Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing bij RV verklaring van geen bedenkingen voor uitbreiding containerveld kwekerij aan de Stenheul 2A te Waardhuizen
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing
Stenenheul 2a Waardhuizen
Colofon
Gemeente:
Altena
Projectlocatie:
Stenenheul 2, 4287 LX Waardhuizen
Datum:
14-06-2023
Opgesteld door:
Van Dun Advies BV Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@vandunadvies.nl I. www.vandunadvies.nl
Projectnummer:
MLe/21079.A005
Pagina 2 van 32
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 4 1.1.
Aanleiding en doel ........................................................................................... 4
1.2.
Geldend planologisch regime ............................................................................ 4
1.3.
Procedure ....................................................................................................... 5
1.4.
Leeswijzer ....................................................................................................... 5
2. Planbeschrijving............................................................................................... 6 2.1.
Bestaande situatie............................................................................................ 6
2.2.
Beoogde situatie .............................................................................................. 6
3. Beleidskader..................................................................................................... 8 3.1.
Provinciaal beleid ............................................................................................. 8
3.1.1. 3.1.2. 3.2.
Omgevingsvisie Noord-Brabant ................................................................... 8 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ............................................ 8
Gemeentelijk beleid......................................................................................... 13
3.2.1. 3.2.2. 3.2.3.
Structuurvisie ........................................................................................... 13 Omgevingsvisie Altena 2040 ...................................................................... 14 Bestemmingsplan ..................................................................................... 14
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 18 4.1.
Waterhuishouding ........................................................................................... 18
4.1.1. 4.1.2. 4.2.
Natuur ........................................................................................................... 20
4.2.1. 4.2.2. 4.3.
Provincie ................................................................................................. 18 Waterschap Rivierenland ........................................................................... 20 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 20 Wet natuurbescherming ............................................................................ 21
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 23
4.3.1. 4.3.2.
Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 23 Archeologie .............................................................................................. 25
4.4.
Landschappelijke inpassing .............................................................................. 26
4.5.
Verkeer en parkeren ....................................................................................... 27
5. Planologische afweging ................................................................................. 30 6. Bijlagen .......................................................................................................... 31
Pagina 3 van 32
1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel In deze onderbouwing wordt een nadere toelichting gegeven op de aanvraag om omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan voor de locatie aan de Stenenheul 2 te Waardhuizen. Initiatiefnemer exploiteert een plantencentrum aan de Hoefpad 9 Uitwijk. Het bedrijf levert onder andere bomen en (vaste) planten aan groenvoorzieners, hoveniers, tuincentra, handelaren maar ook aan particulieren. Een gedeelte van de bomen en planten die het bedrijf afzet, wordt gekweekt op het bedrijf zelf. Om te kunnen voldoen aan de groeiende vraag van afnemers moet initiatiefnemer echter steeds meer planten inkopen in plaats van de planten zelf te telen. Op deze planten maakt initiatiefnemer veel minder rendement. Ook kunnen leveranciers niet altijd de planten leveren die initiatiefnemer wenst in te kopen. Om in de toekomst het bedrijf te kunnen continueren is het bedrijf op zoek naar nieuwe ontwikkelingen waardoor bedrijfsprocessen kunnen worden verbeterd. Om deze reden is initiatiefnemer voornemens om containervelden aan te leggen met een grootte van circa 1,7 hectare. Op deze containervelden kan initiatiefnemer dan zelf planten telen voor de zijn klanten.
Op deze manier wordt initiatiefnemer minder afhankelijk van leveranciers en kunnen kosten worden bespaard door de teelt zelf uit te voeren. Middels deze onderbouwing worden de planologische aspecten van de de aanleg van de containervelden nader beschreven waardoor beoordeeld kan worden of de gewenste ontwikkeling ruimtelijk aanvaardbaar is. 1.2. Geldend planologisch regime De project locatie is gelegen ter plaatse van het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied’ van de gemeente Woudrichem. De verbeelding en de regels van dit bestemmingsplan zijn gedeeltelijk herzien middels het plan ‘Buitengebied Woudrichem herziening 2018’ van de gemeente Altena. Op de projectlocatie zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen van toepassing, zie Afbeelding 1. -
Enkelbestemming: ‘Agrarisch met waarden’ Dubbelbestemming: ‘Waarde – Archeologie 3’ Gebiedsaanduiding: ‘wro-zone – aanlegvergunning groenblauwe mantel’ Gebiedsaanduiding: ‘wro-zone – aanlegvergunning kleinschalig landschap’ Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – aardkundig waardevol gebied’
Pagina 4 van 32
Afbeelding 1: Uitsnede ruimtelijke plannen (beoogde containervelden weergeven middels zwarte omkadering)
1.3. Procedure Voor het gewenste initiatief is gekozen om een omgevingsvergunning aan te vragen voor het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening. De basis is hiervoor gelegd in artikel 2.1, eerste lid, onder c, juncto artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3 o van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Blijkens artikel 3.10 Wabo is op de voorbereiding van een omgevingsvergunning met de uitgebreide procedure afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat een ontwerpbeschikking van de omgevingsvergunning gedurende 6 weken voor eenieder ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan eenieder hun zienswijzen kenbaar maken. Gedurende de inzagetermijn ligt de ontwerpbeschikking inclusief eventuele bijlagen ter inzage. Nadat er een definitieve beschikking is verleend, waarbij eventuele zienswijzen in acht worden genomen, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kunnen belanghebbenden en eenieder die tijdig zienswijzen kenbaar hebben gemaakt bij het ontwerp beroep indienen bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Daarna volgt eventueel nog de mogelijkheid om hoger beroep aan te tekenen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is de beschikking na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. 1.4.
Leeswijzer In dit rapport zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, het geldend planologische regime en de procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieuhygiënische en planologische aspecten beschreven.
Pagina 5 van 32
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de projectlocatie. 2.1. Bestaande situatie De projectlocatie is gelegen aan de Stenenheul 2a te Waardhuizen ter plaatse van de percelen die kadastraal bekend staan als sectie G, nummers 1234 en 1575 van de gemeente Woudrichem. Op de Stenenheul 2a zijn 2 bedrijfsgebouwen aanwezig. Daar waar de containervelden worden gerealiseerd is geen bebouwing aanwezig. De gronden zijn op dit moment in gebruik als landbouwgrond. De projectlocatie is gelegen aan de oostelijke zijde van de kern van Waardhuizen aan de N322. Op circa 700 meter ten oosten van de projectlocatie is het bedrijventerrein ‘De Rietdijk’ gelegen. Ten noorden van de projectlocatie (op circa 600 meter) ligt de kern van Uitwijk. In de directe omgeving van de projectlocatie liggen enkele woningen en verschillende landbouwgronden.
Afbeelding 2: Ligging projectlocatie
2.2. Beoogde situatie Zoals eerder beschreven zullen er in de beoogde situatie containervelden worden gerealiseerd op de projectlocatie. Dit wordt gedaan zodat initiatiefnemer zelf planten kan telen. Hierdoor is het bedrijf minder afhankelijk van leveranciers en kan het bedrijf beter voldoen aan de vraag van afnemers. In totaal zullen er 13 containervelden worden gerealiseerd met een gezamenlijke oppervlakte van 12.173m2. Ook wordt er een waterbassin gerealiseerd ten zuidwesten van de beoogde containervelden. Tussen de containervelden in zullen er betonpaden worden aangelegd. De totale oppervlakte van de betonpaden zal 3.952m2 bedragen. In onderstaande afbeelding (tevens toegevoegd als bijlage) is de beoogde situatie weergeven.
Pagina 6 van 32
Afbeelding 3: Beoogde situatie
Pagina 7 van 32
3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Gezien het initiatief dusdanig klein van aard is dat het geen invloed heeft op nationaal beleid, wordt dit beleidskader niet beschreven. 3.1. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.1.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:
‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:
‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. De hydrologische, aardkundige en archeologische waarden worden niet geschaad met de beoogde ontwikkeling. Daarnaast ontstaat door de realisatie van de containervelden een grotere diversiteit aan planten op de projectlocatie komen. Dit heeft een positief effect op de biodiversiteit.
3.1.2. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies.
Pagina 8 van 32
De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de projectlocatie ligt. In dit geval ligt de projectlocatie in de werkingsgebieden ‘Aardkundig waardevol gebied’, ‘Groenblauwe mantel’, ‘Landelijk gebied’ en ‘Beperkingen veehouderij’ zie Afbeelding 4.
Afbeelding 4: Uitsnede Kaartviewer Iov
De voorwaarden behorende bij deze aanduidingen zijn opgenomen in de volgende artikelen - 3.28 Aardkundige waarden - 3.32 Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel - 3.54 Grondgebonden teeltbedrijf in Landelijk gebied Hierna wordt achtereenvolgens aan de relevante artikelen van de Iov getoetst. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: - zorgvuldig ruimtegebruik; - de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; - meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6)
Pagina 9 van 32
Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Een bouwperceel betreft:
‘aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan;. De projectlocatie grenst direct aan een bouwvlak, op een locatie waar ook bouwwerken zijn toegestaan. Daarmee is de projectlocatie onderdeel van het bouwperceel. In de Iov is tevens het volgende opgenomen:
‘Een aspect van zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt dat gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen het bouwperceel. Het is niet wenselijk dat overal ‘los’ in het landelijk gebied dergelijke voorzieningen worden opgericht. Juist daarom kent de verordening het begrip bouwperceel. Dit biedt ruimte aan de gemeente om binnen een bouwperceel onderscheid te maken in bijvoorbeeld een gedeelte waar alleen bouwwerken zijn toegestaan, zoals permanente teeltondersteunende voorzieningen, en een gedeelte waar het bouwvlak ligt ten behoeve van het oprichten van gebouwen. Met name in de land- en tuinbouw of bij sommige recreatiebedrijven waar slechts op een beperkt deel van een bouwperceel gebouwen staan, is het gewenst of nodig onderscheid te maken.’ De containervelden en de betonpaden zullen binnen het bouwperceel worden gerealiseerd. In de Iov is benoemd dat het niet wenselijk is dat overal ‘los’ in het landelijk gebied dergelijke voorzieningen worden opgericht. Omdat de containervelden allemaal tegen elkaar liggen en ook tegen containervelden binnen het bouwvlak aan zijn gelegen is er geen sprake van los liggende voorzieningen. Daarbij biedt het begrip bouwperceel volgens de Iov juist ruimte aan gemeenten om permanent teeltondersteunende voorzieningen binnen een bouwperceel maar buiten een bouwvlak op te richten.
Omdat de teeltondersteunende voorziengingen binnen het bouwperceel worden gerealiseerd is er sprake van zorgvuldig ruimtegebruik zoals opgenomen binnen de Iov. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: - de ondergrond - de netwerklaag - de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting.
Pagina 10 van 32
Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van containervelden waarop planten kunnen worden geteeld. De beoogde ontwikkeling leidt tot economische voordelen voor initiatiefnemer maar ook tot de mogelijkheid om beter te kunnen voorzien in de behoefte van afnemers. Doordat initiatiefnemer zijn eigen geteelde planten kan verkopen, leidt dit ook tot een daling in vervoersbewegingen. Een groot deel van het assortiment wordt in de huidige situatie vanuit het buitenland ingekocht. Verder zullen er verschillende planten worden geteeld waardoor er ook een bijdrage wordt geleverd aan de biodiversiteit op de projectlocatie. Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a.
bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Altena is de Regeling Kwaliteitsverbetering van het landschap Altena 2019 d.d. 8 januari 2019 van toepassing. Hierin is de ontwikkeling niet benoemd. Wel is de volgende ontwikkeling aangemerkt als een categorie 2 ontwikkeling: ‘Teeltondersteunende kassen in gebieden waar teeltondersteunende kassen zijn toegestaan’. Met de beoogde ontwikkeling worden geen teeltondersteunende kassen maar containervelden gerealiseerd. Derhalve betreft de beoogde ontwikkeling een categorie 3 ontwikkeling. Om deze reden dient er een kwaliteitsberekening te worden uitgevoerd. Deze is toegevoegd als separate bijlage. Uit de berekening blijkt dat 20% van de waardevermeerdering van de gronden wordt geïnvesteerd. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd door de opname van een voorwaardelijke verplichting in het besluit van de omgevingsvergunning.
De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov. Artikel 3.28 Aardkundige waarden
Een bestemmingsplan van toepassing op Aardkundig waardevol gebied: a. is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken zoals beschreven in de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant;
Volgens de Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant ligt de projectlocatie in het rivierlandschap Alm. Dit betreft een Rivierlandschap met duidelijke stroomruggen (o.a. van de Alm) en tussenliggende lage komgrondgebieden. Te beschermen aardkundige waarden binnen dit gebied betreffen de stroomruggen, restgeulen, oeverwallen, kronkelwaardruggen en komgronden. Met de beoogde ontwikkeling worden er containervelden en een watersilo gerealiseerd op landbouwgronden. Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan de aardkundige waarden binnen het plangebied.
b. stelt regels ter bescherming van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. De geldende regels met betrekking tot de aardkundige waarden ter plaatsen zullen van toepassing blijven op de projectlocatie.
Pagina 11 van 32
Artikel 3.32 Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel
Lid 1: Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel: a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken;
Middels de landschappelijke inpassing in combinatie met een kwaliteitsberekening wordt een bijdrage geleverd aan de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de projectlocatie. Ook zullen er meerdere verschillende planten op de containervelden worden geteeld wat een positieve bijdrage levert aan de biodiversiteit, en daarmee de ecologische waarden, op de projectlocatie. Voor de beoogde ontwikkeling wordt tevens een watercompensatie gerealiseerd om het hemelwater dat op het verhard oppervlak valt te kunnen opvangen.
b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; De geldende regels met betrekking tot de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden ter plaatsen zullen van toepassing blijven op de projectlocatie.
c. borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Middels de landschappelijke inpassing gaat de ontwikkeling gepaard met een positieve bijdrage geleverd aan de ecologische en landschappelijke waarden binnen de projectlocatie.
Lid 2: De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een beschrijving van de aanwezige ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken.
In hoofdstuk 4 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing zal dieper worden ingegaan op de aanwezige ecologische waarden en kenmerken en de landschappelijke waarden en kenmerken. Artikel 3.54 Grondgebonden teeltbedrijf in Landelijk gebied
Lid 1: Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de ontwikkeling van een teeltbedrijf op een bestaand bouwperceel of in de uitbreiding van een bouwperceel waarbij: a. de bouw of uitbreiding van een teeltondersteunende kas is toegestaan tot ten hoogste 5.000 m2; Een kas maakt geen onderdeel uit van dit plan.
b. de bouw of uitvoering van permanente teeltondersteunende voorzieningen is toegestaan tot ten hoogste 3 hectare. Er wordt maar circa 1,6 hectare aan teeltondersteunende voorzieningen gerealiseerd met de beoogde ontwikkeling.
Lid 2: In afwijking van het eerste lid, onder b, kan een bestemmingsplan de bouw of uitvoering van meer dan 3 hectare permanente teeltondersteunende voorzieningen toelaten als: N.v.t.
Lid 3: In afwijking van artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik, eerste lid, onder c, kan een bestemmingsplan dat van toepassing is op Landelijk gebied voorzien in permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwperceel van het teeltbedrijf, als:
De teeltondersteunende voorzieningen worden gerealiseerd binnen het bouwperceel. Zie de eerdere toetsing aan artikel 3.6. Voor de volledigheid wordt echter wel getoetst aan de voorwaarden uit dit lid.
a. de voorzieningen geconcentreerd worden en aansluiten op een bouwperceel;
De voorzieningen worden geconcentreerd en ze sluiten aan op het bestaande bouwvlak.
b. dit past binnen het ontwikkelingsperspectief van het gebied, waarbij ook een mogelijke functie van het gebied voor klimaatadaptieve maatregelen is betrokken;
Pagina 12 van 32
In paragraaf 3.2 wordt ingegaan op het ontwikkelingsperspectief van het gebied zoals opgenomen in de structuurvisie. Met de beoogde ontwikkeling wordt een landschappelijke inpassing gerealiseerd. Dit kan worden gezien als een klimaatadaptieve maatregel.
c. is voldaan aan artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en
Eerder in onderhavige onderbouwing is getoetst aan artikel 3.9 van de Iov.
d. is voldaan aan de voorwaarden uit het eerste of tweede lid.
Er wordt voldaan aan de voorwaarden uit het eerste en tweede lid. Conclusie In deze paragraaf is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de regels zoals gesteld in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zoals blijkt uit deze ruimtelijke onderbouwing kan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden voor de beoogde ontwikkeling. 3.2. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke structuurvisie en het bestemmingsplan.
3.2.1. Structuurvisie
Op de projectlocatie is de structuurvisie ‘Land van Heusden en Altena, gemeente Woudrichem’ zoals vastgesteld op 25-06-2013 van toepassing. Volgens de illustratie bij de structuurvisie is de projectlocatie gelegen binnen de aanduiding ‘Primair agrarisch gebied’, zie Afbeelding 5. De projectlocatie is niet gelegen ter plaatse van de ecologische verbindingszone. De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van containervelden. Er zullen planten worden geteeld op de containervelden. Op dit moment wordt de projectlocatie gebruikt als agrarische landbouwgrond. De beoogde ontwikkeling heeft, naast het feit dat deze buiten de ecologische verbindingszone ligt, ook geen negatieve invloed op de ecologische verbindingszone. De projectlocatie is ook gelegen ter plaatse van het primair agrarisch gebied. In de structuurvisie is hier het volgende over opgenomen:
Het regionaal economisch belang van de landbouw is groot. In het primair agrarisch gebied willen de gemeenten de grondgebonden landbouw de ruimte kunnen bieden voor uitbreiding van de agrarische bedrijvigheid.
Onderhavig initiatief betreft een uitbreiding van een agrarisch bedrijf. Dit is dus passend binnen het primair agrarisch gebied.
Pagina 13 van 32
Afbeelding 5: Uitsnede illustratie structuurvisie
3.2.2. Omgevingsvisie Altena 2040
Op de projectlocatie ligt de structuurvisie ‘Omgevingsvisie Altena 2040’ ook ter ontwerp. Voor de volledigheid wordt ook hierop ingegaan. Volgens de omgevingsvisie ligt de projectlocatie in ‘Buitengebied’. De ambities binnen dit gebied hebben betrekking op de onderdelen groenblauwe oase, leefbare woonomgeving, klimaatbestendig, CO2neutraal en circulair en sterk in duurzaam ondernemen. De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van containervelden en een watersilo op bestaande landbouwgronden. De beoogde ontwikkeling zorgt ervoor dat de planteelt op de projectlocatie beter gecontroleerd kan worden. Met de beoogde ontwikkeling wordt een landschappelijke inpassing gerealiseerd. Dit heeft een positief effect op het onderdeel groenblauwe oase. Verder doet de beoogde ontwikkeling geen afbreuk aan de overige onderdelen. Het realiseren van containervelden en een watersilo heeft hier geen invloed op. Er wordt dus aangesloten bij de omgevingsvisie Altena 2040.
3.2.3. Bestemmingsplan
Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor de projectlocatie het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied’ met toepassing van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Woudrichem herziening 2018’ geldend. Hier zijn de volgende aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming: ‘Agrarisch met waarden’ - Dubbelbestemming: ‘Waarde – Archeologie 3’ - Gebiedsaanduiding: ‘wro-zone – aanlegvergunning groenblauwe mantel’ - Gebiedsaanduiding: ‘wro-zone – aanlegvergunning kleinschalig landschap’ - Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – aardkundig waardevol gebied’
Pagina 14 van 32
Afbeelding 6: Uitsnede ruimtelijkeplannen.nl
De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van teeltondersteunende voorzieningen (containervelden en watersilo) op de projectlocatie. Volgens het bestemmingsplan is de definitie van een teeltondersteunende voorziening:
1.139 teeltondersteunende voorzieningen: voorzieningen in, op of boven de grond, die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten worden gebruikt om de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden te laten plaatsvinden; te onderscheiden zijn de volgende categorieën: -
laag/ tijdelijk: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van maximaal 1,5 m, uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 6 maanden, bijvoorbeeld insectengaas, afdekfolies, acryldoek, lage tunnels; laag/ permanent: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van maximaal 1,5 m en met een permanent karakter, bijvoorbeeld containervelden; hoog/ tijdelijk: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van minimaal 1,5 m, uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 6 maanden, bijvoorbeeld menstoegankelijke wandelkappen en schaduwhallen; hoog/ permanent: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van minimaal 1,5 m en met een permanent karakter, bijvoorbeeld stellingenteelt (bakken in stellingen, regenkappen) en teeltondersteunende kassen; overige teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen anders dan de bovenstaande teeltondersteunende voorzieningen, bijvoorbeeld stellages met regenkappen bij de grondgebonden teelt van zachtfruit, boomteelthekken, hagelnetten en vraatnetten;
De beoogde containervelden worden niet hoger dan 1,5 meter en zijn niet tijdelijk. Het betreffen dus laag/ permanente teeltondersteunende voorzieningen. De watersilo zal 2 meter hoog worden en betreft een hoog/ permanente teeltondersteunende voorziening.
Pagina 15 van 32
In de bestemmingsomschrijving van hoofdstuk 5 ‘Agrarisch met waarden’ is het volgende opgenomen over teeltondersteunende voorzieningen:
K: Teeltondersteunende voorzieningen Voor teeltondersteunende voorzieningen gelden de volgende bepalingen: 1. teeltondersteunende kassen zijn niet toegestaan;
Er worden geen teeltondersteunende kassen gerealiseerd met de beoogde ontwikkeling.
2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - griendcultuur' zijn geen permanente teeltondersteunende voorzieningen toegestaan; de projectlocatie niet gelegen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - griendcultuur'.
3. tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen zijn zowel ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' als daar buiten toegestaan, met dien verstande dat tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen niet zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' en 'wetgevingszone wijzigingsgebied zoekgebied watersystemen'.
Er worden geen tijdelijke of overige teeltondersteunende voorzieningen gerealiseerd. Er worden laag- en hoog/ permanente teeltondersteunende voorzieningen gerealiseerd. Daarnaast ligt de projectlocatie niet binnen de aanduidingen 'wetgevingszone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' en 'wetgevingszone - wijzigingsgebied zoekgebied watersystemen'. Echter is de beoogde ontwikkeling niet in overeenstemming met artikel 5.1.2, lid b, onder 1 van het bestemmingsplan. Hierin is opgenomen dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding “bouwvlak” agrarische bedrijven zijn toegestaan. De containervelden worden buiten het bouwvlak gebouwd. Om deze reden is de beoogde ontwikkeling in strijd met het bestemmingsplan. Om deze reden wordt er een vergunningsaanvraag gedaan voor het handelen in strijd met de regels van een goede ruimtelijke ordening. In artikel 5.6.1 is het volgende opgenomen:
Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden) de in het schema onder 5.6.4 opgenomen omgevingsvergunningsplichtige werken en werkzaamheden uit te voeren. In het schema onder 5.6.4 is het volgende opgenomen over teeltondersteunende voorzieningen:
aanbrengen (tijdelijke) teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding: 'wetgevingszone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone', 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - natuurparel', 'wetgevingszone - groenblauwe mantel' en 'wetgevingszone - wijzigingsgebied zoekgebied watersystemen' met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - griendcultuur'; - de activiteiten zijn noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;
Er is een advies ABC advies aangevraagd bij de Agrarische Beoordelings Commissie. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering. Dit advies is toegevoegd als separate bijlage. -
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - natuurparel' mag het realiseren en toekomstig functioneren van de geprojecteerde ecologische hoofdstructuur niet worden geschaad;
Deze aanduiding is niet van toepassing op de projectlocatie -
ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' mag het realiseren en toekomstig functioneren van de geprojecteerde ecologische verbindingszone niet worden geschaad;
Pagina 16 van 32
-
ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied zoekgebied watersystemen' geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de mogelijkheid tot verwezenlijking, behoud en herstel van een natuurlijk watersysteem. Hiertoe vindt overleg plaats met het waterschap;
De projectlocatie is niet gelegen ter plaatse van de aanduidingen 'wetgevingszone wijzigingsgebied zoekgebied watersystemen' en 'wetgevingszone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone'. Echter zijn deze aanduiding wel gelegen op korte afstand van de projectlocatie. Ten noorden van de projectlocatie is een B-watergang gelegen welke fungeert als ecologische verbindingszone. In de huidige situatie wordt de projectlocatie gebruikt als landbouwgrond. Met de beoogde ontwikkeling zal er een containerveld gerealiseerd worden ten zuiden van voorgenoemde aanduidingen (dus niet binnen deze aanduidingen). De wijziging van landbouwgrond naar containerveld zal leiden tot een toename van oppervlakte verharding. Om het water dat op deze verharding zal vallen op een goede manier (gecontroleerd) op te slaan en te laten infiltreren/af te voeren, wordt er een waterwetvergunning aangevraagd. Op de projectlocatie zal een watercompensatie worden gerealiseerd die circa 800m3 water kan vasthouden. Ook wordt er een watersilo gerealiseerd die circa 200m3 water kan opslaan. Op deze manier zal er voldoende water kunnen worden opgeslagen op de projectlocatie waardoor de piekbelasting bij een regenbui niet wordt vergroot. Voor het overige heeft de ontwikkeling geen invloed op de aanwezige waarden en functies op en nabij de projectlocatie.
Er zullen dus geen waarden of functies worden aangetast of geschaad met de beoogde ontwikkeling. De watercompensatie wordt gerealiseerd ten noorden van de containervelden door de bestaande watergang te verbreden. Het gedeelte dat verbreed wordt, wordt 30 centimeter diep. -
ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - groenblauwe mantel' mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van onderkende ecologische en landschappelijke waarden;
Op dit moment worden de gronden gebruikt als landbouwgronden. Met de beoogde ontwikkeling worden er containervelden en een watersilo gerealiseerd. De projectlocatie zal in de beoogde situatie nog steeds worden gebruikt voor de teelt van planten. De enige verandering betreft de teeltwijze. Omdat gebruik wordt gemaakt van een containerveld vindt er een toename van het verhard oppervlak plaats. Om deze reden zal er een watercompensatie worden gerealiseerd. Het water dat op het verhard oppervlak valt zal worden opgeslagen en het water dat niet vervuild is met bemestings- of gewasbeschermingsmiddelen zal via een watercompensatie kunnen infiltreren in de gronden/worden afgevoerd. Het hemelwater dat wel vervuild is met beschermings- of bemestingsmiddelen (de first flush) zal worden opgeslagen in een waterbassin. Waarna het als beregeningswater op de containervelden wordt gebruikt. Met betrekking tot de ecologische en landschappelijke waarden zullen er verder geen veranderingen plaatsvinden met de beoogde ontwikkeling. De ecologische en landschappelijke waarden zullen dan ook niet worden geschaad. Daarbij wordt vermeld dat er zelfs een bijdrage aan de landschappelijke waarden wordt geleverd doormiddel van een landschappelijk inpassingsplan.
Pagina 17 van 32
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden alle relevante aspecten beschreven. 4.1. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie. Waterrelevant beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt.
Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven.
4.1.1. Provincie
Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.
Pagina 18 van 32
Afbeelding 7: Uitsnede 'Instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging’ (projectlocatie aangegeven met roze plus)
In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor waterschappen. Op de kaart behorende bij deze instructieregels ligt de projectlocatie niet in een beschermd gebied. De wijze waarop de provincie omgaat met water is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP is op 22 december 2021 inwerking getreden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050 en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het water- en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het moet worden gewijzigd; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem.
Doel van RWP: - Voldoende water - Schoon water - Veilig water - Vitale bodem - Klimaatadaptatie Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in haar RWP stelt. De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend.
Pagina 19 van 32
4.1.2. Waterschap Rivierenland
Waterschap Rivierenland is de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van grond- en oppervlaktewater op de projectlocatie. Conform artikel 3.4 van de Keur van het waterschap Rivierenland, is het verboden om zonder een waterwetvergunning neerslag door nieuw verhard oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktelichaam te laten komen. Met de beoogde ontwikkeling wordt een oppervlakte van 16.172m2 verhard. Er moet dus getoetst worden aan de beleidsregels behorende bij de Keur van waterschap Rivierenland. conform beleidsregel 5.16 van de Keur van Waterschap Rivierenland is het afvoeren van hemelwater door toename van verhard oppervlak niet toegestaan zonder Waterwetvergunning. Er dient daarom een vergunning te worden aangevraagd in het kader van de Waterwet. Er is separaat aan deze vergunningsaanvraag ook een vergunning in het kader van de Waterwet aangevraagd. In de notitie bij deze vergunningsaanvraag is een watertoets uitgevoerd. De notitie behorende bij de aanvraag van de waterwetvergunning is toegevoegd als separate bijlage bij onderhavige vergunningsaanvraag. In deze notitie is de huidige waterhuishoudkundige situatie beschreven ten opzichte van de beoogde waterhuishoudkundige situatie. Ook het besluit op de vergunningsaanvraag is toegevoegd als separate bijlage. Met betrekking tot het aspect water zijn er verder geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. 4.2.
Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.2.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren.
Pagina 20 van 32
De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de projectlocatie geen NNB aanwezig, zie onderstaande afbeelding. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden. Ook wordt door de aanleg van de watercompensatie (van 30 centimeter diep) aan de noordelijk zijde het watersysteem aan de noordelijke zijde verbreed. Dit draagt bij aan het behoud van het watersysteem.
Afbeelding 8: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov
4.2.2. Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem, Biesbosch en Langstraat. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer
Pagina 21 van 32
en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem, dat op een afstand van circa 800 meter ligt. De beoogde ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt is middels het rekenprogramma AERIUS een berekening gemaakt van de beoogde bedrijfsopzet. Uit de AERIUS-berekening, die is bijgevoegd als separate bijlage, blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daarom geen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof uit de lucht.
Overige storingsfactoren Vanwege de ruime afstand van de projectlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Conclusie
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.
Pagina 22 van 32
In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Stenenheul 2a, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te realiseren containervelden, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verstoren van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan.
Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Echter sluit bovenstaande de aanwezigheid van beschermde soorten niet uit. Om deze reden is er een ecologische QuickScan uitgevoerd. Deze QuickScan is toegevoegd als separate bijlage. Uit de QuickScan is naar voren gekomen dat bij de uitvoering van voorgenomen activiteiten geen onevenredig negatief effect uitgeoefend wordt op de in de zoals in de Wet natuurbescherming omschreven beschermde Flora en Fauna op de projectlocatie en directe omgeving. Er behoeft geen aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Een ontheffing noodzakelijk bij een negatief effect op beschermde soorten is niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Binnen de projectlocatie is hier geen sprake van. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.3.
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.3.1. Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie in gebied ligt met aardkundige waarden, zie onderstaande afbeelding.
Pagina 23 van 32
Afbeelding 9: Uitsnede kaart: ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’
Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie niet gelegen is binnen een cultuurhistorisch waardevol gebied. Wel zijn er enkele waardevolle lijnen in de directe omgeving van de projectlocatie gelegen, zie onderstaande afbeelding.
Afbeelding 10: Uitsnede kaart: ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’
Pagina 24 van 32
De beoogde ontwikkeling ligt dus in een aardkundig waardevol gebied en ligt rondom cultuurhistorisch waardevolle lijnen. Volgens de Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant ligt de projectlocatie in het rivierlandschap Alm. Dit betreft een Rivierlandschap met duidelijke stroomruggen (o.a. van de Alm) en tussenliggende lage komgrondgebieden. Te beschermen aardkundige waarden binnen dit gebied betreffen de stroomruggen, restgeulen, oeverwallen, kronkelwaardruggen en komgronden. Met de beoogde ontwikkeling worden er containervelden en een watersilo gerealiseerd op landbouwgronden. Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan de aardkundige waarden binnen het plangebied. De cultuurhistorisch waardevolle lijnen zijn gesitueerd aan de westelijke zijde van de projectlocatie aan de Hoge Oldersdijk en de Waardhuizen. Ook is een waardevolle lijn ten noordoosten van de projectlocatie aan de Giessensesteeg gelegen. Vanuit de Hoge Oldersdijk en de Waardhuizen is de projectlocatie nauwelijks zichtbaar door de bebouwing en bomen aan de Hoge Oldersdijk. Ook het struweel van de lansschappelijke inpassing (van 80 tot 100 cm hoog) zal ervoor zorgen dat de containervelden niet in het zicht komen vanuit deze waardevolle lijn.
Vanaf de Giessensesteeg zullen de containervelden ook nauwelijks zichtbaar zijn door de heg die is gelegen aan de noordelijke zijde van de projectlocatie, zie onderstaande afbeelding. De containervelden zullen bovenop de bestaande gronden worden gerealiseerd. Hierdoor liggen de containervelden circa 10 centimeter hoger dan de huidige gronden. De containervelden zullen de cultuurhistorisch waardevolle zichtlijnen dus niet beperken en de containervelden zullen nauwelijks zichtbaar zijn vanaf de cultuurhistorisch waardevolle lijnen. De watersilo wordt ten zuidwesten van de containervelden gesitueerd, in de buurt van de bestaande bebouwing en landschappelijke inpassing. Het struweel van de landschappelijke inpassing zal slechts 80 tot 100 centimeter hoog worden en de aan te planten bomen zullen zo geplaatst worden dat er ruimte tussen de bomen blijft zodat de zichtlijnen zoveel mogelijk behouden blijven.
Afbeelding 11: Zicht op projectlocatie vanaf de Giessensesteeg
4.3.2. Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw en aanleggen in het bestemmingsplan. Per 7 februari 2023 is het bestemmingsplan: ‘Paraplubestemmingsplan archeologie’ van de gemeente Altena vastgesteld. Dit plan is vigerend voor