Bundel PM 8 juli
Tekst van het document
Voor de bestaande inrichtingen is het uitgangpunt dat de geluidbelasting op de bestaande woningen aan de zuidkant van het project maatgevend is. In overleg met de gemeente en de omgevingsdienst is de geluidbelasting ten gevolge van de horecagelegenheden aan het stationsplein en de nabije supermarkten en winkels daarom bij dit geluidsonderzoek buiten beschouwing gebleven.
Luchtkwaliteit
In Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer worden normen gesteld aan de luchtkwaliteit wat betreft een zestal stoffen. Voor de normen voor zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen en lood geldt dat overschrijding daarvan in Nederland nauwelijks valt te verwachten. Binnen Almere zijn er op dit moment geen locaties waar luchtkwaliteitsnormen worden overschreden. Voor het plangebied zijn wat dat betreft geen problemen te verwachten. In de Wet milieubeheer is een koppeling gelegd met ruimtelijke plannen. Deze koppeling houdt in dat bij het voorbereiden van ruimtelijke plannen de gevolgen voor de luchtkwaliteit moeten worden onderzocht. De gevolgen hangen direct samen met de eventuele verkeersaantrekkende werking van het plan ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Het project kan doorgang vinden indien de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van het project per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft of niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in een grenswaarde is opgenomen.
Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. ‘Niet in betekende mate’ is sinds de inwerkingtreding van het nationaal samenwerkingsprogramma
26
luchtkwaliteit (NSL) gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Een project is nog NIBM indien het de bouw van 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoren betreft.
In dit geval worden 67 woningen gerealiseerd, ter vervanging van 5.357 m2 bvo kantoren. Het oppervlak detailhandel/horeca neemt af. Het project draagt dan ook zonder ‘niet in betekenende mate bij’. Er is daarom geen nader onderzoek nodig.
Externe veiligheid
Algemeen
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die burgers lopen vanwege gebruik, opslag en transport (weg, water, spoor en buisleidingen) van gevaarlijke grondstoffen zoals vuurwerk, LPG en benzine. De term externe veiligheid wordt gehanteerd, omdat het risico van derden (de omgeving) hierin centraal staat. Om individuele burgers tegen de risico's van het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen te beschermen geldt er een wettelijk basisbeschermingsniveau. Deze is weergegeven in het plaatsgebonden risico (PR), waarbij als grenswaarde geldt dat de kans dat iemand op een bepaalde plek overlijdt door een ongeval met een gevaarlijke stof niet groter mag zijn dan één op de miljoen per jaar. Naast de bescherming van het individu moet de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers worden afgewogen en verantwoord; het groepsrisico (GR). Deze verantwoordingsplicht houdt in, dat de wijziging van het GR ten gevolge van een ruimtelijk plan moet worden onderbouwd én verantwoord inclusief de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid van personen. Hierbij is de oriëntatiewaarde van belang voor (het bepalen van) de omvang van het GR.
In het kader van het ter plaatse geldende bestemmingsplan is de externe veiligheid onderzocht. Hierbij wordt het volgende geconcludeerd:
Inrichtingen:
In en rond de projectlocatie zijn geen risicovolle inrichtingen en/of overige inrichtingen aanwezig waarvoor vaste afstanden gelden of waarvoor ten aanzien van het niveau van het plaatsgebonden risico grens- en/of richtwaarden van 10-6/jaar gelden. Ook liggen nabij de projectlocatie geen inrichtingen die onder het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim) met bijbehorende veiligheidsafstanden vallen.
Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden ter plaatse van beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten en daarmee aan het wettelijk vereiste beschermingsniveau voor burgers. De verantwoording groepsrisico en hulpverlening is niet van toepassing.
Transport:
- Flevolijn (spoorlijn Weesp-Zwolle) Het project bevindt zich direct naast de Flevolijn. Over de Flevolijn vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. De spoorlijn is als traject 40010 opgenomen in de Circulaire Risiconormering vervoer
27
gevaarlijke stoffen. Conform het Besluit transportroutes externe veiligheid (verder Btev) moet het groepsrisico worden verantwoord indien het project waarop het ruimtelijk besluit betrekking heeft binnen 200 meter van de transportroute ligt. Dat is hier het geval.
- Rijksweg A6 Op een afstand van rond 2,5 km ligt de A6. De A6 heeft volgens de Regeling Basisnet een veiligheidsafstand van ‘0 m’. Dit betekent dat het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer bedraagt dan 10-6 per jaar. Verder heeft deze weg geen plasbrandaandachtsgebied. Het plangebied ligt buiten de hiervoor genoemde 200 meter van deze transportroute, zodat de verantwoording groepsrisico niet van toepassing is.
Buisleidingen:
Er liggen geen buisleidingen nabij de projectlocatie. De verantwoording groepsrisico en hulpverlening is niet van toepassing.
Onderzoek
Door ingenieursbureau vb&t Brandveiligheid & Milieu B.V. is onderzoek uitgevoerd ten aanzien van de externe veiligheid me betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen (zie bijlage 2A t/m 2D).
Uit de rapportages blijkt dat door de transformatie de groepssamenstelling niet verandert. Het groepsrisico blijft hetzelfde. Het groepsrisico hoeft daarom niet verder onderzocht te worden.
De wens van de gemeente Almere is bij deze transformatie een hoger niveau brandveiligheid te verkrijgen dan het rechtens Verkregen niveau, dit door extra maatregelen te treffen voor de veiligheid van de bewoners van beide nieuwe wooncomplexen.
Ten aanzien van de mogelijk effecten is het volgende geconcludeerd: Gifwolk Bij een gifwolk op het station zal er een gifwolk over het pand trekken. Voor de bescherming van personen in beide objecten wordt de mechanische ventilatie uitgeschakeld. Plasbrand Bij een plasbrand op het station zal er alleen een hittestraling aanwezig zijn op gevel C van wooncomplex B welke hoger is dan gewenst. Deze gevel dient dan ook te worden voorzien van een Brandwerendheid van 30 minuten, zowel wanden als ramen. De vluchtroutes zijn zo gecreëerd dat de mensen van het spoor af vluchten.
28
De te nemen maatregelen zijn opgesomd per uitgewerkt Brandscenario (dubbeling is mogelijk):
Motivering
Het bestemmingsplan stelt als voorwaarde aan de realisatie van woningen op deze locatie:
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken (…) in die zin dat de vestiging van een kwetsbaar object of een beperkt kwetsbaar object wordt toegestaan, mits: 1. er sprake is van een aantoonbare behoefte vanuit de in de bestemming toegelaten functies om de bouw of vestiging van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object mogelijk te maken binnen een plasbrandaandachtsgebied; 2. er rekening is gehouden met de mogelijkheden om het object buiten het plasbrandaandachtsgebied te vestigen; 3. de bestrijdbaarheid van een plasbrand voldoende is gemotiveerd (hulpverlening en zelfredzaamheid mede in relatie tot effectreducerende maatregelen of brandvertragende maatregelen aan het gebouw).
Ad 1: In paragraaf 3.2 onder het kopje behoefte’ is hierop al uitgebreid ingegaan. Daaruit blijkt dat er sprake is van een aantoonbare behoefte.
Ad 2: De te transformeren bebouwing bestaat momenteel uit leegstaande kantoren. Deze bevinden zich binnen het plasbrandaandachtsgebied. De locatie is een gegeven, de transformatie kan niet buiten het plasbrandaandachtsgebied plaatsvinden.
Ad 3: De onder 3 genoemde motivering is opgenomen in de bijlage 2A ‘Project 20.002 Overzicht Rapporten Externe Veiligheid’ van ingenieursbureau vb&t Brandveiligheid & Milieu B.V.
29
Advies Brandweer Flevoland
Het project zal worden voorgelegd aan de Brandweer Flevoland voor advies. Het advies zal na ontvangst in voorliggende tekst verwerkt worden.
Conclusie
De effecten ten aanzien van de externe veiligheid zijn in de als bijlagen 2A t./m 2D bijgevoegde rapportages afdoende in beeld gebracht en de te nemen maatregelen zijn bepaald. Uit de rapportage blijkt dat door de transformatie de groepssamenstelling niet verandert. Het groepsrisico blijft hetzelfde. Het groepsrisico hoeft daarom niet verder onderzocht te worden.
4.2. Verkeer en parkeren
Het geldend bestemmingsplan voorziet ter plaatse in een kantoorfunctie. De vervanging door woningen leidt tot een enigszins andere verkeersgeneratie en parkeerbehoefte. De ligging naast het station en de parkeerregulering maken dat het autobezit en -gebruik van toekomstige bewoners van de nieuwe woningen relatief laag zal zijn.
Van maandag t/m zaterdag van 07.00 - 24.00 uur en op zondag van 12.00 - 24.00 uur is het betaald parkeren in het centrum. Ook op alle feestdagen gelden deze parkeertijden. Bewoners in een betaaldparkeergebied kunnen een parkeervergunning aanvragen voor hun auto(‘s).
Verkeersgeneratie
De wegenstructuur in Almere is dusdanig opgebouwd dat vanaf de snelweg (A6) de stad wordt ontsloten via dreven met aan de buitenkant ringwegen. De dreven ontsluiten op hun beurt de verschillende wijken (ontsluitingswegen). Binnen de wijken kennen we buurt- en woonstraten (erftoegangswegen). Het project is gesitueerd nabij de Cinemadreef. De Cinemadreef grenst aan de Veluwedreef (S103) die op haar beurt weer aan de A6 grenst. De bovengenoemde wegen kunnen veel verkeer verwerken.
Op 23 juni 2020 heeft verkeersadviesbureau Goudappel Coffeng de notitie ‘Verkeersgeneratie herontwikkeling station offices Almere’ uitgebracht (zie bijlage 3). Daaruit blijkt dat de verkeersgeneratie in de plansituatie nauwelijks hoger zal zijn dan in de huidige situatie. Het planeffect zal qua verkeersdruk nauwelijks waarneembaar zijn.
Parkeerbalans
De Gemeente heeft de parkeerbalans opgesteld op basis van de van toepassing zijnde normen. Deze balans is als bijlage 4 aan deze Ruimtelijke Onderbouwing toegevoegd. Daarin is rekening gehouden met aanwezigheidspercentages en dubbelgebruik. Uit de parkeerbalans blijkt dat op het maatgevende moment van het gehele centrum, de zaterdagmiddag, 33 parkeerplaatsen meer nodig zijn voor de ontwikkeling van blok A en B samen ten opzicht van de bestaande situatie.
30
Er bevinden zich enkele parkeergarages nabij de projectlocatie. De bewoners kunnen parkeren in de gemeentelijke Metropolegarage en de Schoutgarage. Per woning kan 1 parkeerabonnement worden afgesloten conform het gemeentelijke beleid. Kroonenberg Groep zal conform het bepaalde in de anterieure overeenkomst een financiële bijdrage hiertoe doen.
Op basis van de parkeerbalans wordt geconcludeerd dat de aanvullende benodigde parkeercapaciteit beschikbaar is in de voorgenoemde gemeentelijke garages.
4.3. Waterparagraaf
4.3.1. Beleidskader
Waterbeheerplan Zuiderzeeland 2016 - 2021
Waterschap Zuiderzeeland heeft voor de periode het Waterbeheerplan 2016-2021 opgesteld. Hierin staan de doelen en maatregelen die worden genomen voor de waterveiligheid, voldoende water en voor schoon water. Vanuit Waterschap Zuiderzeeland is het wenselijk om water vast te houden. Hierbij moet worden gezocht in het onderdeel van de trits vasthouden-bergen-afvoeren. Waarbij zoveel mogelijk water wordt vastgehouden en geborgen op de planlocatie. Om wateroverlast in stedelijk gebied te voorkomen hanteert het waterschap bij stedelijke uitbreiding in zijn watertoets een compensatieverplichting.
Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017
Op grond van de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017 (Artikel 4.3.A Toename verharding) is het verboden zonder watervergunning van het college door aanleg van nieuw verhard oppervlak neerslag versneld tot afvoer te laten komen, in het geval van een toename van verharding in stedelijk gebied van 750 m2 of meer.
De onderhavige omgevingsvergunning heeft voornamelijk betrekking op het wijzigen van gebruik en vergroting van de bestaande bouwhoogte. Het bebouwd oppervlak neemt toe met slechts 203 m2, verdeeld over drie locaties waar nu al verharding is. Verlening van deze omgevingsvergunning leidt niet tot toename van de verharding en heeft geen effect op de waterhuishouding.
4.3.2. Inleiding watertoets
Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan.
31
De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterschapsbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig. De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water. Van streefbeeld naar randvoorwaarde vindt u het uitgangspunt, dat het vertrekpunt vormt bij de verwezenlijking van het streefbeeld. U krijgt op deze manier een goed overzicht van de randvoorwaarden en kan eveneens herleiden waarop deze gebaseerd zijn.
4.3.3. Thema Veiligheid
Het plan ligt niet buitendijks of in de beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.
4.3.4. Thema Voldoende water
Wateroverlast
Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen.
Uitgangspunt wateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast.
Goed functionerend watersysteem
Streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties.
32
Randvoorwaarde(n) goed functionerend watersysteem Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. De planontwikkeling leidt niet tot nieuwe peilvakken. De planontwikkeling heeft geen gevolgen heeft voor het streefpeil van het oppervlakte water in of in de omgeving van het plangebied. Het functioneren van het huidige watersysteem, (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal door de planuitvoering niet verslechteren.
Anticiperen op watertekort
Streefbeeld Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen.
4.3.5. Thema Schoon Water
Goede structuurdiversiteit
Streefbeeld Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied.
Goede oppervlaktewaterkwaliteit
Streefbeeld Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor.
Goed omgaan met afvalwater
Streefbeeld Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan.
Uitgangspunt(en) Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt verwerkt. Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak. Het ombouwen van bestaande stelsels naar "zuiverend" gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur.
33
Afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Verontreinigingen door afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen.
Randvoorwaarde(n) Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een "zuiverend" gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. In bestaand gebied wordt ernaar gestreefd om schoon regenwater af te koppelen van het rioolstelsel. Onder schoon hemelwater wordt verstaan: • Hemelwater van verhardingen met een verkeersintensiteit lager dan 1000 voertuigen per dag; • Hemelwater vanaf parkeerplaatsen met minder dan 50 plaatsen; • Hemelwater van daken/woningen waarbij geen voor het watersysteem; schadelijke uitloogbare stoffen zijn gebruikt; • Hemelwater van onverhard terrein; • Hemelwater van centrumgebieden (met uitzondering van marktterreinen).
4.3.6. Conclusie voor dit project
Er zijn geen watergangen en sloten in het projectgebied. Sloten en watergangen hoeven daarom niet aangepast te worden. Het verhard oppervlak zal niet toenemen met deze wijziging. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig.
4.4. Flora en fauna
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden beschermde planten te vernielen of te beschadigen, beschermde dieren te verstoren, verwonden of te doden. Het bouwplan leidt tot gedeeltelijke sloop van bestaande gebouwen en ingrijpende aanpassing van gevels en daken. Het is daarom nodig dat wordt vastgesteld of er strijd kan zijn met de Wet natuurbeheer. Vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen kunnen in het gebouw een vaste verblijfplaats hebben, de beoogde ingreep kan leiden tot vernietiging of verstoring daarvan. Daarom moet door middel van een quick scan door een gekwalificeerde ecoloog worden vastgesteld of het gebouw geschikt is als vaste verblijfplaats voor deze dieren.
Quick scan ecologie Op 18 juni 2020 heeft ecologisch adviesbureau Els&Linde de rapportage ‘Quick scan ecologie Station Offices te Almere’ uitgebracht (zie bijlage 5A). Onderzocht is of effecten op beschermde natuurwaarden kunnen worden uitgesloten. Op de planlocatie kan de aanwezigheid van vleermuis, gierzwaluw en huismus niet op voorhand worden uitgesloten. Gelet op de ingrijpende plannen is een effect op beschermde soorten niet te voorkomen en is een aanvullend onderzoek en eventueel een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.
Plan van aanpak In 2022 wordt te Almere de Floriade gehouden. Voor de tentoonstelling wordt veel publiek verwacht, dat deels met het openbaar vervoer komt. Het is voor de organisatie van de Floriade niet
34
wenselijk dat tijdens de Floriade bij het Station Almere een bouwput aanwezig is. Voor de ontwikkeling is enige tijd nodig. Om voor de Floriade het gebouw te kunnen opleveren moet op relatief korte termijn worden gestart met de transformatie. Een regulier onderzoekstraject voor de Wet natuurbescherming leidt eerst in juli 2021 tot afronding van het gehele onderzoek. Los van de doorlooptijd voor het verkrijgen van de ontheffing resteert dan te weinig tijd om voor de aanvang van de Floriade de bouw op te leveren c.q. de gevel gereed te hebben, zodat er geen overlast meer ontstaat. De ontwikkelaar wil voorkomen dat tot na de Floriade sprake is van een leegstaand en verloederd gebouw bij het Station Almere. Daarom is een plan van aanpak opgesteld, dat recht doet aan de intentie van de wet. Deze is aan de Ruimtelijke Onderbouwing toegevoegd als bijlage 5B. Dat leidt ertoe dat er voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen maatregelen worden getroffen tijdens de bouw en in de nieuwbouw, door op andere eigendommen van de ontwikkelaar tijdelijke verblijfplaatsen te behouden. Globaal conform de natuur plusgedachte. Vóór de uitvoering wordt een plan opgesteld voor de natuur-plus en wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld.
In het komend najaar (augustus-september) wordt een inventarisatie van de mogelijkheden uitgevoerd en wordt onderzocht of er een winterverblijf en paarverblijven in het gebouw aanwezig zijn. Het betreft de definitieve maatregelen in de nieuwbouw. Een inventarisatie van huismus, gierzwaluw en de voorjaarsinventarisatie heeft weinig nut, omdat dan aan het gebouw gewerkt wordt. Bij de te maatregelen c.q. de natuur plus wordt hiermee rekening gehouden door het plaatsen van tijdelijke verblijfplaatsen. Met deze werkwijze kan gezorgd worden dat zonder verstoring van beschermde soorten de transformatie is afgerond voor aanvang van de Floriade.
Tussenstand ecologie (4 november 2020)
Op 4 november 2020 heeft Els&Linde een tussenstand gerapporteerd met betrekking tot het vervolgonderzoek (zie bijlage 5C). Voor de bebouwing is een onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen (najaarsonderzoek). Verder is een groter onderzoek uitgevoerd waarbinnen de bebouwing een onderdeel vormt. Uit de onderzoeken blijkt dat er huismussen broeden in de bebouwing. Verder is er een niet frequent gebruikte rustplek van de gewone dwergvleermuis. Er is geen verblijfplaats in het gebouw van de vleermuizen. De ontwikkeling wordt in het kader van de natuur+ uitgevoerd. Er wordt dus meer gedaan dan wettelijk verplicht is. In ieder geval worden mussen en gierzwaluwkasten opgehangen en worden vleermuiskasten geïntegreerd. De exacte locatie en vormgeving wordt nog bepaald. Tijdens de transformatie kunnen de nestplekken niet gebruikt worden. Daarom worden – binnen 200 m – tijdelijke voorzieningen getroffen in de vorm van mussenkastjes en vleermuiskasten. Een ontheffing voor de huismus wordt aangevraagd (zie bijlage 5D).
35
4.5. Stikstofdepositie
Op 31 juli 2020 heeft ecologisch adviesbureau Els&Linde een memo ten aanzien van de stikstofdepositie en onderliggende Aerius-berekeningen uitgebracht (zie bijlage 6A). Uit de berekeningen bleek dat er tijdens de gebruiksfase en de bouwfase geen sprake is van een verhoging van de depositie op de verschillende Natura 2000-gebieden. Naar aanleiding van de release van een nieuwe versie van AERIUS Calculator op 15 oktober zijn de berekeningen opnieuw uitgevoerd (zie bijlage 6B en 6C). Uit de nieuwe berekeningen volgt dezelfde uitkomst. De conclusies van het memo is dan ook onverminderd van toepassing.
4.6. Archeologie en cultuurhistorische waarden
Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid van het Besluit ruimtelijke ordening moet een beschrijving worden gegeven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
Afbeelding: uitsnede Archeologische Beleidskaart Almere 2020
Het projectgebied valt binnen de zone ‘Waarde – 1’. Voor deze gebieden geldt een archeologische vergunningsplicht voor bodemingrepen met een omvang groter of gelijk aan 500 m2 en – tegelijkertijd - een diepte groter dan 150 cm onder het huidige maaiveld.
De bodemingreep voor de uitbreiding van de footprint van de bebouwing is niet groter dan genoemde omvang, zodat archeologisch onderzoek niet nodig is. Het toevoegen van woningen op de verdiepingen leidt niet tot bodemingrepen.
4.7. Bezonning
Ten noorden van de ontwikkeling bevindt zich het centraal station van Almere. Het dak van het station is deels voorzien van zonnepanelen. Nelissen ingenieursbureau b.v. heeft een studie gedaan naar de invloed van de optopping op de bezonning van de omgeving (23 juni 2020, zie bijlage 7). Hierbij is specifieke aandacht besteedt aan de beschaduwing van de zonnepanelen.
36
Er bevinden zich géén woningen of kantoren in de directe omgeving van het project aan de west-, oostof noordzijde. Er is ook géén sprake openbare of semi-openbare ruimten met een recreatieve functie aan deze zijden. Een toetsing aan de TNO norm voor bezonning is dan hier ook niet van toepassing. Wel is gekeken naar de beschaduwing van de openbare ruimte ten gevolge van de optopping.
Het onderzoek is uitgevoerd op basis van een 3D sketchup model van de toekomstige ontwikkeling, het station en de directe omgeving. Met behulp van het 3D programma Revit is de beschaduwing op het dak van de stationshal berekend op meerdere data en tijden in het jaar.
Beschaduwing van de omgeving In de wintermaanden is er géén sprake van méér beschaduwing van de openbare ruimte als gevolg van de optopping. (De schaduw van de optopping valt op het dak van het station.) - in de zomermaanden vallen er gedurende de dag enkele vierkante meters meer schaduw op de openbare gebieden tussen het station en het project. Dit betreft een doorloopgebied vanuit het station naar het busstation en een scooterstalling. Er liggen hier géén verblijfsgebieden - in de tussenseizoenen treedt er extra beschaduwing op de hoger gelegen de fietsbrug. Er valt dan ook géén extra schaduw op het openbaar gebied - er treedt het hele jaar door géén extra beschaduwing op van het stationsplein of de woningen aan het stationsplein Op basis van bovenstaande wordt de invloed van de optopping op de bezonning van de omgeving dan ook als zeer beperkt en dus acceptabel beschouwd.
Beschaduwing zonnepanelen station Op basis van beschaduwingsprofielen is visueel beoordeeld welk percentage van de zonnepanelen in de toekomstige situatie beschaduwd wordt ten gevolge van de optopping. Vervolgens is berekend wat het percentage aan verminderde opbrengst aan zonne-energie is ten gevolge van de optopping. Hieruit blijkt dat de verminderde opbrengst van de zonnepanelen ten opzichte van de huidige situatie bij benadering kleiner is dan 2,5%.
4.8. Windhinder
Door Nelissen ingenieursbureau b.v. is een verkennend onderzoek naar windhinder en windgevaar voor deze transformatie uitgevoerd (zie bijlage 8A). Er is onderzocht wat kritische gebieden zijn in het ontwerp met betrekking tot windhinder en windgevaar. Er is met het Beslismodel van de NEN 8100 de afweging gemaakt of windhinderonderzoek met windtunnel of CFD noodzakelijk is op basis van de volgende aspecten: - geografie - lokale situatie - windgevoeligheid - gebouwconfiguratie
Uit de gemaakte afweging blijkt dat er op bepaalde locaties een kans op windhinder bestaat. Naar verwachting is het op al deze locaties mogelijk om het lokale windklimaat te verbeteren, door
37
voorzieningen te treffen. De voorzieningen zijn bijvoorbeeld het plaatsen van windschermen, luifels of een groenvoorziening (plantenbakken of bossages). Deze voorzieningen kunnen, eventueel naderhand, bij het optreden van windhinder aanvullend worden getroffen.
Hoe groot de kans op windhinder is, kan op basis van dit verkennend onderzoek niet worden vastgesteld. Het risico op windgevaar is naar verwachting voldoende klein. Om per positie exact het kanspercentage te bepalen is verder onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek kan een windtunnelonderzoek, waarbij een maquette in de windtunnel wordt geplaatst, zijn of CFD (Computional Fluid Dynamics) berekening zijn, waarbij windstromingen worden gevisualiseerd en gekwantificeerd met behulp van CFD computersimulaties. Hiermee kan het effect van eventueel te nemen maatregelen ook worden aangetoond. Echter, de windhinderkans is niet dermate groot dat een dergelijk onderzoek voor dit project als noodzakelijk wordt beschouwd.
Het verkennend onderzoek is door de gemeente Almere beoordeeld en in een notitie d.d. 23 juni 2020 worden er vragen gesteld. In een aanvullende notitie – die als bijlage 8B is toegevoegd aan deze Ruimtelijke Onderbouwing – wordt antwoord gegeven op deze vragen en een verdere toelichting gegeven. De uitkomsten en conclusies van het onderzoek zoals hiervoor beschreven wijzigen daar niet door.
4.9. Kabels en leidingen c.a.
Er bevinden zich geen hoofdkabels en leidingen op de projectlocatie die belemmerend zijn voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.10. Trilling
Door M+P raadgevende ingenieurs BV is een onderzoek uitgevoerd naar trillingen als gevolg van railverkeer (zie bijlage 9). Van 21 april tot en met 13 mei 2020 zijn metingen verricht op de begane grond en 3e verdieping van het bestaande kantoor. Deze metingen zijn gebruikt om een indicatie te krijgen van de mogelijke hinder vanwege de passage van treinen. Dit onderzoek richt zich uitsluitend op de voelbare trillingen vanwege treinpassages. Het aspect geluid is hierbij vooralsnog buiten beschouwing gelaten maar speelt ook een rol bij de hinderbeleving. De maatregelen om geluidhinder te voorkomen hebben echter geen directe relatie met de trillingshinder en kunnen separaat worden beoordeeld.
Wettelijk gezien zijn er geen grenswaarden van toepassing voor bestaande bouw. De streefwarden uit de SBR worden overgenomen ter beoordeling. De steefwaarden zijn afhankelijk van de situatie. In dit geval is er sprake van een nieuwe woonbestemming in een bestaand gebouw.
Om de trillingswaarden te kunnen beoordelen zijn de richtwaarden gebruikt van de SBR richtlijn B “hinder voor personen in gebouwen”. De metingen zijn uitgewerkt conform de statistische methode van de SBR richtlijn. De streefwaarde voor de nacht is maatgevend. Omdat het goederenvervoer ook in de nacht plaatsvindt wordt getoetst aan de streefwaarden voor de nachtperiode.
38
Uit metingen ter plaatse van de bestaande bebouwing is gebleken dat er in de huidige situatie wordt voldaan aan de streefwaarden uit de SBR richtlijn Hinder voor personen in gebouwen. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig. Voor de optopping moet worden voorkomen dat de vloeren en draagbalken gaan resoneren met treinpassages. De eigenfrequentie van het vloerveld moet onder de 7 Hz liggen.
4.11. Besluit milieueffectrapportage
In het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt in MER-beoordelingsplichtige activiteiten en MER-plichtige activiteiten. Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten waar op grond van het Besluit niet direct een MER-beoordelingsplicht of MER-plicht geldt, moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. Uit de rechtspraak volgt dat of per saldo aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan, daarbij niet van belang is.
In gevallen, waarbij wat de aard omvang betreft slechts sprake is van een beperkte wijziging van het toegestane gebruik van een deel van een bestaand gebouw, is geen sprake van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit mer. Van belang is tevens of de functiewijziging gepaard gaat met een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte. In dit geval is sprake van een bestaand gebouw. Het gebruik wijzigt van kantoor naar wonen. Het bebouwde oppervlakte wordt per saldo met 203 m2 uitgebreid en het volume van het gebouw neemt in de hoogte toe.
Het voornemen is aan te merken als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ zoals bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, zodat het nodig is om een (vormvrije) MER-beoordeling uit te voeren en een Aanmeldnotitie MER in te dienen.
Uit de in het kader van deze aanvraag uitgevoerde onderzoeken is gebleken dat het project geen negatieve effecten heeft op het milieu. Het project geeft geen aanleiding tot het uitvoeren van een MER.
39
5. Haalbaarheid 5.1. Economische haalbaarheid
Wettelijk kader Ruimtelijke ontwikkelingen gaan in de regel gepaard met gemeentelijke investeringen in gemeenschappelijk te gebruiken voorzieningen, zoals ontsluitingswegen, waarvan de gemeente de kosten kan en mag verhalen op de ontwikkelaar. De Grondexploitatiewet (Grex; ingepast in hoofdstuk 6 van de Wet ruimtelijke ordening) dient om het risico van grondexploitatie voor gemeenten te verkleinen. In artikel 6.12 lid 1 Wro en artikel 6.2.1 Bro is geregeld, dat bij elk bouwplan waarin woningen zijn voorgenomen, een exploitatieplan verplicht is. De belangrijkste uitzondering van deze verplichting is dat een exploitatieplan niet noodzakelijk is, als het kostenverhaal van de grondexploitatie "reeds anderszins is verzekerd". De kosten van het bouwplan beslaan de proceskosten voor het begeleiden en toetsen van het bestemmingsplan en aanverwante plankosten zoals ingrepen in de openbare ruimte als direct gevolg van het bouwplan.
Eigendom De onderhavige omgevingsvergunning heeft hoofdzakelijk betrekking op eigen grond, in het kader van het project wordt een grondruil tussen gemeente en aanvrager uitgevoerd. De aanvrager neemt een wat groter oppervlak van de gemeente over dan dat ze inlevert. Voor het meerdere wordt marktconform door aanvrager betaald. Het kostenverhaal voor dit deel van het project is anderszins verzekerd door middel van een anterieure overeenkomst met de grondeigenaar / ontwikkelende partij. Er wordt daarom in dit geval afgezien van het opstellen van een exploitatieplan.
Planschade Bij inkomstenderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak als gevolg van een bestemmingsplan, kan degene die schade lijdt, een planschadeclaim indienen. De tegemoetkoming van die schade is verzekerd in de anterieure overeenkomst zodat dit risico bij de ontwikkelaar ligt en planschade op hem verhaald kan worden. Het bouwvolume wijzigt als gevolg van deze bestemmingsplanafwijking en het gebruik van de bebouwing wijzigt. De effecten op bezonning en uitzicht in de omgeving zijn echter niet zodanig dat daaruit een risico op planschade volgt en vervanging van kantoren door woningen is evenmin een ontwikkeling met planologisch nadelige effecten. Er is dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat de voorliggende bestemmingsplanafwijking leidt tot een (nieuw) planschaderisico.
Planuitvoering Het project wordt voor rekening en risico van de initiatiefnemer gerealiseerd. In Almere en de regio is de woningbehoefte groter dan de nu beschikbare plancapaciteit. Er is dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de financieel-economische uitvoerbaarheid van deze omgevingsvergunning.
40
5.2. Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro
Op grond van artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht in samenhang met artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht voert het bevoegd gezag overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De resultaten van dit overleg worden betrokken in de besluitvorming omtrent deze omgevingsvergunning, tenzij de bestemmingsplanafwijkingen met een kruimel- of binnenplanse afwijking worden verleend..
5.3. Maatschappelijke haalbaarheid
Conform artikel 3.7 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bij een afwijkingsprocedure ex artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° Wabo de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Dat betekent dat belanghebbenden gedurende de periode dat het ontwerpbesluit ter inzage ligt zienswijzen kunnen indien. De resultaten van deze ter inzage legging worden betrokken in de besluitvorming omtrent deze omgevingsvergunning.
Indien de bestemmingsplanafwijking(en) met een kruimel- of binnenplanse afwijking kan worden verleend, is de reguliere procedure van toepassing (artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 1° resp. 2° van de Wabo). In dat geval is na verlening van de omgevingsvergunning het instellen van bezwaar, beroep en hoger beroep mogelijk.
5.4. Conclusie
Het project voorziet de transformatie van een kantoor, de toevoeging van woningen en een geringe uitbreiding van detailhandel. Het effect op de omgeving is gering. Het voornemen past binnen de kaders van het relevante beleid van alle overheden en is ook niet in strijd met relevante wetten en regels.
Het gaat hierbij om goede ruimtelijke ordening en er kan daarom een vergunning in afwijking van het bestemmingsplan verleend worden.
41
6. Motivering (samenvatting) 6.1. Algemeen
Het station Almere Centrum, een van de belangrijkste entrees van Almere, is verouderd. Het succes van het stadscentrum slaat niet neer in het stationsgebied, dat is een gemiste kans. Er is geen logische route tussen de noordzijde van het station en de zuidzijde van het station richting het winkelgebied. De economische crisis en wijzigingen in de behoefte aan kantoorruimte als gevolg van ‘Het Nieuwe Werken’ hebben daarnaast gezorgd voor meer leegstand en het niet vullen van de kantoorpanden in het Zakencentrum. Diverse kavels rond het station en diverse plinten zijn nog onbenut en verschillende gebouwen kampen met leegstand. Voor een stad ter grootte van Almere wonen en werken er te weinig mensen in het stadscentrum. Vooral ’s avonds geeft dit een gevoel van sociale onveiligheid. Ook wordt de vervoerswaarde van het station niet volledig benut. Juist in het stationsgebied ligt veel ruimte voor verbetering, functiemenging, verdichting en het ontwikkelen van het belangrijkste knooppunt in Almere Centrum. Investeringen vanuit het Fonds Verstedelijking Almere zullen vooral ingezet worden voor verbeteringen in de openbare ruimte.
Naast de inzet van het Fonds Verstedelijking Almere in sleutelprojecten wil de gemeente Almere samen met diverse investeerders daarom inzetten op verdichting in Almere Centrum en rond het station. Ingezet wordt op de toevoeging van woningen, economisch programma, voorzieningen en leisure. Hierdoor komen er meer bewoners en gebruikers in het gebied, wat leidt tot meer sfeer en beleving, meer draagvlak voor voorzieningen en meer vervoerswaarde voor het station. Op cruciale plekken (zoals de pleinen in Almere Centrum) vindt bundeling van activiteiten en programma’s plaats, zodat er aantrekkelijke verblijfsplekken ontstaan waar mensen elkaar op een prettige manier tegenkomen. Een toevoeging van programma’s op het gebied van wonen, horeca, cultuur, onderwijs, recreatie en economie betekent een investeringskracht van tientallen miljoenen door verschillende partijen.
Eén van de leidende uitgangspunten voor de verdere uitwerking van de plannen is dat het stationsgebied een hoge dichtheid en een mix aan stedelijke programma’s zal kennen. Het station en de omgeving is gebaat bij een hogere dichtheid in bebouwing en functies. Toevoeging van wonen, werken en voorzieningen is daarom belangrijk. Het benutten van leegstaande gebouwen, het opvullen van braakliggende kavels en het vormgeven van actieve plinten heeft prioriteit. Dit zorgt voor meer vervoerswaarde, meer levendigheid, meer sociale veiligheid en meer sfeer.
42
6.2. Specifiek
Gebruik
De realisatie van woningen in de gebouwdelen A1 en B1 wijkt wat betreft het gebruik van het bestemmingsplan af ten aanzien van de navolgende bepalingen:
1. artikel 4.1 onder a, doordat nieuwe geluidsgevoelige objecten worden gerealiseerd waarbij niet wordt voldaan aan de geldende voorkeursgrenswaarde volgens de Wet geluidhinder en geen hogere waarde is vastgesteld; ten behoeve van de verlening van deze omgevingsvergunning wordt door het bevoegd gezag een hogere waarde vastgesteld, zodat de afwijking van het bestemmingsplan wordt opgeheven
2. artikel 18.2, doordat nieuwe kwetsbare objecten worden gerealiseerd binnen de aanduiding 'veiligheidszone-vervoer gevaarlijke stoffen 2' De onder 2 genoemde afwijking kan worden vergund op grond van artikel 18, tweede lid onder c: een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, zodra wordt voldaan aan de drie daarin genoemde criteria: o Ad 1: In paragraaf 3.2 onder het kopje behoefte’ is hierop al uitgebreid ingegaan. Daaruit blijkt dat er sprake is van een aantoonbare behoefte. o Ad 2: De te transformeren bebouwing bestaat momenteel uit leegstaande kantoren. Deze bevinden zich binnen het plasbrandaandachtsgebied. De locatie is een gegeven, de transformatie kan niet buiten het plasbrandaandachtsgebied plaatsvinden. o Ad 3: De onder 3 genoemde motivering is opgenomen in bijlage 2A ‘Project 20.002 Overzicht Rapporten Externe Veiligheid’ van ingenieursbureau vb&t Brandveiligheid & Milieu B.V.
Voor de onder 3 en 4 genoemde afwijkingen voorziet het bestemmingsplan niet in afwijkingsmogelijkheden en kan alleen omgevingsvergunning worden verleend met toepassing van een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid (artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 2° of 3° van de Wabo).
Bouwen
De realisatie van het bouwplan wijkt wat betreft het bouwen van het bestemmingsplan af ten aanzien van de navolgende bepalingen: 3. artikel 4.2 onder a, doordat de geprojecteerde nieuwe bebouwing deels is gelegen buiten de bouwvlakken Hiervoor voorziet het bestemmingsplan niet in afwijkingsmogelijkheden en kan alleen omgevingsvergunning worden verleend met toepassing van een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid (artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 2° of 3° van de Wabo); De overschrijdingen aan de zijde van de toegang naar het station zijn zeer gering en hebben geen relevant ruimtelijk effect, zodat daartegen geen bezwaar is.
43
De overschrijding aan de zijde van het spoor (gebouw A, noordzijde) betreft het afsluiten van de passage naar de taxistandplaats. In het kader van de vernieuwing van het station wordt deze taxistandplaats opgeheven en is behoud van de passage onwenselijk.
4. artikel 4.2 onder b, doordat de maximum bouwhoogte groter wordt dan is toegelaten op grond van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' Hiervoor voorziet het bestemmingsplan niet in afwijkingsmogelijkheden en kan alleen omgevingsvergunning worden verleend met toepassing van een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid (artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 2° of 3° van de Wabo); De bouwhoogte neemt toe van 4 naar 6 bouwlagen, met een hoogte van 14 naar 21 meter. De hoogte die daardoor wordt bereikt is niet afwijkend van wat in de omgeving is gerealiseerd. Bestaande bebouwing aan de zuidzijde van het station varieert van twee tot en met zes bouwlagen en in één geval (hoek Schoutstraat / Metropolestraat) tien bouwlagen. Aan de noordzijde direct rond de stationsentree staat nog veel hogere bebouwing van ruim boven de 60 tot 100 meter hoogte. Een bouwhoogte van zes lagen ter zoals in het voorliggende bouwplan is geprojecteerd is dan ook passend. Uit het onderzoek naar wind- en bezonningseffecten is gebleken dat de extra bouwhoogte geen afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat.
44
Besluit afwijking bestemmingsplan Activiteit planologische regeling
Omschrijving De transformatie van de Station Offices (Blok B)
Type aanvraag Wabo afwijken en bouwen, uitgebreid
Kenmerk afwijken 202945
Het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…) (artikel 2.1, lid 1, onder c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht).
Inleiding Op 30 juli 2020 is een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor de transformatie van de Station Offices Blok B tot 31 woningen, inclusief verbouwing ondergelegen winkelruimten, aan het Stationsplein 28-42 en het Busplein 4. Ter plaatse van de projectlocatie geldt het bestemmingsplan ‘Centrum Almere Stad’. De locatie heeft de bestemming ‘Centrum’, met diverse bouw- en functieaanduidingen. Het plan past niet binnen het geldende bestemmingsplan, vanwege een overschrijding van het bouwvlak en de maximale bouwhoogte. Er is daarom een Wabo- afwijkingsprocedure nodig.
Toelichting Op grond van artikel 2.1, lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels in een provinciale verordening of een algemene maatregel van bestuur (AMvB) of met een voorbereidingsbesluit (artikel 2.1, lid 1, onder c Wabo). Artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3˚ Wabo bepaalt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c Wabo de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Overwegingen Aanleiding U heeft een plan ingediend voor het transformeren van de Station Offices (kantoorpanden) naar woningen en commerciële functies op de begane grond. Dit project bestaat uit twee panden (Blok A en Blok B), waarvoor afzonderlijk een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend.
Ruimtelijke afweging Deze ontwikkeling draagt bij aan een kwaliteitsverbetering van het stationsgebied. Deze belangrijke entree van Almere is verouderd. En de bestaande invulling van deze panden met hoofdzakelijk kantoorruimte passen niet meer bij de huidige tijd. De voorgestelde transformatie is een gewenste ontwikkeling in het gebied.
Goede Ruimtelijke Onderbouwing In de ruimtelijke onderbouwing en bijbehorende onderzoeken is uitgebreid gemotiveerd dat er sprake is van een passende ontwikkeling die voldoet aan de ‘goede ruimtelijke ordening’.
Exploitatieplan Volgens artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Daarvan is in casu sprake, echter als het kostenverhaal anderszins is verzekerd (artikel 6.12 lid 2 onder a Wro), hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. De herontwikkeling van Station Offices betreft een privaat initiatief. Alle kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het bouwplan komen voor rekening van de initiatiefnemer. Hierdoor zijn er geen
1
kosten voor de gemeente aan de ontwikkeling verbonden. Geconcludeerd kan worden dat het vaststellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk is en het bouwplan economisch uitvoerbaar is.
Hogere grenswaarde geluid Uit akoestisch onderzoek blijkt dat niet volledig wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden voor geluid uit de Wet geluidhinder. Medewerking is alleen mogelijk door het vaststellen van hogere waarden, in combinatie met het nemen van akoestische maatregelen.
Participatie U heeft NS en Prorail bij de planontwikkeling betrokken, vanwege de directe nabijheid van het spoor en station. Daarnaast zijn de plannen besproken met Ymere, eigenaar van de aangrenzende woonblokken, en haar huurders. Ook de winkeliers die gevestigd zijn in de betreffende panden zijn bij de planvorming betrokken. Tot slot zijn bewoners en winkeliers in de directe omgeving schriftelijk geïnformeerd, waarbij contactgegevens zijn verstrekt.
Vooroverleg In kader van het vooroverleg (artikel 3.1.1 Bro) zijn reacties ontvangen van het Waterschap en Prorail. De reacties zijn in voorliggende ruimtelijke onderbouwing verwerkt.
Verklaring van geen bedenkingen Op grond van artikel 6.5, lid 1 Besluit omgevingsrecht (Bor) mag een omgevingsvergunning ex artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3˚ Wabo niet worden verleend dan nadat de gemeenteraad heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft.
Op 15 april 2021 heeft de gemeenteraad van Almere besloten een (ontwerp) verklaring van geen bedenkingen af te geven. Daarbij is tevens aangegeven dat, wanneer er geen zienswijzen tegen het ontwerp worden ingediend, deze ontwerpverklaring tevens als definitieve verklaring van geen bedenkingen wordt aangemerkt.
Op 30 maart 2021 hebben wij ingestemd met het ontwerpbesluit tot verlening van de omgevingsvergunningen.
Ter inzage De terinzagelegging van het ontwerpbesluit tot verlening van een omgevingsvergunning is bekend gemaakt op 21 april 2021 in de Staatscourant en in het gemeenteblad op www.officielebekendmakingen.nl. Vanaf 22 april 2021 tot en met 2 juni 2021 (zes weken) lag het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken ter inzage. Hierbij zijn tevens het ontwerpbesluit hogere waarde en het ontwerp van de verklaring van geen bedenkingen ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn zijn twee zienswijzen ingediend. De ingediende zienswijzen geven geen aanleiding om van medewerking af te zien.
Digitaal De mededeling van een besluit tot verlening van een omgevingsvergunning, waarbij sprake is van een geval als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3˚ Wabo, moet beschikbaar worden gesteld conform de vereisten zoals die zijn vastgelegd voor ‘omgevingsvergunningen’ in IMRO2012 en STRI2012. De gemeente Almere zal aan het elektronisch beschikbaar stellen van deze mededeling voldoen.
Terstond in werking treden vergunning Op grond van artikel 6.2 Wabo hebben wij de bevoegdheid om te bepalen dat een omgevingsvergunning na bekendmaking terstond in werking treedt. Dit houdt in dat direct met de werkzaamheden kan worden begonnen, zonder de beroepstermijn af te wachten. Wij maken gebruik van deze bevoegdheid, omdat het van groot belang is dat de werkzaamheden zo spoedig mogelijk worden gestart. Doel is namelijk om de transformatie en de herinrichting van de stationsomgeving gereed te hebben voor aanvang van de Floriade.
Besluit Gelet op het voorgaande hebben wij besloten: 1. medewerking te verlenen aan de gevraagde afwijking van de regels van het bestemmingsplan ‘Centrum Almere Stad’, als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3˚Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, ten behoeve van het transformeren van Stationsoffices (Blok B) aan het Stationsplein 28-42 en het Busplein 4.
2
2. geen exploitatieplan vast te stellen. 3. dat de vergunning na bekendmaking terstond in werking treedt, op grond van artikel 6.2 Wabo.
Bijlagen: - goede ruimtelijke onderbouwing - reactienota zienswijzen
3