Bijlage RV Vaststellen bestemmingsplan Kern Werkendam Amerscamp (ong) - Nota van zienswijzen
Tekst van het document
Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat bij afwijking van de richtafstanden goed dient te worden onderbouwd dat een goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd. Indieners zijn van mening dat hier in het voorliggende geval niet aan is voldaan. Er had nader onderzoek moeten worden verricht naar de gevolgen die de afwijking van de richtafstanden met zich brengt. Nu wordt afgeweken van de richtafstanden is niet zeker of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De raad kan om die reden het bestemmingsplan niet vaststellen. Reactie gemeente De stelling van reclamant is onjuist. Nader onderzoek is niet noodzakelijk door de wettelijke verplichting om veiligheidsrisico’s op te lossen binnen het eigen terrein van de risicobron. Risicobronnen die niet zijn aangewezen als Bevi-inrichting vallen onder het Barim. Het Barim is een afkorting voor het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Dit besluit is sinds 1 januari 2008 van kracht en is gebaseerd op de Wet milieubeheer (Wm). In het besluit zitten algemene regels voor bedrijven die onder de Wm vallen en voorheen een milieuvergunning nodig hadden. In het Barim valt te lezen dat het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen onderhavig is aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen voor de desbetreffende risicobron. Daarmee is een nadere beschouwing niet zinvol.
Pagina 20 van 32
Water Het plangebied ligt in een omgeving dat bekend is met grondwateroverlast. Indieners hebben meermaals te maken gehad met wateroverlast en op het Plein is zelfs een peilput geplaatst om de grondwaterstand in de gaten te houden. Om deze reden is de conclusie dat het ontwerpbestemmingsplan voldoet aan de aandachtspunten inzake waterhuishouding onjuist. Hiervoor is meer onderzoek en overleg noodzakelijk. In paragraaf 4.7 van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan is toegelicht dat in het kader van de beleidsvisie 'riolering en water' van de gemeente Altena een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan is opgenomen om de toename aan verhard oppervlak te compenseren. Op grond van artikel 11.5 van de planregels mogen de gebouwen in het plangebied niet eerder in gebruik worden genomen dan nadat een groen dak van minimaal 200 m2 is gerealiseerd. Indieners zijn van mening dat een groen dak niet kan worden ingezet als alternatieve methode om de toename van het verhard oppervlak te compenseren. Groene daken bergen wel water, maar hebben onvoldoende bergingscapaciteit bij hevige neerslag en in de winter is het effect nihil omdat de berging dan vrijwel permanent gevuld is. Daarnaast zijn aan de voorwaardelijke verplichting dat een groen dak moet worden gerealiseerd, ten onrechte geen nadere eisen gesteld.
Er bestaat veel verschil tussen soorten groene daken en het bijbehorende waterbergende vermogen. Dit kan verschillen van 15 liter tot wel 100 liter per m2. Om ervoor te zorgen dat de toename aan verhard oppervlak daadwerkelijk wordt gecompenseerd dient rekening te worden gehouden met het soort groene dak dat wordt aangelegd. Dit is in het voorliggende geval niet gebeurd. Artikel 11.5 van de planregels voldoet om die reden niet als voorwaardelijke verplichting. Gelet op het voorgaande zijn cliënten van mening dat niet wordt voldaan aan artikel 3.1.6, eerste lid, sub b, van het Bro. De toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan bevat weliswaar een 'waterparagraaf', maar deze voldoet niet aan de vereiste criteria. Ten onrechte zijn niet alle facetten van het waterbeheer in relatie tot de ruimtelijke ordening in beeld gebracht. Om deze reden kan het ontwerpbestemmingsplan niet worden vastgesteld. Reactie gemeente Het is bij de gemeente en de ontwikkelaars bekend dat in het plangebied en omgeving sprake is van hoge grondwaterstanden. Daarom wordt in voorliggend plan ook kruipruimteloos gebouwd. Mocht toch blijken dat ondergronds bouwen noodzakelijk is, zal daarvoor een watervergunning aangevraagd moeten worden. Door deze vergunningplicht is dit aspect in voldoende mate geborgen.
Ook zal als gevolg van de geringe toename aan verharding (circa 200 m2 extra verharding) een watervergunning noodzakelijk zijn. In het kader van deze watervergunning zal de verdere uitwerking van de daktuin in samenspraak met het waterschap verder vormgegeven worden. Daarbij wordt opgemerkt dat het waterschap in planproces betrokken is en zich kan vinden in de voorgestelde oplossingsrichting. Gelet op het voorgaande is het waterbelang in voldoende mate meegenomen in het plan. Natuur In een quick scan van SAB is onderzocht of in het plangebied beschermende natuurwaarden aan- of afwezig zijn en of de beoogde ruimtelijke ontwikkeling mogelijk negatieve effecten kan hebben op de beschermde natuur buiten het plangebied. Indieners zijn van mening dat op grond van artikel 3.1.1a van het Bro niet kan worden uitgegaan van de conclusies uit dit onderzoek. Het onderzoek dateert namelijk van 5 april 2019, meer dan 2 jaar geleden. Indieners vrezen dat er beschermende natuurwaarden binnen en buiten het plangebied aanwezig zijn, waar nu geen rekening mee wordt gehouden. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan kan geen gebruik worden gemaakt van dit onderzoek en de conclusies die daarin worden getrokken.
Pagina 21 van 32
Gebiedsbescherming In paragraaf 4.8 van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan is aangegeven dat uit een onderzoek van SAB (bijlage 10 van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan) blijkt dat geen toename van stikstofdepositie te verwachten is op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.8 van de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan is aangegeven dat aanvullend onderzoek naar de gevolgen van stikstofdepositie, in de vorm van een passende beoordeling, niet noodzakelijk is. Indieners kunnen zich niet met deze gevolgtrekking verenigen. Met voornoemd standpunt wordt voorbijgegaan aan het feit dat in het onderzoek gebruik is gemaakt van de Aerius-calculator. De Aerius- calculator is niet doelgeschikt om aan te tonen dat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie. Dat de Aerius-calculator niet zomaar kan worden gebruikt om aan te tonen dat geen nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied zijn te verwachten, blijkt ook uit een uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021. Daarin overwoog de Afdeling dat alleen van de Aerius-calculator gebruik mocht worden gemaakt indien daarmee volledige, precieze en definitieve constateringen en conclusies kunnen worden verkregen die elke redelijke wetenschappelijk twijfel over de gevolgen van de geplande werkzaamheden voor de betrokken Natura 2000-gebieden kunnen wegnemen.
Nu de uitkomsten uit de Aerius-berekeningen in het onderzoek van de SAB volledig afhangen van de berekeningen omtrent de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe stedelijke ontwikkeling, kan niet van deze Aeriusberekeningen worden uitgegaan. Het is niet uitgesloten dat geen toename van stikstof ontstaat op Natura 2000- gebieden. Met name nu het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de Biesbosch, op slechts 700 m van het plangebied ligt. Voor zover de gehanteerde rekenmethode wel doelgeschikt is, stellen indieners zich op het standpunt dat de invoergegevens voor het berekenen van de stikstofdepositie in de aanlegfase onjuist zijn. In de toelichting op de berekening wordt aangegeven dat additioneel elektrische mobiele voertuigen kunnen worden ingezet. Nu niet is geborgd dat naast voornoemd groot materieel elektrische mobiele voertuigen worden gebruikt, kan hier bij de berekening van de stikstofdepositie ook niet vanuit worden gegaan. Indieners betwisten uitdrukkelijk de invoergegevens van de Aerius- calculator voor wat betreft de gebruiksfase. Deze gegevens zijn onjuist. Bovendien is in de betreffende berekening uitsluitend uitgegaan van stikstofdepositie als gevolg van verkeersbewegingen. In de toelichting op de berekening is aangegeven dat de reden hiervoor is dat de beoogde nieuwbouw niet wordt aangesloten op het gastransportnet.
Volgens de toelichting op het bestemmingsplan wordt de beoogde ontwikkeling gasloos gerealiseerd. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij het vaststellen van een bestemmingsplan ingevolge artikel 2.7 van de Wnb niet kan worden uitgegaan van een stikstofberekening waarin gasloos bouwen is betrokken wanneer dit gasloos bouwen niet is geborgd in het bestemmingsplan. In het onderhavige geval is de beoogde gasloze realisatie niet vastgelegd in het ontwerpbestemmingsplan. Nu zich ook geen andere omstandigheden voordoen die het gasloos bouwen borgen, kan op basis van de Aerius-berekening niet worden geoordeeld dat significante negatieve effecten op stikstofgevoelige natuur bij voorbaat al zijn uitgesloten. Om die reden kan het bestemmingsplan niet worden vastgesteld. Daarnaast is voor het bepalen van de stikstofdepositie in de gebruiksfase niet uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Met inachtneming van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 3.7 van de planregels kunnen in het plangebied 30 woningen worden gerealiseerd. Bij het berekenen van de hoeveelheid stikstofdepositie als gevolg van de beoogde ontwikkeling is uitgegaan van slechts 27 woningen. Het onderzoek stikstofdepositie voldoet niet. Indieners stellen dat het onderzoek stikstofdepositie niet toereikend is.
Cliënten zijn van mening dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de negatieve effecten op soorten, habitattypen en
Pagina 22 van 32
wezenlijke waarden en kenmerken van het nabijgelegen Natura 2000- gebied, de Biesbosch, en andere Natura 2000-gebieden. Volgens cliënten is het aannemelijk dat de stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en gebruiksfase leidt tot significante nadelige effecten op Natura 2000- gebieden. Het bestemmingsplan kan om die reden niet worden vastgesteld. Reactie gemeente De stelling van reclamant inzake de deugdelijkheid van de AERIUS Calculator is onjuist. Hiervoor wordt verwezen naar het eindrapport van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof van 15 juni 2020, waar ook de Afdeling zich op beroept (zie uitspraak ECLI:NL:RVS:2021:1760 van 4 augustus 2021). Het Adviescollege heeft samenvattend geconcludeerd dat de huidige rekenmethodiek die wordt toegepast binnen AERIUS Calculator op dit moment niet doelgeschikt is, omdat de mate van detaillering in de berekening van de depositie niet in balans is met de onzekerheid van de verschillende factoren die de depositie bepalen en er ongelijkheid is in de beoordeling van de verkeersbijdrage ten opzichte van andere bronnen.
Op de vraag of er een risico is dat door toepassing van AERIUS de stikstofdepositie op bepaalde Natura 2000-gebieden toeneemt, waardoor de instandhoudingsdoelen in gevaar komen, wordt in paragraaf 3.2.1 van het Eindrapport geconcludeerd dat het gebruik van een beoordelingsdrempel van 0,005 mol/ha per jaar in een AERIUS-berekening suggereert dat alle bronnen die leiden tot die depositie goed in kaart zijn gebracht. Hiermee is de kans op een onverhoopte toename van de stikstofdepositie beperkt. Op dit aspect oordeelt het Adviescollege daarom dat de toepassing van de AERIUS-systematiek geen risico heeft op toename van de stikstofdepositie. Gelet op deze conclusie in het Eindrapport is er geen aanleiding voor het oordeel dat de gevolgen van dit plan voor het Natura 2000-gebied Biesbosch als gevolg van het gebruik van AERIUS Calculator in dit geval zijn onderschat. Wij zijn het eens met reclamant inzake de verkeerde invoergegevens met betrekking tot verkeersgeneratie. De verkeersgeneratie van voorliggend plan is door toedoen van de zienswijzennota geactualiseerd. Dat betekent dat dit doorwerkt in de stikstofberekening. Dit onderzoek is geactualiseerd, hetgeen niet tot andere conclusies leidt.
Met de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering per 1 juli 2021 is het berekenen van stikstofemissie en bijbehorende stikstofdepositie door bouw- en sloopwerkzaamheden inclusief daarmee samenhangende verkeersbewegingen niet meer verplicht. De borging van het eventueel gebruik van elektrisch materieel is zodoende niet meer relevant. Het gasloos bouwen hoeft niet in de planregels te worden vastgelegd. Voor wat betreft woningbouw is in de Gaswet opgenomen dat nieuwbouwprojecten niet worden aangesloten op het gastransportnet. Hiermee is voldoende borging ingebouwd. De wijzigingsbevoegdheid is door toedoen van voorliggende nota uit het bestemmingsplan geschrapt. Daarmee wordt ervan uitgegaan dat in voldoende mate tegemoet is gekomen aan het punt van reclamant. Soortenbescherming Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de raad een ontwerpbestemmingsplan niet kan vaststellen indien op voorhand in redelijkheid moeten worden ingezien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Indieners zijn van mening dat het ‘Nader onderzoek wet natuurbescherming’ niet voldoende verzekerd dat het soortenbeschermingsregime de beoogde ontwikkeling niet in de wegstaat. In paragraaf 4.8 van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan is hieraan voorbijgegaan.
In voornoemde paragraaf wordt aangegeven dat in het plangebied geen verblijfplaatsen van vleermuizen en nestlocaties van huismussen en gierzwaluwen aanwezig zijn. Dit is tegenstrijdig met
Pagina 23 van 32
de conclusie uit het 'Nader onderzoek wet natuurbescherming'. Hieruit volgt namelijk dat in het plangebied in totaal de volgende verblijfplaatsen van beschermde diersoorten zijn aangetroffen:
De conclusie dat de huidige staat van instandhouding van deze diersoorten niet wordt aangetast, is onjuist. Hiervoor is nog nader onderzoek nodig. De opmerking in paragraaf 4.8 van de toelichting bij het bestemmingsplan dat in artikel 11.4 van de planregels een voorwaardelijke verplichting is opgenomen waarmee de gunstige staat van instandhouding van bovenstaande diersoorten wordt beschermd, kan niet worden gevolgd. De voorwaardelijke verplichting in deze planregel volgt namelijk reeds uit de Wet natuurbescherming. Cliënten zijn van mening dat hiermee niet is aangetoond dat de huidige staat van instandhouding van de voornoemde diersoorten niet wordt aangetast. De gewone dwergvleermuis en de huismus Uit het 'Nader onderzoek wet natuurbescherming' volgt dat voor vleermuizen alle vormen van verblijfplaatsen essentiële elementen zijn om de huidige staat van instandhouding niet aan te tasten. In het plangebied is een kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig. Voor het behoud van deze verblijfplaats is het van belang dat voldoende groen in het plangebied aanwezig moet blijven. Dit geldt ook voor de Huismus. Op dit moment is dit niet afdoende geborgd in de planregels. Hier is meer onderzoek voor nodig.
Uit het 'Nader onderzoek Wet natuurbescherming' blijkt niet dat de huidige staat van instandhouding van onder andere de gewone dwergvleermuis en de huismus voldoende wordt geborgd in het ontwerpbestemmingsplan. Om die reden kan het bestemmingsplan niet worden vastgesteld. Reactie gemeente Wij onderschrijven de stelling van reclamant dat de conclusie van het nader soortenonderzoek tegenstrijdig is ten opzichte van hetgeen in de bestemmingsplantoelichting is beschreven. Echter, de inhoud is kloppend. Het adres Plein 9 herbergt alle verblijfplaatsen die genoemd worden in het onderzoek. Dit adres maakt wel deel uit van het plangebied in het onderzoek, maar dit adres maakt geen deel uit van het plangebied van het bestemmingsplan. Dit staat ook zo beschreven in het nader soortenonderzoek. Op dit punt is zodoende geen nadere beschouwing noodzakelijk. Wij onderschrijven de stelling van reclamant dat de inhoud van de voorwaardelijke verplichting reeds is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. De inhoudelijke meerwaarde van de voorwaardelijke verplichting is zodoende miniem. De regeling is opgenomen als zijnde markering. Instandhouding is het treffen van maatregelen en het uitvoeren van werkzaamheden die het object aan het gestelde doel doet blijven beantwoorden. Er wordt voldoende aandacht besteed aan de instandhouding door genoemde mitigerende maatregelen in het onderzoek.
Indien deze maatregelen niet worden nageleefd bestaat een overtreding van de Wet natuurbescherming. Via deze weg is een en ander voldoende geborgd.
Pagina 24 van 32
De stelling van reclamant dat voldoende groen aanwezig moet blijven voor het behoud van de verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis wordt onderschreven in het onderzoek. Er staat te lezen dat de groenstructuren direct rond Plein 9 behouden moeten blijven. Deze groenstructuren maken geen deel uit van het plangebied. Daarmee is borging ook niet mogelijk c.q. nodig. Archeologie Uit het archeologisch bureauonderzoek (bijlage 12 bij de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan) volgt dat het plangebied in de historische kern van Werkendam ligt. Het is zeer waarschijnlijk dat onder de huidige funderingen, en buiten de nu bebouwde vlakken, archeologische resten aanwezig zijn uit de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Ook kunnen oudere resten uit de periode Midden Ijzertijd tot en met Vroege Middeleeuwen aanwezig zijn. In paragraaf 4.9 van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan wordt aangegeven dat om deze reden gravend archeologisch vervolgonderzoek nodig is, die in het kader van de omgevingsvergunningprocedure wordt uitgevoerd. Indieners zijn van mening dat hiermee niet voldoende is gewaarborgd dat de archeologische resten in het plangebied behouden blijven. In het archeologisch bureauonderzoek wordt nadrukkelijk aanbevolen om de graafwerkzaamheden buiten de huidige bebouwde vlakken, en dieper dan de huidige funderingen te vermijden.
Pas als dat niet mogelijk is, wordt aanbevolen door middel van een verkennend archeologisch booronderzoek de aard en intactheid van het bodemprofiel nader te bepalen. Op basis daarvan kan nader worden bepaald of en waar archeologische resten aanwezig zijn en hoe daar bij de planvorming rekening mee kan worden gehouden. Indieners zijn van mening dat ten onrechte niet is gekeken naar mogelijkheden waarbij graafwerkzaamheden buiten de huidige bebouwde vlakken, en dieper dan de huidige funderingen worden vermeden. Bovendien is het uitvoeren van een archeologisch graafonderzoek in het kader van de omgevingsvergunningprocedure niet voldoende om te voldoen aan de onderzoeksverplichting van artikel 3.1.6 van het Bro. Er is niet voldoende informatie verworven over de archeologische resten in de bodem van het plangebied. Vooral nu recent op 65 m afstand van het plangebied aan de Molenplein resten zijn gevonden van een kasteelterrein uit de Late Middeleeuwen. Indieners menen dat nader onderzoek noodzakelijk is om rekening te kunnen houden met mogelijke archeologische resten in het plangebied. Ingevolge artikel 9.1 Erfgoedwet jo. artikel 38a van de Monumentenwet 1998 dient de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met de in de grond van het plangebied aanwezige dan wel te verwachten monumenten.
Gelet op hetgeen hiervoor uiteen is gezet, kan de raad het bestemmingsplan niet vaststellen. Reactie gemeente Reclamant is van mening dat niet voldoende is gewaarborgd dat de archeologische resten in het plangebied behouden blijven. Wij zijn een andere mening toegedaan. Ten eerste is door middel van bureauonderzoek de archeologische verwachtingswaarde geduid. Dat wilt niet zeggen dat er daadwerkelijk resten aanwezig zijn. Daarnaast is middels een archeologische dubbelbestemming geborgd dat er onderzoek moet plaatsvinden bij ontwikkelingen met een grotere oppervlakte dan 50 m2 en/of die dieper reiken dan 30 cm. Dit betekent dat het plan geen doorgang kan vinden zonder het op basis van het bureauonderzoek noodzakelijk geachte vervolgonderzoek. Zodoende is een en ander in voldoende mate juridisch-planologisch geborgd. Wetgeving inzake archeologie is er op gericht dat er in geval van ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd wordt aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Het zoeken naar alternatieven om bodemingrepen te voorkomen, zoals gesteld door reclamant, is dus nadrukkelijk geen omissie. Reclamant stelt dat dat archeologisch graafonderzoek niet voldoende is om te voldoen aan de onderzoeksverplichting. Feit is dat dit afhangt van de uitkomst van desbetreffend
Pagina 25 van 32
graafonderzoek. Er wordt een Programma van Eisen opgesteld op basis waarvan het onderzoek/de onderzoeken wordt/worden uitgevoerd. Dit Programma van Eisen wordt overlegd met het bevoegd gezag, zodat een gedegen onderzoeksopzet bestaat met als doel het niet aantasten van eventuele archeologische waardes. Middels de beschreven borging van de eventuele archeologische waarden middels de archeologische dubbelbestemming is in het kader van het bestemmingsplan voldoende informatie verworden. Nader onderzoek is in het kader van het bestemmingsplan niet noodzakelijk. Verkeer en parkeren Verkeersgeneratie In paragraaf 4,11 van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan is toegelicht dat de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie afneemt ten opzichte van de huidige situatie. Ter onderbouwing van dit standpunt is in voornoemde paragraaf een vergelijking op basis van CROWkencijfers overgelegd. Op zich is een vergelijking voor het bepalen van de invloed op de omliggende infrastructuur een juiste methode, alleen dient dan wel uit te worden gegaan van de juiste kencijfers. In voornoemde vergelijking wordt voor de huidige en toekomstige commerciële plint ten onrechte uitgegaan van kengetallen behorende bij 'buurtsupermarkt' (minimaal 32,6 en maximaal 84,4). In het plangebied is géén buurtsupermarkt gevestigd.
Het grootste gedeelte van de huidige commerciële plint bestaat uit opslagruimte voor de enkele aanwezige bedrijven (waaronder een beddenzaak en kringloopwinkel). De keuze voor het kengetal behorende bij 'buurtsupermarkt' bevreemdt indieners. Bij het bepalen van de huidige verkeersgeneratie dient uit te worden gegaan van de kencijfers behorende bij kringloopwinkel, loods/opslag en woonwinkel. Voor het bepalen van de toekomstige verkeersgeneratie kan voor de commerciële plint van 300 m2 het beste worden aangesloten bij kencijfers voor buurt- en dorpscentrum. Daarnaast is bij het bepalen van de toekomstige verkeersgeneratie ten onrechte niet uitgegaan van de maximale planologische ontwikkeling van het ontwerpbestemmingsplan. Met inachtneming van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 3.7 van de planregels kunnen in het plangebied 30 woningen worden gerealiseerd. Bij het bepalen van de verkeersgeneratie is slechts uitgegaan van 27 woningen. De verkeersgeneraties voor de toekomstige situatie dient volgens indieners als volgt eruit te zien:
Indieners vrezen overlast en gevaarzettende situaties door de enorme toename in verkeersbewegingen. De capaciteit van de wegen in de omgeving van het plangebied is onvoldoende om de verwachte totale verkeersstromen op een goede en veilige wijze te kunnen afwikkelen. In het ontwerpbestemmingsplan hier ten onrechte geen rekening mee is gehouden kan niet worden beoordeeld of op dit punt sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan kan om die reden niet worden vastgesteld. Reactie gemeente Naar aanleiding van de zienswijzen hebben we opnieuw naar de paragraaf verkeer en parkeren gekeken. Dit heeft er toe geleid dat we de paragraaf hebben geactualiseerd. Voor een overzicht van de wijzigingen wordt verwezen naar beantwoording van de tweede zienswijze.
Pagina 26 van 32
Wat betreft de door reclamant gevreesde overlast en gevaarlijke situaties herkennen wij het geschetste beeld niet. Wanneer op grond van de planologische mogelijkheden de huidige situatie wordt vergeleken met de toekomstige situatie zal de verkeersgeneratie afnemen. Zodoende zijn geen verkeerskundige knelpunten te verwachten. Parkeren Voor het berekenen van de parkeerbehoefte wordt uitgegaan van de normen uit de 'Notitie parkeren Aalburg, Werkendam en Woudrichem'. Daarbij wordt voor de parkeernormen van de appartementen zowel in de huidige als de toekomstige situatie aangesloten bij de norm voor een middeldure woning (1,6). Voor de parkeernormen van de commerciële plint wordt zowel in de huidige als de toekomstige situatie aangesloten bij de norm voor wijk-, buurt- en dorpscentra, supermarkt (4,5). Deze kencijfers zijn geen representatieve parkeernormen voor de feitelijke situatie. Bovendien is op 15 december 2020 door de gemeente Altena nieuw parkeerbeleid vastgesteld (Nota parkeernormen Altena). Bij het bepalen van de parkeervraag is hier ten onrechte geen rekening mee gehouden. In de planregels is hier evenmin rekening mee gehouden.
In artikel 11.3.2 van de planregels is de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het bouwen en uitbreiden van de functie van gebouwen en gronden slechts wordt verleend indien wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de 'Notitie parkeren Aalburg, Werkendam en Woudrichem'. Nu deze parkeernota nog uitgaat van de oude CROW-normen en ondertussen nieuw parkeerbeleid is vastgesteld op grond van de nieuwe CROW-normen is deze planregel ondeugdelijk. Reactie gemeente Naar aanleiding van de zienswijzen hebben we opnieuw naar de paragraaf verkeer en parkeren gekeken. Dit heeft er toe geleid dat we de paragraaf hebben geactualiseerd. Voor een overzicht van de wijzigingen wordt verwezen naar beantwoording van de tweede zienswijze. Aanvullend hebben wij de nieuwe parkeernota in de planregels genoemd. Berekenen huidige parkeervraag In de huidige situatie kan voor de commerciële plint niet worden gerekend met een parkeernorm van 4,5 voor wijk-, buurt- en dorpscentra, supermarkt. Ten eerste omdat slechts een klein gedeelte van de huidige 2.100 m2 commerciële plint uit dergelijke voorzieningen bestaat. Het grootste gedeelte bestaat uit loodsen die dienen als opslag voor de aanwezige bedrijven. Daarbij is een van de grootste aanwezige bedrijven een kringloopwinkel (Fancy Fair).
De parkeernorm voor een loods/opslag en kringloopwinkel in het centrum bedraagt volgens de Notitie parkeren Aalburg, Werkendam en Woudrichem respectievelijk 0,6 en 0. Ten tweede omdat deze parkeernorm is gebaseerd op de 'Notitie parkeren Aalburg, Werkendam en Woudrichem'. Deze notitie gaat uit van een oude versie van de CROW-normen. Deze is niet langer actueel. Reactie gemeente Naar aanleiding van de zienswijzen hebben we opnieuw naar de paragraaf verkeer en parkeren gekeken. Dit heeft er toe geleid dat we de paragraaf hebben geactualiseerd. Voor een overzicht van de wijzigingen wordt verwezen naar beantwoording van de tweede zienswijze. Berekenen toekomstige parkeervraag Cliënten zijn daarnaast van mening dat voor de toekomstige situatie niet kan worden uitgegaan van de parkeernorm voor middeldure woningen aangezien niet zeker is dat op de planlocatie middeldure appartementen worden gebouwd. Cliënten zijn van mening dat uit dient te worden gegaan van een 'worstcasescenario' en dat moet worden gerekend met de norm voor dure woningen. Dat niet met deze parkeernorm is gerekend klemt des te meer nu voor de berekening van de verkeersgeneratie en de luchtkwaliteit wel is uitgegaan van de norm behorende bij dure appartementen. Daarnaast is bij het bepalen van de parkeervraag de maximale planologische ontwikkeling van het ontwerpbestemmingsplan niet meegenomen.
Met inachtneming van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 3.7 van de planregels kunnen in het plangebied 30 woningen worden gerealiseerd. Bij het bepalen van de toekomstige parkeervraag is ten onrechte slechts uitgegaan van 27 woningen.
Pagina 27 van 32
Cliënten zijn van mening dat onvoldoende parkeerplaatsen zijn berekend. Vooral nu het gemiddelde autobezit in Altena hoger ligt dan het gemiddelde autobezit in Nederland. Reactie gemeente Naar aanleiding van de zienswijzen hebben we opnieuw naar de paragraaf verkeer en parkeren gekeken. Dit heeft er toe geleid dat we de paragraaf hebben geactualiseerd. Voor een overzicht van de wijzigingen wordt verwezen naar beantwoording van de tweede zienswijze. Aangezien de wijzigingsbevoegdheid vervalt gaan we ervan uit dat er geen nadere beschouwing noodzakelijk is. Parkeren op eigen terrein niet geborgd Voorts wordt in het ontwerpbestemmingsplan niet gewaarborgd dat voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd. Uit de 'Nota parkeernormen Altena' volgt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen parkeren op eigen terrein het uitgangspunt is. Alleen in uitzonderingsgevallen kan afgeweken worden van de verplichting om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. In het voorliggende geval is niet gebleken dat een dergelijk uitzonderingsgeval zich voordoet. In paragraaf 4.11 van de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan is uiteengezet dat sprake is van een toekomstige parkeerbehoefte van 57 parkeerplaatsen waarvan 41 in het plangebied worden gerealiseerd.
Voor zover deze cijfers al juist zouden zijn (hetgeen wordt betwist), is niet gebleken dat in het plangebied voldoende ruimte bestaat om een dergelijke hoeveelheid aan parkeerplaatsen te realiseren. Een parkeerplaats dient ingevolge de 'Nota parkeernormen Altena' minimaal 5 m diep en 2,5 m breed te zijn. Dit betekent dat alleen voor de parkeerplaatsen al 700 m2 dient te worden gereserveerd. Daarnaast moet nog plaats zijn voor manoeuvreerruimte. Ten onrechte is niet uiteengezet dat in het plangebied hier voldoende ruimte voor bestaat. Een parkeertekening ontbreekt zelfs in zijn geheel. Gelet op het voorgaande is in de planregels en toelichting onvoldoende geborgd dat conform de geldende parkeernormen voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Het is überhaupt onduidelijk hoeveel parkeerplaatsen precies moeten worden gerealiseerd. Het bestemmingsplan kan daardoor niet worden vastgesteld. Reactie gemeente Naar aanleiding van de zienswijzen hebben we opnieuw naar de paragraaf verkeer en parkeren gekeken. Dit heeft er toe geleid dat we de paragraaf hebben geactualiseerd. Voor een overzicht van de wijzigingen wordt verwezen naar beantwoording van de tweede zienswijze. Voor de stallingsgarage wordt de NEN 2443:2013 aangehouden. Qua maatvoering wordt deels afgeweken van de parkeernota, door als minimum breedte 2,4 meter aan te houden.
De NEN geeft veen dergelijke maatvoering aan als passend voor een stallingsgrage. De rijweg is daarbij 5,9 meter breed. Deze maatvoering is wat ons betreft akkoord en in lijn met een goede ruimtelijke ordening. Fietsparkeerplaatsen In het ontwerpbestemmingsplan is ten onrechte geen rekening gehouden met het aantal benodigde fietsparkeerplaatsen. Indieners vrezen voor (nog meer) overlast van scooters en fietsen in de omliggende straten van het plangebied. Op dit moment is, met name in de weekenden, reeds sprake van overlast door een overtollig aantal geparkeerde fietsen in de omgeving van het plangebied. Het aantal benodigde fietsparkeerplaatsen dient te worden bepaald met behulp van de Fietsparkeerkencijfers 2019 van het CROW. Nu in het ontwerpbestemmingsplan hier ten onrechte geen rekening mee is gehouden kan niet worden beoordeeld of op dit punt sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan kan om die reden niet worden vastgesteld. Reactie gemeente Volgens de door reclamant aangehaalde CROW-publicatie dienen per appartement minimaal twee parkeerplaatsen voor fietsen te worden gerealiseerd. De appartementen beschikken elk over een berging van minimaal 5 m2. Het CROW hanteert een oppervlakte van 4,1 m2 voor twee
Pagina 28 van 32
fietsen, waarmee voldoende ruimte wordt gerealiseerd. De fietsparkeerbehoefte voor de commerciële functie wordt in het openbaar gebied gerealiseerd. Volgens het CROW geldt er een kengetal van 2,5 per 100 m2 voor een winkelcentrum. In voorliggende situatie gaat het dan om circa 8 fietsparkeerplaatsen. Milieueffectenrapportage De voorgenomen ontwikkeling in het ontwerpbestemmingsplan is een activiteit zoals bedoeld in onderdeel D.11.2, van de bijlage, bij het Besluit m.e.r. De omvang van de ontwikkeling blijft onder de drempelwaarden genoemd in kolom 2 waardoor voor het ontwerpbestemmingsplan aan de hand van een vormvrije m.e.r.-beoordeling, zoals bedoeld in artikel 3, vijfde lid van het Besluit m.e.r., dient te worden gekeken of sprake is van mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Ook voor gevallen onder de drempelwaarden dient het bevoegd gezag op grond van artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wm zich ervan te vergewissen of de activiteit daadwerkelijk geen aanzienlijke milieugevolgen kan hebben. Indien aan de hand van de criteria in bijlage III bij Richtlijn 2011/92/EU niet kan worden uitgesloten dat sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, dient vervolgens alsnog een plan mer- procedure te worden doorlopen.
Cliënten zijn van mening dat ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het doorlopen van een plan mer-procedure niet noodzakelijk is. De conclusie in paragraaf 4.4 van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten, is onjuist en kan niet worden gebaseerd op de rapportages bij de toelichting. Deze conclusie is gebaseerd op een vormvrije m.e.r.- beoordeling van SAB (bijlage 2 van de toelichting bij het bestemmingsplan)26. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is onder andere gebaseerd op de 'quick scan natuur, 'Nader onderzoek Wet natuurbescherming' en het 'Onderzoek stikstofdepositie'. Gelet op de gebreken en kennisleemten in deze stukken zijn cliënten van mening dat niet kan worden geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Zoals hiervoor uiteen is gezet, voldoen deze bescheiden niet aan de daarvoor gestelde vereisten. Bovendien zijn de conclusies uit het bodemonderzoek niet in deze beoordeling betrokken. Cliënten vrezen dat wel sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen door de voorgenomen ontwikkeling. Nu ten onrechte geen milieueffectrapportage is opgesteld, kan het bestemmingsplan niet worden vastgesteld. Reactie gemeente In de voorliggende nota van zienswijzen zijn de opmerkingen bij de genoemde rapportages van een antwoord voorzien. Er is zodoende geen sprake van gebreken c.q.
kennisleemten in de stukken. Wel hebben we hebben als gevolg van de actualisatie van de onderzoeksrapportages ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling hierop geactualiseerd. Dit heeft geen effect op de conclusies van de beoordeling. De conclusies uit het bodemrapport horen niet thuis in de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze conclusies hebben namelijk betrekking op de eventuele gevolgen van de bodemkwaliteit voor de beoogde ontwikkeling, daar waar de vormvrije m.e.r.-beoordeling bedoeld is om vast te stellen of er nadelige milieugevolgen bestaan door toedoen van de voorgenomen ontwikkeling. Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen functies mogelijk gemaakt die een gevaar vormen voor de bodemkwaliteit. Ondeugdelijke planregels Locatie commerciële plint Ingevolge artikel 3.5.1 van de planregels mag de totale bedrijfsvloeroppervlakte aan detailhandel, horeca en dienstverlening niet meer bedragen dan 300 m2. Nu deze functies op grond van de bestemming "Centrum - 1" overal in het plangebied zijn toegestaan, is het onduidelijk op welke locatie de commerciële plint precies wordt beoogd. Het zou voor de hand liggen dat de commerciële plint is voorzien op de locatie in het plangebied waaraan niet de functieaanduiding 'wonen' is toegekend en wel de gebiedsaanduiding
Pagina 29 van 32
'wetgevingszone - wijzigingsgebied'. Deze aanduidingen zijn gegeven aan de grond ter plaatse van de Hoogstraat. Dit zou overeenkomen met artikel 3.1, onder e, van de planregels. Wonen in een woning op de begane grond is slechts toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wonen'. Daarbij is de detailhandel, horeca en dienstverlening ingevolge artikel 3.1, onder a, b en c, van de planregels uitsluitend toegestaan op de begane grond. Echter, dit is tegenstrijdig aan artikel 3.2.1, onder f, van de planregels. De hoofdentree van de ruimtes van de commerciële plint mag volgens deze bepaling uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn'. Deze gevellijn ligt volgens de planologische verbeelding aan de kant van het Amerscamp, helemaal aan de andere kant van het plangebied. Nu volstrekt onduidelijk is waar de commerciële plint precies wordt gerealiseerd en de planregels elkaar tegenspreken kan, gelet op de rechtszekerheid, het bestemmingsplan niet worden vastgesteld. Reactie gemeente De commerciële plint is aan de zijde van de Hoogstraat beoogd. Met de aanduiding ‘gemengd’ zullen we deze plek ook juridisch-planologisch als zodanig vastleggen. Artikel 3.1 onder a, b en c is hierop tevens aangevuld. Daarbij willen we opmerken dat het klopt dat aan de zijde van het Amerscamp een gevellijn aanwezig is, maar dat dit ook geldt voor de Hoogstraat en het Plein.
Op de website www.ruimtelijkeplannen.nl is dit echter slecht waarneembaar, omdat hier tevens de plangrens is opgenomen. Op de analoge verbeelding is dit beter leesbaar. Hoofdentree commerciële plint Zoals hiervoor vermeld dient de hoofdentree van de ruimtes van de commerciële plint ter plaatse van de gevellijn te worden gesitueerd. Hiermee lijkt te worden beoogd dat alle detailhandel, horeca en dienstverlening een gezamenlijke hoofdingang krijgt. Dit is opmerkelijk aangezien vermoedelijke afzonderlijke verkoop- en balieruimten worden beoogd. Dit is ten onrechte niet duidelijk toegelicht. Reactie gemeente We delen het standpunt van reclamant niet, maar hebben de leesbaarheid van de regeling in artikel 3.2.1 onder f vergroot door het woord ‘hoofdentree’ te wijzigen naar ‘hoofdentrees’. Naar onze mening is zo helder dat in geval van meerdere commerciële functies er ook meerdere hoofdentrees zijn toegestaan, zodat iedere functie zijn eigen entree heeft.
Nadere eisen plaats en omvang bouwwerken Op grond van artikel 3.3 van de planregels krijgt het college de bevoegdheid om nadere eisen te stellen aan de plaats en omvang van bouwwerken met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van de straat- en het bebouwingsbeeld, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het uitzicht van woningen, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de brandveiligheid en de milieusituatie. Indieners zijn van mening dat een dergelijke planregel niet uitvoerbaar is. Hiermee vindt namelijk feitelijk een verplaatsing van het toetsingskader plaats, hetgeen niet is toegestaan. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het college op een aanvraag om een omgevingsvergunning dient te beslissen zoals die is ingediend. Gelet op het limitatief- imperatieve stelsel van artikel 2.10 van de Wabo kan geen verplaatsing van het toetsingskader plaatsvinden. Indien immers wordt voldaan aan de bouw- en gebruiksregels uit het plan is het college verplicht de gevraagde vergunning te verlenen. Artikel 3.3 van de planregels is ondeugdelijk. Het bestemmingsplan kan om die reden niet worden vastgesteld. Reactie gemeente Bij toetsing geldt zoals gesteld door reclamant een limitatief-imperatief stelsel. Dit betekent dat het college moet beoordelen of zich één of meer van de weigeringsgronden uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voordoen.
Als dat niet het geval is, moet de omgevingsvergunning worden verleend; als dat wel zo is, moet de gevraagde vergunning worden geweigerd. Het college heeft daarbij dus geen ruimte meer om een belangenafweging te maken. Om het college toch ruimte te geven om een belangenafweging te maken bestaat de bevoegdheid om nadere
Pagina 30 van 32
eisen te stellen. Dit betreft zodoende geen ondeugdelijkheid, maar een bevoegdheid. We zien geen aanleiding om het plan op dit punt aan te passen. Uitvoerbaarheid Gelet op hetgeen hiervoor uiteen is gezet, zijn cliënten van mening dat de onderwerpen bodem, geluid, luchtkwaliteit, bedrijven en milieuzonering, water, natuur, archeologie, verkeer en parkeren wel een belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van het ontwerpbestemmingsplan. Nu het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is, kan het niet worden vastgesteld. Economische uitvoerbaarheid Daarnaast volgt uit de publicatie in het Staatsblad d.d. 23 juni 2021 dat ten behoeve van het ontwerpbestemmingsplan een anterieure overeenkomst is gesloten. Hieruit zou volgen dat het ontwerpbestemmingsplan economisch uitvoerbaar is. Aangezien indienrs niet in het bezit zijn van deze overeenkomst en deze niet samen met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd, kan dit niet worden gecontroleerd. Reactie gemeente De reactie is voor kennisgeving aangenomen. Oppervlakte plangebied Cliënten zijn van mening dat het alle schijn ervan heeft dat in het ontwerpbestemmingsplan meer wordt toegestaan dan in feite daadwerkelijk kan worden gerealiseerd. Zoals eerder aangegeven heeft het plangebied een oppervlakte van ca. 2150 m2. Indien uit wordt gegaan van de parkeervraag zoals die nu is berekend, dienen 56 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd.
Dit betekent dat inclusief manoeuvreerruimte minimaal 1200 m2 van het plangebied beschikbaar moet zijn als parkeerruimte. Dan blijft nog slechts 950 m2 over voor 300 m2 aan commerciële plint en 27 woningen. Cliënten zijn van mening dat hiervoor onvoldoende ruimte bestaat. Ten onrechte is niet nader gemotiveerd op welke manier dit past binnen het plangebied. Nu hierover onduidelijkheid bestaat, kan het bestemmingsplan gelet op de rechtszekerheid niet worden vastgesteld. Reactie gemeente Voor de parkeerruimte wordt gedeeltelijk gebruik gemaakt van parkeergelegenheid in de openbare ruimte. Overigens wordt opgemerkt dat reclamant rekent met footprint in plaats van oppervlakte in metrages bruto vloeroppervlak. De gepresenteerde ruimte door reclamant is zodoende veel beperkter dan daadwerkelijk kan worden gerealiseerd. We gaan ervan uit dat daarmee de schijn is weggenomen. Participatie In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid is bij de toelichting op het bestemmingsplan een verslag van een informatieavond d.d. 10 oktober 2019 (bijlage 13 van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan) overgelegd. In paragraaf 6.2 van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan is toegelicht dat hieruit volgt dat de reactie op de beoogde ontwikkeling overwegend positief is en dat om die reden de maatschappelijke uitvoerbaarheid is aangetoond.
Hierbij wordt ten onrechte eraan voorbijgegaan dat op de betreffende informatie-inloopavond een ander plan is gepresenteerd dan op dit moment ter inzage ligt. Het voorliggende ontwerpbestemmingsplan betreft een volledig nieuw initiatief dat niet bij de bewoners rondom het plangebied is getoetst op aanvaardbaarheid. Hier is ten onrechte geen rekening mee gehouden. De maatschappelijke uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling is niet aangetoond. Het ontwerpbestemmingsplan kan om die reden niet worden vastgesteld. Reactie gemeente Wij delen de stellingname van reclamant niet. De ontwikkelaars hebben aangegeven dat het opgenomen stedenbouwkundig plan in het ontwerpbestemmingsplan hetzelfde plan is dat met de buurt is gedeeld.
Pagina 31 van 32
Zienswijze deels gegrond 4) Indiener 4- Zienswijze op 6 augustus verstuurd en ontvangen. De aanvullende zienswijze is buiten de inzagetermijn van het ontwerpbestemmingsplan ingediend, waardoor de zienswijze niet ontvankelijk is. De aanvulling word ambtshalve meegenomen. Inhoud aanvullende zienswijze: Cultuurhistorie: Het bestemmingsplan gaat over een stukje historische kern van Werkendam. Indiener komt tot de conclusie dat het karakter, aanzien, schaal gezien vanaf het Plein en de Hoogstraat echt heel anders is dan de huidige situatie. Indiener stelt dat het pand van Plein 4 (ex Visser wonen) gerekend mag worden tot cultuurhistorisch waardevol en is het zeker belangrijk dat dit behouden blijft. Reactie gemeente We beamen de stelling van reclamant dat het hier gaat om een cultuurhistorisch waardevol stukje Werkendam. Hiertoe is de cultuurhistorische dubbelbestemming uit het geldende bestemmingsplan overgenomen. Daarnaast is uitvoerig contact geweest met de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Door haar is geoordeeld dat het plan, zoals overlegd, vanuit het oogpunt van monumentenzorg en redelijke eisen van welstand voldoet. Verkeer en parkeren: Indiener denkt dat de parkeerbehoefte zal toenemen gezien de toename van het aantal woningen alsmede drukker bezochte winkels. Reactie gemeente De reactie is voor kennisgeving aangenomen.
Voor een reactie onzerzijds voor wat betreft de parkeerdruk wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 2. Zienswijze ongegrond
Pagina 32 van 32
2. Aanpassingen ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan is door de zienswijzen op onderdelen gewijzigd. Het bestemmingsplan wordt dan ook gewijzigd vastgesteld. Hieronder vindt u een overzicht van de wijzigingen. Wijzigingen: 1. De paragraaf verkeer en parkeren in de toelichting is geactualiseerd. 2. De mogelijkheid tot het realiseren van lichtmasten wordt uit de regels geschrapt. 3. De wijzigingsbevoegdheid wordt uit het bestemmingsplan gehaald. De toelichting (paragraaf 5.2.2), regels (artikel 3.7) en verbeelding (aanduiding wetgevingzone - wijzigingsgebied) worden op dit punt aangepast. 4. De toelichting (paragraaf 3.3.4) en Toets Ladder voor duurzame verstedelijking (bijlage 1) zijn aangepast als gevolg van nieuwe woonvisie. 5. Aanvullend bodemonderzoek is verwerkt en toegevoegd als bijlage 4. 6. De quick scan luchtkwaliteit (bijlage 6) is geactualiseerd. 7. Het onderzoek stikstofdepositie (bijlage 10) is geactualiseerd. 8. De nieuwe gemeentelijke parkeernota is genoemd in de planregels (artikel 11.3) 9. De vormvrije m.e.r.-beoordeling (bijlage 2) is geactualiseerd. 10. De parkeerregeling (artikel 11.3) wordt aangepast. 11. De commerciële plint wordt op de verbeelding met de aanduiding ‘gemengd’ aangeduid. In de regels is artikel 3.1 onder a, b en c hierop tevens aangevuld. 12.
Deze nota met bijbehorende bezonningsstudie is als bijlage opgenomen bij de toelichting. 13. De regels zijn aangevuld met een regeling met geluidsnormen voor installaties voor warmte- en koudeopwekking (artikel 3.5.2).
Bezonningsstudie Werkendam Zonstudie van zonsopkomst tot zonsondergang, per uur weergegeven. Peildata volgens TNO-norm.
kolpa architecten
Bezonningsstudie 19 februari 09:00 uur
Bestaand
Nieuw
kolpa architecten
2019-01 | Bezonningsstudie Werkendam
2
Bezonningsstudie 19 februari 12:00 uur
Bestaand
Nieuw
kolpa architecten
2019-01 | Bezonningsstudie Werkendam
3
Bezonningsstudie 19 februari 15:00 uur
Bestaand
Nieuw
kolpa architecten
2019-01 | Bezonningsstudie Werkendam
4
Bezonningsstudie 21 juni 06:00 uur
Bestaand
Nieuw
kolpa architecten
2019-01 | Bezonningsstudie Werkendam
5
Bezonningsstudie 21 juni 09:00 uur
Bestaand
Nieuw
kolpa architecten
2019-01 | Bezonningsstudie Werkendam
6
Bezonningsstudie 21 juni 12:00 uur
Bestaand
Nieuw
kolpa architecten
2019-01 | Bezonningsstudie Werkendam
7
Bezonningsstudie 21 juni 15:00 uur
Bestaand
Nieuw
kolpa architecten
2019-01 | Bezonningsstudie Werkendam
8
Bezonningsstudie 21 juni 18:00 uur
Bestaand
Nieuw
kolpa architecten
2019-01 | Bezonningsstudie Werkendam
9
Bezonningsstudie 21 oktober 09:00 uur
Bestaand
Nieuw
kolpa architecten
2019-01 | Bezonningsstudie Werkendam 10
Bezonningsstudie 21 oktober 12:00 uur
Bestaand
Nieuw
kolpa architecten
2019-01 | Bezonningsstudie Werkendam 11
Bezonningsstudie 21 oktober 15:00 uur
Bestaand
Nieuw
kolpa architecten
2019-01 | Bezonningsstudie Werkendam 12