitkomst is dat er geen activiteiten zijn die een groot knelpunt vormen, mede door de bestaande zonering van het recreatieve gebruik. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe recreatieve activiteiten mogelijk. Zie verder paragraaf 2.3.7. Voor (kleinschalige) verblijfsrecreatie en groepsaccommodatie als nevenactiviteit bij agrarische bedrijven zijn aanvullende bepalingen opgenomen. Voor groepsaccomodaties is het maximum te bebouwen oppervlak vastgelegd op de verbeelding. Het aantal slaapplaatsen mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal slaapplaatsen. Er is aldus geen sprake van uitbreidingsruimte ten opzichte van het vigerende plan. Het bestemmingsplan ziet verder niet toe op grootschalige recreatieve ontwikkelingen. Overige ontwikkelruimte Door het schrappen van de wijzigingsbevoegdheden (zie ook paragraaf 1.8) is het conserverend karakter van dit bestemmingsplan toegenomen.
Ontwikkelingen zoals het omzetten van agrarische bouwpercelen naar een woonfunctie (waardoor de bedrijfswoning een burgerwoning wordt), het toestaan van een tweede bedrijfswoning of het toekennen van nieuwe bouwpercelen voor deeltijdboeren zijn hierdoor namelijk uitsluitend nog 'buitenplans' mogelijk.
1.5
Algemene uitgangspunten
De gemeente heeft als inzet dat het nieuwe Bestemmingsplan Buitengebied een actueel en goed toepasbaar juridisch-planologisch instrument voor de gemeente en de burger biedt. Hiervoor zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied is een actualisatie van de vigerende bestemmingsplannen; bestaande planologische rechten blijven zo mogelijk op de oude voet gehandhaafd: niet méér regelen dan noodzakelijk voor een praktisch hanteerbaar plan; met het integrale bestemmingsplan blijft centraal staan dat processen in het buitengebied daadwerkelijk gestuurd kunnen worden; een flexibel bestemmingsplan, waarmee het gemeentebestuur, ook in de toekomst, in staat is op voorzienbare ontwikkelingen in te spelen en/of deze te begeleiden; met name dié zaken regelen waarop met het bestemmingsplan daadwerkelijk invloed kan worden uitgeoefend, zoals functietoekenning, functiewijziging, ruimtelijke hoofdvorm van bebouwing, en dergelijke; regels ter bescherming van bijzondere waarden van bodem, natuur, landschap en cultuurhistorie; geen zaken regelen waarvoor al doelmatige wetgeving of verordeningen bestaan, zoals voor het milieu- en waterbeleid. Het bestemmingsplan Buitengebied is opgezet als een digitaal raadpleegbaar plan. Deze digitale versie is bedoeld om de inwoners "online" informatie te verschaffen omtrent het bestemmingsplan.
Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties. De digitale versie is de juridisch bindende versie. Het bestemmingsplan is opgezet volgens de landelijke Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012).
11/563
1.6
Nota van uitgangspunten
Als eerste stap om te komen tot een nieuw bestemmingsplan buitengebied is in 2012 de Nota van uitgangspunten In deze Nota van uitgangspunten wordt voor een aantal belangrijke thema's en gebieden (nieuw) beleid op hoofdlijnen geformuleerd. In deel A zijn de uitgangspunten voor het bestemmingsplan geformuleerd. Deel B geeft een toelichting op de verschillende uitgangspunten. Deze beleidslijnen en uitgangspunten zijn vervolgens juridisch vertaald in het bestemmingsplan. Alhoewel er enige tijd zit tussen de Nota van uitgangspunten en het opstellen van het bestemmingsplan zelf, zijn de geformuleerde uitgangspunten in hoofdlijnen overeind gebleven. Daar waar actualisatie nodig was (bijvoorbeeld naar aanleiding van nieuw gemeentelijk beleid) is er voor gekozen dit meteen te verwerken in het bestemmingsplan. Enkele hoofdpunten uit de Nota van uitgangspunten zijn opgenomen in hoofdstuk 3 Huidige situatie en planuitgangspunten. De Nota van uitgangspunten is in z'n geheel opgenomen als bijlage 1 Nota van uitgangspunten bij de toelichting van dit bestemmingsplan.
1.7
Plansystematiek
Basisfuncties en andere functies In het bestemmingsplan wordt het landschap met de bijbehorende kernkwaliteiten als overkoepelende functie beschouwd. Als basis-functies worden aangemerkt: water, natuur en landbouw. De andere functies zijn bijvoorbeeld: wonen, verblijfsrecreatie, dienstverlening, infrastructuur. De basisfuncties komen, als gevolg van de ontstaansgeschiedenis én door toedoen van de mens, overal in het buitengebied naast elkaar voor. Afhankelijk van de plaats in het buitengebied varieert de betekenis die aan de basisfuncties wordt toegekend. De basisfuncties zijn gebiedsdekkend. De andere functies die verspreid over het buitengebied voorkomen zijn niet gebiedsdekkend en veelal niet afhankelijk van een specifieke locatie in het buitengebied. Omdat de basisfuncties voor hun functioneren afhankelijk zijn van het buitengebied, zal bij de ontwikkeling van (nieuwe) andere functies altijd rekening worden gehouden met de belangen van de basisfuncties. De ontwikkeling van de andere functies zal niet teveel ten koste mogen gaan van de basisfuncties. De indeling in basisfuncties en andere functies heeft uitsluitend betrekking op de ruimtelijke afweging en is niet bepalend voor het belang van de betreffende functie voor de gemeente.
Transparante regelingen In het bestemmingsplan buitengebied is zo veel mogelijk gestreefd naar het opstellen van transparante, eenduidige regelingen. Werkzaamheden die de gemeente in het algemeen niet wenselijk acht zijn onder het strijdig gebruik worden gebracht. Werkzaamheden die over het algemeen juist wenselijk zijn, worden bij recht toegestaan. De overige werkzaamheden waar de gemeente in wil meedenken en voorwaarden aan wil kunnen stellen zijn geregeld via het vergunningenstelsel.
1.8
Omgevingswet
Algemeen De Omgevingswet bundelt en moderniseert de wetten voor de leefomgeving. Met de omgevingswet worden 26
12/563
wetten op het gebied van de leefomgeving geïntegreerd in één wet. Hierbij gaat het onder meer om wet- en regelgeving over bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. De Omgevingswet staat voor een goed evenwicht tussen het benutten en beschermen van de leefomgeving. Ook beoogt de wet daarnaast meer ruimte voor lokaal maatwerk en een betere en snellere besluitvorming. De inwerking treding van de Omgevingswet is voorzien op 1 januari 2024. Een ontwerp-bestemmingsplan moet derhalve voor 1 januari 2024 ter inzage worden gelegd om nog onder het oude recht (Wet ruimtelijke ordening) te kunnen worden afgedaan. Na die datum moet dat een ontwerp-omgevingsplan worden. Wijzigingsbevoegdheden De wetgever heeft ervoor gekozen om geen expliciete regeling voor wijzigingsbevoegdheden (en uitwerkingsplichten of het stellen van nadere eisen) in de Omgevingswet op te nemen. In plaats daarvan komt een algemene delegatiemogelijkheid: de gemeenteraad kan een delegatiebesluit nemen waarmee B&W de bevoegdheid krijgt om delen van het omgevingsplan te wijzigen (artikel 2.8 Omgevingswet). Volgens de Memorie van toelichting kan hiermee hetzelfde worden bereikt als met de wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan onder de Wro. Net als met een wijzigingsbevoegdheid schept het delegatiebesluit de mogelijkheid dat B&W, zonder de raad daarin verder te kennen, het omgevingsplan wijzigt.
En net als met een wijzigingsbevoegdheid kan (en moet) het delegatiebesluit de randvoorwaarden aangeven waarbinnen B&W moet opereren. Het delegatiebesluit is geen onderdeel van het omgevingsplan, maar is een losstaand besluit. Een delegatiebesluit kan geen onderwerp worden van beroep. De wijzigingsbevoegdheden zoals opgenomen in het vooorontwerpbestemmingsplan zijn vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 niet meer opgenomen in het ontwerp-bestemmingsplan.
1.9
Leeswijzer
In deze toelichting wordt ingegaan op de achtergronden van en de uitgangspunten voor dit bestemmingsplan. Na deze inleiding (hoofdstuk 1 Inleiding) wordt ingegaan op de volgende onderwerpen: 1. het rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid als kader voor dit bestemmingsplan (hoofdstuk 2 Beleidskader; 2. een beschrijving van de huidige situatie en enkele belangrijke planuitgangspunten (hoofdstuk 3 Huidige situatie en planuitgangspunten) 3. de randvoorwaarden vanuit het milieu-, water- en omgevingsbeleid (hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten). In dit hoofdstuk wordt ook nader ingegaan op de planMER; 4. een toelichting op de bestemmingen en overige juridische regelingen (hoofdstuk 5 Toelichting op de regels); 5. een beschrijving van de uitvoerbaarheidsaspecten (hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid).
13/563
Hoofdstuk 2 2.1
Beleidskader
Europees beleid
Op Europees niveau kunnen beleidsvoornemens van belang zijn voor de landelijke gebieden in Nederland. In de regel is dergelijk beleid vertaald in het landelijke c.q. provinciaal beleid. Toch is aandacht voor enkele specifieke punten van belang. 2.1.1 Milieu Op Europees niveau worden meerdere milieurichtlijnen uitgevaardigd, die zijn of worden verwerkt in de eigen wet- en regelgeving. Van belang voor de agrarische sector zijn in het bijzonder: de regelgeving gericht op de productie van veilig voedsel voor de mens; het dierengezondheidsbeleid; het beleid voor melkprijzen en quotaregeling; het marktordeningsbeleid voor graan, suiker en aardappelen; de Europese nitraatrichtlijn, gericht op bescherming van de bodem. De doorwerking van deze richtlijn betekent dat eisen worden gesteld aan de individuele landbouwers met op bedrijfsniveau een beheersing van de in- en uitstroom van mineralen; de Europese milieueffectrapportage (m.e.r.). De implementatie van deze richtlijn betekent dat er meer individuele beoordelingen op de noodzaak van een m.e.r. moeten plaatsvinden. Voor gemeenten betekent dit dat er meer activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. 2.1.2 Natuur Op Europees niveau is afgesproken om de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen. Daartoe wordt gewerkt aan het tot stand brengen van een netwerk van beschermde natuurgebieden: Natura 2000.
Natura 2000 is gericht op de instandhouding en ontwikkeling van soorten en ecosystemen die voor Europa belangrijk zijn. Natura 2000-gebieden worden aangewezen op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitat-richtlijn. In de praktijk overlappen de beschermingszones van Habitat- en Vogelrichtlijn en de EHS gebieden elkaar voor een groot deel. Voor alle Natura 2000-gebieden moet op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 door de provincie/ministerie van LNV een beheerplan worden vastgesteld. Dit moet gebeuren binnen drie jaar na aanwijzing van het gebied als Natura 2000-gebied of binnen drie jaar na inwerkingtreding van de Natuurbeschermingswet 1998 als het gebied reeds vóór de inwerkingtreding was aangewezen als Natura 2000-gebied. Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Slechts één wet en minder regels maakt de wet overzichtelijker. De Habitatrichtlijn verplicht Nederland de habitattypen en soorten waar Nederland mede verantwoordelijkheid voor draagt in een gunstige staat van instandhouding te brengen. Om dit te bereiken heeft Nederland daarvoor
14/563
instandhoudingsdoelstellingen gedefinieerd. Het beheerplan werkt de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied verder uit in ruimte en tijd. Het beschrijft de resultaten die bereikt dienen te worden om het behoud of het herstel van deze natuurlijke habitats en soorten mogelijk te maken. Het beheerplan geeft een overzicht op hoofdlijnen van instandhoudingsmaatregelen die in de planperiode genomen moeten worden om de beoogde resultaten te behalen. Tenslotte gaat het beheerplan in op bestaand gebruik en geeft inzicht hoe met externe werking omgegaan moet worden. Beheerplannen hebben een looptijd van maximaal zes jaar en worden opgesteld onder het bevoegd gezag van de provincie. Beheerplan Duinen Ameland De Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân hebben op 28 september 2021 de beheerplanperiode voor het beheerplan Duinen Ameland verlengd voor een periode van 6 jaar, of tot de datum van een nieuw vastgesteld beheerplan. In het plan staan de inrichting en het beheer van gebied voor de komende 6 jaar nauwkeurig beschreven. Ook geeft het plan een doorkijk op de jaren daarna. Een belangrijk aspect van het beheerplan is dat het wordt gebruikt om goede beslissingen te nemen als er vergunningen voor activiteiten in en om het gebied worden aangevraagd. In paragraaf 2.3.7 wordt nader ingegaan op het Beheerplan Duinen Ameland.
2.1.3 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder Nederland. Doelstelling van dit verdrag is de veiligstelling van het (Europese) archeologische erfgoed. Dit moet met name gestalte krijgen in het ruimtelijke ordeningsbeleid. Concreet heeft dit tot gevolg dat bij de voorbereiding van bestemmingsplannen meer aandacht moet worden besteed aan de aanwezigheid van archeologische waarden en dat in bestemmingsplannen een beschermende regeling moet worden opgenomen ten aanzien van archeologische waarden. Het verdrag werd in 1998 door een goedkeuringswet bekrachtigd en op 1 september 2007 in de Wet op de archeologische monumentenzorg vertaald in nieuwe wetgeving. De wet regelt in aansluiting op het Europese verdrag de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, onder andere door inpassing van de belangen van archeologie in de ruimtelijke ordening. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. Het wetsvoorstel verplicht gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden. Aandachtspunt is voorts dat uit het Verdrag van Malta voortvloeit dat er meer gelden beschikbaar moeten komen voor archeologisch onderzoek.
Ook moet het beginsel 'de bodemverstoorder betaalt' worden doorgevoerd, in ieder geval voor wat betreft omvangrijke projecten (artikel 6 van het verdrag). De Erfgoedwet heeft de Monumentenwet 1988 vervangen als het gaat om gebouwde monumenten en archeologie. Daarnaast gaat de Erfgoedwet ook over roerend erfgoed. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, zoals vergunningen, gaan naar de Omgevingswet.
15/563
2.1.4 Water In 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) vastgesteld. De KRW beoogt de aquatische ecosystemen en waterafhankelijke terrestische natuur voor achteruitgang te behoeden, te beschermen en te verbeteren. Een concreet doel van de KRW is een goede ecologische toestand van grond- en oppervlaktewater te bereiken. De Kaderrichtlijn Water schrijft voor dat de waterkwaliteit van de Europese wateren vanaf 2015 aan bepaalde eisen moet voldoen. De Kaderrichtlijn Water introduceert het denken in stroomgebieden. Dat gaat uit van het simpele feit dat water zich niet houdt aan lands- en bestuurlijke grenzen, maar z'n natuurlijke loop heeft binnen stroomgebieden. Om aan de voorwaarden van de KRW te kunnen voldoen, moeten waterbeheerders binnen een stroomgebied afspraken maken en samenwerken. Het doel is uiteindelijk dat er in het stroomgebied sprake is van schoon water, waarin een gevarieerd natuurlijk leven voorkomt. De KRW stelt namelijk eisen aan de chemische (geen verontreinigende stoffen) en ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater.
2.2
Rijksbeleid
2.2.1 Nationale omgevingsvisie De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook 1 Rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. Dit betreft onder meer: de bouw van ongeveer 1 miljoen nieuwe woningen; meer duurzame energie gebruiken; aanpassen aan klimaatverandering; de ontwikkeling van een circulaire economie; omschakeling naar kringlooplandbouw. Bij de opgaven wordt altijd rekening gehouden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. De Nationale Omgevingsvisie schets een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Het Rijk is medeverantwoordelijk voor het beschermen van waardevolle landschappen, zoals het Groene Hart, de Waddenzee, de Veluwe, werelderfgoedgebieden en de nationale parken. De hoofddoelstelling voor de Waddenzee is in de NOVI als volgt geformuleerd: “De duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied en het behoud van het uniek open landschap" blijft onverminderd van kracht. Het beschermingsregime is vastgelegd in de Wet natuurbescherming en in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Rijk en regio werken samen aan een toekomstbestendige ontwikkeling van de Waddenzee via de Agenda voor het Waddengebied 2050.
Het bereiken van de hoofddoelstelling voor de Waddenzee heeft ook effecten op het Waddengebied als geheel en andersom kunnen er effecten zijn van ontwikkelingen in het Waddengebied die van invloed zijn op het bereiken van de doelstelling voor de Waddenzee. Daarmee zijn ook de doelen voor het Waddengebied relevant, voor zover dat verband houdt met het bereiken van de hoofddoelstelling van de Waddenzee. Hoofddoel voor
16/563
het Waddengebied is dat het in 2050 veilig, vitaal en veerkrachtig is. Veilig doordat we tijdig anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering en zeespiegelstijging. Vitaal doordat wonen, werken, onderwijs en zorg mogelijk blijven op de eilanden en langs de kust en doordat economische sectoren excelleren in de context van het Werelderfgoed Waddenzee. Veerkrachtig doordat robuuste natuur en het landschap van wereldklasse de effecten van klimaatverandering, duurzaam gebruik en nieuwe ontwikkelingen kunnen opvangen. 2.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent 13 aangewezen nationale belangen. Deze 13 nationale belangen zijn: Rijksvaarwegen; Mainportontwikkeling Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie; Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuurnetwerk Nederland; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Voor dit bestemmingsplan zijn de regels ten aanzien van de Waddenzee en waddengebied van belang. Het plangebied valt binnen het Waddengebied.
Het Barro bepaalt dat een bestemmingsplan in dat gebied, dat nieuw gebruik of nieuwe bebouwing dan wel een wijziging van bestaand gebruik of bestaande bebouwing mogelijk maakt, geen significante negatieve gevolgen mag hebben voor de landschappelijke of cultuurhistorische kwaliteiten. Dit betreft een hoofdzakelijk conserverend bestemmingsplan. Er worden slechts mogelijkheden geboden voor kleinschalige perceelsgebonden ontwikkelingen. Deze kleinschalige ontwikkelingen hebben geen significante negatieve gevolgen voor de landschappelijk en cultuurhistorische kwaliteiten van het gebied. Het plangebied raakt het rijksbelang 'Natuurnetwerk Nederland (NNN)'. In het Barro is aangegeven dat het beleid en de regels ten aanzien van het NNN worden overgelaten aan de provinciale verordening. Die wordt in paragraaf 2.3 Provinciaal beleid behandeld. Het plangebied raakt het rijksbelang 'kustfundament'. Ruimtelijke ontwikkelingen die een belemmering kunnen vormen voor de waterveiligheid, zijn niet toegestaan. In het Barro is aangegeven dat een nieuw bestemmingsplan of een wijziging van een bestaand bestemmingsplan dat betrekking heeft op het kustfundament alle bestemmingen kan bevatten, die nodig zijn voor een goede ruimtelijke ordening van dat gebied mits hierdoor geen significante belemmering ontstaat voor de instandhouding of de versterking van het zandige deel van het kustfundament.
Een bestemmingsplan buiten het stedelijk gebied in het kustfundament
17/563
kan geen nieuwe bebouwing mogelijk maken, met een aantal uitzonderingen: het nee-tenzij-principe. Die uitzonderingen betreffen seizoensgebonden bebouwing, bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunningplicht bestaat en dergelijke. Dit plan betreft een hoofdzakelijk conserverend bestemmingsplan. Er worden slechts mogelijkheden geboden voor kleinschalige perceelsgebonden ontwikkelingen. Deze kleinschalige ontwikkelingen vormen geen significante belemmering voor het kustfundament. Derde nota Waddenzee De derde nota Waddenzee bevat de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor de Waddenzee. Deze planologische kernbeslissing (pkb) is gebiedsgericht van karakter en integreert het ruimtelijk beleid voor de Waddenzee. De pkb is richtinggevend voor het ruimtelijk beleid van provincies en gemeenten. De hoofddoelstelling voor de Waddenzee is de duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied en het behoud van het unieke open landschap.
2.3
Provinciaal beleid
2.3.1 Omgevingsvisie Fryslan 2020 De Romte Diele De provinciale Omgevingsvisie De Romte Diele, is op 23 september 2020 door Provinciale Staten vastgesteld. De Omgevingsvisie is één van de instrumenten van de nieuwe Omgevingswet. Veel provinciaal beleid, programma’s en projecten raken de Friese leefomgeving waarin mensen wonen, werken, zich verplaatsen, elkaar ontmoeten en recreëren. In de Omgevingsvisie staat waar de provincie met de leefomgeving van Fryslân naar toe wil: de ambitie en doelen voor de toekomst. Het is een visie voor de lange termijn op een tamelijk hoog abstractieniveau. Het is geen blauwdruk voor hoe Fryslân er over 20 à 30 jaar bij ligt. Wel geeft de visie de richting aan waar de provincie met allerlei partijen naar toe wil werken. Samen met verschillende organisaties, inwoners en ondernemers in Fryslân geeft de provincie nu invulling aan deze visie. Dit gebeurt in programma’s, concrete projecten en initiatieven, en zo nodig ook in regels. Vier Opgaven De provinciale Omgevingsvisie vervangt het strategisch beleid van de provincie in het Streekplan, Milieubeleidsplan, Waterhuishoudingsplan en het Verkeer- en vervoerplan. In de visie is aangegeven wat de provincie doet om de huidige basiskwaliteiten van de Friese leefomgeving op orde te houden. Daarnaast wil de provincie extra inzetten op vier urgente, integrale opgaven: 1.
Fryslân vitaal, leefbaar en bereikbaar houden; 2. Energietransitie met kracht voortzetten; 3. Fryslân klimaatadaptief inrichten; 4. Versterken biodiversiteit. In het Waddengebied (zee, eilanden en vaste landkust), komen de urgente opgaven in versterkte mate samen. De kansen die er zijn om klimaatadaptatie, versterken biodiversiteit en energietransitie te verbinden met vitaliteit en leefbaarheid, zullen in dit gebied optimaal benut moeten worden. De Waddeneilanden vormen ‘Fryslân’ in het klein: dezelfde dilemma’s, spanningen en mogelijkheden die ook op het vaste land spelen, doen zich hier versterkt voor. Aan de andere kant is de situatie op de eilanden juist heel specifiek: door de
18/563
afgebakende ruimte en de bijzondere natuur- en landschapswaarden ontwikkelen functies zich hier anders; denk aan wonen, werken, recreatie, landbouw, klimaatadaptatie, drinkwaterwinning, energie en voorzieningen. De eilanden willen een proeftuin zijn voor innovaties en experimenten, met name voor de energietransitie. Deze innovaties kunnen mogelijk daarna worden toegepast in andere gebieden. De provincie wil recht doen aan de specifieke eilander situatie door gebiedsgericht te werken en volop ruimte te bieden voor maatwerk en experimentele oplossingen. Recreatie en toerisme vormen de belangrijkste economische drager van de eilanden. Van belang is dat per eiland de totale druk van recreatie op natuur en landschap maar ook op het recreatieve verblijfsklimaat aanvaardbaar blijft. De provincie verwacht dat de eilandgemeenten voor hun eiland een visie hebben op de mate van intensiteit en spreiding van recreatie (het totaal van het recreatie-aanbod) en hoe ze deze willen beheersen. Voor de Waddeneilanden ligt het accent op kwaliteitsverbetering en niet op capaciteitsgroei. Duurzame landbouw: De Friese landbouw moet in 2025 duurzaam en circulair zijn, zowel ecologisch als economisch. Innovatie en samenwerking in de keten zijn succesfactoren hiervoor. De diversiteit van agrarische bedrijven dient behouden te blijven. Natuurlijke en sociale binding met de omgeving zijn belangrijk.
De landbouwsector wordt gestimuleerd om de omslag te maken naar een duurzame, natuurinclusieve en grondgebonden kringlooplandbouw. Het ontwikkelen van nieuwe, houdbare verdienmodellen voor de landbouw is essentieel. Het leveren van maatschappelijke diensten, zoals natuur- en landschapsbeheer, bodembiodiversiteit, waterconservering en -berging, dient volwaardig en structureel te worden vergoed. Dit kan op verschillende manieren: door deze diensten zonder meerkosten in het bedrijf in te passen, door vergoeding uit de markt, óf - waar de aanpassingen niet inpasbaar zijn in een regulier verdienmodel - door de overheid. Gemeenten worden ondersteund bij toepassing van de Nije Pleats methode voor lokale inpassing van agrarische bedrijven. In de Omgevingsverordening wordt aangegeven vanaf welke omvang de Nije Pleats methode relevant is, zodat dit niet voor beperkte agrarische ontwikkelingen nodig is. Extra inspanning voor biodiversiteit, (leef)milieu of duurzaamheid kan een plus opleveren in de vorm van extra ontwikkelruimte, nader te regelen in de Omgevingsverordening. Voor nieuwvestiging of verbreding van een agrarisch bedrijf geldt dat een nieuw agrarisch bouwperceel alleen mogelijk is indien geen gebruik kan worden gemaakt van een bestaand (vrijkomend) bouwperceel. Nieuwe bouwpercelen voor intensieve veehouderijen zijn niet mogelijk.
Mestverwerking, mestvergisting en biovergassing bij een agrarisch bedrijf zijn mogelijk. Wanneer dit voor meer bedrijven gebeurt, zijn agrolocaties in landelijk gebied, bedrijventerreinen, en bijvoorbeeld voormalige gaswinlocaties en RWZI’s de aangewezen plekken. De lokale inpassing in een gebied, qua landschap/ natuur, milieu, ontsluiting en soort bedrijven, wegen gemeenten af.
19/563
2.3.2 Verordening Romte De Verordening Romte Fryslân 2014 is op 25 juni 2014 vastgesteld. Vervolgens is op 18 februari 2015, tegelijk met de vaststelling van de Beleidsnotitie Romte foar Sinne, de 1e partiële herziening van de verordening vastgesteld. Op 21 februari 2018 is de wijzigingsverordening 'Verordening Romte Fryslân 2014' vastgesteld. In 2020 zijn nieuwe regels m.b.t. zon en wind opgenomen in de Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (zon) en de Wijziging Verordening Romte Fryslân (wind). Tot slot is op 23 maart 2021 een aanpassing in de nummering van artikel 10.1.1, eerste lid (algemene ontheffing) doorgevoerd. In de geconsolideerde versie van de Verordening Romte Fryslân 2014 (d.d. 23-03 2021) zijn de meest recente wijzigingsverordeningen meegenomen. In de Verordening Romte Fryslân worden regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen.
Deze regels hebben betrekking op diverse onderwerpen, waaronder: Hergebruik vrijkomende (niet-) agrarische bebouwing; nieuwe landgoederen; ruimte-voor-ruimte regeling; schaalvergroting agrarische bedrijven; recreatie en toerisme; nevenactiviteiten en aan de landbouw gerelateerde bedrijfsactiviteiten; glastuinbouw; ecologische hoofdstructuur; natuur buiten de ecologische hoofdstructuur; reserveringszones voor versterking primaire waterkeringen; windturbines. Schaalvergroting landbouw Schaalvergroting in de landbouw is een actueel thema. De gangbare vormen van schaalvergroting van agrarische bedrijven zijn in de Friese landschapstypen inpasbaar. Voorwaarde is dat maatwerk per aanvraag voor schaalvergroting wordt verricht. De landschappelijke kernkwaliteiten ter plaatse bepalen de ontwikkelingsmogelijkheden van het agrarische bedrijf. De Nije Pleats zet in op het vroegtijdig adviseren en begeleiden van agrariërs met plannen voor schaalvergroting. Hierbij kijkt men integraal, vanuit meerdere disciplines, naar de inpassing van het agrarische bedrijf in z'n omgeving. Deze nieuwe werkwijze moet winst opleveren voor de boer én voor de inpassing van het boerenerf in het landschap. Basis (artikel 6.1.2, eerste lid) is een bouwperceel van maximaal 1,5 ha (of, in geval het bestaande perceel al groter is, de bestaande maat). Schaalvergroting is mogelijk, onder kwalitatieve voorwaarden.
De verordening biedt ruimte voor schaalvergroting van agrarische bedrijven. Voor schaalvergroting (geregeld in artikel 6.1.2 en 6.1.3) is voorwaarde dat het bedrijf in de beoogde bedrijfsomvang ter plekke kan functioneren qua ligging en ontsluiting en inpasbaar is binnen de kwaliteiten van landschap en natuur. Gemeentes wordt gevraagd deze zorgvuldige inpassing te realiseren door toepassing van de Nije Pleats methodiek. Artikel 6.1.5 borgt die Nije Pleats methodiek bij bouwpercelen > 1,5 ha en bij nieuwe bouwpercelen. In een bestemmingsplan kan de gemeente dit regelen door een afwijkings-/ontheffingsbepaling of een
20/563
wijzigingsbevoegdheid met passende criteria. Als bouwmogelijkheden 'bij recht' worden toegekend doet zich de noodzaak voor van het opnemen van een 'voorwaardelijke bepaling' wat betreft de borging van de landschappelijke inrichting. Het maatwerk kan aan toepassing van deze bevoegdheden gekoppeld worden. In bestemmingsplannen buitengebied wordt een maximum oppervlak voor een agrarisch bouwperceel van 1,5 ha. op genomen. Bij de uitbreiding van een agrarisch bouwperceel die leidt tot een grotere oppervlakte dan 1,5 hectare, en de aanwijzing van een nieuw agrarisch bouwperceel, motiveert de gemeente op welke wijze het agrarische bedrijf zorgvuldig in de landschappelijke kernkwaliteiten wordt ingepast. In een bestemmingsplan kan de gemeente dit regelen door een ontheffingsbepaling, een wijzigingsbevoegdheid met passende criteria of met een zogenaamde voorwaardelijke bepaling. Het landschappelijke maatwerk, bijv. volgens de methode van De Nije Pleats, kan aan de toepassing van deze bevoegdheden gekoppeld worden. Verbreding landbouw Actueel is de verbreding van agrarische bedrijfsactiviteiten met nevenactiviteiten en aan de landbouw gerelateerde bedrijfsactiviteiten zoals duurzame energieopwekking.
Dit beleid is vertaald in artikel 6.2.1 van de Verordening Uitgangspunt is dat bedrijfsactiviteiten en nevenactiviteiten die aan de landbouw gerelateerd zijn, qua aard en schaal ondergeschikt blijven aan de agrarische bedrijfsactiviteiten die de hoofdfunctie van het perceel vormen. Wanneer bijvoorbeeld het opgewekte vermogen en de inkomsten van energieopwekking, de schaal en inkomsten van de agrarische bedrijfsactiviteiten overstijgen, is deze activiteit niet meer als bedrijfseigen aan te merken. Voor (kleinschalige) verblijfsrecreatie en groepsaccommodatie als nevenactiviteit bij agrarische bedrijven zijn aanvullende bepalingen opgenomen. Voor een bedrijfsactiviteit die aan de landbouw gerelateerd is en die niet meer 'agrarisch bedrijfseigen' is, kan een gemeente op grond van artikel 6.2.2 afwijken. Dit is ook mogelijk voor een agrarisch hulpbedrijf zoals een agrarisch loonbedrijf en een grondverzetbedrijf. Dergelijke bedrijven dienen in principe op een bedrijventerrein ca. te worden gevestigd vanwege de te verwachten verkeersbewegingen, milieuhinder, aard en schaal van de bedrijfsvoering, en uitstraling. Als dat niet mogelijk is, kan de gemeente een locatie in een dorpsrand of op een vrijkomend agrarisch bouwperceel of bedrijfsperceel in het landelijk gebied mogelijk maken.
Vestiging op een nieuwe locatie in het landelijk gebied is in principe niet gewenst, tenzij een goed gesitueerde en goed ontsloten agro-locatie ontwikkeld kan worden waar dergelijke bedrijvigheid geclusterd en gecombineerd kan worden met agrarische bedrijvigheid. Goothoogte stallen De goothoogte van stallen is een sterk bepalend element bij de landschappelijke inpassing van agrarische bebouwing. Dit geldt met name voor melkveebedrijven, waarop de meeste aanvragen voor schaalvergroting betrekking hebben (ca. 90%). Gestapelde huisvestingsystemen zoals varkensflats wil de provincie voorkomen omdat dergelijke industrieel ogende bouwvormen niet in het Friese landschap passen, zowel qua schaal als qua uitstraling. Hoewel de ervaring is dat een goothoogte tot 3,5 m in de meeste gevallen voldoende is, is een maximale goothoogte van 5 m voorgeschreven. Hiermee kunnen de gangbare stalsystemen worden gerealiseerd, terwijl gestapelde huisvestingsystemen zoals varkensflats worden voorkomen. In artikel 6.3.1, lid 1 staat daarom een maximale goothoogte voor stallen. Afwijking is mogelijk (lid 2), mits de stal landschappelijk
21/563
inpasbaar en het geen gestapelde stal betreft zoals omschreven in de begripsbepalingen. Waddeneilanden Het uitgangspunt is dat woningbouw op de Waddeneilanden mogelijk is voor mensen die sociaal of economisch aan de eilanden gebonden zijn, wordt via maatwerk per eiland in het woonplan ingevuld. Voor de Waddeneilanden zijn geen recreatiekernen opgenomen. Uitgegaan wordt van een maatwerkbenadering waarbij de totale recreatiedruk per eiland wordt gestabiliseerd (artikel 5.7.2 ). Dit pakt voor elk eiland verschillend uit. Tot nu toe vullen de gemeenten dit uitgangspunt in via de beddenboekhouding per eiland, maar andere systemen die meer rekening houden met onder andere de effecten van seizoensverlenging zijn mogelijk. Het stabilisatieprincipe is niet direct toepasbaar op een concreet initiatief. De provincie verwacht dat de gemeente in de plantoelichting onderbouwt op welke wijze één of meer recreatieve voorzieningen inpasbaar zijn binnen het stabilisatieprincipe. Voor de kampeerboerderijen op een eiland kan bijvoorbeeld de ontwikkelingsruimte als een totaal worden aangegeven, dat vervolgens wordt vertaald in uitbreidingsruimte per kampeerboerderij. Bij afwegingen over het toeristisch-recreatieve aanbod in de regio, mag ieder Waddeneiland als een eigen recreatieregio worden gezien die een zelfstandige positie inneemt binnen het recreatieve aanbod.
Weidevogels In de Weidevogelnota 2014-2020 staat het provinciale weidevogelbeleid. Het nieuwe beleid is selectiever en concentreert de inspanningen voor weidevogels in de meest kansrijke gebieden: De weidevogelkansgebieden, die bestaan uit ruime en open gebieden (zichtafstand > 400 m) met voldoende rust en waarin gevarieerde graslanden liggen. De weidevogelkerngebieden; deze gebieden liggen binnen de weidevogelkansgebieden en worden geselecteerd en begrensd door de collectieve beheerders in een weidevogelkansgebied. Dit zijn de feitelijke weidevogelgebieden waar inrichting en beheer optimaal zijn afgestemd op de weidevogels. Ze bestaan uit weidevogelreservaten, agrarische gebieden of combinaties van beide. Enkele zelfstandige 'parels' buiten de weidevogelkansgebieden met een hoge weidevogeldichtheid. Omdat het beleid selectiever is geworden is ook de regeling voor weidevogels selectiever. Alleen in de weidevogelkansgebieden en in de weidevogelparels zijn nieuwe planologische ontwikkelingen met bebouwing, beplanting of verharding die verstorend werken op de openheid en rust in principe niet toegestaan. Dat is geregeld in artikel 7.2.2. Agrarische ontwikkelingen zijn echter wel gewoon toegestaan, omdat de agrarische functie juist mee bepalend is voor de geschiktheid van die gebieden voor weidevogels; ook hier geldt dat bijbehorende nevenactiviteiten eveneens toelaatbaar zijn.
Een uitzondering hierop vormt het aanwijzen van een nieuw agrarisch bouwperceel: in dat geval is sprake van een nieuwe ontwikkeling waarvoor bij de locatiekeuze rekening moet en kan worden gehouden met de ligging t.o.v. de kerngebieden en parels. Ook in de aangrenzende gebieden moet rekening worden gehouden met ontwikkelingen die verstorend werken op de weidevogelkansgebieden en weidevogelparels. Dit is afhankelijk van de verstoringsafstanden per verstoringsbron. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op natuurgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur, voorziet in
22/563
een passende bestemming met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van natuurwaarden. Een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op gronden die gelegen zijn in of grenzen aan gebieden die op de kaart Weidevogelgebieden zijn aangewezen als weidevogelkansgebieden of weidevogelparels, voorziet in een regeling waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd, met dien verstande dat de agrarische productiefunctie inclusief de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan. Inmiddels is de Nota Weidevogels 2021-2030 verschenen. De provincie wil het weidevogelbeleid dit decennium (2021-2030) aanscherpen met aanvullende maatregelen, gebaseerd op de - in de Startnotitie Fryslân Greidefûgellân - opgenomen aanbevelingen. Er is een drietrapsraket ontwikkeld met betrekking tot de biotoop in het Friese weidevogelbeleid. Deze drie, opeenvolgende niveaus zien er als volgt uit: 1. Provinciebrede inzet op basiszorg voor weidevogels in het landelijke gebied. 2. Continuering (agrarisch) natuurbeheer in de huidige weidevogelkerngebieden en -parels en afronding Natuurnetwerk Nederland met weidevogeldoelstelling. 3. Creëren van grote, samenhangende weidevogelplusgebieden. Per gebied zijn maatregelen vastgesteld voor het basisniveau en streefdoel.
Kustfundament op de Waddeneilanden De Nota Ruimte en nadien de SVIR hechten belang aan een duurzaam kustfundament dat de kust en het achterland beschermd tegen overstromingen vanuit zee. Binnen het kustfundament moet voldoende ruimte zijn voor versterking van de zeewering met behoud van de natuurlijke waarden. In de verordening van 2011 was het kustfundament begrensd. In het Barro heeft het rijk er voor gekozen om het kustfundament zelf te begrenzen. Onderhavige gewijzigde verordening bevat daarom geen begrenzing van het kustfundament en verwijst, voor wat betreft de op dat kustfundament van toepassing zijnde bepalingen in artikel 8.3.1 naar de begrenzing in het Barro. De grenzen van het kustfundament en de grenzen van de primaire waterkering zullen niet steeds samenvallen. Op veel plaatsen is het kustfundament breder dan de waterkering. In het Barro staan in artikel 2.3.5 specifieke bouwregels voor het kustfundament, gericht op het voorkomen van nieuwe bebouwing buiten bestaand stedelijk gebied. Deze regels werken direct door naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Zo mag een bestaand bouwwerk herbouwd of verbouwd worden waarbij het grondoppervlak met ten hoogste 10% mag worden uitgebreid.
Op grond van artikel 2.3.6 van het Barro kunnen echter bij verordening van de provincie Fryslân voor de Waddeneilanden andere regels worden gesteld waarmee een - nader te bepalen - beperkte uitbreidingsmogelijkheid van de bebouwing in het kustfundament mogelijk is. Deze andere regels zijn opgenomen in artikel 8.3.1 van de verordening. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat in de brede duingebieden op de eilanden van oudsher verblijfsrecreatieve bebouwing (recreatiewoningen, appartementen, hotels en enkele kampeerterreinen) en andere bebouwing (zoals enkele woningen, cafés/ restaurants, nuts- en defensiegebouwen, uitkijktoren, vuurtoren) aanwezig zijn. De geldende bestemmingsplannen voor deze duingebieden consolideren de bestaande situatie, waarbij bestaande
23/563
bebouwing kan worden uitgebreid in een orde van grootte van 10 tot 25%. Het eerste lid van artikel 8.3.1 bepaalt dat deze bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden mogen worden benut zodat hierover geen onduidelijkheid kan bestaan; een uitbreiding van het bestaande grondoppervlak met ten hoogste 10% conform het Barro is in ieder geval toegestaan. Vanuit een oogpunt van behoud van het kustfundament vindt de provincie dit aanvaardbaar. Dit bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen binnen het kustfundament en/of in een uitbreiding van bestaande recreatieve bebouwing gelegen binnen het kustfundament.
Figuur: begrenzing kustfundament (bron: BARRO)
2.3.3 Omgevingsverordening Fryslân Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2024) wordt de Verordening Romte vervangen door de Omgevingsverordening. De vaststelling door Provinciale Staten heeft op 21 september 2022 plaatsgevonden. Natuurnetwerk Nederland Regels in een omgevingsplan zijn gericht op de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden die onderdeel vormen van het natuurnetwerk Nederland. Een omgevingsplan maakt geen activiteiten en ontwikkelingen mogelijk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden, of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland. Een omgevingsplan voor gronden gelegen nabij het natuurnetwerk Nederland maakt geen nieuwe activiteiten en ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit of de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland. Voortzetting van bestaand gebruik is mogelijk, voor zover gronden binnen het natuurnetwerk Nederland nog niet zijn verworven, of nog niet zijn ingericht en worden beheerd voor natuurontwikkeling. De gemeente deelt aan gronden die onderdeel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland in een
24/563
omgevingsplan de functie van natuur of bos toe, op het moment dat: de eigenaren van de desbetreffende gronden daarom verzoeken, of de gronden zijn verworven of ontpacht ten behoeve van het realiseren van de natuurfunctie. Natuurgebieden buiten Natuurnetwerk Nederland Regels in een omgevingsplan voor gronden die deel uitmaken van een natuurgebied buiten het natuurnetwerk Nederland zijn gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van natuurwaarden. In natuurgebieden buiten het natuurnetwerk Nederland is normaal agrarisch gebruik en daarbij behorende bebouwing, waaronder begrepen nevenactiviteiten mogelijk. Een ontwikkeling in een natuurgebied buiten het natuurnetwerk Nederland kan worden toegestaan, wanneer: sprake is van een noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang; de natuurwaarden worden afgewogen ten opzichte van de ruimtelijke ingreep, en de mogelijkheden om met mitigerende maatregelen de schade te beperken of te compenseren moeten zoveel mogelijk worden benut. NB: natuur buiten NNN komt op Ameland niet voor.
Figuur: Natuurnetwerk Nederland (Bron: Ontwerp Omgevingsverordening Fryslan 2022) Weidevogels De provincie Fryslân is verantwoordelijk voor het in standhouden van weidevogels in Fryslân. In de Verordening Romte Fryslân 2014 ( geconsolideerde versie 2021 ) is daartoe de volgende regeling opgenomen: "Een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op gronden die gelegen zijn in of grenzen aan gebieden die op de kaart Weidevogelbieden zijn aangewezen als weidevogelkansgebieden of weidevogelparels, voorziet in een
25/563
regeling waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd, met dien verstande dat de agrarische productiefunctie inclusief de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan'. (Artikel 7.2.2). In de Omgevingsverordening Fryslân vermeldt in artikel 2.52 'Beschermingsregime' het volgende: " Een omgevingsplan voor gronden die gelegen zijn in of op korte afstand liggen van de gebieden als bedoeld in artikel 2.51 bevat regels waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd, waarbij de agrarische productiefunctie en de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan'. Beschermingsregime (Artikel 2.52 ) Een omgevingsplan voor gronden die gelegen zijn in of op korte afstand van de weidevogelkansgebied of weidevogelparels bevat regels waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd, waarbij de agrarische productiefunctie en de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan. Van de regels in artikel 2.52 kan worden afgeweken voor een noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de natuurwaarden worden afgewogen ten opzichte van de ruimtelijke ingreep, en b. de mogelijkheden om met mitigerende maatregelen de schade te beperken worden zo veel mogelijk benut, en c.
wanneer sprake is van het verloren gaan van gebied groter dan een halve hectare, dat vanwege rust en openheid voor weidevogels geschikt is als bedoeld in artikel 2.52, wordt dit door het bevoegd gezag financieel gecompenseerd door storting van een bedrag in een weidevogelfonds voordat het omgevingsplan wordt vastgesteld. De weidevogelparel ligt binnen de bestemming 'Natuur'. Binnen de bestemming 'Natuur' zijn de gronden bestemd voor het behoud, het beheer, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke, aardkundige, cultuurhistorische en landschappelijke waarden. De openheid en rust ter plaatse van de weidevogelparel wordt aldus voldoende beschermd.
Figuur: Weidevogelkansgebieden (groen) en weidevogelparels (rood). Bron: Ontwerp Omgevingsverordening Fryslan, 16-02 2021
26/563
2.3.4 Grutsk op 'e Romte (2012) In Grutsk op 'e Romte worden landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd en gewaardeerd. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, adviseren en inspireren. Op deze wijze verwacht de provincie Fryslân de doorwerking van de provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten, rijk en provincie binnen Fryslân te borgen. Voor wat betreft het Waddengebied wordt als provinciaal belang aangemerkt: 1. Onderlinge samenhang van de vier eilanden met de Friese kust, als onderdeel van de bescherming van Waddenzee en vasteland. 2. De 'losse' ligging van de eilanden als wezenlijke karakteristiek, waardoor de eilanden een eigen natuur en cultuur ontwikkelen (maatschappelijk en cultureel). Deze solitaire ligging is ook bepalend voor de vorm(ing) van de kustlijn (ruimtelijk). 3. Het dijkensysteem, zoals de zeedijken en resten van oude mieddijken (oudste bescherming van de dorpen; voor 5% nog aanwezig), als omkadering van de open polderlandschappen. 4. De jonge zeepolders met bebouwing (dorpen) op de hogere delen,plaatselijk zelfs op terpen. Eendenkooien in en aan de rand van de polder als groene eilanden in de openheid. 5.
Het totale scala aan gradiënten op de eilanden van het strand, via duinen, binnenduinrand, polders tot aan de wadkust. 6. De binnenduinrand als overgang van uitgestrekt duingebied naar het open polderlandschap met zichtlijnen van de binnenduinrand naar de polder en andersom. 7. Afwisselend duingebied met cultuuringrepen zoals bossen, stuifdijken, (wei)landjes, bunkers en recreatiewoningen. 8. De ruimtelijke weerslag van het maritieme verleden te zien in onder andere havens, bakens, vuurtorens, dorpen met maritieme monumenten. 9. De rust, stilte en leegte van het strand, de buitendijkse kwelders en het wad. 2.3.5 Provinciale milieuverordening Fryslân Op basis van de Provinciale milieuverordening Fryslan geldt in waterwingebieden een absoluut verbod voor het oprichten van bedrijven (inrichtingen die behoren tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht). Een uitzondering wordt alleen gemaakt voor de bedrijfsmatige activiteiten van het drinkwaterbedrijf, voor zover noodzakelijk voor de bereiding van drinkwater, en voor activiteiten die ten tijde van de inwerkingtreding van dit besluit al legaal aanwezig waren. De regeling voor waterwingebieden beoogt een optimale bescherming zowel van het voor drinkwater bestemde grondwater als van de bodem waarvan het te winnen grondwater deel uitmaakt.
Handelingen die er toe kunnen leiden dat schadelijke stoffen in het grondwater komen zijn daarom verboden. Buiten inrichtingen is het verboden om een constructie of werk van welke aard dan ook op of in de bodem op te richten. De provincie Fryslân wil in grondwaterbeschermingsgebieden voorkomen dat er inrichtingen worden gevestigd die voor de kwaliteit van de bodem en het grondwater met het oog op de waterwinning een te groot risico vormen. Voor deze inrichtingen geldt een absoluut verbod. Daarnaast is het binnen deze gebieden slechts onder voorwaarden mogelijk een boring uit te voeren en de bodem dieper dan 2 meter te roeren. Ook moet het zoveel mogelijk worden voorkomen dat transportleidingen voorgevaarlijke stoffen in een grondwaterbeschermingsgebied liggen. Bij het realiseren van verhardingen en gebouwen is de materiaalkeuze van belang voor de kwaliteit van het afstromend hemelwater. Voor diepinfiltratie van afstromend water is een
27/563
absoluut verbod opgenomen. Het is verboden een begraafplaats, uitstrooiveld of dierenbegraafplaats aan te leggen of te hebben. Warmtetoevoeging en -onttrekking zijn niet toegestaan. Aanvoer van verontreinigende stoffen van buiten het grondwaterbeschermingsgebied dient te worden voorkomen. Ook aan het gebruik van meststoffen zijn in grondwaterbeschermingsgebieden voorwaarden verbonden. Tevens is het niet toegestaan kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen of te hebben. De Omgevingswet treedt per 1 januari 2024 in werking en stelt een provinciale omgevingsvisie en een provinciale omgevingsverordening verplicht. Het gaat daarbij om één integrale omgevingsvisie en omgevingsverordening voor de gehele fysieke leefomgeving voor het provinciale grondgebied. In de omgevingsverordening worden regels over de fysieke leefomgeving opgenomen. De omgevingsverordening vervangt daarmee ongeveer een tien- tot vijftiental sectorale verordeningen op het gebied van de fysieke leefomgeving in Fryslân, waaronder de Provinciale milieuverordening Fryslân. De vaststelling door Provinciale Staten heeft op 21 september 2022 plaatsgevonden. 2.3.6 Ontgrondingenverordening Friesland Op ontgrondingen is de ontgroningenverordening Friesland van toepassing. Bijvoorbeeld omdat de grondwaterstand kan veranderen of de grond archeologische waarde kan bevatten.
Voor het graven van kuilen, sloten en vijvers is een ontgrondingsvergunning nodig: een vergunning voor het (tijdelijk) verlagen van het grondoppervlak. Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld het egaliseren van agrarische percelen, de aanleg van natuurgebieden en het verwijderen van bestaande gronddepots. In enkele gevallen is een melding voldoende. 2.3.7