beantwoording toezegging Wonen - Vab beleid december 2017
Tekst van het document
30
Opmerkingen bij dit voorstel:
0
In de actuele regelgeving is nagenoeg geen bedrijfsaanpassing - of ontwikkeling meer mogelijk; onderscheid in soort ontwikkeling is hier op zijn plaats; kleine uitbreidingen aanpassingen zouden in onze visie wel mogelijk moeten zijn/blijven. In geval grotere of niet inpasbare uitbreidingsplannen voor de directe omgeving zou verplaatsing naar het buitengebied een optie zijn. Bedrijven die verplaatsen moeten in het buitengebied niet opnieuw geconfronteerd worden met beperkingen voor hun toekomstige bedrijfsontwikkeling in de omgeving doordat bijvoorbeeld een naastliggende VAB locatie een nieuwe bestemming krijgt.
ZLTO pleit er voor om een regeling op te stellen voor veehouderij bedrijven die tegen de planologische grenzen van de Verordening Ruimte aanlopen, zoals bijvoorbeeld de maximaal 1,5 ha voor de veehouderij. Door elders oppervlakte VAB te slopen en deze oppervlakte aan het eigen bouwblok te plakken kan er voor deze bedrijven extra ontwikkelruimte gecreëerd worden. Onderzocht moet worden hoe dit instrument kan worden ingezet waarbij ook het kostenvraagstuk aan de orde moet komen. Wanneer de sector bijdraagt aan het oplossen van VAB-probleemlocaties zou hier een soepeler vergunning traject voor bedrijfsontwikkeling tegenover moeten staan of medewerking voor een groter bouwblokoppervlak dan nu is toegestaan in de dierlijke sector (mede bezien vanuit ontwikkelingsvraagstuk als bijv. mestverwerking op eigen locatie of landschappelijke inpassing van het bedrijf). Vraag; hoe gaan onze gemeentes MKB, kantoor - en bedrijfsruimtes,
in andere sectoren hier mee om zoals onderwijs etc. ?
Nieuwe economische activiteiten kunnen al dan niet gekoppeld zijn aan een agrarische bedrijfsvoering. Ze worden bestemd als nieuwe zelfstandige hoofdactiviteit, of ze worden middels een omgevingsvergunning toegestaan als nevenactiviteit bij een bestaand agrarisch productiebedrijf. Tot die laatste categorie moeten ook de agrarische be- en verwerkingen gerekend worden die weer teruggehaald worden uit de keten naar het agrarische bedrijf, zoals drogen, sorteren, verpakken, transport en mestbewerking, energie. We verwachten dat op veel agrarische bedrijven dit soort activiteiten toeneemt. Daar moet ook ruimte voor zijn. Op den duur bestaat de kans dat deze activiteiten zo succesvol zijn en zelfstandig zonder agrarische activiteiten worden voortgezet. Wij vinden dat op dat moment dezelfde toets plaats moet vinden als bij een VAB. Houdt een omgevingsdialoog en beoordeel of de zelfstandige activiteiten past bij de agrarische activiteiten in de omgeving. Wanneer desondanks VAB's door leegstand verpauperen, gaat dit ten koste van de uitstraling en netheid van het totale buitengebied. Sloop van bebouwing middels een lokale- of provinciale regeling kan in sommige gevallen een reële optie zijn naast hergebruik. Met name wanneer er zich voor langere tijd geen geïnteresseerde kopers melden. We pleiten dan ook voor nieuwe sloopregelingen.
Het kan gaan om subsidies maar ook om regelingen waar sloop een tegenprestatie is voor extra ontwikkelruimte of het zetten van nieuwe woningen in de linten of de kernen.
Samenvattend: ZLTO staat open voor nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied mits zij de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de blijvende agrariërs niet belemmeren. Bovendien; wanneer de sector een bijdrage kan leveren aan het oplossen van een VAB vraagstuk moet de gemeente en provincie de betreffende agrarisch ondernemer ook faciliteren in zijn bedrijfsontwikkelingsplannen.
31
mSÊt
Bijlage 3 P l a t t e l a n d s w o n i n g De Wet Plattelandswoningen is op 1 januari 2013 in werking getreden. De Wet Plattelandswoningen bevat een regeling voor veehouderijen die niet gestopt zijn, maar waarvan de woning qua gebruik wordt afgesplitst (plattelandswoning). Het gaat om de bescherming tegen geur van de voormalige eigen veehouderij. De oplossing van de problematiek rond de plattelandswoningen is voor een belangrijk deel gezocht in aanpassing van wet- en regelgeving op het terrein van milieu. De Wet Plattelandswoningen voegt een nieuw artikel 1.1a toe aan de Wabo en een nieuw derde lid aan artikel 2 Wgv. Door deze aanpassingen is een afgesplitste burgerbewoning geen belemmering meer voor de bedrijfsvoering van de eigen veehouderij, waartoe de woning behoorde. Deze (voormalige) bedrijfswoning bij een veehouderij, die door een derde bewoond mag worden, wordt voortaan gezien als onderdeel van de inrichting. Dat betekent dus voor deze (voormalige) bedrijfswoning geen bescherming tegen de geur van de eigen (voormalige) stallen. De nieuwe regelgeving heeft alleen betrekking op afgesplitste bedrijfswoningen en het voormalige bedrijf waar deze woning toe behoorde. In andere gevallen blijft de huidige milieu wet- en regelgeving van kracht. De gemeente moet verder de woning wel bestemmen als plattelandswoning in het bestemmingsplan.
De volgende situaties kunnen zich voordoen: De voormalige agrariër verkoopt enkel de bedrijfsgebouwen en blijf zelf in de enige bedrijfswoning als rustende agrariër (dan als burger) wonen De voormalige agrariër heeft in beginsel twee bedrijfswoningen en verkoopt de bedrijfsgebouwen en de eerste bedrijfswoning en blijft zelf in de tweede bedrijfswoning als rustende agrariër (dan als burger) wonen De rustende agrariër verkoopt vervolgens de nog agrarisch bestemde woning door aan een willekeurige derde. In de notitie kwaliteitsverbetering landschap West-Brabant valt het omzetten van een bedrijfswoning naar een plattelandswoning onder Categorie 1, ruimtelijke ontwikkelingen m e t nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist. Het betreft het specifieke geval - een vrijkomende agrarische bedrijfswoning welke wordt aangemerkt als "plattelandswoning". Dat betekent dat er geen extra kwaliteitsverbetering nodig is. Aan de volgende voorwaarden moet voldaan worden: a. de woning ligt in een agrarisch bouwvlak. b. het agrarisch bedrijf binnen het agrarisch bouwvlak is in werking. c. de plattelandswoning belemmert geen andere activiteiten in de omgeving. d. de aanduiding 'specifieke vorm van wonen- plattelandswoning" wordt opgenomen op de verbeelding voor de betreffende plattelandswoning. e.
de oprichting van een extra bedrijfswoning ter plaatse van een aangeduide plattelandswoning wordt niet toegestaan. f. Er dient een planschade overeenkomst te worden afgesloten. g. De luchtkwaliteit ter plaatse dient beoordeeld te worden en mag geen belemmering vormen voor de uitbreidingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf (uitspraak RvS 4 februari 2015) h. Toestemming van beide partijen is nodig. De regeling geldt n i e t voor: 1. 2. 3.
Woningen binnen de bestemming Wonen. Voormalige bedrijfswoningen bij een gestopt agrarisch bedrijf . Een bedrijfswoning bij niet agrarische bedrijven.
33
i
• Vi
Bijlage 4 cijfers Brabantse Aanpak Leegstand
Agrariadw gebouwen 2 0 1 2
•
*jo
•
9,01 U^Or»,
ipcn.
•
11,01 u.oont
•
u oi
•
IJ»X
IJ,JI 17»%
Leegstand Agrarif<he
&ebou>
O 10 000
•
10.001 30 OOO
•
60JI01
• •
10.001 • 10 100.001 1
Ot Dl
ndicane *egs»3i>d m m ogri3riic*ie g e b o w e n 2 0 ! ! ;
40.001
35
Leegstand A g r a r i s c h e B e b o u w i n g
toename leegstond m- o<
36
Bijlage 5 V o o r s t e l s l o o p / b o n u s r e g e l i n g v o o r het buitengebied v o o r omzetten naar bestemming Wonen Standaardregeling voor omzetten Agrarische bestemming of voormalige agrarische bestemming naar bestemming Wonen in het buitengebied zonder landschappelijke inpassing of andere vorm van tegenprestatie: 1. 2. 3. 4.
Het bestemmingsvlak (vlak op de verbeelding met dezelfde bestemming) Wonen wordt maximaal 1.500 m 2 ; Inhoud woning is maximaal 750 m 3 ; Er mag maximaal 200 m2 aan bestaande bijbehorende bijgebouwen worden behouden; Overige overtollige bebouwing dient te worden gesloopt.
In afwijking van de standaardregeling kan worden toegestaan dat een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken kan worden toegestaan of een groter bestemmingvlak word toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1.
Een goede landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd op basis van een goedgekeurd landschapsplan, waarbij de uitvoering en het beheer wordt gewaarborgd; 2. Per 1 m2 te slopen gebouwen mag 1 m2 worden gehandhaafd met een maximum van 500m2 aan bestaande bijbehorende gebouwen; 3. Bij een groter bestemmingvlak( vlak op de verbeelding met dezelfde bestemming) Wonen kan een bestemmingsvlak tot maximaal 5.000m2 worden toegestaan; 4. De overige bijbehorende bouwwerken dienen te worden gesloopt; 5. Er moet een motivatie worden aangeleverd waaruit blijkt dat de te behouden bijbehorende bouwwerken niet vallen onder de definitie van "overtollige bebouwing"; 6. Uitsluitend legaal gebouwde en nog bestaande bouwwerken komen in aanmerking voor deze regeling. Bijbehorende bouwwerken die op het moment van indienen van het verzoek reeds gesloopt zijn, worden niet meegenomen; 7. De te slopen bijbehorende bouwwerken mogen niet onder een andere regeling of verzoek vallen; 8. Bij monumentale panden is een positief advies van de monumentencommissie noodzakelijk; 9. Alle aan de te slopen bijbehorende bouwwerken verbonden of onderdeel hiervan uitmakende bouwwerken en onderdelen, zoals aanbouwen, overkappingen en bijbehorende ondergrondse (kelder) ruimten alsmede voederplaten, silo's, overtollige erfverharding e.d. dienen gesloopt te worden; 10.
Inpandige stalgedeeltes binnen het boerderijlichaam van een langgevelboerderij die niet ruimtelijk te onderscheiden zijn worden buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van de oppervlakte aan aanwezige bijbehorende bouwwerken. Aan het boerderijlichaam aangebouwde stalgedeeltes die ruimtelijk wel duidelijk te onderscheiden zijn, worden wel meegerekend bij het bepalen van de oppervlakte aan aanwezige bijbehorende bouwwerken; 1 1 . Alleen bovengrondse bijbehorende bouwwerken worden meegerekend; 12. Aan de omgevingsvergunning voor bouwen wordt de voorwaarde verbonden dat pas met de bouw gestart mag worden als sloop overtollige bebouwing heeft plaatsgevonden.
37
3f
Bijlage 6
Verordening ruimte provincie Mogelijkheden hergebruik Wonen, artikel
7.7
Niet agrarische functies (bedrijven) , artikel 7.10
Agrarisch technische hulpbedrijf en aanverwant bedrijf, artikel 7.11 Recreatieve bedrijven, artikel 7.13 Horeca en maatschappelijke voorzieningen, artikel 7.14 Tuincentra, artikel 7.15
Voorwaarden > Voormalige bedrijfswoning wordt burgerwoning > Geen toevoeging woningen > Geen splitsing in meerdere woonfuncties, tenzij het cultuurhistorische waardevolle bebouwing betreft > Bouwperceel maximaal 1.500 m2 > Maximaal 200 m2 aan bijgebouwen > Maximaal 500 m2 bij kwaliteitsverbetering landschap > Bouwperceel maximaal 5.000 m2 > Milieucategorie 1 en 2 > Geen zelfstandige kantoorvoorziening of zelfstandige detailhandel > Maximaal één bedrijf > Sloop overtollige bebouwing > Geen grootschalige ontwikkeling Zie 7.10, afwijking : bouwperceel maximaal 1,5 hectare
Wensen/uitbreidingen > Woningsplitsing ook toestaan bij niet cultuurhistorische bebouwing indien 2 volwaardige woningen ontstaan > Grotere oppervlakte bijgebouwen toestaan, mits wel kwaliteitsslag wordt gemaakt > Toevoeging woning bij sloop opstallen (soort ruimte voor ruimte)
Zie 7.10, maximaal milieucategorie 3, geen maat bouwperceel, geen grootschalige voorziening Zie 7.10, bouwperceel maximaal 1,5 hectare en maximaal milieucategorie 3
Passend
> >
Passend
>
Alleen in kernrandzone Geen oneigenlijke detailhandel Beperkte publieksaantrekkende werking
>
>
>
> >
Groter oppervlak bouwperceel bij bestaand groot bouwvlak Milieucategorie 3 indien dit past in omgeving Combinatie van functies moet mogelijk zijn Herbouw opstallen Milieucategorie 3
Passend
39
Ai
M *Jk£m