Bijlage Was wordt lijst
Tekst van het document
Overzicht wijzigingen Integrale verordening sociaal domein gemeente Altena 2022
Was
Wordt
Toelichting
2.2 Kernwaarden
2.2 Kernwaarden
Tekstfout hersteld. Spatie tussen geven ruimte toegevoegd.
•
We beperken regels en gevenruimte aan professionals (verantwoordelijkheden laag): we zijn een wendbare organisatie.
•
We beperken regels en geven ruimte aan professionals (verantwoordelijkheden laag): we zijn een wendbare organisatie.
2.4 De hulpvraagprocedure JEUGDWET |WMO |PW |IOAW |IOAZ |WGS | WKO | AWB |WI
2.4 De hulpvraagprocedure JEUGDWET |WMO |PW |IOAW |IOAZ |WGS | WKO | AWB |WI
2.4.1Procedure triage JEUGDWET|WMO|PW|IOAW|IOA Z|WGS|WI Na de melding neemt de gemeente de hulpvraag van de inwoner in behandeling. De gemeente bevestigt de melding binnen 3 dagen per brief of e-mail aan de inwoner. Ook geeft de gemeente informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen door een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner) en de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (persoonlijk plan).
2.4.1Procedure triage JEUGDWET|WMO|PW|IOAW|IOAZ|WG S|WI Na de melding neemt de gemeente de hulpvraag van de inwoner in behandeling. De gemeente bevestigt de melding binnen 3 dagen per brief of email aan de inwoner. Ook geeft de gemeente informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen door een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner) en de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (persoonlijk plan).
2.4.2Stap 1: gegevensverzameling en het gesprek na de melding JEUGDWET|WMO|PW|IOAW|IOA Z|WGS|WI 2.4.3Stap 2: het onderzoek JEUGDWET|WMO|PW|IOAW|IOA Z|WGS|WI
JEUGDWET De ouder(s) en/of jeugdige kunnen zelf een familiegroepsplan opstellen, waarin zij samen met hun netwerk aangeven hoe ze de opvoed- en opgroeisituatie kunnen verbeteren. En waarin zij een oplossing kunnen aandragen om de problemen van de jeugdige in eigen kring op te lossen. De gemeente informeert de ouder(s) en/of de jeugdige over deze mogelijkheid. 2.4.2Stap 1: gegevensverzameling en het gesprek na de melding WMO|PW|IOAW|IOAZ|WGS|WI 2.4.3Stap 2: het onderzoek WMO|PW|IOAW|IOAZ|WGS|WI
Het familiegroepsplan is nog steeds verplicht onderdeel van de Jeugdwet (art. 4.1.2) en maakt integraal deel uit van de werkwijze bij jeugdhulp. Het mag vervangen worden door een (professioneel) hulpverleningsplan als de situatie daarom vraagt, maar alleen ná het aanbieden van de mogelijkheid tot een familiegroepsplan.
Alleen bij 2.4.1 kan jeugdwet blijven staan. Bij alle andere onderdelen van dit artikel moet jeugdwet verwijderd worden, omdat de aanvraagprocedure gevolgd moet worden.
2.4.4Stap 3: het verslag
2
2.4.4Stap 3: het verslag JEUGDWET|WMO|PW|IOAW|IOA Z|WGS|WI 2.4.5Stap4: de aanvraag JEUGDWET|WMO|PW|IOAW|IOA Z|WGS|WKO|AWB|WI 2.4.6Stap 5: de beslissing JEUGDWET|WMO|PW|IOAW|IOA Z|WGS|WKO|AWB|WI 2.4.2.3doel en procedure gesprek Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, het effect dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Het gesprek vindt plaats binnen twee weken dagen na de melding. Indien deze termijn niet haalbaar blijkt, informeert de gemeente de inwoner hierover. Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner. Bij een fysiek gesprek gebeurt dit met een geldig identiteitsbewijs. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek. Als de inwoner dat wil, vindt de gemeente het gewenst als hij iemand (bijvoorbeeld een familielid) vraagt om bij het gesprek aanwezig te zijn. In sommige situaties zijn meerdere gesprekken nodig om het doel te bereiken.
WMO|PW|IOAW|IOAZ|WGS|WI 2.4.5Stap4: de aanvraag WMO|PW|IOAW|IOAZ|WGS|WKO|AW B|WI 2.4.6Stap 5: de beslissing WMO|PW|IOAW|IOAZ|WGS|WKO|AW B|WI
2.4.2.3doel en procedure gesprek Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, het effect dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Na de melding neemt een medewerker zo spoedig mogelijk contact op om een gesprek in te plannen. Het gesprek vindt bij voorkeur binnen drie weken plaats, tenzij de omstandigheden anders vereisen.
‘Verder: tekstfoutje hersteld (Tekstfoutje "bij de start van het gesprek identificeert de inwoner ZICH") en een alinea verwijderd dat niet veel meerwaarde gaf.
Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich. Bij een fysiek gesprek gebeurt dit met een geldig identiteitsbewijs. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek. De inwoner heeft hiervoor zeven dagen de tijd voorafgaand aan het gesprek. In sommige situaties zijn meerdere gesprekken nodig om het doel te bereiken.
2.4.4Stap 3: het verslag
2.4.4Stap 3: het verslag
JEUGDWET |WMO |PW |IOAW |IOAZ |WGS |WI
WMO |PW |IOAW |IOAZ |WGS |WI
4. De inwoner ondertekent het verslag en stuurt dit binnen 5 werkdagen naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met het verslag, kan hij dat daarop aangeven en het voor gezien ondertekenen.
De termijn hebben we uitgebreid naar 3 weken. In regel is het niet werkbaar de inwoner binnen 2 weken te informeren. Ook juridisch gezien heeft dit geen consequentie.
4. De inwoner ondertekent het onderzoeksverslag en stuurt dit binnen 10 werkdagen retour naar de gemeente. Indien de inwoner het niet eens is met het verslag, kan dit binnen dezelfde termijn worden aangegeven. In dat geval ondertekent de inwoner het verslag voor gezien.
Volgens de Wmo staat er geen specifieke wettelijke termijn opgenomen waarbinnen inwoners moeten reageren op het onderzoeksverslag naar de hulpvraag. In deze verordening is er uitvoeringstechnisch voor gekozen dat wel te doen en uit te breiden met 5 werkdagen naar 10.
3
2.5 De aanvraagprocedure JEUGDWET|WMO|PW|IOAW|IOA Z|WGS|WKO|AWB|LLV
2.5 De aanvraagprocedure JEUGDWET|WMO|PW|IOAW|IOAZ|WG S|WKO|AWB|LLV
2.5.1Stap 1: de aanvraag JEUGDWET|WMO|PW|IOAW|IOA Z|WGS|WKO|AWB|LLV
2.5.1Stap 1a: de aanvraag JEUGDWET|WMO|PW|IOAW|IOAZ|WG S|WKO|AWB|LLV
Stap 2.5.1Stap 1a: de aanvraag toegevoegd. Waar onderzoek aan moet voldoen voor jeugdwet (artikel 7 modelverordening), maar dan wel wat anders geformuleerd, omdat dat meer aansluit op uitspraken van de Centrale Raad van Beroep waar een zorgvuldig onderzoek aan moet voldoen
2.5.1:Stap1b: Onderzoek en opstellen van onderzoeksverslag JEUGDWET 1. De gemeente onderzoekt, zo snel mogelijk, in een gesprek met jeugdige en (gezaghebbende) ouders: a. wat de hulpvraag is van de jeugdige en/ of ouders; b. of deze gemeente verantwoordelijk is; c. of de jeugdwet van toepassing is; d. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en/of zijn ouders e. of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen bij de jeugdige en om welke problemen het concreet gaat; f. welke hulp gelet op de vastgestelde problematiek naar aard en omvang nodig is om de jeugdige in staat te stellen om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en/of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; g. de mogelijkheid van de jeugdige en/of ouder(s) om zelf of met ondersteuning van het sociale netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden; h. de mogelijkheid om de hulpvraag op te lossen door het inzetten van een voorliggende voorziening; i. de mogelijkheden om de hulpvraag op te lossen door het inzetten van een algemene voorziening;
4
j. of en welke ondersteuning nodig is in de vorm van een individuele voorziening. 2. De gemeente informeert jeugdige en/of ouder(s) over de mogelijkheid om een pgb aan te vragen en geeft uitleg over wat de regels, gevolgen en verantwoordelijkheden zijn van een pgb. 3. Ter voorbereiding van het gesprek verstrekken de jeugdige en/of zijn ouder(s) alle gegevens en stukken die naar het oordeel van de gemeente voor het onderzoek nodig zijn en waarover de jeugdige en/of ouder(s) beschikken. 4. De gemeente kan, met instemming van de jeugdige en/of ouder(s), informatie opvragen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest passende hulp. 5. Als het nodig is vraagt de gemeente daarbij om advies van een deskundige. 6. De gemeente kan in overleg met de jeugdige en/of ouder(s) afzien van een gesprek. 7. De gemeente legt de uitkomsten van het onderzoek vast in het onderzoeksverslag. De jeugdige en/of ouder(s) kunnen binnen een termijn van 14 dagen hierop reageren. Ook legt de gemeente in afstemming met jeugdige en/of ouder(s) hierin afspraken vast over het bespreken van de resultaten van het onderzoeksverslag. 8. De gemeente kan nadere regels vaststellen over de inhoud van het onderzoek en de manier waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. 2.7.2Spoedeisende gevallen
2.7.2Spoedeisende gevallen
JEUGDWET|WMO|PW|LLV|WGS
JEUGDWET|WMO|PW|LLV|WGS
In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner binnen 3 dagen de hulp krijgt die nodig is. De gemeente kan dan
In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner binnen 3 dagen de hulp krijgt die nodig is. Bij een crisis waarbij sprake is van een
Termijn binnen 24 uur toegevoegd voor crisisgevallen bij jeugd. 2.7.2. sub b: Belangrijk om de term ‘in het vrijwillig kader’ toe te voegen, aangezien de gemeente dit niet mag doen wanneer het gaat om een gedwongen gesloten
5
afwijken van de normale procedure, als dat nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek van de gemeente: b. het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp;
jeugdige, wordt de benodigde hulp uiterlijk binnen 24 uur ingezet. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure, als dat nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek van de gemeente:
plaatsing, dat recht ligt alleen bij de GI en Raad voor de kinderbescherming
b. het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp in het vrijwillig kader;
3.10 Meedoen in de samenleving
3.10 Meedoen in de samenleving
WMO
WMO
Inwoners die vanwege een beperking, een psychisch of psychosociaal probleem hulp nodig hebben om mee te doen in de samenleving (participatie), kunnen op aanvraag hulp-op-maat krijgen. Zij moeten wel aan de voorwaarden van artikel 2.4.5.2 respectievelijk 2.5.1. voldoen. Ook moet de hulp langdurig nodig zijn en een passende bijdrage leveren voor de inwoners, zodat zij in staat zijn om mee te doen in de samenleving en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. De gemeente kan in ieder geval hiervoor begeleiding aanbieden. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen collectieve begeleiding (dagbesteding) en individuele dagbesteding.
Inwoners die vanwege een beperking, een psychisch of psychosociaal probleem hulp nodig hebben om mee te doen in de samenleving (participatie), kunnen op aanvraag hulp-op-maat krijgen. Zij moeten wel aan de voorwaarden van artikel 2.4.5.2 respectievelijk 2.5.1. voldoen. Ook moet de hulp langdurig nodig zijn en een passende bijdrage leveren voor de inwoners, zodat zij in staat zijn om mee te doen in de samenleving en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. De gemeente kan in ieder geval hiervoor begeleiding aanbieden. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen collectieve begeleiding (dagbesteding) en individuele begeleiding.
3.10.2Individuele begeleiding
3.10.2Individuele begeleiding
WMO
WMO
De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die niet in staat zijn de normale dagelijkse activiteiten te doen, hulp-op-maat kunnen krijgen. De hulp-op-maat houdt in dat inwoners begeleid worden bij deze activiteiten (individuele
De gemeente zet zich ervoor in dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de noodzakelijke dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. Hierbij wordt ondersteuning geboden om de
Tekstuele aanpassing; individuele dagbesteding aangepast naar individuele begeleiding.
De Wmo is niet verantwoordelijk voor het begeleiden van inwoners met financiële vraagstukken met betrekking tot het beheren van de financiën. Dit zijn eigenlijk geen begeleidingstaken maar dit zou door het voorliggend veld opgepakt moeten worden.
6
begeleiding). Het betekent, dat de begeleider helpt bij de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. De begeleider kan ook helpen bij vaak terugkerende activiteiten, zoals het structureren van de dag, het doen van de administratie en het beheren van de financiën. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over.
zelfstandigheid te bevorderen en deelname aan de samenleving te stimuleren. Taken zoals het beheren van de financiën worden niet gezien als begeleidingstaken en dienen te worden opgepakt door het voorliggend veld of het sociale netwerk.
3.10.3Contact met anderen
3.10.3Contact met anderen
WMO
WMO
2. De gemeente kan inwoners daarnaast een bijdrage in de kosten geven, voor het gebruik van een (rolstoel)taxi;
2. De hulp is bedoeld voor:
3. De hulp is bedoeld voor: a. Het zich verplaatsen rondom de woning; b. Het zich verplaatsen over een langere afstand dicht bij huis; of
b. Het zich verplaatsen over een langere afstand dicht bij huis: of
4. Om collectief taxivervoer voor inwoners die dat nodig hebben beschikbaar en betaalbaar te houden, kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met collectief taxivervoer. Pas als dat niet passend is, kan een bijdrage in de kosten gegeven worden.
a. Het zich verplaatsen rondom de woning;
Volgorde lid 2, 3 en 4 in logischere volgorde gezet; De deeltaxi is voorliggend voor dat een bijdrage in vervoersmiddel aan de orde is. Verder de oorspronkelijke tekst van lid 2 verhelderd.
3. Om collectief taxivervoer voor inwoners die dat nodig hebben beschikbaar en betaalbaar te houden, kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met collectief taxivervoer. Pas als dat niet passend is, kan een bijdrage in de kosten gegeven worden. 4. Indien bovenstaande geen passende oplossing biedt, kan de gemeente inwoners een bijdrage geven in de kosten voor het gebruik van een (rolstoel)taxi;
3.10.6Sportvoorzieningen
3.10.6Sportvoorzieningen
WMO
WMO
3. De volgende voorwaarden zijn van toepassing:
3. De volgende voorwaarden zijn van toepassing:
Lid 3.d toegevoegd.
d. in het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Altena 2025 wordt de
7
tegemoetkoming voor meerkosten van deze voorziening nader uitgewerkt. 4.5.1 Hulp-op-maat jeugdwet JEUGDWET
4.5.1 Hulp-op-maat jeugdwet JEUGDWET
1. De gemeente kan in ieder geval de volgende hulp-op-maat aanbieden:
1. De gemeente kan in ieder geval de volgende hulp-op-maat aanbieden: a. een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling. Gezinshuis en pleegzorg heeft hierbij de voorkeur; b. specialistische jeugdhulp in de vorm van begeleiding, ondersteuning of behandeling; c. begeleidende verzorging; d. Respijtzorg; gericht op het ontlasten van de (pleeg)ouder die zorg levert aan jongeren met een lichamelijke, zintuiglijke en/of verstandelijke beperking, en/of een psychiatrische of somatische aandoening. De dienstverlening die gevraagd is met betrekking tot respijt betreft dag/naschoolse opvang en logeerzorg; e. crisishulp
a. een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling. Gezinshuis en pleegzorg heeft hierbij de voorkeur; b. specialistische jeugdhulp in de vorm van begeleiding, ondersteuning of behandeling; c. begeleidende verzorging; d. Respijtzorg; gericht op het ontlasten van de (pleeg)ouder die zorg levert aan jongeren met een lichamelijke, zintuiglijke en/of verstandelijke beperking, en/of een psychiatrische of somatische aandoening. De dienstverlening die gevraagd is met betrekking tot respijt betreft dag-/naschoolse opvang en logeerzorg; 4.5 Hulp-op-maat
4.5 Hulp-op-maat
4.5.1Hulp-op-maat jeugdwet JEUGDWET
4.5.1Hulp-op-maat jeugdwet JEUGDWET
1. De gemeente kan in ieder geval de volgende hulp-op-maat aanbieden (…)
1. De gemeente kan in ieder geval de volgende hulp-op-maat aanbieden (…)
4.5.2Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis WMO
Crisishulp toevoegen omdat dit een belangrijk onderdeel is om goed ingeregeld te hebben. Het CIT is hiervoor ingeregeld en zij hebben ook mandaat
Toevoegen lid 2: (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht bepaald wordt. In de verordening moet duidelijk worden op welke criteria dit vastgesteld wordt.
2. Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht: a. Jeugdigen en/of ouder(s) komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: • gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders
8
• bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan • de ondersteuning vanuit het sociale netwerk • het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten; b. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. c. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft.
Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren: • de leeftijd van de jeugdige • de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft • de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige
9
• •
de mate van planbaarheid van de hulp de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige
d. Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. e. Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties: • Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. • Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. f. De gemeente verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden.
Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de
10
jeugdige. g. Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren: • de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige • de mate van planbaarheid van de hulp • het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders • de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige • vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond) • of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden • welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen • het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen • de woonsituatie • de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet) • is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen • overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht • Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp,
11
• -
-
-
-
-
bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende: Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige. Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen. Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen. Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht. Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten. Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.
h. Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen
12
verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
5 Wonen in een veilige en gezonde omgeving
i. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed. 5 Wonen in een veilige en gezonde omgeving
5.1 Inleiding
5.1 Inleiding
(1e alinea)
(1e alinea)
De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de noodzakelijke dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. Inwoners kunnen op aanvraag hulp-op-maat krijgen, als ze voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.4.5.2 respectievelijk 2.5.1. Ook moet die hulp langdurig nodig zijn en een passende bijdrage leveren, zodat inwoners zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. Wanneer sprake is van 24 uur zorg en/of toezicht in de nabijheid, draagt de gemeente de ondersteuning over aan de Wlz.
5.3 Zelfstandig en veilig wonen
De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de noodzakelijke dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. Inwoners kunnen op aanvraag hulp-op-maat krijgen, als ze voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.4.5.2 respectievelijk 2.5.1 Wet langdurige zorg. Ook moet die hulp langdurig nodig zijn en een passende bijdrage leveren, zodat inwoners zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. Wanneer wordt vastgesteld dat een inwoner blijvend is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht, ondersteunt de gemeente de inwoner bij het aanvragen van een Wlz-indicatie bij het CIZ. Vanaf het moment dat de Wlz-indicatie is toegekend, valt de zorg onder de verantwoordelijkheid van de Wlz. 5.3 Zelfstandig en veilig wonen
5.3.1Een geschikte woning
5.3.1Een geschikte woning
WMO
WMO
Tekst 2e alinea aangepast; WLZ Is in principe voorliggend.
5.3.1, lid 2: Medisch aanvaardbare termijn toegevoegd en tekstueel aangepast. 5.3.1, lid 3, sub b: huurwoningen zonder huurtoeslag verwijderd.
13
2. De gemeente verwacht dat de inwoner verhuist naar een geschikte woning, als deze beschikbaar is. De inwoner kan dan een vergoeding krijgen voor de kosten van verhuizing. Als verhuizing niet passend is, kan de gemeente besluiten de woning toch aan te passen.
2. De gemeente verwacht dat de inwoner verhuist als er een woning beschikbaar is, of binnen de medisch aanvaardbare termijn beschikbaar komt. De inwoner kan dan een vergoeding krijgen voor de kosten van verhuizing. Als verhuizing niet passend is, kan de gemeente besluiten de woning toch aan te passen.
3. De gemeente verstrekt in ieder geval geen ondersteuning in de vorm van het aanpassen van de woning in de volgende situaties:
3. De gemeente verstrekt in ieder geval geen ondersteuning in de vorm van het aanpassen van de woning in de volgende situaties:
b. De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerwoonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning, een ADLclusterwoning of een huurwoning waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen. 5.3.3Beschermd wonen
b. De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerwoonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning of een ADL-clusterwoning.
WMO 3. Ondersteuning in de vorm van beschermd wonen, wordt toegekend door centrumgemeente Breda. De regels daarover zijn vastgelegd in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Breda. 6.4 Onderzoek
WMO 3. Het besluit over ondersteuning in de vorm van beschermd wonen, wordt genomen door de centrumgemeente Breda. De regels daarover zijn vastgelegd in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Breda 2021. 6.4 Onderzoek
LLV 3. De gemeente betrekt bij het onderzoek het (school)ondersteuningsplan voor het kind. Dit plan is vastgesteld door het samenwerkingsverband van scholen, na overleg met de gemeente. Bij de beoordeling van de aanvraag kan de gemeente de (vervoers-)adviezen van externe deskundigen betrekken.
LLV 3. De gemeente betrekt bij het onderzoek de school die de leerling heeft verwezen naar speciaal onderwijs en de school die de leerling gaat bezoeken. Bij de beoordeling van de aanvraag kan de gemeente (vervoers)adviezen van externe deskundigen betrekken.
6.5.1Vervoersvoorziening LLV 1. De gemeente verstrekt aan ouders een vervoersvoorziening, als het kind:
6.5.1Vervoersvoorziening LLV 1.De gemeente verstrekt aan ouders een voorziening voor vervoer naar de
5.3.3Beschermd wonen
Tekstuele aanpassing; Toegekend verwijderd, besluit ingevoegd. Het besluit voor beschermd wonen door de centrumgemeente Breda.
Tekst verhelderd. In de praktijk bleek te veel onduidelijkheid over het (school)ondersteuningsplan en de vaststelling door het samenwerkingsverband.
Lid 1 en 2: Tekst verhelderd. De leeftijd is niet bepalend, het gaat om het type onderwijs.
14
a. minimaal vier jaar oud is; b. in de gemeente Altena woont; c. naar de basisschool gaat, speciaal of voortgezet onderwijs volgt, en d. vanwege een langdurige beperking niet zelfstandig met het OV of met de fiets kan reizen, maar begeleiding of aangepast vervoer nodig heeft. 2. De gemeente verstrekt aan ouders ook een vervoersvoorziening, als het kind: a. minimaal vier jaar oud is; b. naar de basisschool gaat of speciaal onderwijs volgt; en c. de dichtstbijzijnde toegankelijke school en waar plaats is voor het kind, meer dan zes kilometer van de woning of de opstapplaats van het kind afligt; of d. het kind naar een school gaat die verder weg is gelegen dan die dichtstbijzijnde toegankelijke school, en de ouders in een brief aan de gemeente aangeven dat ze de keuze voor de toegankelijke school schriftelijk hebben gemeld. 6.5.1, lid 6. Ingeval er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden kan de gemeente besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd aan te houden van één of meerdere lesuren, om zodoende aan te sluiten op het reguliere leerlingenvervoer. 6.5.4Vervoersvoorziening naar stageadres LLV 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, kan een aanvraag voor stagevervoer bovendien door de school voor voortgezet speciaal onderwijs of de
dichtstbijzijnde toegankelijke school, als het kind: a. feitelijk verblijft in de gemeente Altena ; b. vanwege een langdurige beperking niet zelfstandig met het OV of met de fiets naar school kan reizen. 2. De gemeente verstrekt aan ouders ook een voorziening voor vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor BO, SBO, SO of VSO , als het kind: a. in de gemeente Altena woont; b. naar de basisschool gaat of speciaal onderwijs volgt; en c. op meer dan zes kilometer van de dichtstbijzijnde toegankelijke school woont; of d. naar een school gaat die verder weg is gelegen dan die dichtstbijzijnde toegankelijke school, als de kosten voor de gemeente lager zouden zijn en de ouders met het vervoer naar deze school schriftelijk instemmen.
Als het gaat om leerlingenvervoer is niet het woonplaatsbeginsel leidend zoals dat in de jeugdwet gebruikelijk is. (Woonplaats van de gezaghebbende bepaalt waar het vervoer moet worden aangevraagd.) Bij leerlingenvervoer is de feitelijke verblijfplaats van de jeugdige leidend. (Bv verblijfplaats bij zorgaanbieder in gemeente B, vervoer dient in gemeente B te worden aangevraagd).
6.5.1, lid 6. Ingeval er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, waardoor de leerling later begint of eerder klaar is, kan de gemeente besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd aan te houden van maximaal twee lesuren, om ritten van leerlingen maximaal te kunnen combineren.
Concreter geformuleerd. De twee lesuren zijn zo beter beschreven.
6.5.4Vervoersvoorziening naar stageadres LLV 2. De gemeente stelt nadere regels op over vervoersvoorzieningen naar stageplekken.
Tekst aangepast omdat de specifieke regels meer thuishoren in de beleidsregels, alwaar ze al opgenomen zijn.
15
school voor voortgezet onderwijs gedaan worden. 3. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract; b. de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; c. de stage vindt plaats op één stageadres; en d. het stageadres is gelegen op de route van de woning dan wel de opstapplaats naar de school. Als wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is, dan kan het stageadres gelegen zijn binnen een door de gemeente te bepalen maximale straal van de woning of de school. 4. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van het kind dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor het kind toegankelijke stageadres. 5. De gemeente kan het stagecontract opvragen.
16
6.6 vorm en hoogte
6.6 vorm en hoogte
Lid 1 Tekst verhelderd.
6.6.1Vervoersvoorziening LLV 1. De gemeente stemt de vervoersvoorziening af op de goedkoopste manier van reizen. Als het kind naar school kan fietsen (eventueel met begeleiding), dan kunnen de ouders een vergoeding krijgen voor het gebruik van de fiets. Kan het kind niet fietsen naar school, dan kunnen de ouders een vergoeding krijgen voor het openbaar vervoer (OV), alleen als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan zes kilometer bedraagt. Ouders kunnen gebruikmaken van aangepast vervoer als dat nodig is. Maar ouders kunnen er in dat geval ook voor kiezen om het kind zelf te vervoeren. Dan hebben zij recht op een vergoeding die gebaseerd is op de kosten van vervoer met eigen auto. Gaat het kind naar de basisschool, dan betalen de ouders de reiskosten soms zelf (zie artikel 6.6.2).
6.6.1Vervoersvoorziening LLV 1. De gemeente stemt de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak maken af op de goedkoopste en meest zelfredzame manier van reizen, in deze volgorde van voorkeur:
Lid 2 c en d Tekst verhelderd. In de oude versie waren in dit artikel bewoordingen opgenomen die nog een keer stukjes beoordeling van de aanspraak leken te herhalen of aan te passen (bijv. OV pas vanaf 6 km en eventueel eigen bijdrage voor BO). De aanspraak is echter al geregeld in eerdere artikelen en de eigen bijdrage wordt ook elders geregeld. Hier moet enkel worden aangegeven op basis van welke vervoerswijze de aanspraak wordt ingevuld.
2. Aangepast vervoer is nodig in de volgende situaties: c. Het kind kan niet begeleid worden door de ouders of anderen, of begeleiding heeft grote nadelen voor het gezin en een andere oplossing is niet mogelijk.
- fietsen (eventueel met begeleiding); - openbaar vervoer (eventueel met begeleiding); - aangepast vervoer; - vervoer met eigen auto (één vergoeding per rit). 2. Aangepast vervoer is nodig in de volgende situaties:
Lid 5. Onjuist en verwarrend artikel. Het
recht op andere vergoedingen staat los van de eigen bijdrage. Dit is een oude bepaling uit de tijd dat scholen soms eigen budgetten hadden hiervoor. En het kan soms zijn dat kinderen die zorg en onderwijs krijgen vanuit Wlz bekostiging voor vervoer krijgen.
c. Het kind heeft begeleiding nodig bij het reizen naar school, maar de ouders kunnen niet voorzien in deze begeleiding, of deze begeleiding heeft grote nadelen voor het gezin en een andere oplossing is niet mogelijk. d. Het kind heeft langdurige beperkingen waardoor hij niet met het OV naar school kan reizen (ook niet met begeleiding). 5. Als de ouders recht hebben op andere (gedeeltelijke) vergoedingen voor de reiskosten van het kind, trekt de gemeente deze vergoedingen af van de vergoeding die de gemeente geeft.
d. Het kind heeft langdurige beperkingen waardoor hij niet met het OV kan reizen (ook niet met begeleiding). 5. Als de ouders recht hebben op andere (gedeeltelijke)
17
vergoedingen voor de reiskosten van het kind, trekt de gemeente deze vergoedingen af van de vergoeding die de gemeente geeft. Bij aangepast vervoer brengt de gemeente dan een bedrag bij de ouders in rekening. Dit is de eigen bijdrage. 6.6.2 Bijzondere regeling vervoer naar basisschool LLV 1. Is het jaarinkomen van de ouders in het peiljaar hoger dan € 27.450 (drempelbedrag). Dan trekt de gemeente per kind de kosten voor de eerste zes kilometer met het OV af van de vergoeding aan de ouders. Het gaat om de kosten voor het gebruik van een OVchipkaart of een andere OVbetaalmogelijkheid door het kind en een eventuele begeleider. Ook als er geen OV beschikbaar is of als er geen gebruik wordt gemaakt van het OV, trekt de gemeente dit bedrag af van de vergoeding. Bij aangepast vervoer moeten de ouders dit bedrag aan de gemeente betalen (eigen bijdrage).
6.6.2 Bijzondere regeling vervoer naar basisschool LLV 1. Is het jaarinkomen van de ouders in het peiljaar hoger dan de drempel genoemd in de WPO artikel 4, 7e lid (Wet Primair Onderwijs) (drempelbedrag) en gaat de leerling naar een school voor BO? Dan trekt de gemeente per kind de kosten voor de eerste zes kilometer met het OV af van de vergoeding aan de ouders. Het gaat om de kosten voor het gebruik van een OV-chipkaart of een andere OVbetaalmogelijkheid door het kind en een eventuele begeleider. Ook als er geen OV beschikbaar is of als er geen gebruik wordt gemaakt van het OV, trekt de gemeente dit bedrag af van de vergoeding. Bij aangepast vervoer moeten de ouders dit bedrag aan de gemeente betalen (de “eigen bijdrage tot 6 kilometer”).
Het drempelbedrag wordt uit de verordening gehaald en aan de beleidsregel Leerlingenvervoer 2025 toegevoegd.
18
6.6.2 Bijzondere regeling vervoer naar basisschool LLV 2. Is de reisafstand meer dan 20 kilometer? Dan betalen ouders per kind de reiskosten voor een deel zelf of helemaal zelf (eigen bijdrage). Als de gemeente zorgt voor aangepast vervoer, dan betalen de ouders de eigen bijdrage aan de gemeente. Als het kind op een andere manier wordt vervoerd, dan wordt de eigen bijdrage afgetrokken van de vergoeding die de ouders van de gemeente krijgen. De hoogte van de eigen bijdrage wordt per kind per schooljaar berekend en hangt af van het jaarinkomen van de ouders in het peiljaar:
6.6.2 Bijzondere regeling vervoer naar basisschool LLV 2. Is de reisafstand meer dan 20 kilometer en gaat de leerling naar een BO-school ? Dan betalen ouders per kind de reiskosten voor een deel zelf of helemaal zelf (de “eigen bijdrage voorbij 20 kilometer”). Als de gemeente zorgt voor aangepast vervoer, dan betalen de ouders de eigen bijdrage aan de gemeente. Als het kind op een andere manier wordt vervoerd, dan wordt de eigen bijdrage afgetrokken van de vergoeding die de ouders van de gemeente krijgen. De hoogte van deze eigen bijdrage wordt per kind per schooljaar berekend en hangt af van het jaarinkomen van de ouders in het peiljaar:
(inhoud tabel) Jaarinkomen, Eigen bijdrage per schooljaar 0-€ 36.000, nihil € 36.000 € 42.500, € 150 € 42.500 € 49.000, € 645 € 49.000 € 55.500, € 1.200 € 55.500 € 63.000, € 1.760 € 63.000 € 69.500, € 2.360 € 69.000 en verder voor elke extra 5.000: € 565 erbij 6.8 Vergoeding van reiskosten
(inhoud tabel) Jaarinkomen, Eigen bijdrage per schooljaar 0-€ 39.500, nihil € 39.500 € 46.500, € 185 € 46.500 € 54.000, € 815 € 54.000 € 60.500, € 1.510 € 60.500 € 69.500, € 2.215 € 69.500 € 76.000, € 2.970 € 76.000 en verder voor elke extra 5.000: € 710 erbij 6.8 Vergoeding van reiskosten
JEUGDWET | PW | IOAW | IOAZ
JEUGDWET | PW | IOAW | IOAZ
1. De gemeente kan in ieder geval in de volgende gevallen een vergoeding van de reiskosten verstrekken:
1. De gemeente kan in ieder geval in de volgende gevallen een vergoeding van de reiskosten verstrekken:
a. het vervoer van een kind vanaf het huisadres naar de vestiging van de Internationale schakelklas. b. aan inwoners die in verband met het volgen van een reintegratietraject moeten reizen. c. aan inwoners met een laag inkomen, voor reizen die noodzakelijk zijn op grond van
We kiezen hiermee om de feitelijke situatie vast te leggen, dus de verordening aanpassen aan de feitelijke uitvoering. Andersom zouden ouders van een SBOleerling een eigen bijdrage kunnen betalen. Dit geldt dan echter weer niet als het inkomen van die ouders lager is dan de drempel of als de leerling door een beperking niet zelfstandig met ov kan reizen (wat voor veel leerlingen geldt). Dit zou leiden tot het opvragen van inkomensverklaringen aan alle SBO-ouders en slechts een handjevol dat daadwerkelijk de eigen bijdrage zou moeten betalen. (inhoud tabel) Actuele bedragen opgenomen in nieuwe tabel.
Formulering van Lid 1 c. en lid 2 aangescherpt.
a. het vervoer van een kind vanaf het huisadres naar de vestiging van de Internationale schakelklas. b. aan inwoners die in verband met het volgen van een re-integratietraject moeten reizen. c. aan inwoners met een laag inkomen, voor reizen die noodzakelijk zijn op grond van bijzondere omstandigheden.
19
bijzondere sociale-of financiële omstandigheden
2. De gemeente stelt beleidsregels op over de vergoeding van reiskosten.
2. De gemeente kan beleidsregels opstellen over de vergoeding van reiskosten. 6.9 Bekostiging andere passende vervoersvoorziening
6.9 Bekostiging andere passende vervoersvoorziening
JEUGDWET Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan de gemeente na overleg met de ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer.
LLV Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening voor aangepast vervoer, kan de gemeente na overleg met de ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het aangepast vervoer. Dit kan onder andere betrekking hebben op de aanschaf van een vervoermiddel
Extra artikel opgenomen voor leerlingenvervoer. Hiermee maken we specifieker dat het mogelijk is een ander vervoermiddel aan te schaffen als deze goedkoper is dan of gelijk aan de kosten van aangepast vervoer.
JEUGDWET Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan de gemeente na overleg met de ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer. 7.4 Bijzondere bijstand 7.4.1 Vangnet PW 1. De gemeente biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet voor inwoners die geen beroep kunnen doen op eigen mogelijkheden of op andere voorzieningen. Bijzondere bijstand is ervoor bedoeld dat inwoners met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer: a. extra noodzakelijke uitgaven kunnen betalen. Het gaat dan om uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald, en b. voldoende mogelijkheden hebben om mee te doen aan
7.4 Bijzondere bijstand 7.4.1 Vangnet PW 1. De gemeente biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet voor inwoners die geen beroep kunnen doen op eigen mogelijkheden of op andere voorzieningen. Bijzondere bijstand is ervoor bedoeld dat inwoners met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer: a. extra noodzakelijke uitgaven kunnen betalen. Het gaat dan om uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald, en
Gemeentelijke armoedebeleid aangepast in gemeentelijk minimabeleid.
b. voldoende mogelijkheden hebben om mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. 2. Bij het beoordelen van een aanvraag
20
maatschappelijke activiteiten. 2. Bij het beoordelen van een aanvraag voor bijzondere bijstand betrekt de gemeente de kernwaarden en de doelen van het gemeentelijke armoedebeleid. 3. De gemeente maakt zo weinig mogelijk gebruik van bijzondere bijstand in de vorm van een lening. 4. De gemeente legt in beleidsregels vast welke rol bijzondere bijstand heeft bij armoedebestrijding.
voor bijzondere bijstand betrekt de gemeente de kernwaarden en de doelen van het gemeentelijke minimabeleid. 3. De gemeente maakt zo weinig mogelijk gebruik van bijzondere bijstand in de vorm van een lening. 4. De gemeente legt in beleidsregels vast welke rol bijzondere bijstand heeft bij armoedebestrijding.
7.5 Studietoeslag Studenten met een beperking hebben soms extra hulp nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. Met een studietoeslag krijgen deze studenten een financieel steuntje in de rug. Het inkomen wordt daarmee maandelijks aangevuld. In deze paragraaf geeft de gemeente aan voor welke studenten de studietoeslag is bedoeld. Ook staat hier welk bedrag toegekend kan worden en hoe dat wordt uitbetaald.
Artikel verwijderd.
Op 1 april 2022 is de nieuwe studietoeslag in werking getreden. Deze studietoeslag vervangt de individuele studietoeslag (IST) die in 2015 bij amendement in artikel 36b van de Participatiewet werd opgenomen. De grondslag in de wet voor het opnemen van de individuele studietoeslag in de verordening is met de wetswijziging komen te vervallen.
7.5.1 Doelgroep PW 1. De studietoeslag is bedoeld voor de student die: a. mbo-, hbo-, of universitair onderwijs volgt; en b. een tegemoetkoming in de schoolkosten (op grond van hoofdstuk 4 Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten) of studiefinanciering van DUO krijgt of kan krijgen; en c. wel kan werken, maar d. door een door een beperking langdurig niets kan bijverdienen naast zijn studie. 2. De student moet 18 jaar of ouder zijn en mag geen financiële buffer hebben. 3. De student
21
ontvangt geen uitkering op grond van de Wajong. 7.5.2 Vaststellen beperking PW De gemeente onderzoekt of de beperking van de student zo groot is dat hij naast zijn studie langdurig niets kan bijverdienen. De gemeente doet dat aan de hand van gegevens die zij van de student of van andere instanties heeft gekregen. Als die gegevens niet duidelijk genoeg zijn, vraagt de gemeente aan een deskundige om een advies te geven. 7.5.3 Hoogte en duur van de toeslag PW 1. De studietoeslag is gelijk aan het bedrag dat is genoemd in artikel 20, eerste lid onder a van de wet; en wordt elke maand uitbetaald voor een periode van maximaal 6 maanden. Het bedrag wordt naar boven afgerond op hele euro’s. 2. Als het bedrag uit lid 1 wijzigt, dan volgt de gemeente die wijziging. 3. De student moet na afloop van de periode van 6 maanden de studietoeslag opnieuw aanvragen. 7.6 Inkomenstoeslag
7.5 Inkomenstoeslag
7.6.1Doelgroep
7.5.1Doelgroep
7.6.2Hoogte van de toeslag
7.5.2Hoogte van de toeslag
7.7Kindpakket
7.6Kindpakket
7.7.1Doelgroep
7.6.1Doelgroep
7.7.2Inhoud kindpakket
7.6.2Inhoud kindpakket
7.8 Bijdrage voor maatschappelijke activiteiten
7.7 Bijdrage voor maatschappelijke activiteiten
7.8.1Doelgroep
7.7.1Doelgroep
7.8.2Inhoud activiteitenfonds
7.7.2Inhoud activiteitenfonds
7.8.3Bijdrage
7.7.3Bijdrage
Nummering aangepast in verband met het verwijderen van artikel 7.5 Studietoeslag.
22
7.9 Maaltijdvoorziening
7.8 Maaltijdvoorziening
7.9.1Doelgroep
7.8.1Doelgroep
7.10 Schuldhulpverlening
7.9 Schuldhulpverlening
7.10.1Samenwerking en toegang
7.9.1Samenwerking en toegang
7.10.2Schuldhulpverlening
7.9.2Schuldhulpverlening
7.6.2 Hoogte van de toeslag PW 1. De inkomenstoeslag voor inwoners met een inkomen tot en met 110% van de bijstandsnorm is per kalenderjaar: a. € 433 voor een alleenstaande; b. € 544 voor een alleenstaande ouder; c. € 606 voor gehuwden of samenwonenden. 2. De inkomenstoeslag voor inwoners met een inkomen tussen 110% en 120% van de bijstandsnorm, is per jaar: a. € 217 voor een alleenstaande b. € 272 voor een alleenstaande ouder c. € 303 voor gehuwden of samenwonenden
7.5.2 Hoogte van de toeslag PW 1. De individuele inkomenstoeslag voor inwoners met een inkomen tot en met 120% van de bijstandsnorm is per kalenderjaar: a. € 545 voor een alleenstaande; b. € 648 voor een alleenstaande ouder; c. € 761 voor gehuwden of samenwonenden.
7.7 Kindpakket Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar de gemeente zich verantwoordelijk voor voelt. De gemeente heeft maatregelen genomen om armoede onder kinderen tegen te gaan en kinderen te helpen mee te doen aan maatschappelijke activiteiten en het kunnen volgen van onderwijs. Deze maatregelen worden het kindpakket genoemd. Hier zijn de uitgangspunten benoemd die voor het kindpakket gelden.
7.6 Kindpakket PW |GEMEENTEWET
7.7.1 Doelgroep PW | GEMEENTEWET Het kindpakket is bedoeld voor gezinnen met minderjarige kinderen, die geen goede financiële
De inkomensgrens is aangepast en de actuele bedragen zijn opgenomen. De wijziging van de inkomensgrens is een budgetneutrale wijziging.
Indexatie is van toepassing.
Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar de gemeente zich verantwoordelijk voor voelt. De gemeente wil kinderen helpen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen, zodat ze zich kunnen ontwikkelen en mee kunnen doen aan maatschappelijke activiteiten. Deze maatregelen noemt de gemeente het Kindpakket.
Het nieuwe artikel is ingekort om ervoor te zorgen dat de nog vast te stellen beleidsregels ondersteuning minima gemeente Altena 2026 aansluiten op dit artikel in de verordening. Alle verwijderde informatie is (aangepast) opgenomen in de beleidsregels. Door de artikelen hier weg te halen, geven we informatie niet dubbelop.
De beleidsregels bevatten informatie over de doelgroep, de inkomensgrens, de uitvoerende organisatie en de activiteiten waarvoor het Kindpakket bedoeld is. Daarnaast is in de beleidsregels de aanvraagprocedure vastgelegd.
23
buffer hebben en moeten rondkomen van een inkomen dat lager is dan 130% van de bijstandsnorm. De kostendelersnorm is niet van toepassing. 7.7.2 Inhoud kindpakket PW | GEMEENTEWET 1. De gemeente stelt jaarlijks de inhoud van het kindpakket vast. 2. De gemeente wijst een organisatie aan die het kindpakket uitvoert. De inwoner kan een hulpvraag bij die organisatie indienen. 3. De inhoud van het kindpakket en de voorwaarden die daarvoor gelden legt de gemeente vast in beleidsregels. 7.8 Bijdrage voor maatschappelijke activiteiten Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Hieraan zijn meestal kosten verbonden. De gemeente heeft hiervoor een Activiteitenfonds. Inwoners met een laag inkomen kunnen een vergoeding krijgen om te sporten en om mee te doen aan culturele, sportieve, recreatieve en andere maatschappelijke activiteiten. Ouderen en arbeidsgehandicapten kunnen de bijdrage ook besteden aan een aantal voorzieningen die sociaal isolement tegengaan. 7.8.1 Doelgroep GEMEENTEWET 1. Een bijdrage uit het Activiteitenfonds is bedoeld voor de inwoner die geen goede financiële buffer heeft en een inkomen dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm. De kostendelersnorm is niet van toepassing.
7.7 Bijdrage voor maatschappelijke activiteiten GEMEENTEWET Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Hieraan zijn meestal kosten verbonden. De gemeente heeft hiervoor een Activiteitenfonds. Inwoners met een laag inkomen en geen goede financiële buffer kunnen een vergoeding krijgen om te sporten en om mee te doen aan culturele, sportieve, recreatieve en andere maatschappelijke activiteiten. De gemeente stelt beleidsregels vast waarin de doelgroep, inkomensgrenzen en de maximale bijdrage per kalenderjaar zijn opgenomen, evenals de activiteiten waarvoor de bijdrage bestemd is. Ook de aanvraagprocedure maakt deel uit van deze beleidsregels.
Het nieuwe artikel is ingekort om ervoor te zorgen dat de nog vast te stellen beleidsregels ondersteuning minima gemeente Altena 2026 aansluiten op dit artikel in de verordening. Alle verwijderde informatie is (aangepast) opgenomen in de nog vast te stellen beleidsregels ondersteuning minima gemeente Altena 2026. Door de artikelen hier weg te halen, geven we informatie niet dubbelop.
24
2. Geen recht op een bijdrage heeft de inwoner die: a. een tegemoetkoming in de schoolkosten (op grond van hoofdstuk 4 Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten) of studiefinanciering van DUO krijgt; b. in een Wlz-instelling verblijft; of c. jonger is dan 18 jaar. 7.8.2 Inhoud Activiteitenfonds GEMEENTEWET 1. Het Activiteitenfonds is bedoeld voor kosten voor eenmalige of terugkerende maatschappelijke activiteiten. De gemeente legt in beleidsregels vast om welke activiteiten het gaat. 2. Het Activiteitenfonds is ook bedoeld voor kosten die inwoners met een AOW-uitkering en arbeidsgehandicapte inwoners maken om sociaal isolement tegen te gaan. De gemeente legt in beleidsregels vast om welke kosten het gaat. 7.8.3 Bijdrage GEMEENTEWET 1. De gemeente legt in een beleidsregel de hoogte van de maximale bijdrage per kalenderjaar vast. 2. De inwoner met een inkomen tussen 100% en 110% van de bijstandsnorm komt in aanmerking voor een vergoeding van de aantoonbare kosten, tot het bedrag van de maximale bijdrage. 3. De inwoner met een inkomen tussen 110% en 120% van de bijstandsnorm komt in aanmerking voor een vergoeding van de aantoonbare kosten, tot 50% van de maximale bijdrage. 4. De gemeente gaat ervan uit, dat de inwoner die langer dan twaalf maanden een inkomen ontving dat lager was dan een van de genoemde inkomensgrenzen, en wiens inkomen toeneemt als
25
gevolg van werkaanvaarding, in het eerste kalenderjaar na werkaanvaarding nog over een inkomen beschikt onder die inkomensgrens. 5. Een aanvraag voor een bijdrage moet worden ingediend voor 1 maart van het kalenderjaar nadat de kosten zijn gemaakt. Anders wordt de bijdrage niet verstrekt. 7.9 Maaltijdvoorziening Inwoners zijn niet altijd zelf in staat om een warme maaltijd te bereiden. Inwoners kunnen dan gebruik van de maaltijdservice van enkele maatschappelijke organisaties. Hiervoor stelt het college een nadere regeling vast. Deze maaltijden voldoen aan de eisen die worden gesteld aan gezonde maaltijden. Voor inwoners met een laag inkomen die gebruik maken van deze maaltijdvoorziening is een financiële bijdrage mogelijk. 7.9.1 Doelgroep PW De bijdrage van de gemeente voor de maaltijdvoorziening is bedoeld voor de inwoner met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm die niet in staat is zelf een warme maaltijd te bereiden. De kostendelersnorm is niet van toepassing.
7.8 Maaltijdvoorziening Inwoners zijn niet altijd zelf in staat om een warme maaltijd te bereiden. Inwoners kunnen dan gebruikmaken van de maaltijdvoorziening van enkele maatschappelijke organisaties. Deze maaltijden voldoen aan de eisen die worden gesteld aan gezonde maaltijden. Voor inwoners met een laag inkomen die gebruikmaken van deze maaltijdvoorziening wordt de prijs van de maaltijd lager vastgesteld. De gemeente stelt beleidsregels vast waarin de doelgroep, inkomensgrenzen en de maximale bijdrage per kalenderjaar zijn opgenomen. Ook de aanvraagprocedure maakt deel uit van deze beleidsregels.
Het nieuwe artikel is ingekort om ervoor te zorgen dat de nog vast te stellen beleidsregels ondersteuning minima gemeente Altena 2026 aansluiten op dit artikel in de verordening. Alle verwijderde informatie is (aangepast) opgenomen in de nog vast te stellen beleidsregels ondersteuning minima gemeente Altena 2026. Door de artikelen hier weg te halen, geven we informatie niet dubbelop.
7.9.2 Bijdrage PW 1. De gemeente vergoedt de prijs van de warme maaltijd geheel of gedeeltelijk, als die prijs hoger is dan het bedrag, dat de gemeente rekent voor het zelf bereiden van een maaltijd. 2. De inwoner met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm krijgt de kosten boven het genoemde bedrag volledig vergoed. 3. De inwoner met een inkomen
26
tussen 110% en 120% van de bijstandsnorm krijgt een vergoeding van 50% van de kosten boven het genoemde bedrag. 4. De gemeente kan de bijdrage in de kosten in mindering brengen op de maaltijdprijs. De bijdrage wordt dan niet aan de inwoner uitbetaald. 7.10 Schuldhulpverlening De gemeente heeft de taak om inwoners met schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen daarom de gemeente om hulp vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hier worden de belangrijkste uitgangspunten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen.
8.5.1VOORWAARDEN
7.9 Schuldhulpverlening De gemeente heeft de taak om inwoners te ondersteunen bij financiële problematiek. Deze ondersteuning richt zich zowel op inwoners die te maken hebben met problematische schulden als op inwoners die (nog) geen schulden hebben, maar wel kampen met financiële zorgen. Inwoners kunnen de gemeente verzoeken om hulp bij het verkrijgen of behouden van financieel overzicht en stabiliteit. Hieronder worden de belangrijkste uitgangspunten genoemd die richting geven aan de wijze waarop deze ondersteuning wordt vormgegeven. 8.5.1VOORWAARDEN
JEUGDWET|WMO
JEUGDWET|WMO 8. Van formele jeugdhulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen: a. personen die werkzaam zijn bij een organisatie met een aanbod dat past bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of de ouder(s) het pgb krijgen. De organisatie staat ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). De personen beschikken over de relevante diploma’s om de werkzaamheden die nodig zijn uit te voeren of; b. personen die als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) werkzaamheden uitvoeren die passen bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of ouder(s) het pgb krijgen. De zzp’er staat voor deze werkzaamheden ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). Ook beschikt de zzp’er over de relevante diploma’s of
De inleiding in het artikel 7.9 is aangepast omdat de gemeente ook advies en informatie geeft wanneer er nog geen sprake is van schulden maar wel van financiële zorgen.
Door lid 8 t/m 10 toe te voegen leg je in de verordening uit wat het verschil is tussen formeel en informeel PGB. Dat maakt ook uit in wat je kan toekennen aan wie en voor welke vormen van jeugdhulp.
27
8.5.4 Pgb-plan JEUGDWET|WMO 1. De inwoner of diens wettelijk vertegenwoordiger maakt samen met de aanbieder een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het pgb-plan. Hierin staat welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. De gemeente moet het plan goedkeuren en zal daarna het pgb vaststellen. 2. Het college nadere regels vast over de voorwaarden waar dit plan aan moet voldoen.
8.5.5 Hoogte en tarief pgb JEUGDWET|WMO 2. De pgb-tarieven worden als volgt bepaald: a. Jeugdhulp door een professionele hulpverlener: Deze tarieven zijn gebaseerd op de tariefstelling van deze aanbieder, tot een maximum van 90% van het tarief dat hiervoor wordt gehanteerd door een door de
werkervaring die nodig zijn voor uitoefening van deze werkzaamheden, of; c. personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-registratie) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (SKJregistratie). 9. Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 8 onder a, b of c gaat het altijd om informele hulp. 10. Als de jeugdhulp geboden wordt door een persoon uit het sociaal netwerk van de budgethouder is altijd sprake van informele hulp. 8.5.4 Pgb-plan JEUGDWET|WMO 1. Als de inwoner of diens wettelijk vertegenwoordiger een individuele voorziening met een pgb wenst in te kopen, moeten zij een motivatieplan opstellen. In het motivatieplan staat: a. de motivatie waarom het naturaaanbod van de gemeente niet passend is en waarom zij een pgb wensen; b. bij welke aanbieder zij de (jeugd)hulp willen inkopen en hoe de (jeugd)hulp is georganiseerd; c. hoe de kwaliteit van de (jeugd)hulp is gewaarborgd; d. wat de kosten voor de (jeugd)hulp zijn; e. wie het pgb beheert en hoe deze taken worden uitgevoerd. 2. De gemeente stelt nadere regels vast over de voorwaarden waar dit plan aan moet voldoen. 8.5.5 Hoogte en tarief pgb JEUGDWET|WMO 2. De pgb-tarieven worden als volgt bepaald: a.
Jeugdhulp door een professionele hulpverlener: Deze tarieven zijn gebaseerd op de tariefstelling van deze aanbieder, tot een maximum van 90% van het tarief dat hiervoor wordt gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder. Als het op
Lid 1, sub a t/m c toegevoegd. Dit maakt duidelijk waar een plan aan moet voldoen. Dit is nu nergens vastgelegd.
Lid 2, sub a: Toevoegen dat wanneer 90% ontoereikend is, dan tarief ophogen. De gemeente moet ook bij een PGB er zorg voor dragen dat de hulp wel daadwerkelijk ingekocht kan worden. Lid 2, sub b: De centrale raad van beroep heeft uitspraken gedaan over hoe tarieven zorgvuldig vastgesteld moeten worden.
28
gemeente gecontacteerde aanbieder. b. Jeugdhulp door iemand uit het sociaal netwerk of een niet professionele hulpverlener: Het pgb bedraagt minimaal het wettelijk minimum uurloon voor een persoon van 23 jaar of ouder, inclusief vakantietoeslag, bij een 36-urige werkweek en maximaal € 20,= per uur. Bij respijtzorg door een niet-professionele aanbieder geldt een maximumtarief van € 30= per etmaal voor logeeropvang en € 7,50 per dagdeel voor dagopvang. De gemeente betrekt bij de hoogte van het pgb de persoonlijke situatie van de inwoner en de werkervaring en deskundigheid van de hulpverlener.