CConstaterende datAltena
Koppel je AI →
Document · PDF

RES 1.0

Raadsvergadering 16 maart 2021, gemeente AltenaBij agendapunt: Definitieve Regionale Energie Strategie (RES) West-Brabant19.177 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.3 Innovatie Windturbines en zonnepanelen zijn op dit moment de enige technieken om grootschalig en betaalbaar duurzame elektriciteit te produceren. Ze hebben echter forse ruimtelijke invloed. Vergunningen voor wind- en zonprojecten worden daarom verleend voor maximaal 25 jaar. Vergunningen kunnen worden verlengd na een nieuwe / nadere afweging, waarbij in ieder geval aandacht is voor innovatie en ruimtelijke aspecten. De ontwikkeling en opschaling van innovatieve technieken is belangrijk, onder andere om ruimtelijke gevolgen van de energietransitie te beperken en de betaalbaarheid en betrouwbaarheid te vergroten. Innovatieve opslag van energie helpt om de flexibiliteit en belastbaarheid van het energiesysteem te versterken. We hanteren daarom een aanvullende ambitie van 0,2 TWh boven op onze elektriciteitsdoelstelling van 2,0 TWh, te realiseren met innovatieve technieken. Zo kunnen we de regionale innovatieve kracht benutten en versterken. Dit biedt ook zicht op werkgelegenheid voor langere termijn. We denken bij innovatieve projecten bijvoorbeeld aan energieleverende gevels, transparante panelen op overkappingen, transparante zonnepanelen bij fruittelers, waterkracht, opslagtechnieken en drijvende zonnepanelen op water. Om deze doelstelling te halen voeren we in iedere gemeente innovatieve projecten voor duurzame elektriciteit uit.

In het Uitvoeringsprogramma staat welke projecten dit zijn en hoe ze bijdragen aan onze ambities.

15

RES 1.0 West-Brabant

16

3.4 Elektriciteitsnetwerk en -opslag De verduurzaming van de energiehuishouding vergt ook aanpassingen aan het elektriciteitsnet. Het is belangrijk dat we deze uitbreidingen snel en efficiënt aanpakken. Dat is nodig om genoeg capaciteit te hebben en om de maatschappelijke kosten te beperken. De overheden en Enexis gaan daarom keuzes voor locaties voor grootschalige energieopwekking en voor versterking van het net beter op elkaar afstemmen. Het bestaande elektriciteitsnet ontsluit het grootste deel van de regio goed. De groei van de vraag en het aanbod van elektriciteit, onder andere door de bouw van grotere wind- en zonprojecten, vraagt wel om netaanpassingen. Deze aanpassingen brengen kosten en planningsvragen met zich mee. Die werken we verder uit in het programmeringsoverleg (zie het Uitvoeringsprogramma). Voor de aansluiting van grotere wind- en zonprojecten in met name het zuidelijke deel van de regio zijn aanpassingen van het elektriciteitsnet noodzakelijk. Deze aanpassingen zijn de verantwoordelijkheid van Tennet en/of Enexis, afhankelijk van de aard van de aanpassingen. Het zijn trajecten die veel tijd en grote investeringen vragen en van invloed zijn op de omgeving.

We vragen Enexis en zo nodig Tennet snel te starten met het uitwerken van de aanpassingen en het voorbereiden van de realisatie van de energieinfrastructuur in het zuiden, zodat de noodzakelijke capaciteit op tijd beschikbaar is. Uitbreidingen van de elektriciteitsinfrastructuur vergen grote investeringen. De netbeheerders kijken daarom ook naar mogelijkheden om de bestaande infrastructuur beter te benutten. Bijvoorbeeld door te sturen op vraag en aanbod en door aanpassingen van wetten en regels door het Rijk. Netbeheerders en overheden willen daarom ook samen werken aan de ontwikkeling van slimme netwerken, met slimme meters en lokale of regionale opslag, in bijvoorbeeld batterijen. De noodzaak tot opslag zal, zeker na 2030, groter worden. Het gaat dan zowel om seizoensopslag van energie, van zomer naar winter, als om dagopslag. We willen samen met bedrijven leren van pilots die inzetten op dergelijke energieopslag, zoals de tijdelijke opslag in waterstof.

RES 1.0 West-Brabant

Regionale energiehubs De regio heeft kansen voor regionale energiehubs (BCI, feb. 2019): grote bedrijventerreinen met een strategische ligging in energienetwerken en bedrijven uit het duurzaamheidscluster. Op en om deze terreinen zijn aanknopingspunten voor grootschalige opwekking van energie, besparingen van energie door uitwisseling van warmte en reststoffen, voor de ontwikkeling van innovatieve technologie (conversie van waterstof, afvang van CO2-afvang, e.d.). Deze kansen liggen vooral bij Bergen op Zoom; Industrieterrein Moerdijk; Etten-Leur; Roosendaal; Breda en Oosterhout

Uitkomsten van de Netimpactanalyse Enexis heeft eind 2020 een Netimpactanalyse 2.0 gemaakt, die inzicht geeft in de noodzakelijke aanpassingen aan het elektriciteitsnet om onze RES te realiseren. In deze tweede versie zijn nu ook de aanpassingen van Tennet opgenomen. Een eerste inschatting laat zien dat circa 5 van de 13 midden- / hoog-spanningsstations moeten worden uitgebreid, en dat er 1 of 2 nieuwe stations moeten worden gebouwd. De bijbehorende investeringen van Enexis liggen naar schatting tussen de € 320 en de 460 miljoen, verdeeld over de periode tussen nu en 2030. De investeringen van Tennet zijn nog niet bekend. Een belangrijk nieuw inzicht in de analyse is de teruglevercapaciteit bij Tennet: de hoeveelheid elektriciteit die ‘terug het hoogspanningsnet op kan’, wanneer het hard waait en/of de zon veel schijnt. Op 7 van de 13 stations is deze vroeger of later onvoldoende om de projecten uit de RES aan te kunnen sluiten. Dit vraagt om aanpassingen in de configuratie van het hoogspanningsnet van Tennet. Enexis en Tennet betrekken deze bij de Netvisie voor de provincie Noord-Brabant, die zij in 2021 gaan maken. De netimpactanalyse laat ook zien dat er methoden zijn om de netimpact te beperken.

Bijvoorbeeld door het ‘aftoppen’ van het terugleveren van elektriciteit van zonneparken op hele zonnige dagen, of door een RES-project aan te sluiten op een station dat weliswaar verder weg ligt, maar nog wel aansluitruimte heeft. Aan de hand van de netimpactanalyse zijn enkele gebieden geduid waar zulke optimalisaties denkbaar zijn. Deze werken we verder uit in het programmeringsoverleg (zie het Uitvoeringsprogramma).

Toelichting bij de Netwerkkaart Deze kaart van Enexis geeft de huidige mogelijkheden van het elektriciteitsnetwerk. De kaart toont het hoogspanningsnet en gebieden binnen een straal van 5, van 10 en 15 kilometer rond hoofdstations. De kaart toont zo de globale structuur van het huidige netwerk. Vooral het noorden tot en met de stedenrij is goed ontsloten. Het netwerk in het zuiden en in Altena veel minder. Dit betekent dat in het noorden van de regio groot-schalige inpassingen mogelijk zijn, mits er voldoende capaciteit op het net is. In het zuiden is de inpassing van grootschalige parken door de grote afstand tot hoofdstations nauwelijks haalbaar. De capaciteit is er beperkt, ook voor kleine initiatieven.

17

.

Figuur 5 Warmtevraag (TWh)

Figuur 6 Warmteaanbod (TWh)

RES 1.0 West-Brabant

SUEZ, Energiesafari november 18 2019

4 Duurzame warmte 4.1 Ambitie Nederland streeft naar een aardgasvrije gebouwde omgeving in 2050. Dat betekent een forse verduurzamingsopgave voor het verbruik van warmte in deze sector, net als in de industrie en de landbouw. De gezamenlijke warmtebehoefte van deze sectoren samen was in West-Brabant in 2018 ruim 25 TWh. De verduurzaming van deze warmte biedt ook kansen: meer comfort in een verduurzaamde woning, werkgelegenheid in de lokale bouw- en installatiesector13, en een lagere energierekening als huishoudens en bedrijven voldoende energie besparen. Deze regionale energiestrategie richt zich op de warmte voor de gebouwde omgeving, vooral woningen en maatschappelijke gebouwen. De bespaar- en verduurzamingsopgave voor de gebouwde omgeving in West-Brabant is -volgens de huidige inzichtenzo’n 5,5 TWh tot 2050. In 2018 werd 5,8 TWh gebruikt door de gebouwde omgeving; een klein deel (0,3 TWh) komt uit hernieuwbare bronnen die we ook in de toekomst kunnen blijven gebruiken, zoals warmte uit de lucht (aerothermie) of bodem (terrathermie) of uit lokale biomassa. De meeste warmte kwam uit aardgas (4,9 TWh) en van de Amercentrale (0,6 TWh). Aardgas en kolen zijn bronnen waar we op de lange termijn geen gebruik meer van zullen maken. Dat betekent dat we voor de gebouwde omgeving 5,5 TWh aan andere, hernieuwbare bronnen moeten vinden of het warmtegebruik moeten verminderen.

De aard van de opgave is bij warmte anders dan bij elektriciteit. Waar de opgave bij elektriciteit concreet is (landelijk 35 TWh aan duurzame opwekking), kent de warmtetransitie veel onzekerheden. Bijvoorbeeld over de beschikbaarheid van bronnen, de ontwikkeling van nieuwe technieken en de betaalbaarheid. Omdat er nog veel technologische en economische vragen moeten worden opgelost, staan de komende jaren in het teken van ‘leren in de praktijk’. We sluiten wijken en buurten aan op andere warmtebronnen dan aardgas en leren ondertussen technische, economische en sociale voorwaarden voor het opschalen. We voeren pilots uit met andere bronnen en met infrastructuur en innovaties. We richten ons vooral op de bestaande bouw; nieuwe woningen moeten al worden verwarmd zonder aardgas. 13

4.2 Onze strategie Onze strategie voor de verduurzaming van de regionale warmtevoorziening in WestBrabant baseren we op vier pijlers. Die strategie en pijlers hangen nauw samen met de inzichten uit de maatschappelijke kosten- en batenanalyse (MKBA) die we hebben laten uitvoeren (SEO, 2020; zie bijlage 2): • We zetten in op een forse 15% warmtebesparing. Besparen is vaak kosteneffectief, en ook nodig omdat er (nog) weinig betaalbare en duurzame warmtebronnen zijn. • We verkennen de uitbreiding van het regionale warmtenet naar stedelijke en/of andere gebieden met een hoge warmtedichtheid en -vraag. Een warmtenet is hier een oplossing met relatief beperkte maatschappelijke kosten. Een belangrijke voorwaarde is dat er zicht is op voldoende grote warmtebronnen voor de lange termijn. • We zetten in op individuele warmtesystemen in gebieden met een lage dichtheid van de warmtevraag en gebieden met onvoldoende ruimte in de grond voor leidingen van warmtenetten. o Het gebruik van groen gas heeft de laagste maatschappelijke kosten. Groen gas is echter beperkt beschikbaar (slechts 10 - 20% van de woningen zal er gebruik van kunnen maken, afhankelijk van de mate van energiebesparing, het gebruik van hybride ketels en zonthermie). Daarom moeten we groen gas slim toepassen. All-electric is een (duurder) alternatief.

• Lokale bronnen en netten leiden tot relatief hogere maatschappelijke kosten (SEO, 2020). We gaan daarom eerst experimenten uitvoeren en kennisnemen van lokale en landelijke ervaringen, om beter zicht te krijgen op de juiste voorwaarden voor de inzet van deze bronnen. Deze strategie maakt gebruik van de inzichten over maatschappelijke kosten en baten van oplossingen, over de kosten van de oplossingen voor de eindgebruiker, over het draagvlak voor verschillende oplossingen, en over de technische mogelijkheden en de beschikbaarheid. Deze strategie werkt door in keuzes die we maken voor warmtebesparing (4.3), warmtebronnen (4.4) en warmte-infrastructuur (4.5).

De warmtetransitie in West-Brabant zorgt naar verwachting voor een netto toename van enkele honderden arbeidsplaatsen, met name gedurende de komende 10-15 jaar (SEO, 2020).

RES 1.0 West-Brabant

19

RES 1.0 West-Brabant

20

De maatschappelijke kosten- en batenanalyse - MKBA We hebben samen met de regio Hart van Brabant een maatschappelijke kosten-batenanalyse laten uitvoeren. Deze vergelijkt alternatieven voor de verduurzaming van de regionale warmte voorziening. Die alternatieven hebben elk een eigen mix van warmteoplossingen, steeds met een andere insteek. Er is bijvoorbeeld een alternatief met vooral individuele oplossingen, een variant met veel lokale bronnen, en een alternatief met een groot, regionaal net. De belangrijkste conclusies 1. Alternatieven gebaseerd op individuele warmte-oplossingen met vooral zonthermie en groen gas als warmtebronnen hebben de laagste kosten. - Uit nader onderzoek (CE Delft, 2020, SEO, 2020) blijkt dat, vanwege de beperkte beschikbaarheid, slechts 10 - 20% van de gebouwen gebruik kan maken van groen gas, afhankelijk van de mate van isolatie, gebruik van hybride cv-ketels en zonthermie. 2. Alternatieven met een belangrijke rol voor een regionaal warmtenet en grote, hoge temperatuur warmtebronnen (zoals biomassa, restwarmte en geothermie) komen – na groen gas – als de meest gunstige alternatieven uit de MKBA. 3. Een collectieve warmtevoorziening gebaseerd op vooral lokale bronnen (o.a. aquathermie, bodemwarmte) en -netten leidt tot relatief hoge maatschappelijke kosten.

Koppelen van deze lokale bronnen en netten aan een groter regionaal net biedt voordelen: er kunnen dan ook grotere, goedkopere bronnen worden gebruikt. 4. All-electric oplossingen hebben de hoogste maatschappelijke kosten, stelt de MKBA. De kosten én de onzekerheden zijn hoog. 5. Energie besparen is in principe kosteneffectief. Extra veel energie besparen, wat nodig is om woningen geschikt te maken voor lage temperatuur warmte of all-electric varianten, leidt echter ook tot fors hogere kosten.

4.3 Warmtebesparing De eerste pijler in onze strategie is de vermindering van de warmtevraag. Warmte die niet wordt verbruikt, hoeven we ook niet te produceren. En minder verbruik zorgt in principe voor een lagere energierekening. Onze ambitie is om in 2030 15% minder warmte te gebruiken in de gebouwde omgeving dan in 2019 (ongeveer 0,9 TWh minder). Dit sluit aan bij de verwachtingen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) (KEV, 2020). Deze hoge ambitie vraagt om de toepassing van meer maatregelen en op grotere schaal. Het gaat dan om vergaande isolatie van muren en kozijnen, hoogwaardig isolatieglas en soms over verwarming met een laagtemperatuursysteem.

RES 1.0 West-Brabant

De beste manier om warmte te besparen hangt af van lokale kenmerken. Gebouwen en woningen verschillen sterk van elkaar. Gemeenten bepalen daarom zelf de specifieke maatregelen en instrumenten die passen bij de lokale opgave. We spreken wel af dat elke gemeente in ieder geval gebruik gaat maken van instrumenten op het vlak van informatievoorziening, afspraken met woningcorporaties en het aanbieden of ontsluiten van financiële ondersteuning. Deze afspraak staat in het Uitvoeringsprogramma. De RES is met name gericht op de gebouwde omgeving. Andere sectoren, zoals de industrie en de glastuinbouw, hebben echter ook een besparingsopgave. De afspraken daarover worden niet in deze energiestrategie gemaakt, maar in andere trajecten en samenwerkingsverbanden. In RES 2.0 verwerken we de uitkomsten van die afspraken. 4.4 Warmtebronnen Warmtebronnen spelen een essentiële rol in onze strategie. De verduurzamingsopgave voor de warmtevoorziening in de gebouwde omgeving is, na 15% besparing tot 2030, zo’n 4,6 TWh. We zullen voor het grootste deel van deze 4,6 TWh tussen nu en 2050 nieuwe hernieuwbare bronnen moeten vinden. Er wordt daarom nu al hard gewerkt aan projecten met nieuwe, duurzame warmte, bijvoorbeeld zonthermie in Breda, Zundert en Sleeuwijk en een warmtenet met aquathermie en WKO in Terheijden (zie figuur 8). En er zullen nog veel nieuwe projecten moeten volgen.

We willen onze warmtebronnen zo goed mogelijk gebruiken. Kostenefficiënt en met oog voor de leveringszekerheid op lange termijn. Zorgvuldig benutten van hernieuwbare warmtebronnen beperkt de elektriciteitsvraag voor warmte en de belasting van het elektriciteitsnet. En de nieuwe warmteprojecten bieden West-Brabantse bedrijven kansen voor werk en innovatie. Transitiebronnen Aardgas is een transitiebrandstof. De gebouwde omgeving wordt nu voor zo’n 85% verwarmd met aardgas. In 2050 zal er niet of nauwelijks aardgas meer worden gebruikt. Het gebruik neemt de komende jaren af. Dat kan door ander gas te gebruiken, door combinaties met andere technieken (hybride cv-ketel) of door over te stappen op andere warmtebronnen. Warmte uit restafval en vooral buitenlandse biomassa zien we ook als transitieoplossingen.

21

RES 1.0 West-Brabant

1e Werkatelier RES West Brabant 22

Op termijn zien we geen toekomst voor grootschalig gebruik van deze bronnen: vanwege de transitie naar een circulaire economie en vanwege de beperkte beschikbaarheid van lokale biomassa. We volgen vooralsnog het landelijke beleid over het gebruik van biomassa. het ‘Duurzaamheidskader bio-grondstoffen’ (Ministerie I&W, oktober 2020) geeft een strategie voor duurzame productie van biomassa voor biobased-toepassingen. Ook in West-Brabant willen we biomassa zo hoogwaardig mogelijk gebruiken. In het Duurzaamheidskader staat verder dat er geen subsidie meer wordt verleend voor het meestoken van biomassa in kolencentrales na 2027 en dat de verbranding van houtige biomassa zal worden afgebouwd. Dit betekent dat er dan geen subsidie meer wordt verleend voor de verbranding van biomassa in de Amercentrale. Hernieuwbare bronnen West-Brabant beschikt over diverse hernieuwbare warmtebronnen (zie figuur 7). De technische potentie van deze bronnen staat, voor zover nu bekend, in dit overzicht. De meeste zijn nu technisch al goed te benutten. Biomassa en restwarmte worden ook in de praktijk al op grotere schaal gebruikt. Bodemenergie, aerothermie, aquathermie en zonthermie veel minder. De grootste uitdaging voor het opschalen van het gebruik van deze bronnen zit in organisatorische en financieel-economisch aspecten.

Bijvoorbeeld voor het uitkoppelen van industriële warmte of voor het transport van warmte (zie ook paragraaf 4.4). De economische potentie is daarom minstens zo belangrijk als de technische potentie, maar nog niet bekend van alle bronnen. Het gebruik van groen gas en de bestaande gasinfrastructuur blijkt een aantrekkelijke oplossing uit oogpunt van maatschappelijke kosten en baten. Er is echter niet veel groen gas. De verwachting is dat er op termijn voor 0,3 - 0,7 TWh aan groen gas voor de gebouwde omgeving in West-Brabant is. Daar kan circa 10% van de gebouwen mee worden verwarmd (CE Delft, 2020). Als we groen gas combineren met zonthermie, hybride cv-ketels en extra isolatie van gebouwen, kan dit circa 20% worden (SEO, 2020). Vanwege de beperkte beschikbaarheid willen we het groene gas voor de gebouwde omgeving daarom vooral gebruiken in gebieden waar geen goede andere warmte-oplossingen zijn, bijvoorbeeld omdat er geen warmtebronnen in de buurt zijn, de dichtheid te laag is voor een warmtenet, of er geen ruimte is in de ondergrond. Geothermie kan na 2030 een belangrijke bron worden die het regionale warmtenet kan voeden. Er is echter nog weinig bekend over de technische potentie van met name diepe geothermie. Daarom zijn boringen en onderzoek nodig en ook al gepland. Resultaten worden verwacht in 2021. RES 1.0 West-Brabant

Bron

Potentie

Opmerking

Bodemenergie

0,2 TWh

Warmte uit WKO en bodemwarmtepompen. WKO potentieel West-Brabant, Warmte Atlas, 2020

Aerothermie

Zeer groot

Warmte uit de lucht. Lage temperatuur warmte, in combinatie met elektriciteit.

Zonthermie

1,7 TWh

Warmte uit zonnecollectoren. O.b.v. realistische warmtevraag.

Droge biomassa 0,1 TWh

Biomassa uit droge stof (b.v. resthout). RHDHV, Verkenning Bio-energie RES-en Brabant, 2019

Natte biomassa 0,7 TWh

Biomassa uit natte stromen (b.v. zuiveringsslib, mest, maaisel en keukenafval), o.b.v. forse productie en innovatieve technieken, CE Delft, 2020.

Restwarmte

5,0 TWh

Restwarmte uit industrie, bedrijven, datacenters, etc. Warmtebronnenregister, 2020

Aquathermie

1,7 TWh

Geothermie

3,3 TWh

Warmte uit oppervlakte-, afval- en drinkwater. Warmtebronnenregister, 2020 Ondiep: lage temperatuur aardwarmte (3,3 TWh). Diep: aardwarmte > 500 meter diep, potentie grotendeels onbekend), Warmtebronnenregister, 2020

Figuur 7 Technische potentie van warmtebronnen.

Regionale bronnenstrategie We richten ons in de regionale samenwerking op bronnen waar we op regionale schaal afspraken over moeten maken. Dit zijn de grote, regionale bronnen (geothermie, industriële restwarmte) en bronnen met een verdelingsvraagstuk (biomassa, groen gas, aquathermie). Lokale bronnen (bodemwarmte, luchtwarmte, WKO, kleine bronnen voor aquathermie en andere kleine bronnen) vallen onder de lokale bronnenstrategie. Ze zijn vooral van belang voor de lokale Transitievisies Warmte (TVW). Onze warmtestrategie geeft ook de hoofdlijnen van de bronnenstrategie. De bronnenstrategie schetst de samenhang in de beschikbaarheid van bronnen naar omvang, plaats en tijd. We zetten primair in op het besparen van energie, op grote bronnen voor regionale warmtenetten, op warmte uit groen gas (in combinatie met zonthermie) op specifieke plekken, en secundair op lokale bronnen en all-electric. De strategie geeft ook een voorzet voor de ruimtelijke verdeling van de inzet van deze bronnen: het regionale net met de grote bronnen overwegend in het noorden van de regio, andere

23

Project (huidige warmteproductie)

Techniek

Warmte

Groen gas (vergisting)

0,15 TWh

Biomassa (verbranding)

0,03 TWh

Schoenmakershoek (woningen), Etten-Leur

Terrathermie (WKO)

0,02 TWh

Van Eijk Groen Gas, Alphen

Groen gas (vergisting)

0,02 TWh

RWZI Dongemond, Oosterhout

Groen gas (vergisting)

0,003 TWh

Wolfslaar (woonwijk), Bavel

Terrathermie (WKO)

0,003 TWh

Stada Stores (winkelcentrum), Breda

Terrathermie (WKO)

0,002 TWh

RWZI Nieuwveer, Breda

Groen gas (vergisting)

0,002 TWh

Stortplaats De Kragge, Bergen op Zoom

Groen gas (stortgas)

0,002 TWh

Attero AEC Moerdijk

Afvalverbranding

2,3 TWh

Sita ReEnergy Roosendaal

Afvalverbranding

0,03 TWh

Biomassa (pellets)

0,76 TWh

Hernieuwbare warmte Cosun Beet Company, Dinteloord Bio-olie Amernet Breda

Afvalverbranding (transitieoplossing)

Amercentrale (transitieoplossing) Amercentrale

Figuur 8 Selectie van bestaande grotere warmteproductie in de regio (najaar 2019) Naast deze warmteproductie zijn er nog veel andere (kleinere) projecten. Noot: De opgewekte warmte is niet uitsluitend voor de gebouwde omgeving, maar wordt ook gebruikt door de tuinbouw en de industrie. Het groen gas wordt niet exclusief gebruikt voor warmte.

RES 1.0 West-Brabant

SUEZ, Energiesafari november 2019

24

oplossingen meer in het midden en zuiden. Een eerste inschatting van de mogelijke toepassing van bronnen in de regio is te vinden in paragraaf 4.6. De warmtestrategie spreekt zich nog niet uit over de balans van vraag en aanbod van fossiele en duurzame warmte in de tijd. Er is nog veel onzeker. Een eerste technische inschatting voor de verdere verduurzaming van onze bronnen in de tijd, gebaseerd op de kennis van nu14, is als volgt: −

−

−

Op korte termijn kunnen zonthermie en lucht- en bodemwarmte duurzame warmte leveren. Lucht- en bodemwarmte, als in all-electric oplossingen met een warmtepomp, zijn er technisch wel, maar vergen kostbare ingrepen aan gebouwen. Over een jaar of vijf, vanaf 2025, zullen aquathermie, lokale biomassa en restwarmte naar verwachting breder worden toegepast. De hoogte van de ontwikkelkosten en de onzekere wettelijke regels voor warmtenetten zijn belangrijke aandachtspunten. Aquathermie moet voor bestaande bouw nog kostenefficiënter worden, het aanbod van lokale biomassa groter. Op lange termijn, vanaf ongeveer 2030, zijn geothermie, waterstof en synthetische gassen naar verwachting klaar voor grootschaliger gebruik. Voor geothermie hangt dat eerst nog af van de technische potentie van de ondergrond van West-Brabant. De mogelijkheden van het gebruik van waterstof voor de verwarming van de gebouwde omgeving zijn nog onzeker en hangen samen met de industriële behoefte.

Op weg naar de RES 2.0, parallel met de ontwikkeling van de lokale Transitievisies Warmte, werken we onze regionale bronnenstrategie verder uit. We bekijken dan onder andere welke combinaties van vraag en aanbod van warmte het beste passen: waar gebruiken we lokale biomassa voor, wat kunnen we met industriële restwarmte uit Moerdijk? We werken dan ook de routekaart verder uit: wanneer komt welke bron beschikbaar, en hoe verhoudt zich dit tot de vraagontwikkeling in de tijd? Dan wordt duidelijker of er voldoende bronnen zijn om in de regionale warmtebehoefte te voorzien en welke eisen worden gesteld aan regionale energienetten. 4.5 Warmte-infrastructuur Een belangrijk onderdeel van de warmtetransitie is de infrastructuur. Dit geldt voor zowel het gasnet, het elektriciteitsnet als warmtenetten. 14

Gasnetten Nederland heeft een goede gasinfrastructuur: productie, transport, opslag en distributie is door vrijwel het hele land geregeld. De toekomstige rol van deze gasinfrastructuur hangt af van de rol en beschikbaarheid van groen gas en andere hernieuwbare gassen als energiedrager. We voorzien dat het gasnet voorlopig een belangrijke rol zal blijven spelen in de warmtevoorziening: in landelijke gebieden, maar ook bijvoorbeeld in binnensteden waar er onder de grond nauwelijks ruimte is voor de nieuwe leidingen van een eventueel warmtenet. Tot 2030 verwachten we geen grote rol voor andere gassen dan aardgas en groen gas in de gebouwde omgeving. We stimuleren ondertussen wel innovatieve projecten die zich richten op de productie en distributie van andere hernieuwbare gassen (zie ook het Uitvoeringsprogramma). Deze innovaties kunnen na 2030 een rol spelen bij bredere toepassingen en uitrol van andere gassen. De komende jaren zijn in sterke mate bepalend voor de toekomst van het gasnet. Gasleidingen liggen soms al sinds 1965 in de grond, en zijn op sommige plekken aan vervanging toe. Gemeenten zijn in de Transitievisies Warmte en de bijbehorende wijkuitvoeringsplannen (WUP) op zoek naar de beste alternatieven voor aardgas. De gevolgen van het gasnet kunnen per wijk verschillen, maar alle plannen opgeteld hangen sterk samen met de toekomst van het regionale aardgasnet.

Daarom staan in het Uitvoeringsprogramma afspraken over de afstemming tussen de RES en de TVW’s. Elektriciteitsnetten De verduurzaming van de warmtevoorziening zal leiden tot extra gebruik van de elektriciteitsnetten, vooral daar waar er veel all-electric oplossingen worden gebruikt. Naar schatting zal ongeveer 40 tot 50% van de woningen te zijner tijd gebruik maken van elektrische warmtepompen die warmte uit lucht, bodem of water halen. De belasting van het net wordt ook zwaarder door toename van het elektrisch rijden en door de elektriciteitsproductie van de vele zon- en windprojecten. Daarom zullen lokale netverzwaringen nodig zijn, inclusief uitbreiding van (onder)stations. De omvang vanwege alleen de elektrificatie van de warmtevoorziening voor de gebouwde omgeving lijkt over de regio als geheel beperkt (0,1 TWh in 2030 tot 0,5 TWh in 2050). De elektrificatie van de industrie, de mobiliteit zal ook effect hebben op het elektriciteitsnet. Dit brengen we in aanloop naar de RES 2.0 verder in beeld. Bekende en geplande ontwikkelingen zijn verwerkt in de impactanalyse van Enexis (eind 2020, zie paragraaf 3.4).

MKBA Warmtetransitie West-Brabant en Hart van Brabant, SEO, 2020; Groengaspotentie voor de gebouwde omgeving in West-Brabant, CE Delft, 2020.

RES 1.0 West-Brabant

25

RES 1.0 West-Brabant

26

Warmtenetten We hebben in West-Brabant al diverse warmtenetten, waaronder het bovenregionale Amernet dat warmte levert aan woningen en (glastuinbouw)bedrijven in onder andere Breda, Oosterhout, Geertruidenberg en Tilburg. Daarnaast zijn er lokale warmtenetten in Roosendaal en Bergen op Zoom. Grotere, regionale netten zijn uit oogpunt van maatschappelijke kosten en baten relatief aantrekkelijk (SEO, 2020). Ze kunnen gebruik maken van grote, kostenefficiënte bronnen als restwarmte en geothermie, en vergen minder kostbare aanpassingen aan gebouwen dan all-electric oplossingen. Een voorwaarde is dat er zicht is op voldoende grote warmtebronnen voor de lange termijn. Regionaal warmtenet Warmtenetten vragen bij voorkeur grootschalige warmtebronnen in de buurt van gebieden met een grote warmtevraag en/of een hoge woningdichtheid. Dat is nu het geval in twee gebieden in West-Brabant: het oosten Geertruidenberg-DrimmelenBreda-Oosterhout (rond het bestaande Amernet) en het westen (rondom Moerdijk). Voor beide gebieden zijn er kansen om aanleg of uitbreiding van het warmtenet te combineren met de vraag naar warmte van de glastuinbouw en met infrastructuur voor transport van CO2. De komende periode verkennen we vanuit de RES-deal Regionale warmte-infrastructuur mogelijkheden voor verdere uitbreiding van het regionale warmtenet.

We kijken dan met name naar een oostelijke verbinding tussen Moerdijk en Breda/Amernet. We werken daarin samen met de regio Hart van Brabant, die ook gebruik maakt van het Amernet. Westelijk ligt er nu al een concreet privaat initiatief voor een leiding tussen Roosendaal en tuinders in Steenbergen en Dinteloord. We zien deze verbindingen als eerste bouwstenen in de ontwikkeling van een groter regionaal net, waar –vroeger of later– ook andere delen van de regio op aangesloten zouden kunnen worden. Dan komen ook leidingen tussen Moerdijk en Roosendaal, Roosendaal en Bergen op Zoom, of naar Etten-Leur in beeld. Dan ontstaat ook de kans om kleinere kernen langs deze leidingen aan te sluiten op het warmtenet. De uitwerking doen we samen met publieke en private stakeholders. We kijken dan uitdrukkelijk ook naar het maatschappelijk draagvlak voor een regionaal warmtenet, de eindgebruikerskosten, de ruimtelijke inpassing (in de ondergrond) en de beschikbaarheid van voldoende hernieuwbare warmtebronnen om de uitbreidingen te kunnen voeden.

RES 1.0 West-Brabant

Lokale warmtenetten Lokale warmtenetten met lokale bronnen zijn, uit het oogpunt van maatschappelijke kosten en baten, minder aantrekkelijk. Toch kunnen ook lokale warmtenetten een passende vorm van warmtevoorziening zijn, als de juiste uitgangspunten worden gevolgd: • Vraag en aanbod van warmte liggen dicht bij elkaar; • De beschikbaarheid van een goedkope lokale warmtebron; • Ruimte voor maatschappelijk initiatieven met lokaal draagvlak; • De koppeling van lokale bronnen en netten met een regionaal warmtenet; • Kansen voor de opslag van lokale warmte in de ondergrond Er zijn in de regio diverse lokale bronnen die kernen en buurten van warmte zouden kunnen voorzien. Denk aan aquathermie bij Altena of Bergen op Zoom. In het Uitvoeringsprogramma hebben we afspraken over acties op het vlak van lokale warmtenetten. 4.6 De lokale warmtetransitie Gemeenten bepalen de beste duurzame warmteoplossing voor hun buurten en wijken in de Transitievisie Warmte en de wijkuitvoeringsplannen. De afspraak is dat elke gemeente deze Transitievisie uiterlijk in 2021 vaststelt. De gemeentelijke keuzes voor de lokale warmtevoorziening hangen samen met regionale energiekansen en keuzes. Denk aan een grote warmtebron (geothermie) of aan een mogelijke uitbreiding van een warmtenet (Moerdijk).

Daarom stemmen we de RES en de TVW’s de komende periode regelmatig op elkaar af, zie paragraaf 3.4 van het Uitvoeringsprogramma. De kaart Regionale Warmtestructuur geeft een beeld van de spreiding van mogelijke warmtebronnen en -oplossingen over de regio. De kaart onderscheidt drie zones. De warmtetransitie zal zich in elk van deze zones anders manifesteren. Dat heeft vooral te maken met verschillen in de potentie van warmtebronnen, de capaciteit van energieinfrastructuur en de aard en concentratie van de warmtevraag. Er staat ook een eerste inschatting van de omvang van het gebruik van bronnen omstreeks 2030 en 2050 in de drie zones op de Warmtekaart. Het betreft een eerste beeld op basis van vooral technische en in mindere mate financiële overwegingen. Zone 1. De westelijke steden en Altena Deze zone kent meerdere steden en kernen met samen een stevige warmtevraag. Er zijn verschillende warmtebronnen: aquathermie, zonthermie, warmte uit bodem en lucht, en op termijn mogelijk geothermie. 27

RES 1.0 West-Brabant

28

2e Werkatelier RES West Brabant

Ongeveer 35% van de woningen zal waarschijnlijk worden verwarmd met individuele systemen op groen gas, zonthermie en hybride ketels, en-of alleen elektriciteit. 65% zouden kunnen worden aangesloten op een warmtenet. Dit kan bijvoorbeeld met uitbreiding van de lokale netten in Bergen op Zoom en Roosendaal, die zijn gebaseerd op restwarmte van lokale industrie en (als transitieoplossing) afvalverwerking. Verschillende lokale netten zouden mogelijk op termijn kunnen worden gekoppeld aan het regionale warmtenet. Zone 2. Moerdijk, Breda, Amernet e.o. Deze zone kent een grote energievraag (steden, glastuinbouw en industrie), een relatief hoge dichtheid en een groot bestaand warmtenet: het Amernet. Uitbreiding van het Amernet zou hier, samen met eventuele andere uitbreidingen en lokale netten, een (kosten)effectieve oplossing kunnen zijn voor een fors deel (zo’n 80%) van de gebouwen. Dit zou een sterke groei zijn, want nu is minder dan 15% aangesloten op een warmtenet. Die groei vergt veel grote en duurzame bronnen. En dat geldt ook voor de vervanging van de kolen en biomassa die het Amernet nu voorzien van warmte. Ook in deze zone zullen niet alle woningen worden aangesloten op een warmtenet: voor zo’n 20% van de woningen ligt een warmteoplossing op basis van gas, biomassa of all-electric voor de hand. Dit valt hoger uit als er onvoldoende grote warmtebronnen zijn.

We onderkennen het lokale en (boven)regionale belang van het gebied rond de Amercentrale. Lokaal voor verdere gebiedsontwikkeling, regionaal voor de energievoorziening: nu vanwege de Amercentrale en later mogelijk (ook) vanwege aanlanding van elektriciteit van wind op zee. Veel is echter nog onzeker, zowel als het gaat om de rol van biomassa in de Amercentrale, de toekomst en voeding van het warmtenet (Amernet) als over eventuele toekomstige aanlanding van wind op zee bij Geertruidenberg. Dat betekent dat er -vanuit het perspectief van de RES- nu nog geen verdere uitwerking is te geven aan de rol, functie en inrichting van het gebied en dus ook niet aan een eventuele plaatsing van windturbines. Die uitwerking zou bij de actualisering van de RES in 2023 wellicht wel aan de orde kunnen zijn. De uitwerking moet dan kunnen rekenen op draagvlak bij zowel de provincie als de gemeente Geertruidenberg. De uitwerking zal moeten passen binnen de regionale afwegingen en afspraken over de regionale opgave en verdeling van die opgave in de RES in 2023.

Zone 3. De zuidelijke zandgronden Deze zone kent veel kleine kernen en individuele gebouwen, met een relatief kleine energievraag. Er zijn vooral kleinschalige bronnen: lokale biomassa, zonthermie en warmte uit bodem en lucht. Dit maakt dat zo’n 75% van de woningen richting 2050 RES 1.0 West-Brabant

waarschijnlijk wordt verwarmd met een individueel warmtesysteem op basis van groen gas, biomassa of elektriciteit. Vooral in het geval van all-electric oplossingen zijn stevige aanpassingen aan de woning nodig, met dito kosten. Ook geven all-electric oplossingen een extra belasting op het elektriciteitsnet. In de kernen kunnen zich kansen voordoen voor lokale warmtenetten op kleinschalige, lokale bronnen, afhankelijk van lokale kenmerken en kosten van de warmtebron. 4.7 Innovatie Richting 2050 zijn meer bronnen en technieken nodig die op grote schaal kunnen worden gebruikt. Een deel van deze technieken is al beschikbaar. De grootschalige toepassing stuit soms nog op financiële, juridische of economische belemmeringen. Dit geldt bijvoorbeeld voor regionale biomassa, die we meer willen benutten voor de energietransitie en circulaire economie. Onze ambitie is om in 2030 één miljoen ton per jaar aan regionale biomassa te gebruiken voor grondstoffen, warmte of elektriciteit. We beogen lokaal geproduceerde biomassa effectief in te zetten en minder te importeren. Voor een ander deel van de nieuwe bronnen en technieken willen we eerst meer inzicht krijgen in de technische, economische en maatschappelijke potentie. We willen daarom tot 2030 minimaal 10 experimenten op het gebied van warmte realiseren, inclusief experimenten met opslag en conversie van energie.

De experimenten moeten samen een reductie van het gebruik van aardgas van meer dan 10.000 huishoudens opleveren. De inzichten uit de experimenten nemen we mee in besluitvorming over volgende stappen in de warmtetransitie en de regionale energiestrategie. We denken aan pilots als: - Kleinschalige warmtenetten die gebruik maken van meerdere warmtebronnen; - Combinatie van warmtewinning met ondergrondse opslag; - Innovatieve productie van groen gas, als kritische supervergassing; - Het leveren van restwarmte in combinatie met CO2 aan glastuinbouw; - Lokale productie van waterstof; - Het benutten van warmte uit datacenters voor de gebouwde omgeving. In de RES-deal ‘Energieke Innovaties’ hebben we afspraken gemaakt om samen met Stichting Brabant geeft Energie, BOM, REWIN en het bedrijfsleven innovatie te stimuleren. Dit doen we door verbindingen te leggen tussen bedrijven en organisaties met vraag naar en aanbod van experimentele oplossingen en door het uitzetten van challenges. Deze innovatie-aanpak is uitgewerkt in het Uitvoeringsprogramma. 29

Start van de aanleg van het warmtenet in Terheijden, een initiatief van burgers Foto: van Leest RESRijan 1.0 West-Brabant

30

5 Uitvoeringsagenda De Regionale Energiestrategie omvat inhoudelijke afspraken over duurzame elektriciteit en warmte in West-Brabant. In het verlengde van de RES 1.0 spreken overheden en netbeheerder in een Uitvoeringsprogramma projecten en activiteiten af om – samen met stakeholders en inwoners van West-Brabant - de RES-opgaven te realiseren. De uitvoering van de RES vindt primair lokaal plaats onder regie en verantwoordelijkheid van individuele gemeenten. Daarnaast is er met stakeholders gewerkt aan zogeheten publiek-private ‘RES-deals’ om de uitvoering van de RES te versnellen en te faciliteren. De overheden blijven op regionaal niveau samenwerken en afstemmen bij de uitvoering en uitwerking van RES 2.0. De uitvoering vergt daarnaast ook belangrijke bijdragen en inspanningen van het Rijk. Consistent en afgestemd beleid van overheden versterkt de haalbaarheid van, en draagvlak voor de energietransitie. 5.1 Lokale projecten en activiteiten Projecten voor duurzame opwek worden grotendeels gerealiseerd op lokaal niveau en binnen één gemeente. Onze regio kent geen gemeentegrens overschrijdende zoekgebieden. Individuele gemeenten voeren daarom regie op deze projecten en zorgen voor de definitieve locatiekeuze en noodzakelijke procedure. Gemeenten dragen ook in de warmtetransitie in de gebouwde omgeving veel verantwoordelijkheid (wijkaanpak).

We spreken hier het volgende over af: − De gemeenten met zoekgebieden voor windturbines die in 2030 moeten draaien verankeren deze zoekgebieden, conform het Klimaatakkoord, in hun omgevingsbeleid en maken zo ruimte voor de afgesproken windproject(en). Gemeenten hanteren een planning die het mogelijk maakt dat vergunningen uiterlijk op 1 januari 2025 kunnen zijn verleend. − Gemeenten en/of initiatiefnemers zijn verplicht om de m.e.r.-procedure (planMER) te doorlopen, als de zoekgebieden nog niet in omgevingsbeleid zijn opgenomen. − De provincie blijft in haar beleid ruimte bieden voor de zoekgebieden voor wind. − De gemeenten met een opgave voor zonneparken maken of actualiseren (voor zover nodig) uiterlijk in 2021 beleid voor zonne-energie en verankeren dit in hun omgevingsbeleid. Zij benutten de resultaten van landschapsonderzoek (zie bijlage 3) en gebruiken de landschappelijke principes als basis. RES 1.0 West-Brabant

− − − −

Provincie, waterschappen en gemeenten spannen zich in om procedures voor vergunningverlening voor wind- en zonprojecten uit de RES voor 2025 af te ronden. Waterschap Brabantse Delta heeft dit streven nu al opgenomen in de aanbesteding van de inkoop van duurzame energie uit de regio. Gemeenten stellen uiterlijk in 2021 een Transitievisie Warmte vast. Deze stemmen zij op elkaar af. De provincie ondersteunt dit via de adviseurs Aardgasvrije Wijken. Gemeenten nemen het streven van 50% lokaal eigenaarschap op in beleid.

De vertaling van de Regionale Energiestrategie naar omgevingsbeleid en de plan- en besluitvorming over locaties voor projecten vraagt om betrokkenheid van inwoners, bedrijven en andere stakeholders. Gemeenten nemen een inspanningsverplichting voor initiatiefnemers op in hun beleid, gericht op het informeren van omwonenden en stakeholders en werven van draagvlak voor het initiatief. De gedragscodes voor wind op land (NWEA, 2016) en gedragscode Zon op Land (Holland Solar, 2019) geven richtlijnen voor de participatie en zien we als een belangrijk vertrekpunt. In het participatieproces met omwonenden en stakeholders worden ook afspraken gemaakt over het lokaal eigenaarschap. We willen immers iedereen de kans bieden om te profiteren van de wind- en zonne-energie die we in onze regio opwekken. Dit kan op verschillende manieren. Individuele inwoners en bedrijven kunnen zelf direct (mee-) investeren in projecten, zoals nu bijvoorbeeld bij de postcoderoos of bij aandelen het geval is. Of een deel van de opbrengsten kan via een omgevingsfonds of omgevingsregeling ten goede komen aan direct omwonenden of maatschappelijke doelen. Gemeenten zorgen voor een keuzeproces samen met inwoners en bedrijven in de omgeving van het project.

Er kan gebruik worden gemaakt van het aanbod van het Energiefonds Brabant om het lokaal eigendom voor te financieren en de uitwerking van het lokaal eigenaarschap van de omgeving te organiseren (zie 5.2). Om de doelen voor besparen, kleinschalige opwek en grootschalig zon op dak te bereiken, voorzien alle West-Brabantse gemeenten hun inwoners van informatie (bijvoorbeeld met een energieloket of wijkcoaches), helpen gemeenten inwoners bij de financiering van duurzaamheidsmaatregelen (bijvoorbeeld met duurzaamheidsleningen) en verwerken gemeenten de doelen voor kleinschalige opwekking in hun afspraken met woningcorporaties. Ook gaan gemeenten, het waterschap en de provincie zelf zo veel mogelijk zonne-energie op hun gemeentelijk vastgoed realiseren. We streven naar zonnepanelen op minimaal 25% van de overheidsdaken. 31

Dubbele winst: minder CO2 emissie en alternatief groen gas Een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) heeft met gangbare zuiveringstechnieken een hoge uitstoot van stikstof en broeikasgassen (CO2, methaan en lachgas). De uitstoot van de RWZI Nieuwveer is bijvoorbeeld een kwart van de CO2-uitstoot van de hele stad Breda. Het waterschap is daarom op zoek naar andere zuiveringstechnieken. Zij verkent samen met enkele gemeenten de kansen van een nieuwe vergistingstechniek. Deze techniek produceert groen gas dat direct kan worden geleverd aan het gasnet. Een middelgrote RWZI kan dan 5000 huishoudens voorzien van groen gas, als ook de verwerking van keukenafval wordt meegerekend. De CO2 uitstoot is 70 tot 80% minder.

RES 1.0 West-Brabant

32 Veer RWZI Nieuw

5.2 Publiek-private RES-deals Om de uitvoering van de Regionale Energiestrategie te versnellen en te faciliteren zijn publiek-private ‘RES-deals’ ontwikkeld, samen met stakeholders. In die RES-deals is samen met onder andere bedrijven, overheden en enkele maatschappelijke organisaties een gezamenlijke aanpak uitgewerkt voor drie onderwerpen: innovatie, warmte en lokaal eigenaarschap bij duurzame energieopwekking.

In een publiek-private projectgroep bereiden we samen met de RES-regio Hart van Brabant een besluit voor - uiterlijk 2023 - over de beste manier van uitbreiden van regionale warmtenetten. We starten met het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie en ontwikkelen van businesscases voor uitbreiding van regionale warmtenetten in het oostelijke en westelijke deel van West-Brabant. Daarnaast gaan we de samenwerking rond het regionale Amernet verbeteren. Deze samenwerking loopt nu via verschillende (ambtelijke en bestuurlijke) platforms: het samenwerkingsprogramma Verduurzaming Amer, via de RES’en West-Brabant en Hart van Brabant, via een Stuurgroep Amerterrein, via de RES Deal Warmte, tussen gemeenten. Een aangepaste organisatie is nodig voor betere plan- en besluitvorming.

RES-deal ‘Lokaal eigenaarschap’ We willen inwoners en bedrijven zoveel mogelijk kansen bieden om zelf duurzame energie op te wekken (lokaal eigenaarschap). Daarvoor: − Kunnen gemeenten gebruik maken van het aanbod van Energiefonds Brabant om namens de omgeving als medefinancier te investeren in grote wind- of zonprojecten, en de opbrengsten via b.v. een fonds te delen met de omgeving. Zo kan een brede groep inwoners profiteren of mee participeren (ook later nog). − Is een revolverend Ontwikkelfonds in oprichting voor steun aan lokale collectieve projecten van bijvoorbeeld burgerinitiatieven en energiecoöperaties. Dit fonds ondersteunt initiatiefnemers door voorfinanciering van ontwikkelkosten van een duurzaam project en met professionele expertise. Een van de voorwaarden voor ondersteuning is dat participatie mogelijk moet zijn voor iedereen. − Is samen met lokale afdelingen van ZLTO en VNO-NCW een regionaal Versnellingsteam Zon op bedrijfsdaken ingesteld. Deze ondersteunt -samen met gemeenteneen gebiedsgerichte aanpak voor agrarische bedrijven en bedrijventerreinen. De bedoeling is om pilots te realiseren, met collectieve zon op dak-projecten en energie-uitwisseling tussen agrarische bedrijven en bedrijventerreinen. Als het mogelijk is, wordt gebruik gemaakt van postcoderoos-projecten voor de omgeving.

Koppelkansen met andere duurzaamheidsmaatregelen worden meegenomen, denk aan laadinfrastructuur en groene daken. De ervaringen uit de pilots worden gebruikt voor opschaling van deze aanpak.

5.3 Regionale samenwerking Regionale samenwerking blijft nodig, ook als RES 1.0 is vastgesteld: voor afstemming in de uitvoering, bijvoorbeeld vanwege netschaarste, en voor het benutten van kansen voor samenwerking met bedrijven. Daarnaast zullen er komende jaren keuzes moeten worden gemaakt over bijvoorbeeld bovenlokale warmtebronnen en -oplossingen.

RES-deal Regionale warmte-infrastructuur We gaan in nauwe samenwerking tussen publieke en private stakeholders stapsgewijs werken aan de realisatie van concrete projecten voor uitbreiding van de regionale warmtestructuur. Het gaat om samenwerking met bedrijven die warmte kunnen leveren, grote afnemers van warmte en netbeheerders. Er is breed draagvlak voor realisatie van een grootschalig warmtenet en uitbreiding van infrastructuur onder de eerste deelnemers aan deze RES-deal.

Taken De regionale samenwerking richt zich na RES 1.0 vooral op de volgende taken: • Monitoren, afstemmen en programmeren van wind-, zon- en net-projecten; • Sturen van de uitbreiding regionale warmte-infrastructuur en - bronnen; • Aansturen en coördineren van de 3 publiek-private RES-deals; • Ontwikkelen en delen van kennis en ervaring; • Actualiseren naar RES 2.0, inclusief onderzoeken en uitwerkingen;

RES 1.0 West-Brabant

RES-deal ‘Energieke Innovaties’ Om onze ambities op innovatie – 0,2 TWh elektriciteit, 1 miljoen ton biomassa en experimenten om te voorzien in de warmtebehoefte van 10.000 huishoudens - te realiseren is goede samenwerking nodig tussen bedrijven, kennis- en onderwijsinstellingen, overheden en financiers. We gaan innovaties stimuleren door verbindingen te leggen tussen bedrijven en organisaties met vraag naar en aanbod van experimentele oplossingen en door ‘challenges’ te organiseren. Dit doen we via het bestaande platform van de Stichting Brabant Geeft Energie, en in samenwerking met Biovoice, de BOM en REWIN. Verder vragen we potentiële opdrachtgevers (als woningcorporaties, en vastgoedeigenaren) om budget te reserveren voor innovatieve opdrachten en investeerders, zoals banken, om investeringsproducten aan te bieden.

33

• •

Monitoren van de implementatie en uitvoering van de afspraken uit de RES 1.0; Samenwerken met naastgelegen regio’s: afstemmen van projecten en capaciteit op het net en behartigen van belangen naar NP RES/Rijk/EU.

Programmering van projecten Overheden en netbeheerder starten een programmeringsoverleg om de planning van projecten af te stemmen, schaarste zoveel mogelijk te voorkomen en kostenefficiënte keuzes te maken. Voldoende capaciteit op het elektriciteitsnet is een belangrijke voorwaarde om de projecten uit de RES ook daadwerkelijk (en op tijd) te kunnen realiseren. Om de planning van uitvoering van de RES-projecten te laten aansluiten bij de beschikbare netcapaciteit (en vice versa) is afstemming en regie noodzakelijk. Dit loopt via het programmeringsoverleg: een samenwerking waarin gemeenten, provincie en netbeheerder samen de planning en prioritering van de uitvoering van RES-projecten bepalen en afstemmen met de uitbreidingen in de netcapaciteit. In het overleg besteden we ook aandacht aan de kostenefficiëntie, we willen de maatschappelijke lasten immers zo laag mogelijk houden. Zo houden we de RES gezamenlijk uitvoerbaar en betaalbaar. Naar RES 2.0 Na de vaststelling van de RES 1.0 is de regio op basis van het Klimaatakkoord verplicht om elke 2 jaar een actualisatie vast te stellen: RES 2.0, RES 3.0 etc., waar steeds nieuwe inzichten en ontwikkelingen in worden opgenomen. Raden besluiten over RES 2.0 en daarmee over eventuele wijzigingen of aanvullingen op de RES.

In RES 2.0 gaan we in ieder geval een actualisatie maken van de (programmering van) de elektriciteitsopgave, met mogelijk ook zoekgebieden voor nieuwe hoofdstations van Enexis. Ook nemen we de betekenis van elektrificatie in andere sectoren - zoals de industrie en mobiliteit – voor het elektriciteitsnet mee. De afstemming met ander sectoren loopt via provinciaal en nationaal overleg. De regionale warmtestructuur krijgt een uitwerking en concretisering met afspraken over het gebruik van bovenlokale warmtebronnen en aanleg van nieuwe regionale warmte-infrastructuur. Betrokkenheid van stakeholders De RES wordt grotendeels uitgevoerd door bedrijven, inwoners en andere stakeholders in West-Brabant: door het treffen van energiebesparende maatregelen, opzetten van collectieve zon op dak projecten, het produceren van warmte, etc. Gemeenten werken daarom intensief samen met stakeholders bij lokale projecten voor een duurzame elektriciteits- en warmtevoorziening. RES 1.0 West-Brabant

Op regionaal niveau zetten we de samenwerking met stakeholders voort rond specifieke onderwerpen zoals de publiek-private samenwerking in de RES-deals of uitwerkingen voor de warmtetransitie. Rond deze onderwerpen gaan we concreet en samen aan de slag met direct betrokken stakeholders. Stakeholders zijn ook via de Klankbordgroep betrokken bij de RES. Deze groep bestaat uit bestuurders van uitvoeringspartners. Ze worden uitgenodigd om een inhoudelijke bijdrage te leveren en te reflecteren op voorgelegde onderwerpen. Daarnaast organiseren we twee keer per jaar een brede, generieke RES-bijeenkomst voor alle stakeholders en geïnteresseerden. Met als doel stakeholders bij te praten over regionale ontwikkelingen en reflectie en input te krijgen voor de uitvoering van de RES en uitwerking van RES 2.0. Betrokkenheid van inwoners Gemeenten zorgen voor participatie, communicatie en betrokkenheid van inwoners bij plannen voor duurzame elektriciteits- en/of warmtevoorziening. De regio organiseert een aantal activiteiten om inwoners en bedrijven bij de energietransitie te betrekken. Zo komt er een breed, regionaal inwonerspanel om inwoners mee te laten praten en denken in de uitvoering van RES1.0 en uitwerking van RES2.0. En we werken uit hoe we jongeren beter kunnen betrekken. We informeren over de energietransitie via een ezine en onze website energieregiowb.nl.

Op de website staat ook een regionale toolbox voor inwoners, maatschappelijke organisaties en gemeenten. Deze toolbox is samen met energiecoöperaties gemaakt. 5.4 Bijdrage van het Rijk De uitvoering van de 30 regionale energiestrategieën is een opgave van nationaal belang. West-Brabant gaat hard aan de slag met de uitvoering van haar strategie. Die uitvoering vergt concrete bijdragen van het Rijk. De belangrijkste bijdragen zijn: Algemeen - We zien het Rijk als een partner in de regionale energietransitie. Dat betekent dat we van het Rijk, als grondbezitter en als bevoegd gezag voor projecten in de regio, ook verlangen dat wordt gehandeld conform de afspraken in deze RES. Deze zijn in lijn met afspraken in het Klimaatakkoord.

34

-

-

-

Daarnaast vragen we van het Rijk om eenduidige (economische) impulsen die passen bij het Klimaatakkoord, zoals: o Het beperken en voorkomen van economische impulsen die klimaat- en RESdoelen tegen werken, zoals Europese subsidies voor de fossiele industrie o Het verhogen van de prijs voor CO2-rechten om verduurzaming van de energievoorziening te versnellen. o Het moderniseren van de energieregelgeving, met meer sturingsmogelijkheden voor de infrastructuurbeheerders en/of regionale overheden. o Het voorkomen van een (te lage) aardgasprijs die de transitie naar een duurzame energievoorziening belemmert. We vragen het Rijk om zich tot het uiterste in te spannen om de nieuwe Energiewet en Warmtewet zo snel mogelijk in werking te laten te treden en vertragingen vanwege verkiezingen te voorkomen. Bijdragen en maatregelen gericht op het (om)scholen van voldoende technici voor de uitvoering van de vele energieprojecten in de komende jaren.

Elektriciteit Zon op dak is een belangrijke bouwsteen in onze regionale energiestrategie. Het past in ons beleidsprincipe van zorgvuldig ruimtegebruik en brengt vraag en aanbod van elektriciteit dicht bij elkaar. Deze ontwikkeling vraagt meer financiële prikkels en (lokale) sturingsmogelijkheden, ook vanwege de combinatie met opslag. Voor het behalen van de doelen voor ‘zon op dak’ is het noodzakelijk dat: − Er binnen -en ook buiten- de SDE++ voldoende financiële stimulans blijft voor gebouweigenaren en projectontwikkelaars om zon op dak te realiseren, zeker in het licht van hobbels rond verzekerbaarheid en draagkracht van daken. − Er ook na 2025 voldoende financiële steun blijft voor zonne-energie: we verwachten dat er ook dan nog een onrendabele top zal zijn op zonprojecten. − Gemeenten, zoals aangekondigd in 2019, de mogelijkheid krijgen om zon op nieuwe daken te verplichten. − Initiatiefnemers meer tijd krijgen om verleende SDE+-beschikkingen uit te voeren. Dat kost nu veel tijd door het lange wachten op een netaansluiting. − Nieuwe, breed toepasbare technieken toe te voegen in de SDE++ systematiek, denk aan gevelpanelen, transparante panelen, e.d. − Zonsystemen prominenter op de Vamil en Eia-lijst komen, zodat bedrijven rendabele maatregelen zullen uitvoeren.

RES 1.0 West-Brabant

−

Netbeheerders de mogelijkheid krijgen netcapaciteit te ‘reserveren’ voor zon op dak, in afwijking van het ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’-principe.

Er is behoefte aan meer sturingsmogelijkheden voor een gebiedsgerichte aanpak van de energietransitie i.c. zon- en windprojecten- om vraag, aanbod en opslag beter bij elkaar te brengen en tot een efficiënter energiesysteem te komen. − De uitvoering van de energiestrategie vergt extra capaciteit op het elektriciteitsnetwerk. We vragen het Rijk om netbeheerders, in aanvulling op al bekende maatregelen, het volgende toe te staan: o Mloea, infra- en cable pooling, curtailment (verder) te stimuleren o Het ‘terugregelen’ van elektriciteitsbronnen bij overbelasting toe te staan. o Flexibeler inzet van reservecapaciteit in stations en op het net toe te staan. o Aanpassingen aan energiebelasting en tariefstructuur om opslag te stimuleren. − Een deel van de geplande en extra windturbines heeft naar verwachting te maken met beperkingen vanwege radarinstallaties voor vliegverkeer. Dit kan soms worden ondervangen met lagere turbines. Er is een speciale SDE+-categorie voor lage turbines rondom vliegvelden. We vragen het Rijk deze categorie ook open te stellen voor turbines rondom vliegbasis Woensdrecht. − Zorg dat Tennet op tijd voldoende capaciteit heeft om de opgewekte elektriciteit op het hoogspanningsnet in te kunnen voeden (terugleveren). Er is nu al regionale netschaarste (o.a.

bij Moerdijk) -vanwege onvoldoende capaciteit op de landelijke elektriciteitsinfrastructuur- die de uitvoering van projecten raakt. − Vergoeding van extra kosten voor het behoud van waterveiligheid bij realisatie van windturbines of zonnevelden op of bij waterkeringen. − De repowering van de windturbines op de Volkeraksluizen is afhankelijk van de uitbreiding van de sluizen met een vierde kolk. − Tenslotte vragen we aandacht voor de verzekerbaarheid van gebouwen en objecten en voor de gewijzigde regelgeving op het gebied van obstakelverplichting. Warmte Voor de warmtetransitie zijn nieuwe oplossingen en afspraken nodig om tot woonlastenneutrale oplossingen te komen. Het gaat dan onder andere over verantwoordelijkheden, financiering en marktwerking, bijvoorbeeld voor warmtenetten. We willen deze ‘governance’ graag samen met anderen, waaronder het Rijk, uitwerken. Zo vergt de verduurzaming van de warmtevoorziening:

35

Figuur 9 Verdeling uitvoeringskosten duurzame elektriciteitsopwek en besparing

Figuur 10 Verdeling van kosten over verschillende vormen van duurzame opwek

RES 1.0 West-Brabant

36

− − − − − − −

Maatregelen die de business case van warmtenetten verbeteren, onder andere gericht op financiering, financiële risico’s en marktordening. Financiële bijdragen aan de realisatie en uitbreiding van (boven)regionale warmtenetten. Standaarden voor open netten, zodat meerdere leveranciers warmte kunnen leveren en afnemers kunnen kiezen tussen diverse aanbieders Stimulansen om restwarmte te benutten, bijvoorbeeld door beprijzing of verbod op het lozen van restwarmte Een regeling voor het meenemen van particuliere woningen bij het verduurzamen van complexen die grotendeels in het bezit zijn van woningcorporaties Stimuleringsregelingen voor de verduurzaming van particuliere woningen, bij gebrek aan mogelijkheden voor gebouwgebonden financiering. Aangepaste regels om groen gas beschikbaar te stellen voor de particuliere markt in de gebouwde omgeving.

Directe financiële participatie in warmteprojecten is voor inwoners of bedrijven vaak nog niet aantrekkelijk. Warmteprojecten zijn, anders dan elektriciteitsprojecten, vooralsnog in het beste geval kostendekkend. De aanleg van nieuwe warmte-infrastructuur vraagt vooraf grote investeringen die niet zonder risico zijn. Het is belangrijk dat het Rijk middelen en regels levert, die leiden tot een financieel aantrekkelijke businesscase voor projecten. Het gaat dan concreet om afspraken over de rijksbijdrage aan de kosten voor grootschalige warmtenetten en over afspraken over de beperking en verdeling van financiële risico’s (zie ook paragraaf 5.3).

5.5 Uitvoeringkosten van de RES De kosten om de duurzame elektriciteitsopwekking en energiebesparing in deze RES te realiseren ramen we op circa € 3 miljard. Dat is zonder de kosten van regionale samenwerking en de warmtetransitie, met name warmteproductie en -infrastructuur. Deze projecten verminderen de CO2-uitstoot samen elk jaar met circa 200 kton. De verdeling van de kosten over betrokkenen staat in figuur 9. Gemeenten en provincie maken plan- en proceskosten voor duurzame elektriciteitsprojecten. Gemeenten zetten ook vaak duurzaamheidsleningen in om besparing en kleinschalige opwek mogelijk te maken. Enexis en Tennet maken kosten voor netverzwaring om de extra elektriciteit in te passen. Investeringen in projecten en maatregelen door projectontwikkelaars, energiecoöperaties, inwoners en andere bedrijven vormen de grootste kostenpost. Ruim een derde van de totale kosten ligt bij woningeigenaren, verhuurders en bedrijven vanwege energiebesparende maatregelen en kleinschalig zon op dak. Daarnaast zijn er kosten om projecten rendabel te maken, m.n. subsidies (SDE++, postcoderoosregeling, andere subsidies of btw-teruggave). Deze subsidies komen van het Rijk. De overheidskosten voor de diverse vormen van duurzame opwek verschillen (zie figuur 10). Kleinschalige opwek vraagt relatief veel subsidie.

Met windturbines kan naar verhouding met minder subsidie meer duurzame energie worden opgewekt.

Financiering Tot slot zal het Rijk gemeenten ook financieel in staat moeten stellen om Klimaatakkoord en RES ook daadwerkelijk uit te voeren (conform de VNG-motie d.d. 29.11.2019 en het recente advies van de Raad voor Openbaar Bestuur). We vragen middelen om de uitvoeringskosten van de RES te dekken en om de financiering van onze RES-organisatie te continueren. Voor West-Brabant komt dit neer op een bedrag van € 500.000 per jaar.

RES 1.0 West-Brabant

2

Bijlagen Bijlage 1 – Wind- en zonopgave per gemeente Bijlage 2 – Afkortingen en begrippen Bijlage 3 – Landschappelijke verdieping (zie link)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9740633/2