Bijlage 5 Kaderbrieven
Tekst van het document
Impact OMWB 2027 en verder: Impact
Fin. post
Bedrag
Afvalwaterbemonsteringen
P1/P2
€ 500.000,-*
Onderhouden netwerk indirecte lozingen
P3
€5.000,-
Programmeren van de taken in het werkprogramma
P1/P2
€10.000,-
19
Uitbreiding kennis op indirecte lozingen bij de VTKHA-medewerkers
concernuren
€10.000,-
*Dit budget i.k.v. de KRW-impuls Brabant is deels toe te schrijven aan uitbreiding van het toezicht op indirecte lozingen bij basistaakbedrijven en monsterneming als onderdeel van dit toezicht. Daarnaast is dit budget ook bestemd voor monsterneming bij gemalen en in de riolering om vervuilers op te sporen. Analysekosten zijn een substantieel onderdeel van het budget. Financiering van deze kosten kan wellicht voor een deel uit de rioolbudgetten van de gemeenten.
20
Bedrijfsvoering Inleiding Bedrijfsvoering 2027 De herijkte door het DB vastgestelde visie van de OMWB en de daaruit voortvloeiende strategische opgaven (communicatie, sturing en leiderschap, kennismanagement, kwaliteitsmanagement en datagedreven werken) vragen veel capaciteit en tijd van de afdeling bedrijfsvoering. Er resteert in 2027 niet veel ruimte voor andere (beleids-) ontwikkelingen. Een tweetal autonome ontwikkelingen spelen echt wel een rol: de aanbesteding van onze kernapplicatie en de (landelijke) ontwikkeling betreffende de financieringsmethodiek. Opstarten aanbesteding VTH applicatie RX Mission is de kernapplicatie voor de primaire taken van de OMWB. Deze applicatie ondersteunt alle VTH zaaktypeprocessen en de archivering van alle documenten gerelateerd aan deze primaire taken. Daarnaast is het omgevingsdossier binnen RX Mission een belangrijke bron voor het in kaart brengen en houden van de inrichtingen en de MBA’s. Binnen de applicatie wordt belangrijke data vastgelegd die noodzakelijk zijn voor de interne bedrijfsvoering en externe regionale en landelijke verantwoording. Het contract met Roxit (leverancier van RX Mission) loopt per 1 januari 2029 af en kan niet meer verlengd worden. Dit betekent dat we een nieuwe Europese aanbesteding gaan opstarten.
De mogelijke uitkomst betekent dat we mogelijk overgaan naar een nieuwe applicatie en een dergelijke overgang heeft een enorme impact. Vandaar dat we tijdig starten met deze voorbereidingen. Financieringssystematiek Binnen de regio Midden- en West-Brabant hanteren we de MWB-norm. Dit is een robuuste norm voor de financiering van onze taken. In eerdere P&C documenten en momenten spraken we over de herziening van deze norm. Aanleiding voor deze herziening was het feit dat sinds de intrede van de omgevingswet en het GUK het werk en de werkwijzen lijken te gaan veranderen. En tegelijkertijd is er een landelijk financieringsmodel voor omgevingsdiensten ontwikkeld: het zogenaamde voorkeursmodel. Dit landelijk voorkeursmodel bestaat uit een vijftal elementen: • • • • •
Het opzetten van een apart begrotingsonderdeel bedrijfsvoering; Het komen tot locatiegebonden financiering (in het kort gezeg: omgevingsdiensten worden gefinancierd door een vast bedrag per locatie waarin alle VTHKA-kosten zijn verwerkt); Het opzetten van een programma Collectieve Taken; Het opzetten van een programma voor plustaken; Het (duidelijk) definiëren van projecten.
In dit model kennen de vijf elementen ieder een aparte financiering. Voor het begrotingsonderdeel bedrijfsvoering en de locatie gebonden financiering is het uitgangspunt dat afgerekend wordt op begroting, de overige onderdelen worden afgerekend op realisatie.
21
Landelijk nam een werkgroep de opdracht aan om dit voor een aantal omgevingsdiensten verder uit te werken met behulp van een extern bureau. Dit betekent dat deze omgevingsdiensten begeleiding krijgen bij het maken van een start voor de implementatie van de financieringssystematiek. Dit project neemt naar verwachting geheel 2026 in beslag. De complexiteit kunnen we niet onderschatten. Er vindt landelijk bij sommige omgevingsdiensten nog steeds discussie plaats over bijvoorbeeld basistaken. Er dient een uniformering van begrippen plaats te vinden. De wijze van financiering per omgevingsdienst is verschillend. Daarnaast verloopt diezelfde financiering via provinciën en gemeenten, waardoor het IPO en de VNG belangrijke stakeholders zijn. Uiteindelijk dienen de afzonderlijke besturen van de omgevingsdiensten akkoord te gaan. De OMWB participeert niet in bovenstaand project, maar we volgen de voortgang nauwgezet . We weten namelijk goed waar we staan. Voor een drietal elementen werken we al volgens het voorkeursmodel. Er bestaat al geruime tijd een programma voor Collectieve Taken (P3) en voor plus taken (P2). De afrekening vindt al conform het voorkeursmodel plaats. We registreren, calculeren en rekenen projecten afzonderlijk. Voor een tweetal elementen ligt er nog wel een opgaaf.
Het oprichten van een afzonderlijk begrotingsonderdeel bedrijfsvoering is inhoudelijk niet complex, maar vraagt bestuurlijke goedkeuring gezien het feit dat de indeling van de begroting wijzigt en dit mogelijk consequenties heeft voor de opbouw van het uurtarief. Echter, het meest complexe element is de locatiegebonden financiering. Deze methode gaat uit van een kostprijs per individuele locatie (op basis van meerjarige gemiddelden). Denk hierbij aan de kosten van toezicht, rapportages, vergunningverlening, klachten en handhaving. Dit vergt de volgende voorwaarden voor een goed werking: • • • •
Een up-to-date locatiebestand met bijbehorende Milieu Belastende Activiteiten; Een vastgesteld Gemeenschappelijk Uitvoeringskader (GUK) met (meerjarig) normen en kengetallen; Een systematiek van werken met, sturen op en evalueren van normen en kengetallen (PDCA); Regionale afspraken over excessen.
De OMWB heeft een aantal onderdelen op orde, zoals een vastgesteld GUK. We moeten als organisatie wel constateren dat het locatiebestand nog van onvoldoende kwaliteit is om te dienen als basis voor de uitvoerige berekeningen, en dat voor diverse taakgebieden het werken met én sturen op normen en kengetallen nog niet voldoende ingebed is. Voor wat betreft het locatiebestand draagt een projectleider zorg voor een stevige kwaliteitsimpuls. Dit traject loopt geheel 2026. Voor de overige onderdelen, inclusief het begrotingsonderdeel bedrijfsvoering, stelden we nog nog geen plan van aanpak op. Dit pakken we in de loop van 2026 op, waarbij de vraag is of alle elementen van het voorkeursmodel van toepassing zijn op onze organisatie. Dit uiteindelijke besluit moet het Algemeen Bestuur nemen en vergt nog (landelijk) onderzoek en kritische beschouwingen.
22
Dit betekent concreet dat voor de begroting 2027 de MWB-norm nog steeds geldt als basis voor de financiering. In 2027 komt duidelijkheid over de richting waarin de organisatie zich qua financieringssystematiek gaat bewegen en worden de (eventuele) consequenties voor de deelnemers meer inzichtelijk. De systematiek blijft overeind, de onderliggende aantallen (zoals hoeveelheden bedrijven) kunnen wel wijzigen.
23
Financiële uitgangspunten Inleiding In voorgaande hoofdstukken is op thema’s een kwalitatieve doorkijk geschetst van verwachte en beoogde ontwikkelingen en trends voor de aanstaande planperiode. In deze paragraaf worden de financiële uitgangspunten benoemd voor de Begroting 2027 en de Meerjarenraming 2028-2030.
Algemene uitgangspunten De OMWB hanteert de volgende algemene financiële uitgangspunten bij het opstellen van de begrotingsdocumenten: • • • • •
De begroting 2027 gaat uit van het bestaande beleid, rekening houdend met de financiële effecten die betrekking hebben op de in deze kaderbrief genoemde beleidsontwikkelingen. De begroting 2027, inclusief meerjarenraming 2028-2030, is structureel financieel sluitend. De MWB- norm vormt de basis voor het financieringsmodel 2027 voor de deelnemende gemeenten. Om mogelijke tegenvallers adequaat te kunnen opvangen, houden we rekening met een post 'Onvoorzien' van € 150.000. De begroting 2027 stellen we op met inachtneming van het Besluit Begroting en Verantwoording voor provincies en gemeenten (BBV).
MWB-norm In afwachting van de uitkomsten vanuit het IBP over de financieringsmethodiek blijft de MWB-norm de basis voor de deelnemersbijdrage. Zodra de uitkomsten vanuit het IBP bekend zijn treden we in overleg met de deelnemers.
Baten en tariefontwikkeling Als uitgangspunt voor de tarief bepaling 2027 hanteren we het voorcalculatorisch uurtarief van 2026. Op dit tarief stellen we vervolgens aanpassingen voor naar actuele inzichten (inflatie, ziekteverzuim, et cetera). Conform de Financiële verordening OMWB 2025, artikel 5, volgt een correctie met een herberekening over de twee jaren vóór het begrotingsjaar, mocht de begrote en werkelijke indexering van elkaar afwijken. De indexeringspercentages zijn volgens de Septembercirculaire 2025 als volgt:
Begrot ing
Begrotingswi jziging
Circul aire 2025*
Begrot ing
Circul aire 2025*
Circul aire 2025*
24
2025
2025
2025
2026
2026
2027
Loonvoet sector overheid
5,8%
4,7%
6,0%
3,8%
2,9%
5,1%
Prijs overheidsconsump tie, netto materieel (imoc)
1,6%
2,7%
2,9%
2,2%
2,4%
2,2%
* Uit tabel 4.2.2 Prijsindexen CPB MEV 2026 en CEP 2025
Cao-ontwikkelingen De Cao Gemeenten/SGO 2025-2027 loopt vanuit 2025 door tot en met 31 maart 2027. Voor de periode na deze datum is nog geen Cao vastgesteld. Conform onze financiële richtlijnen gaan we voor de tariefbepaling 2027 uit van de indexen uit de Macro Economische Verkenningen 2027 in de septembercirculaire 2025 van het Centraal Planbureau.
Ziekteverzuim Voor 2027 houden we rekening met een verzuimpercentage van 5,0% (2026: 6%). Op dit moment is het ziekteverzuimpercentage 5,5% Het mogelijke verschil rekenen we niet in het tarief door. De hierdoor gemiste declarabele uren compenseren we door het verminderen van uren op niet-declarabele projecten.
Declarabiliteit De door met deelnemers afgestemde werkprogramma's 2026 vormen de basis voor het werkaanbod 2027. In totaal bedraagt het werkaanbod maximaal 389.000 declarabele uren. De declarabiliteitsnorm van 1.295 uur per fte kent de volgende opzet: Bruto netto berekening Beschikbare uren
Totaal uren 1.879
Verlof en feestdagen
284
Verzuim
94
Niet-declarabele uren (o.a. overleg, opleiding, kwaliteitsmanagement, uren key users, OR/BHV
206
Totaal declarabele uren
1.295
25
Lasten Het belangrijkste onderdeel van de kostenstructuur betreft de personele kosten. Dit is circa 80% van de totaal begrote lasten en bestaat uit kosten behorend bij personeel in loondienst en inhuur derden. Dit laatste is wenselijk in termen van flexibiliteit en noodzakelijk vanwege de krapte van de arbeidsmarkt.
Personeel in loondienst Het personeelsbestand is in te delen in medewerkers voor uitvoering van het primaire proces en, medewerkers in de bedrijfsvoering. De met de deelnemers afgestemde werkprogramma’s 2026 dienen als basis voor de begroting 2027. Het werkaanbod is geraamd op maximaal 389.000 declarabele uren. Een onzekerheid hierin betreft de uitvoering van taken gericht op 'toezicht en handhaving energiebesparingsplicht' (THE). De looptijd van de specifieke uitkering ter dekking van deze werkzaamheden eindigt ultimo 2026. De verwachting is dat de financiering per 2027 via het Gemeentefonds verloopt. In beginsel voeren eigen werknemers werkzaamheden uit, wat we aanvullen met inhuur van derden. Gedurende 2025 nam de inzet van eigen medewerkers ten opzichte van inhuur verder toe. Het is onze ambitie om deze stijgende lijn door te zetten, waarbij we naar een verhouding tussen eigen personeel en inhuur toewerken met voldoende flexibiliteit om in te kunnen (blijven) spelen op een mogelijk veranderend werkaanbod.
Personeel niet in loondienst Als gevolg van de situatie op de arbeidsmarkt en de ontwikkeling van het werkprogramma is de OMWB bij de uitvoering van haar taken genoodzaakt extern personeel in te huren. Dit geldt voornamelijk voor het primair proces. Daarnaast streeft de OMWB ernaar om door middel van inhuur voldoende flexibiliteit aan te houden om te kunnen op- of afschalen bij een wijzigend werkaanbod. Aangezien externe inzet duurder is dan de uitvoering met eigen personeel leidt dit tot extra kosten. Per uiterlijk 1 januari 2026 neemt de OMWB afscheid van ZZP'ers als gevolg van het opheffen van het handhavingsmoratorium vanuit de Wet VBAR (voorgeen Wet DBA).
Overige (materiële) kosten Deze worden opgenomen op basis van de meest recente inzichten rondom de ontwikkeling van overige kosten (huur, servicekosten, ICT-licenties, et cetera); rekening houdend met bovenstaande indexering.
Investeringen In 2027 moeten we een aantal bedrijfsmiddelen opnieuw aanschaffen of vervangen. Het uitgangspunt is dat het Algemeen Bestuur met het vaststellen van de begroting goedkeuring verleent aan deze (vervangings-)investeringen. Met het vaststellen van de begroting stellen we ook de vermelde afschrijvingstermijnen voor investeringen vast.
26
Tarief Uitgangspunt voor de tariefbepaling 2027 is het tarief zoals vastgesteld in de begroting 2024, zijnde € 108,75. Op dit tarief voerden we voor 2025 en 2026 een correctie door voor de Marco Economische Verkenningen (MEV) conform de Financiële Verordening. Door kostenbeheersing konden we op het geïndexeerde tarief van 2026 een korting doorvoeren. Hierdoor verlaagt het tarief van € 119,80 naar € 115,00. Dit tarief is de basis voor de indexatie 2027 (loonstijging en prijsstijging) volgens de septembercirculaire 2025. Het herberekende tarief voor 2026 bevat, zoals bij de eerste begrotingswijziging 2026 is aangegeven, ruimte. In 2026 wordt deze ruimte gebruikt voor organisatieontwikkeling, voor 2027 wordt deze ruimte structureel gebruikt voor het in de integrale kostprijs opnemen van de kosten van onze meetdienst.
Indexatie - Loonstijging en prijsstijging Voor de indexering maken we gebruik van de indexen uit de Macro Economische Verkenningen, gepubliceerd in de septembercirculaire 2025 van het Centraal Planbureau. We passen de volgende indexen toe: • •
Loonvoet sector overheid: 5,1% Prijs netto materiële overheidsconsumptie: 2,2%
Conform de vastgestelde begroting 2026 beslaan de lonen afgerond 80% van de totale lasten (exclusief de post ‘Onvoorzien’) en de overige lasten (waar de prijsverhoging relevant is) 20%. Dit leidt tot een gewogen gemiddelde indexering van 4,52%.
Schematische weergave van het tarief In onderstaand schema staat een weergave van de impact van de hiervoor genoemde maatregelen op het tarief van 2027.
Tarief 2024
Gemiddeld
MBO
HBO
Specialist
108,75
85,95
105,38
124,74
Bijstelling indexering 2024 o.b.v. MEV 2024
5,7% i.p.v. 6,06%
€ 0,38
€ 0,31
€ 0,37
€ 0,44
Aanpassing ziekteverzuim van 5,5% naar 5,0%
€ 0,61
€ 0,61
€ 0,61
€ 0,61
€ 0,61
€ 107,76
€ 85,03
€ 104,40
€ 123,69
- 0,92%
- 1,07%
- 0,93%
- 0,84%
Subtotaal 2025 Stijging tarief
27
Indexering 2025 (o.b.v. september circulaire 2025):
5,38%
€ 5,80
€ 4,57
€ 5,62
€ 6,65
Impact voorstellen kaderbrief 2025
€ 3,37
€ 3,37
€ 3,37
€ 3,37
€ 3,37
Extra verlofdagen 2025
€ 1,01
€ 1,01
€ 1,01
€ 1,01
€ 1,01
Herrekend tarief 2025 o.b.v. septembercirculaire 2025:
€ 117,95
€ 94,00
€ 114,40
€ 134,70
8,46%
9,36%
8,56%
7,98%
Stijging tarief
Indexering 2026 (o.b.v. september circulaire 2025):
2,80%
€ 3,30
€ 2,63
€ 3,20
€ 3,77
Kostencorrectie
- € 1,00
- € 1,00
- € 1,00
- € 1,00
- € 1,00
Korting
- € 5,25
- € 5,25
- € 5,25
- € 5,25
- € 5,25
€ 115,00
€ 90,40
€ 111,35
€ 132,20
-2,50%
-3,83%
-2,66%
-1,85%
€ 5,20
€ 4,09
€ 5,03
€ 5,98
€ 120,20
€ 94,50
€ 116,40
€ 138,20
4,52%
4,54%
4,53%
4,54%
Tarief 2026 o.b.v. septembercirculaire 2024: Stijging tarief (t.o.v. herzien tarief 2025)
Indexering 2027 (o.b.v. september circulaire 2025): Tarief 2027 o.b.v. septembercirculaire 2025: Mutatie tarief
4,52%
* In de berekening in bovenstaande tabel is conform de financiële richtlijnen van de OMWB uitgegaan van de prijsindexen uit de Macro Economische Verkenningen 2027.
28
Weerstandsvermogen In de begroting 2027 staat een geactualiseerd inzicht in het risicoprofiel en het weerstandsvermogen. Het weerstandsvermogen is de relatie tussen de risico’s waarvoor geen specifieke maatregelen zijn getroffen en de capaciteit van middelen en mogelijkheden die de OMWB heeft om niet-begrote kosten op te vangen (BBV-artikel 11). Hoe groot die weerstandscapaciteit moet zijn, is afhankelijk van de risico-inschatting en de bereidheid van het bestuur om deze risico’s al dan niet te lopen. Om te voorkomen dat bij niet afgedekte risico’s ingrijpende (organisatie) wijzigingen noodzakelijk zijn, is een afdoende weerstandsvermogen voor de OMWB gewenst. De OMWB streeft een ‘voldoende’ weerstandscapaciteit na. Dat betekent een weerstandsratio tussen 1,0 en 1,4.
29
30
Kadernotitie 2027 gemeenschappelijke regeling
Nazorg gesloten stortplaatsen Bavel-Dorst en Zevenbergen Inleiding In het kader van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) dient de GR Nazorg gesloten stortplaatsen Bavel-Dorst en Zevenbergen (GR NGS) als gemeenschappelijke regeling een kadernotitie op te stellen, die richtinggevend moet zijn voor de opstelling van haar begroting voor het aankomend begrotingsjaar 2027. De begroting 2027 wordt opgesteld op basis van ongewijzigd beleid. Er worden geen nieuwe taken of uitbreiding van bestaande taken opgenomen in de primitieve begroting, tenzij dit al is besloten door het Algemeen Bestuur. De begroting voldoet aan het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Dit betekent dat de daarin voorgeschreven gegevens in de begroting worden opgenomen. Indien indexering van kosten noodzakelijk is, is het prijsindexcijfer van de algemene prijsontwikkeling BBP uit de septembercirculaire 2025 van 2,5% de basis voor de begroting 2027. Voor alle van toepassing zijnde financiële richtlijnen wordt verwezen naar de bijlage bij deze kadernotitie. Algemene informatie GR NGS is een in 2011 opgerichte gemeenschappelijke regeling met de status van openbaar lichaam tussen 10 gemeenten in de regio Baronie. GR NGS is de (gedeeltelijke) rechtsopvolger van GR Milieu en Afval Regio Breda (MARB).
De status van openbaar lichaam vloeit voort uit de grote mate van zelfstandig handelen, die samenhangt met het doel: het behartigen van de belangen van de deelnemende gemeenten bij de eeuwigdurende nazorgverplichtingen van de Regionale Stortplaats Zevenbergen en de Afvalstoffenberging Bavel-Dorst. Deze twee stortplaatsen worden vanuit de wet verschillend benaderd. Stortplaatsen waar op of na 1 september 1996 afval is gestort, vallen onder de (Nazorgregeling) Wet milieubeheer en stortplaatsen die eerder zijn gesloten onder de Omgevingswet. Dat betekent dat de regionale stortplaats Zevenbergen valt onder de Wet milieubeheer en afvalstoffenberging Bavel-Dorst onder de Omgevingswet. Stortplaats Zevenbergen De Wet milieubeheer stelt dat de provincie verantwoordelijk wordt voor de nazorg nadat voor de stortplaats een sluitingsverklaring is afgegeven door de provincie. Hiervoor dient o.a. een plan opgesteld te worden waarin wordt aangegeven op welke wijze de stortplaats na afgifte van de sluitingsverklaring kan worden beheerd, zodanig dat deze geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt: het nazorgplan. Op basis van dit nazorgplan wordt vervolgens door middel van een landelijk hiervoor gehanteerd rekenmodel bepaald hoe hoog het doelvermogen op het moment van overdracht aan de provincie zou moeten zijn om de eeuwigdurende nazorg te bekostigen.
Naast de technische inhoud van het nazorgplan zijn de rekenrente en het overdrachtsjaar die meegenomen worden in de berekening van grote invloed op de uitkomst hiervan. In 2018 is naar aanleiding van het uitvoeren van de 5-jaarlijkse ALM-studie door de provincie NoordBrabant (PNB) de rekenrente van 5,06% naar 3,65% bijgesteld. Naar aanleiding hiervan is een overeenkomst tussen PNB en de Brabantse exploitanten, waaronder GR NGS, afgesloten waarin is afgesproken dat er binnen een periode van 5 jaar onderzocht zou worden of er mogelijkheden zijn om het benodigde doelvermogen omlaag te brengen. Tevens was hierin opgenomen dat PNB gedurende Kadernotitie 2026 versie 1.1 | Nazorg gesloten stortplaatsen Bavel-Dorst en Zevenbergen
|1
de looptijd van de overeenkomst geen heffingsaanslag op zou leggen naar aanleiding van de verlaagde rekenrente. Deze overeenkomst is in juni 2024 afgelopen. Vanaf het aangaan van deze overeenkomst werd er al vrijwel direct gesproken over een verlenging van de overeenkomst met vijf jaar. PNB en de exploitanten hebben altijd de intentie gehad om de overeenkomst te verlengen maar in het bestuurlijk overleg in 2024 is besloten om dit niet te doen. De provincie heeft begin 2024 naar aanleiding van een nieuwe ALM-studie de rekenrente formeel vastgesteld op 3,45% en heeft later datzelfde jaar aangegeven dat er een heffingsaanslag wordt opgelegd n.a.v. de gewijzigde rekenrente. Afgesproken is dat de tussentijdse nazorgplannen van de exploitanten geactualiseerd worden. Het tussentijdse nazorgplan voor stortplaats Zevenbergen wordt uiterlijk halverwege januari ingediend bij de provincie. Vervolgens wordt dit door de provincie beoordeeld en vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Op basis van het vastgestelde tussentijdse nazorgplan wordt vervolgens een berekening van het doelvermogen gemaakt waarop de heffing gebaseerd zal zijn. PNB heeft aangekondigd de heffingsaanslag eind Q1 2026 op te leggen. In de afgelopen periode is er door GR NGS op aangestuurd om een overdrachtsdatum ver in de toekomst op te nemen in het nazorgplan.
Daarbij werd verwacht dat de op dit moment in het nazorgfonds aanwezige gelden voor stortplaats Zevenbergen zo goed als toereikend zouden zijn, waardoor er geen heffing, dan wel slechts een beperkte en beheersbare heffing, noodzakelijk zou zijn. Inmiddels is het duidelijk dat de provincie hiermee niet akkoord gaat en wordt ernaar gestreefd om op een eerder moment afspraken te maken m.b.t. de nazorg, het moment van overdracht en het (benodigde) doelvermogen. Het streven van GR NGS is om de heffing zoveel mogelijk binnen de GR op te vangen, hetgeen echter afhankelijk is van de keuzes van de provincie. Er wordt geadviseerd om, evenals in de voorgaande jaren, melding te maken van de aanstaande heffing in de risicoparagraaf. Gezien de huidige hoge factor van onzekerheid omtrent de hoogte van de heffing wordt er terughoudend gecommuniceerd. Daarbij wordt zoveel mogelijk samengewerkt met de andere Brabantse exploitanten en met PNB. Stortplaats Bavel-Dorst De stortplaats Bavel-Dorst valt niet onder de Wet milieubeheer en de financiering van de eeuwigdurende nazorg blijft dus de verantwoordelijkheid van de gemeenschappelijke regeling. Sweco Nederland B.V. is vergunninghouder, eigenaar en uitvoerende partij van de overeengekomen nazorgtaken. De GR NGS beheert het nazorgfonds. Een jaarlijkse bijdrage vanuit de deelnemende gemeenten is noodzakelijk om het doelvermogen op peil te houden.
GR NGS is gebonden aan het schatkistbankieren. Het beheer van Bavel-Dorst wordt uitgevoerd als ware het een stortplaats die wel onder de Wet milieubeheer valt. Hierdoor liggen de kaders voor het eeuwigdurende beheer vast. Uit onderzoek naar de afdeklaag van Bavel-Dorst is gebleken dat gesteld kan worden dat deze minstens 100 jaar mee kan in plaats van 50 jaar. Naar aanleiding hiervan is het nazorgplan voor Bavel-Dorst geactualiseerd en is het benodigde doelvermogen bijgesteld. Sinds 2023 behaalt de GR NGS inkomsten uit de rentestand. Het behaalde resultaat van 2023 en 2024 is in respectievelijk 2024 en 2025 uitgekeerd aan de gemeenten o.b.v. de bijdrage die iedere gemeente doet. Alle middelen voor Bavel-Dorst zijn belegd in de schatkist en genereren (minimale) renteopbrengsten. In het provinciale nazorgfonds, waar ook de circa € 14 miljoen voor Zevenbergen onderdeel van is, wordt vanaf eind 2019 weer belegd, waardoor hier weer een rendement gehaald wordt op de gelden. Derhalve is het voordeliger om de kosten van pre-nazorg te betalen uit de voorziening voor Bavel-Dorst. Hierdoor ontstaat er een vordering vanuit Bavel-Dorst op de stortplaats Zevenbergen. Bedrijfsvoering De gemeenschappelijke regeling heeft zelf geen personeel in dienst. Middels een dienstverleningsovereenkomst is de volledige bedrijfsvoering ondergebracht bij de gemeente Breda.
In grote lijnen is de taakuitvoering te splitsen in: Kadernotitie 2026 versie 1.1 | Nazorg gesloten stortplaatsen Bavel-Dorst en Zevenbergen
|2
-
Beheer van het vermogen; Control van het technisch beheer; Advisering van Dagelijks en Algemeen Bestuur; Ondersteuning op secretarieel en administratief gebied.
Financiële informatie De financiële verplichtingen uit hoofde van de eeuwigdurende nazorg van Bavel-Dorst worden gefinancierd uit een doelvermogen dat in 2027 qua omvang zal zijn afgestemd op de contant gemaakte nazorgkosten uit het in 2025 geactualiseerde nazorgplan van 2025. Dotatie en bijdrage In de begroting 2026 is vastgesteld dat de bijdrage voor de deelnemende gemeenten € 663.295 bedraagt. Vanaf november 2022 worden uit deze bijdrage niet alleen de (jaarlijkse) kosten voor de nazorg van Bavel-Dorst betaald maar ook voor de locatie Zevenbergen. Gezien de inflatie is een aanpassing van dit bedrag vanaf 2027 voorzien. Kaders met betrekking tot bijdrage Bavel-Dorst 2027-2030 Naar aanleiding van de door Sweco opgestelde kostenraming voor de gesloten stortplaats wordt voorzien dat de toekomstige kosten voor onderhoudswerkzaamheden hoger zullen uitvallen. Vooralsnog wordt uitgegaan van een aanpassing van de bijdrage van de deelnemende gemeenten conform het eerder vastgestelde indexeringspercentage. Ontwikkelingen stortplaats Zevenbergen Zoals hierboven is vermeldt is de provincie voornemens een heffing op te leggen en is het op dit moment nog niet duidelijk hoe hoog deze wordt. Het beheer en onderhoud (pre-nazorg) wordt uitgevoerd door Attero.
De kosten hiervoor worden conform overeenkomst pre-nazorg tussen GR NGS en Attero voor 80,3% betaald door GR NGS en voor 19,7% door Attero.
Kadernotitie 2026 versie 1.1 | Nazorg gesloten stortplaatsen Bavel-Dorst en Zevenbergen
|3
Bedrijfsvoeringskosten Gezien de ontwikkelingen rondom de overdracht van stortplaats Zevenbergen, wordt voorgesteld om de uren voor benodigde technische, financiële en secretariële ondersteuning te handhaven op het niveau van de afgelopen jaren en deze te indexeren. De overige kosten blijven gehandhaafd op het niveau van 2026.
BESLUIT: De kadernotitie 2027 voor de Nazorg gesloten stortplaatsen Bavel-Dorst en Zevenbergen vast te stellen. Aldus besloten op 4 december 2025
G.J.A.M. de Weert Voorzitter
Kadernotitie 2026 versie 1.1 | Nazorg gesloten stortplaatsen Bavel-Dorst en Zevenbergen
|4