Bijlage Ruimtelijke onderbouwing bij RV verklaring van geen bedenkingen voor Aanvraag omgevingsvergunning bouw 6 woningen te Almkerk
Tekst van het document
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 26
4
OMGEVINGSASPECTEN ARCHEOLOGIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke in 2024 in werking treedt. Gemeentelijk beleid De gemeenteraad van Altena beschikt over de ‘Nota archeologie – Tot op de bodem, update 2018’, een archeologische beleidskaart en de ‘Erfgoedverordening Altena 2019’. Met de vaststelling van de nota, beleidskaart en verordening was het geactualiseerde beleid nog niet planologisch-juridisch verankerd. In dat kader is op 7 februari 2023 het “Paraplubestemmingsplan archeologie” vastgesteld.
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is op grond van het geldende bestemmingsplan “WAAU2017” niet aangewezen met een dubbelbestemming ter bescherming van archeologische waarden. Ook in het “Paraplubestemmingsplan archeologie” is er geen sprake van een archeologische verwachting. In het kader van de herontwikkeling van de locatie is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. In de Erfgoedwet is onder andere opgenomen hoe de rijksbeschermde collecties worden beheerd, hoe rijksbeschermd erfgoed wordt aangewezen en hoe het wordt beschermd. Het deel van de Monumentenwet dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 27
Provinciaal beleid De provincie Noord-Brabant beschikt over de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW)’. Op de kaart zijn onder andere Rijks- en archeologische monumenten, beschermde dorps- en stadsgezichten, cultuurhistorische complexen en gebieden en monumentale bomen opgenomen. Gemeentelijk beleid Met ingang van 15 januari 2019 is de Erfgoedverordening Altena 2019 geldend. De verordening gaat in op onder andere de aanwijzing en bescherming van gemeentelijke monumenten, en op de gemeentelijk beschermde stadsgezichten. Tevens beschikt Altena sinds 5 april 2022 over de ‘Erfgoedvisie Altena 20222027’.
Relatie tot ontwikkeling Ter plaatse van de projectlocatie zijn op basis van de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Op grond van het geldende bestemmingsplan “WAAU2017” is de projectlocatie niet aangewezen met een dubbelbestemming ter bescherming van cultuurhistorische waarden. De bebouwing ter plaatse van en rondom de projectlocatie zijn tevens niet als gemeentelijk monument aangewezen.
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 2. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk / rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m
Pagina | 28
5.2 5.3 6
700 m 1.000 m 1.500 m
500 m 700 m 1.000 m
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.
Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling omvat de nieuwbouw van zes rug-aan-rugwoningen met bijbehorende parkeervoorzieningen en bergingen. In het kader van bedrijven en milieuzonering zijn woningen een gevoelige functie. De projectlocatie kent de enkelbestemming ‘Wonen – 1’ en ‘Tuin’. Omliggende enkelbestemmingen betreffen overwegend ‘Wonen – 1’ en ‘Tuin’. Tevens is plaatselijk sprake van de enkelbestemmingen ‘Maatschappelijk’ en ‘Dienstverlening’. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een rustige woonwijk. ‘Wonen – 1’ Ter plaatse van de enkelbestemming ‘Wonen – 1’ zijn de gronden bestemd voor wonen, aan huis gebonden activiteiten indien opgenomen in de opgenomen lijst in bijlage 4 behorende bij de regels van het bestemmingsplan “WAAU2017”, met de daarbij behorende tuinen en erven, waterlopen, waterpartijen, waterberging, waterhuishoudkundige- en waterstaatsdoeleinden en parkeervoorzieningen. De dichtstbijzijnde bestemming ‘Wonen – 1’ grenst direct aan de projectlocatie. De te beoefenen aan huis gebonden activiteiten zijn zodanig niet milieubelastend dat het toegestaan is om in datzelfde gebouw, waar de activiteiten uitgevoerd worden, te wonen. Dergelijke activiteiten vallen in de Staat van Functiemenging onder de categorie A, waar bedrijfsactiviteiten direct naast of beneden woningen zijn toegestaan.
Aangezien deze activiteiten geen belemmeringen veroorzaken voor de woningen waar zij plaatsvinden, zullen de activiteiten dan ook geen belemmeringen opleveren voor de beoogde ontwikkeling op een afstand van 0 meter. ‘Tuin’ Ter plaatse van de enkelbestemming ‘Tuin’ zijn de gronden bestemd voor tuinen met de daarbij behorende waterlopen, waterpartijen en waterberging, waterhuishoudkundige- en waterstaatsdoeleinden en parkeervoorzieningen. De enkelbestemming ‘Tuin’ staat derhalve geen bedrijven of activiteiten toe, waardoor deze ook niet belemmerd kunnen worden door de beoogde rug-aan-rugwoningen. ‘Maatschappelijk’ Ter plaatse van de enkelbestemming ‘Maatschappelijk’ zijn de gronden bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, ondergeschikte horeca, ondergeschikte kleinschalige detailhandel, sportvoorzieningen met bijbehorende kantine als ondergeschikte functie en evenementen, met de daarbij behorende tuinen, erven, terreinen, ondergeschikte kantoren, wegen, paden, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen, voorzieningen van algemeen nut, waterlopen, waterpartijen, waterberging en waterhuishoudkundige- en waterstaatsdoeleinden.
In de begrippenlijst van het bestemmingsplan “WAAU2017” worden maatschappelijke voorzieningen als volgt gedefinieerd: “educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, waaronder praktijken voor fysiotherapie en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, woonzorg en kinderopvang, alsook ondergeschikte detailhandel en horecabedrijf ten dienste van deze voorzieningen”. Onder ondergeschikte functie wordt verstaan: functie waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte als zodanig mag worden gebruikt tot een maximum vloeroppervlak van 100 m2, tenzij elders in deze regels anders is bepaald.
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 29
In voorliggend geval betreft het de Gereformeerde kerk Almkerk die tussen de woningen langs de Fabriciusstraat, Voorstraat en Graaf van Nieuwenaarstraat is ingeklemd. In beginsel kent een kerk een richtafstand van 30 meter. De afstand tot de gevel van de te realiseren woningen is circa 22 meter. De kerk is op dit moment echter al omringd door woningen op kortere afstand dan de nieuw te bouwen woningen. Bovendien is in het geldende bestemmingsplan ook aangegeven dat de maatschappelijke voorzieningen ten dienste staan van de woonfunctie en zich daarmee goed verhouden tot woningen. Het is derhalve goed te motiveren dat het realiseren van de woningen niet leidt tot een belemmering van de activiteiten van de kerk en dat een goed woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen gegarandeerd kan worden. ‘Dienstverlening’ Ter plaatse van de enkelbestemming ‘Dienstverlening’ zijn de gronden bestemd voor publieksgerichte dienstverlening en wonen, met de daarbij behorende tuinen, erven, terreinen, groenvoorzieningen, openbare verkeersruimte, parkeervoorzieningen, toegangswegen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. In de begrippenlijst van het bestemmingsplan “WAAU2017” onder dienstverlening het volgende verstaan: “het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen”.
Dergelijke bedrijven zijn conform de richtafstandenlijst van de VNG te typeren als bedrijven met ten hoogste milieucategorie 2. In een rustige woonwijk dient een afstand van 30 meter te worden aangehouden ten opzichte van gevoelige functies. De projectlocatie ligt op een afstand van circa 60 meter van de bestemming ‘Dienstverlening’. Er wordt derhalve aan de richtafstand voldaan.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen zijn in het kader van de Wbb gevoelige functies, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. In dit kader is door Stantec een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage (d.d. 3 november 2023, versie 327100851.r01) is als bijlage terug te vinden, de resultaten zijn hieronder weergegeven. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies getrokken: • De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat tot een diepte van circa 1,6 à 1,7 m-mv globaal uit zwak zandig of zwak siltig klei. Hieronder bevindt zich een zwak tot sterk kleiige veenlaag. • Aan het maaiveld is een fragment asbestverdacht materiaal aangetroffen. Op basis van het certificaat betreft het golfplaat en bestaat het uit 15-30% hechtgebonden chrysotiel en 0,1-2% crocidoliet asbest. In de gegraven proefgaten en boringen ten behoeve van het asbestonderzoek zijn geen asbestverdachte Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 30
• • • • •
fragmenten, materialen of bodemlagen waargenomen.Uit de analyse blijkt dat in de bodem geen asbest is aangetoond (concentratie beneden of gelijk aan de bepalingsgrens). In het opgeboorde materiaal is bodemvreemde bijmenging in de vorm van baksteen en beton aangetroffen. In de grond is echter geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In de kleiige bovengrond zijn licht verhoogde gehalten cadmium, lood, nikkel, zink en PAK aangetoond. In de kleiige ondergrond is een licht verhoogd gehalten nikkel aangetoond. In de venige ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie barium gemeten. De bovengrond valt op basis van de indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit in de klasse Wonen. De ondergrond valt inde klasse AW2000/Natuur.
Middels het verkennend bodemonderzoek is de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in voldoende mate vastgesteld. De resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding voor het verrichten van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen bezwaar voor de voorgenomen activiteiten. De aangetoonde gehalten/concentraties leveren bij het toekomstige gebruik van de bodem gebruik van de bodem geen beperkingen.
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.
Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 31
Relatie tot ontwikkeling Op de risicokaart is te zien dat: Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute; Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Figuur 10. Uitsnede risicokaart (bron: www.nederland.risicokaart.nl).
In de toelichting van bestemmingsplan “WAAU2017” is aanvullend onderstaande opgenomen. Risicovolle inrichtingen Overeenkomstig de risicokaart is in de kern Almkerk een LPG-tankstation gelegen. Het maatgevende plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar is 35 meter en het invloedsgebied van het groepsrisico is 150 meter. De projectlocatie is op een afstand van circa 650 meter gelegen en valt hiermee buiten de plaatsgebonden risicocontour en het invloedsgebied van het groepsrisico. Het LPG-tankstation levert derhalve geen belemmeringen op voor de ontwikkeling van zes rug-aan-rugwoningen. Vervoer van gevaarlijke stoffen Over de A27, ten westen van Almkerk, worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het PR-plafond bedraagt 12 meter en het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt 350 meter. De provinciale wegen N322 en N267 zijn niet aangewezen als routes voor gevaarlijke stoffen. Wel zijn deze wegen toegankelijk voor het vervoer
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 32
van gevaarlijke stoffen. Gelet op het aantal transporten vormt dit geen extern veiligheidsrisico. Verder worden in of nabij de projectlocatie geen gevaarlijke stoffen over wegen vervoerd. De projectlocatie is op een afstand van circa twee kilometer ten oosten van de A27 gelegen en valt daarmee buiten de plaatsgebonden risicocontour en het invloedsgebied van het groepsrisico. De A27 levert derhalve geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.
Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de toevoeging van zes rug-aan-rugwoningen met bijbehorende parkeervoorzieningen en bergingen. Woningen zijn in het kader van de Wet geluidhinder geluidsgevoelige objecten. De projectlocatie is aan een weg gelegen waar maximaal 30 kilometer per uur mag worden gereden. Voor dergelijke wegen hoeft geen akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd te worden. De projectlocatie ligt echter binnen 200 meter afstand van de provinciale weg N322 (Doornseweg). In dat kader dient alsnog een onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd te worden. Dit geluidsonderzoek is door S&W bouwkundig ingenieurs uitgevoerd in september 2023. Het rapport (d.d. 1 september 2023, versie 1.1) is als bijlage terug te vinden. In het rapport is beoordeeld of de geluidsbelasting onder de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder blijft (48 dB). Hierbij is niet alleen de Doornseweg meegenomen, maar ook de omliggende 30 km/uur wegen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De hoogst berekende geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai bedraagt: Lden = 46 dB. Daarmee overschrijdt de aanwezige geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie. Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 33
KABELS EN LEIDINGEN Algemeen Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is, dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone. Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen. Buisleidingen Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang.
Binnen het toepassingsbereik van het Bevb vallen:
buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. buisleidingen voor brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. buisleidingen voor vergiftige stoffen. buisleidingen voor specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer.
Voor de realisatie van een buisleiding of een kwetsbaar object dient voldaan te worden aan de grenswaarde voor het PR, terwijl het GR verantwoord moet worden. Bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoogspanningsverbindingen Bij transport van stroom door een hoogspanningsverbinding ontstaat een magneetveld. De sterkte ervan hangt vooral af van de hoeveelheid stroom die wordt vervoerd en van de afstand tot de verbinding. Over de mogelijk nadelige gevolgen van deze velden voor de gezondheid bestaat onduidelijkheid. Onduidelijk zijn vooral de langetermijneffecten van blootstelling aan de veldsterkte die optreedt in woningen die zich in de buurt van het hoogspanningsnet bevinden. Sinds 2005 adviseert de Nederlandse rijksoverheid een voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen. Bij de planning van nieuwe woningen, scholen en kinderopvangplaatsen is het advies zoveel mogelijk te voorkomen dat kinderen langdurig blootgesteld worden aan magneetvelden die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla. De GGD heeft het Rijksadvies verbreed naar alle situaties waar het veld de jaargemiddelde waarde van 0,4 microtesla overschrijdt.
Verder oordeelde de bestuursrechter in 2017 dat de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het beleidsadvies over bovengrondse hoogspanningslijnen, in beginsel ook voor ondergrondse hoogspanningskabels van toepassing zijn.1 Zowel de Commissie mer als de Gezondheidsraad hebben dit advies overgenomen, waardoor het voorzorgsprincipe
111
AbvRS, 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:238
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 34
voor bovengrondse hoogspanningslijnen ook van toepassen is op ondergrondse kabels, transformatorhuisjes, wijkverdeelstations en andere bronnen van langdurige blootstelling aan magneetvelden uit het elektriciteitsnetwerk.
Relatie tot ontwikkeling Conform de HoogspanningsNet Netkaart zijn er ter plaatse en in de nabijheid van de projectlocatie geen hoogspanningskabels gelegen. De dichtstbijzijnde hoogspanningskabel bevindt zich op een afstand van circa 6,7 kilometer ten westen van de projectlocatie. Het betreft de hoogspanningsverbinding ‘Krimpen – Geertruidenberg’. Het betreft een hoogspanningsverbinding met Donaumasten die een spanning van tweemaal 380 kV bevatten. Voor 380 kV Donaumasten rekent het Kennisplatform ElektroMagnetische Velden een magneetveld van maximaal 150 meter rondom de masten. De projectlocatie is met 6,7 kilometer op voldoende afstand van de hoogspanningslijn gelegen. In het bestemmingsplan “WAAU2017” zijn tevens geen dubbelbestemmingen voor kabels en leidingen opgenomen. Het aspect kabels en leidingen levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
Conclusie Ter plaatse en in de nabijheid van de projectlocatie zijn geen kabels en leidingen gelegen. Het aspect kabels en leidingen levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.
De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.
Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de realisatie van zes rug-aan-rugwoningen. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Goed woon- en leefklimaat
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 35
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens). Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via de CIMLK-kaart op 24 mei 2023) met bijbehorende grenswaarden. Tabel 2. Jaar
Totale concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in nabijheid van de projectlocatie Receptor wegverkeer 17278718_16024857 NO2 (µg/m3) PM10 (µg/m3)
PM2,5 (µg/m3)
2021
15,9
16,8
9,7
2030
12,4
14,5
7,5
Grenswaarden
40
40
25
Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.
Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 36
een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.
Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de ontwikkeling is door Blom Ecologie een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De rapportage d.d. 22 maart 2023 is bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Uit het onderzoek is gebleken dat de bebouwing aan de Fabriciusstraat mogelijk een essentiële functie voor de gierzwaluw, huismus en gebouwbewonende vleermuizen vervult. Voor deze diersoorten zal een nader aanvullend onderzoek uitgevoerd moeten worden om de aan- dan wel afwezigheid van verblijfplaatsen of nestlocaties vast te stellen. Dit onderzoek wordt op dit moment uitgevoerd binnen de daarvoor geldende periode. Daarbij implementeert de Woonstichting Land van Altena de zogenaamde ‘Gedragscode soortenbescherming voor woningcorporaties’ binnen haar organisatie. Dit betekent dat het onderzoek afgerond moet zijn, maar dat gebruik gemaakt kan worden van een werkprotocol en in principe geen ontheffing nodig is indien verblijfplaatsen aangetroffen worden. Gebiedsbescherming De projectlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Brabant of de Groenblauwe mantel. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is er geen sprake van externe effecten.
Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. In de omgeving van de projectlocatie zijn de Natura 2000-gebieden ‘Biesbosch’ en ‘Loevenstein, Pompveld & Kornsche Boezem’ gelegen. De beoogde ontwikkeling voorziet tevens niet in kapof snoeiwerkzaamheden aan houtopstanden. Negatieve effecten voor houtopstanden zijn dan ook niet aan de orde. Voor de volledigheid is een AERIUS-berekening uitgevoerd door MBH Consult. In de rapportage d.d. 7 juli 2023 (opgenomen als bijlage) wordt geconcludeerd dat het projecteffect op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/j bedraagt. Bij een dergelijke projectbijdrage treden er geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden. Een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming is voor het plan niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van het aspect stikstofdepositie er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan.
Conclusie Het aspect natuur vormt, met inachtneming van de afronding van het nader onderzoek soortenbescherming en de gedragscode, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 37
ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN Algemeen De opslag van munitie en/of explosieven valt niet onder het toepassingsgebied van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Op de opslag van munitie en/of explosieven is de 'Circulaire Opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik' van toepassing. In tegenstelling tot het Bevi is geen sprake van risicobenadering maar van een effectbenadering bij de opslag van munitie en/of explosieven. Per categorie explosieven zijn aan te houden afstanden onderscheiden. Kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogen binnen deze afstanden niet aanwezig zijn. In de Nederlandse bodem zitten nog veel conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Bij het opsporen en ruimen van conventionele explosieven (CE’s) is de openbare orde en veiligheid het bepalende uitgangspunt. De burgemeester is op grond van artikel 172 van de Gemeentewet belast met de handhaving daarvan. De beslissing om in een concrete situatie al dan niet over te gaan tot het opsporen en ruimen van een CE is dus de bevoegdheid van de burgemeester. In een CE-verdacht gebied is grondroerende partij verplicht een explosieven onderzoek uit te voeren in het kader van 'veilige werkomgeving en veiligheid voor derden en de omgeving'. Er geldt geen verplichting om over te gaan tot opsporing en ruiming.
Dit hangt af van het concrete geval en dat wordt vooral beoordeeld in relatie tot het huidige en toekomstige gebruik van het gebied. Conform de Arbowetgeving dient voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden het terrein onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hiermee wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden in de bodem ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen die een gevaar voor de werknemers en de openbare orde en veiligheid kunnen vormen.
Relatie tot ontwikkeling Door REASeuro is in oktober 2023 een oriënterend onderzoek niet-gesprongen explosieven uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage terug te vinden, de resultaten zijn hieronder weergegeven. Op basis van de NGE-Atlas, de ontwikkeling en de historische context is de kans op aantreffen van NGE voor deze projectlocatie ingeschaald als Laag. Op basis van het reeds beschikbare bronmateriaal uit de REASeuroDatabase kan worden gesteld dat in de omgeving van de projectlocatie weinig oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. Er wordt geadviseerd om de werkzaamheden regulier doorgang te laten vinden, zonder verdere maatregelen. Hierbij dient het protocol ‘spontaan aantreffen van NGE’ in acht genomen te worden.
Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 38
Relatie tot ontwikkeling Parkeren Auto De gemeente Altena heeft op 27 september 2022 het “Paraplubestemmingsplan beleidsharmonisatie” vastgesteld. Met het verdwijnen van de grondslag voor het toetsen aan stedenbouwkundige aspecten in de gemeentelijke bouwverordeningen, is het wenselijk op een andere wijze te voorzien in een toetsingskader voor parkeren. Met het parapluplan wordt in artikel 10 voor het gehele gemeentelijke grondgebied voorzien in een kader waaraan ontwikkelingen kunnen worden getoetst op parkeeraspecten. Het parapluplan legt de koppeling met de gemeentelijke “Nota Parkeernormen Altena”. Een nieuwe ontwikkeling dient aan de regels uit deze uitvoeringsnota te voldoen. De gemeente Altena hanteert voor het type woning ‘huis, sociale huur’ < 60 m2 een norm van 1,0 parkeerplaatsen per woning. Voor de zes beoogde woningen dienen derhalve zes parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Huidige situatie In de huidige situatie is in de Fabriciusstraat voornamelijk sprake van haaksparkeren op eigen terrein. De parkeerplaatsen zijn uitgevoerd als opritten in de voortuin tussen de woningen in. Dit is aangevuld met de mogelijkheid om in de straat te parkeren. De straat is redelijk smal waardoor niet overal en slechts aan een zijde geparkeerd kan worden. In de praktijk komt dit beperkt voor.
De parkeernorm voor de bestaande woningen is 1,5 waarmee een parkeerbehoefte van 3 parkeerplaatsen aanwezig is. Deze huidige parkeerbehoefte is met 1 parkeerplaats op eigen terrein en 2 plaatsen in de openbare ruimte opgelost. Nieuwe situatie De nieuwe ontwikkeling levert met een parkeerbehoefte van 6 parkeerplaatsen een toename op van 3 parkeerplaatsen. In de huidige situatie is sprake van 1 parkeerplaats op eigen terrein, in de nieuwe situatie worden dit er 4. Deze worden gerealiseerd op eigen terrein. De parkeerplaatsen worden uitgevoerd als opritten naast de woningen. De overige twee parkeerplaatsen bevinden zich net als in de huidige situatie op straat in de openbare ruimte. Figuur 11. Situatietekening met nieuwe parkeerplaatsen oranje (bron: VRP Architecten, eigen bewerking, november 2023).
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 39
Fiets Naast het voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor de auto dient ook te worden voorzien in genoeg stallingsruimte voor de fiets. De Nota Parkeernormen Altena bevat geen fietsparkeernormen. Het aantal gewenste fietsparkeerplaatsen wordt bepaald met behulp van het document ‘Fietsparkeerkencijfers 2019’, opgesteld door het CROW in combinatie met het Fietsberaad uit de Leidraad fietsparkeren. Wanneer het CROW een actualisatie doorvoert op de fietsparkeerkencijfers, beschouwt de gemeente Altena de nieuwste uitgave leidend. Het document Fietsparkeerkencijfers 2019 hanteert voor rij- en vrijstaande woningen de volgende kencijfers: Tabel 3. Totale concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in nabijheid van de projectlocatie Kencijfer 1 Per Eenheid 2 Eenheid 3 Opmerking 1,0 Kamer 25 m2 bvo 0,25 woning Bij voorkeur plus 1
Kencijfer 2 5,0-6,0
Per Woning
De beoogde ontwikkeling voorziet in zes rug-aan-rugwoningen van ca. 60 m2 per stuk. Dit resulteert op basis van kencijfer 1 in (60/25)*1= 2,4 fietsparkeerplaats per woning. Dit wordt naar boven afgerond waardoor er 3 plekken per woning nodig zijn. Met zes rug-aanrugwoningen leidt dat tot een fietsparkeerbehoefte van 18 fietsparkeerplekken. Ter plaatse van de projectlocatie worden zes bergingen gerealiseerd waar twee fietsen gestald kunnen worden. Tevens wordt in de buitenruimte voorzien in 10 stallingsplekken voor fietsen van bewoners en bezoekers. Hiermee worden in totaal 22 fietsparkeerplekken gerealiseerd en wordt voorzien in de behoefte. Verkeersgeneratie Voor het berekenen van de toekomstige verkeersgeneratie is de publicatie 381 geraadpleegd. De gemeente Almkerk hanteert de classificatie ‘rest bebouwde kom – niet stedelijk’. Tevens is gebruik gemaakt van de hoofdgroep ‘wonen’: 6 x huur, huis, sociale huur; Voor bovenstaande gegevens gelden in een niet stedelijk gebied binnen de bebouwde kom minimaal 5,2 en maximaal 6,0 verkeersbewegingen per woning. De ontwikkeling voorziet in zes woningen, waardoor er in totaal minimaal 31,2 en maximaal 36,0 verkeersbewegingen per etmaal zullen ontstaan. In de huidige situatie staan er ter plaatse van de projectlocatie twee vrijstaande woningen. De woningen zijn gedateerde sociale huurwoningen.
Derhalve gelden dezelfde gegevens als bij de toekomstige ontwikkeling. Voor de huidige situatie gelden in een niet stedelijk gebied binnen de bebouwde kom minimaal 5,2 en maximaal 6,0 verkeersbewegingen per woning. Voor de twee bestaande woningen geldt derhalve dat er minimaal 10,4 en maximaal 12,0 verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden. De beoogde ontwikkeling voorziet derhalve in een toename van minimaal 20,8 en maximaal 24,0 verkeersbewegingen per etmaal. Ontsluiting De ontsluiting van de projectlocatie vindt plaats via de Fabriciusstraat. In onderstaande figuur 12 wordt aangetoond hoe de provinciale weg N322 bereikt kan worden.
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 40
Figuur 12. Ontsluitingssituatie (bron: Google Maps).
De projectlocatie is goed bereikbaar voor langzaam verkeer (fiets en te voet). Ook met het vervoer is de locatie bereikbaar. In de nabijheid van de projectlocatie bevinden zich drie bushaltes binnen 200 meter. Vanaf de bushaltes vertrekken elk uur bussen richting het centrum van Almkerk, Sleeuwijk, Raamsdonksveer, Waalwijk, Hank en Wijk en Aalburg.
Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland. Ten behoeve van deze ontwikkeling is op 8 juni 2023 de digitale watertoets doorlopen. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. De beoogde ontwikkeling heeft geen (significant) negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 41
Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit Er is onderzocht of er sprake is van toename van verharding bij de realisatie van het nieuwbouwplan. Hiervoor is de verharding in de huidige situatie vergeleken met de toekomstige situatie. Figuur 13. Verharding bestaand en nieuwe situatie (bron: VRP architecten, juli 2023).
In de huidige situatie bevat de projectlocatie een verhard oppervlak van 424 m2. In de toekomstige situatie is er een verhard oppervlak van 560 m2. Dit betekent een toename van 136 m2 verharding. In de Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland is in artikel 3.22.3 opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning hemelwater of melding neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen indien de toename van verhard oppervlak meer dan 500 m2 binnen de bebouwde kom bedraagt. In voorliggend plan valt de toegenomen verharding onder de drempelwaarde van 500 m2 waardoor er sprake is van een vrijstelling voor een omgevingsvergunning hemelwater. Waterberging Het plangebied ligt in een wateroverlastgevoelig gebied waardoor extra verbeteringen ter voorkoming van wateroverlast getroffen moeten worden om de piekbuien op te kunnen vangen. De vrijstelling van de toename geldt wel voor het aanbrengen van compensatie oppervlaktewater, maar waterberging moet wel gerealiseerd worden. het waterschap bepaalt aan de hand van normbuien hoeveel waterberging nodig is. Hiervoor zijn vuistregels vastgesteld voor de benodigde waterberging. Voor berekening van de benodigde waterberging voor ruimtelijke ontwikkelingen is in principe de bui T=10+10% maatgevend. Daarbij geldt als vuistregel dat er 436 m3 waterberging nodig is per hectare verharding.
Deze vuistregel geldt alleen bij waterberging in open water. Voor watercompensatie in kunstmatige voorzieningen, zoals bijvoorbeeld wadi’s of kratten, geldt als vuistregel dat er 664 m3 waterberging nodig is per hectare verharding. In voorliggend plan wordt deze waterberging op eigen terrein gerealiseerd aan de voorzijde van het woongebouw. De exacte ligging wordt nader uitgewerkt in overleg met de gemeente. Gedacht moet worden aan het toepassen van infiltratiekratten. Hierdoor geldt de vuistregel van 664 m3 per hectare verharding. Voor
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 42
een verharding van 136 m2 geldt dan een watercompensatieplicht van: (136/10.000) x 664 = 9 m3. Er wordt minimaal 9 m3 aan waterberging gerealiseerd op het eigen terrein. Hemelwater Voor de opvang van hemelwater zullen op de kavel verschillende voorzieningen worden getroffen: • Door het toepassen van waterdoorlatende klinkers en veel groen wordt de toename van verharding tot een minimum beperkt. • Zoals eerder genoemd wordt 9 m3 aan waterberging gerealiseerd op het eigen terrein. Positie en opvangtype worden nader uitgewerkt in de bouwvoorbereidingsfase. Gedacht moet worden aan infiltratiekratten. • Hemelwater van het bijgebouw wordt opgevangen in een regenton (voor gebruik in gezamenlijke tuin). • Het overige hemelwater zal worden afgevoerd via het hemelwaterriool in de Fabriciusstraat. Beschermde gebieden Het Waterschap Rivierenland beschikt over twee Leggers: de ‘Vastgestelde legger wateren’ en de ‘Vastgestelde Legger waterkeringen’. De projectlocatie is niet binnen deze leggers gelegen, waardoor beschermde gebieden ter plaatse van en rondom de projectlocatie zijn uitgesloten. Riolering De beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie wordt aangesloten op de bestaande riolering. De riool aansluiting zal na vergunningsverstrekking via de gemeentelijke website worden aangevraagd.
De werkzaamheden aan het vuil- en schoonwaterriool worden door of in opdracht en onder toezicht van de gemeente uitgevoerd na het toesturen van het instemmingsbesluit.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.
Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 43
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van zes rug-aan-rugwoningen. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Aanmeldnotitie Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld. De aanmeldnotitie met daarin opgenomen de vormvrije m.e.r.-beoordeling van 13 juli 2023 is toegevoegd aan de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Geconcludeerd wordt dat de realisatie van het project geen significant negatieve milieueffecten met zich meebrengt. Op basis van deze aanmeldnotitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.beoordelingsbesluit.
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 44
5
BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie De omwonenden (vooral huurders van initiatiefnemer) zijn door middel van een informatiebrief door Woonstichting Land van Altena geïnformeerd over de voorgenomen plannen. Het concept van deze brief is kortgesloten met de gemeente. Op deze brief is één reactie binnengekomen van de eigenaar van het aangrenzende kavel. Deze reactie heeft betrekking op de erfafscheiding, eventuele aansluiting op het achterpad en mogelijke overlast tijdens de bouw. Woonstichting Land van Altena is één-op-één met hen in gesprek.
Planologische procedure Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 45
6
CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel twee bestaande vrijstaande sociale huurwoningen te vervangen voor zes rugaan-rugwoningen (ook sociale huur). Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 23089.RO
Pagina | 46