Bundel
Tekst van het document
–3-
5. WINDEXPOSITIE
Bij de berekening van de veiligheidsfactoren (VF) zijn 3 niveaus van blootstelling aan de wind aangehouden: 0,9 (weinig beschut: 9 bomen); 0,8 (enigszins beschut: 28 bomen) en 0,7 (iets meer beschut: 3 bomen). Op basis van welke criteria c.q. meetwaarden deze indeling is vastgesteld is uit de rapportage van PF verder niet op te maken. Er is berekend in hoeverre tussen de toegewezen blootstellingsniveaus onderlinge verschillen aanwezig zijn bij de nader bestudeerde aspecten. De resultaten zijn weergegeven in tabel 2.
Bespreking: het aspect hoogte/stamomtrek-verhouding blijkt het grootste zgn. onderscheidend vermogen te hebben. Dit ligt (geheel) in lijn met wat de literatuur aangeeft over de windgevoeligheid van bomen, nl. dat de windgevoeligheid toeneemt met een toenemende boomhoogte/stamdiameter-verhouding (hier aangegeven als hoogt/stamomtrek-verhouding). De correlatie komt ook duidelijk naar voren in de resultaten van het gerapporteerde trekproefonderzoek (weergegeven in tabel 3).
Tabel 2. Gemiddelden van een aantal bestudeerde aspecten bij drie niveaus van blootstelling aan wind; 0,7 (3 bomen); 0,8 (28 bomen ) en 0,9 (9 bomen). Sig. 0,05 geeft de significantie aan van de verschillen van de gemiddelden bij p=0,0 5 (Kruskal-Wallis). “ns” = niet significant; * : p < 0,05; **: p < 0,01; ***: p < 0,001.
-4-
Tabel 3. Correlatiematrix tussen de boomhoogte/stamomtrek-verhouding en de veiligheidsfactoren.
6. STATISTISCHE VERDELING VEILIGHEIDSFACTOREN
De figuren 1 en 2 geven een histogram-verdeling aan waarmee inzichtelijk wordt gemaakt in hoeverre van de beschouwde veiligheidsfactoren de gevonden waarden afwijken van gemiddelde waarden. Ook is hier te zien waar de zgn. uitbijters zitten (wat overigens ook al is aangegeven in bijlage 1, in de Grubbs’ test).
Figuur 1. Histogram van Basis-veiligheidsfactor (N = 40; gemiddelde = 1,36). De kromme geeft het verloop aan van een normale verdeling.
–5-
Figuur 2. Histogram van de stabiliteits-veiligheidsfactor (N = 40; gemiddelde = 1,58). De kromme geeft het verloop aan van een normale verdeling.
Bespreking: uit de histogrammen valt op te maken dat voor de basis-VF bij 7 bomen (= 17,5 % van het aantal bomen) ligt beneden de basiswaarde van 1,0. Bij de berekende stabiliteit-VF betrof het twee bomen (= 5 % van het aantal).
7. DISCUSSIE
De interpretatie van de resultaten van trekproeven naar ‘absolute’ niveaus van stabiliteit kent de nodige beperkingen. Een aantal belangrijke zijn: 1. Het (tot dusver) ontbreken van wetenschappelijke consensus over de ‘vertaling’ van statische berekeningen naar dynamische objecten zoals bomen (met als voorbeeld onder meer de veiligheidsmarge van 150% van de basiswaarde). Daarbij zijn de methodiek en de achtergronden c.q. hypotheses nog niet dan wel nauwelijks gevalideerd in de zgn. peer-reviewed wetenschappelijke literatuur. Bij de praktijktoepassing van trekproeven berust de 150 % veiligheidsmarge, die ontleend is aan de NEN- normen voor windbelasting op ‘harde’ constructies, op een afspraak om de veiligheid hoe dan ook te kunnen waarborgen binnen de (gezamenlijke) ‘ruimte’ in de onzekerheden van de aannames. Vanwege wettelijke aansprakelijkheid worden bedrijven die trekproeven uitvoeren geacht zich te houden aan deze veiligheidsmarge. In hoeverre deze grens naar beneden zou kunnen worden bijgesteld wanneer het gaat om bomen is onvoldoende bekend. 2. Het ontbreken van toetsingen of resultaten van empirisch onderzoek. De resultaten van de trekproeven zijn nooit systematisch vergeleken met veldwaarnemingen aan bomen onder orkaanomstandigheden.
Uiteraard vanwege voor de de hand liggende reden dat orkanen nog steeds relatief weinig voorkomende fenomenen zijn (met name in de zomer wanneer de bomen vol in blad staan en verhoudingsgewijs meer wind ‘invangen’) en dat van weinig omgewaaide volwassen bomen op voorhand trekproefresultaten bekend zijn.
-6-
3. De invloed van de (on)nauwkeurigheid van het toekennen van een aantal – arbitraire- parameters zoals de beschuttingsfactor en de zgn. terreinruwheid en, daarmee samenhangend, de werkelijke windkrachten die een boom ondervindt in verhouding tot een open-veld situatie. Uit incidenteel uitgevoerde metingen in Nederland in het verleden is gebleken dat die vaak lager uitvallen dan de waarden van modelberekeningen. Anderzijds kunnen bomen in de nabijheid van (hoge) gebouwen relatief meer wind invangen als gevolg van het zgn. venturie- effect. Maar ook dit is een aspect dat te maken heeft met het genoemde onder punt 1. Met andere woorden, ook experts kunnen onderling kunnen verschillen in de inschatting van diverse factoren die onderdeel uitmaken van het berekeningsmodel en alleen al daarom is een ‘brede’ veiligheidsmarge gewenst.
Dit maakt echter dat met het stellen van scherpe grenzen dan wel het trekken van (al te) ‘harde’ conclusies enkel en alleen op basis van de uitkomsten van statische trekproeven, de nodige terughoudendheid in acht moet worden genomen.
Desalniettemin heeft de methode in de praktijk zijn nut reeds bewezen omdat ‘verdachte’ bomen zich doorgaans wel laten onderscheiden als herkenbaar negatieve uitbijters ten opzichte van het normale dan wel gemiddelde te verwachten beeld.
In de uitgevoerde reeks trekproeven kwam dit niet naar voren. Dat wil zeggen, de gevonden veiligheidsfactoren van de stabiliteit vertoonden een statistisch normale verdeling zonder opvallende negatieve uitbijters, met slechts incidenteel wat positieve uitbijters (zie bijlage 1).
Ook zijn de gevonden negatief afwijkende veiligheidsfactoren ten opzichte van de basiswaarde (ondergrens van het grijze gebied) van 1,0 niet lager dan het niveau 0,8. Dit ligt nog boven het niveau van 0,75 dat bij interpretatie van trekproefresultaten door sommige bedrijven als kritiek niveau (overeenkomstig met windkracht Beaufort 10 in een open-veld situatie) wordt aangehouden. En waar beneden als regel wordt geadviseerd om bomen waar nodig veilig te stellen door bijvoorbeeld het reduceren van het door wind belaste kroonoppervlak door snoei of bij extreem lage waarden de bomen te vellen of door tuien o.i.d. te behoeden voor omvallen.
Interessant is dat de gemeten veiligheidsfactor voor de stabiliteit van gemiddeld 1,5 (met twee waarden < 1,0 ) hoger is dan die van de basisveiligheid van gemiddeld 1,4 (met zeven waarden < 1,0). Het is echter niet duidelijk in hoeverre daaraan conclusies kunnen worden verbonden.
Vooral het ontbreken van duidelijk negatieve uitbijters, én een gemiddeld niveau van de veiligheidsfactor van ca. 1,5 (wat overeenkomt met de minimale streefwaarde van 1,0 vermeerderd met 50 %) zijn indicaties dat de stabiliteit gemiddeld genomen als voldoende mag worden aangemerkt met weinig tot geen evident onbetrouwbare bomen.
–7-
Dit heeft ook consequenties t.a.v. noodzakelijke extra beheermaatregelen. Deze lijken vooralsnog niet noodzakelijk of urgent. En de eventuele noodzaak zal bij een verdere gezonde ontwikkeling van de beplanting in de toekomst eerder afnemen dan toenemen omdat de verhouding tussen stamdikte en boomhoogte, en daardoor ook de (basis)stabiliteit zal toenemen.
Zoals reeds is aangegeven bestaan er niet of nauwelijks data uit empirisch onderzoek op basis waarvan de in de trekproeven aangehouden kunnen worden getoetst. In de berekening van de basisveiligheid is echter de H/D verhouding een zwaarwegend criterium. Hierover is wel wat aan te geven. Zo presenteert James (2010) in zijn dissertatie resultaten van veldwaarnemingen van omgewaaide bomen in relatie tot de H/D-verhouding. Deze zijn hieronder weergegeven in figuur 3.
Hierin wordt aangegeven dat vanaf een H/D-verhouding van meer dan ca. 50 bomen die niet in beschutting staan van buurbomen een verhoogd risico hebben om te bezwijken bij storm. Uit de resultaten van de trekproef blijken 5 bomen hoger dan 50 te scoren. De H/D-verhouding daarvan varieert tussen 50,6 en 55,0 met een beschuttingsgraad van 0,7 of 0,8. Het risico is daarmee nog te kwalificeren als betrekkelijk laag en omdat deze bomen in de beschutting staan van buurbomen is niet aan te geven of ze wel of niet als onveilig mogen worden aangemerkt (wat zonder beschutting wél het geval zou kunnen zijn geweest). Overigens liepen de aangegeven VF-stabiliteit van deze bomen na de metingen uiteen van 1,04 tot 1,43 en lagen deze bomen daarmee niet in het ‘rode’ gebied
Figuur 3. Het bezwijken onder veldomstandigheden van bomen in relatie tot de verhouding tussen hoogte en stamdiameter. Bron: James (2010) 3
–8-
3. James, K. R. (2010). A dynamic structural analysis of trees subject to wind loading. PhD thesis, Melbourne School of Land and Environments, The University of Melbourne. 278p.
Overigens bestaan er in het bosbouwkundig onderzoek wél wat uitvoeriger gefundeerde normen. Daar wordt als vuistregel aangehouden dat bomen die een H/D-verhouding van minder dan 80 hebben als stabiel mogen worden aangemerkt en boven een H/D- verhouding van 100 als instabiel. Deze indicatie is echter vooral gebaseerd op waarnemingen aan bossen i.c. naaldhoutopstanden en het is onvoldoende aan te geven in hoeverre deze van toepassing zijn op beplantingen zoals die langs de Westerdreef. Maar in dat geval zouden alle bomen aan de gestelde criteria voor voldoende stabiliteit voldoen. Zie ook figuur 4.
8. RESULTATEN VAN DE IN MAART 2021 UITGEVOERDE WINDLASTANALYSE
Samen met de reeds onderzochte 40 bomen is van in totaal 246 populieren de basisveiligheidsfactor (VF-basis) bepaald. Hieruit blijkt dat de gemiddelde H/D-verhouding en en de VF-basis van de uitgevoerde trekproef aan 40 bomen niet of nauwelijks afwijken van die van de overige 206 bomen. Zie tabel 4.
Tabel 4. Overzicht van de gemiddelde waarden van een aantal aspecten van de steekproef (waaraan een trekproef is uitgevoerd) en de overige bomen. De laatste twee kolommen geven de p-waarden voor de betrouwbaarheid van de verschillen, getoetst volgens ANOVA en Mann- Whitney.
Één en ander betekent dat de steekproef voldoende representatief is voor het geheel. Ook blijkt dat 19 bomen (= 9 % van het totale aantal) een H/D-verhouding van meer dan 50 hebben, waardoor ze volgens het criterium van Mattheck instabiel zouden kunnen zijn. Deze bomen staan echter wél (enigszins) beschut: 10 bomen met een windexpositiefactor van 0,8 en negen met een factor van 0,7. Volgens de bosbouwkundige vuistregel voldoen alle bomen aan de criteria voor voldoende stabiliteit (met betrekking tot een H/D- verhouding van < 80). Dit is weergegeven in onderstaande figuur 4, waaruit tevens valt op te maken dat de basis-VF in grote mate wordt bepaald door de H/D-verhouding die, zoals reeds eerder vermeld, als regel gaandeweg beter c.q. gunstiger zal worden naarmate de bomen zich verder ontwikkelen.
–9-
Figuur 4: Verband tussen de H/D-verhouding van de bomen (N = 246) en de berekende basisveiligheid factor.
9. SLOTOPMERKING
Deze notitie heeft zich beperkt tot de stabiliteit van de bomen als zwaarwegend criterium. In het trekproefonderzoek is ook de stambreukgevoeligheid meegenomen. Dit is hier niet in detail uitgewerkt. Maar gezien de significante correlatie tussen de veiligheidsfactoren (zie tabel 3) en de overeenkomstige statistische verdeling van de VF-stambreuk met de VF-stabiliteit (gemiddelde VF = 1,57 met 6 waarden < 1,0), zijn hierop in grote lijnen dezelfde benaderingen en conclusies van toepassing.
–10-
BIJLAGE 1:
STATISTISCH OVERZICHT VAN EEN AANTAL ASPECTEN
–11-
Westerdreef Almere Resultaten boomtrekproeven- H/D verhoudingen
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal Afdeling onderzoek en advies
Projectnummer: PFBV.20.HO.005D
Opdrachtgever: Gemeente Almere T.a.v. dhr. E. Fidder en dhr. W. Baack Stadhuisplein 1 1315 HR Almere
Project: Onderzoek stabiliteit bomen Westerdreef
Contactpersoon: Dhr. A.C. van Polen Telefoon: 0649410666 E-mail: b.vanpolen@piusfloris.nl
Onderzoeker(s): ing. Dhr. D. Molenaar Boomtechnisch adviseur en European Tree Technician Dhr. D. Vriend BSc Boomtechnisch adviseur en European Tree Technician Dhr. H. Otter Boomtechnisch adviseur en European Tree Technician
Auteur(s): Dhr. H. Otter Dhr. T. van de Hoef Dhr. A.C. van Polen
Projectleider: Dhr. A.C. van Polen European Tree Technician
Datum: 31 mei 2021
Status: Definitief
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 1
Inhoud
Inhoud........................................................................................ 2 Inleiding ..................................................................................... 3 1 Onderzoeksmethode ........................................................... 4 2 Onderzoeksresultaten ......................................................... 5 3 Advies ............................................................................... 12 Bijlage 1 Locatie onderzochte bomen ........................................... Bijlage 2 Toelichting onderzoeksmethode ............................... Bijlage 3 Uitgebreide resultaten trekproef ................................... Bijlage 4 Uitkomsten H/D verhoudingen ...................................... Bijlage 5 Bodemopbouw per boom ............................................... Bijlage 6 Kaart resultaten H/D verhouding en trekproeven ..........
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 2
Inleiding In opdracht van de gemeente Almere heeft Pius Floris Boomverzorging Veenendaal, afdeling onderzoek & advies, de stabiliteit onderzocht van 40 bomen langs de Westerdreef. Verder zijn berekeningen gemaakt van de H/D verhoudingen van alle bomen langs deze dreef. Het onderzoek in dit rapport heeft plaatsgevonden tussen eind januari en eind april, aan de Westerdreef in Almere Haven.
De aanleiding voor dit onderzoek is de vermeende instabiliteit van de bomen. Hierdoor worden deze bomen als risicoboom beschouwd. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt een conclusies getrokken en een advies geformuleerd over de te nemen maatregelen.
Het doel van dit onderzoek is het vaststellen van de stabiliteit van de bomen en of deze duurzaam behouden kunnen worden.
Situatie De Westerdreef is een belangrijke wijkontsluitingsweg in Almere Haven. De bomen staan allemaal langs deze weg. De afstand tot de weg en plantafstand zijn per wegdeel verschillend. Er zijn verschillende cultivars toegepast van Populus x canescens, waaronder ‘Witte van Haamstede’ en ‘De Moffart’. Hieronder is een situatieschets weergegeven. De rode lijn is grofweg het onderzochte traject.
Leeswijzer Hoofdstuk 1: Onderzoeksmethoden; Hoofdstuk 2: Resultaten onderzoek en bijbehorende conclusie; Hoofdstuk 3: Advies; Bijlage 1: overzicht van de bomen die onderzocht zijn door middel van de trekproef; Bijlage 2: Nadere toelichting betreffende de onderzoeksmethode; Bijlage 3: Uitgebreide resultaten van de uitgevoerde trekproeven; Bijlage 4: Omschrijving bodemopbouw per boom; Bijlage 5: Overzichtslijst met de H/D verhoudingen/basisveiligheidswaarde van alle bomen. Bijlage 6: kaart resultaten H/D verhouding en trekproef
Figuur 1 Rode lijn is globaal het onderzochte traject
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 3
1 Onderzoeksmethode Selectie bomen
Om een beeld te krijgen van de stabiliteit van de bomen langs de Westerdreef is een ruime steekproef uitgevoerd. De selectie van de bomen heeft plaatsgevonden doormiddel van loting en selectie in ‘het veld’.
In totaal is bij 40 bomen een trekproef uitgevoerd. 20 bomen zijn door middel van loting geselecteerd (aselect). De andere 20 bomen zijn geselecteerd door de uitvoerende boomadviseurs. Hierbij is afwisselend gelet op bijvoorbeeld scheefgroei, schades of andere afwijkingen. Om een zo compleet mogelijk beeld te verkrijgen zijn ook willekeurige bomen zonder afwijkingen onderzocht.
Boomtrekproef
De boomtrekproef richt zich op de analyse van windbelasting waarbij aan de hand van een proefbelasting de buiging van de stam en kanteling van de wortelkluit worden gemeten. Door deze meetwaarden te extrapoleren kan een bezwijkmoment worden berekend. De procedure richt zich daarom op de twee meest voorkomende vormen van instabiliteit: stambreuk en windworp. De boomtrekproef is gebaseerd op de vraag of de windbelasting gedurende een windstoot kritieke deformatie (vervorming) van de marginale houtvezels of de verankering van de wortelkluit veroorzaakt. Daarom wordt er ook rekening gehouden met de houteigenschappen. 1 Het proces van windworp met verschillende boomsoorten en groeiplaatsaspecten is in talrijke proeven vastgelegd.2
Als een stam in de wind beweegt strekken de houtvezels aan de trekzijde en worden de vezels aan de duwzijde samengedrukt. Deze spanning kan worden gemeten met gevoelige apparatuur, de elastometer genaamd. Onder belasting buigen de stabiliteitswortels vlakbij de stam, waardoor de stam en de gehele wortelplaat in staat zijn over te hellen. Gespecialiseerde hoekmeters (inclinometers) kunnen deze onzichtbare reactie/helling opmerken.2
De breukveiligheid van de stam wordt bepaald door de spanning in de marginale houtvezels vast te leggen (elastomethode). Het kiepmoment van de wortelkluit kan worden bepaald door de helling van de wortelkluit te analyseren onder invloed van de toegepaste belasting (inclinomethode).2 De ArboStat software verwerkt de metingen van de elastometers en de inclinometers evenals algemene kenmerken zoals boomhoogte, stamdiameter, kroonoppervlakte en de hoek waaronder de last wordt toegepast.
De standaard veiligheidsfactor is 1,5 (is gelijk aan 50% veiligheidsmarge) om de windstoten tijdens een storm met windkracht 9 Beaufort (windsnelheid 32,5 m/s (117 km/u) = ondergrens 12 Bft) te kunnen doorstaan. De berekening gaat uit van een windbelasting tijdens het groeiseizoen (voor loofbomen), waarop de aerodynamische factor cD is gebaseerd.
Aan de hand van de trekproef wordt de veiligheidsfactor berekend. Het is een combinatie van de volgende factoren: H/D verhouding, beschutting, windzone, kanteling wortelgestel.
1 A. Detter, E. Brudi en F. Bischoff, 2005. Statics integrated methods: results from pulling tests in the past decades. Brudi & Partner TreeConsult, Gauting. 2 Zie L. Wessolly en M. Erb, 1998. Handbuch der Baumstatik und Baumkontrolle. Patzer Verlag, Berlijn.
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 4
De hierboven beschreven onderzoeksmethode is nader uitgewerkt in bijlage 2. Hierin is een memo opgenomen, geschreven naar aanleiding van de discussie omtrent de gebruikte aannames en onderbouwing van de gebruikte methode van de boomtrekproef.
De boomtrekproef is een momentopname. De boomtrekproeven hebben plaatsgevonden op 25, 26, 27 januari, 1, 2, 3, 4 februari en 3 maart 2021.
H/D verhoudingen
Een belangrijk punt bij de toename van windgevoeligheid bij bomen, is de toenemende verhouding van boomhoogte / stamdiameter-verhouding (H/D). In dit rapport aangegeven als boomhoogte/stamomtrek-verhouding. In eerste instantie kwam dit al duidelijk naar voren in de eerste uitkomsten van het trekproefonderzoek. Uiteindelijk is daarom besloten om alle bomen te beoordelen op de H/D verhoudingen. Hiervoor zijn de boomhoogte en de stamomtrek/diameter opgenomen. Verder is van iedere boom een foto genomen. Deze gegevens zijn later verwerkt in het programma welke wordt gebruikt voor de boomtrekproef. Alle parameters (H/D verhouding, kroongrootte, windprofiel, scheefstand, mate van beschutting) vormen na doorrekening een getal, de (theoretische) basisveiligheidswaarde. De veldwerkzaamheden betreffende de H/D verhoudingen zijn uitgevoerd op 8 en 12 t/m 14 april.
Aan de hand van de H/D verhouding wordt de basisveiligheidswaarde berekend. Het is een combinatie van de volgende factoren: H/D verhouding, windzone en beschutting.
2 Onderzoeksresultaten
2.1 Uitkomsten boomtrekproef De 40 bomen zijn onderzocht met behulp van de trekproef om eventuele/vermeende instabiliteit te onderzoeken (kans op windworp en/of stambreuk). Voor het onderzoek is één elastometer en zijn twee inclinometers gebruikt. Per boom zijn minimaal twee metingen verricht. In de berekeningen is Populus nigra als referentieboom gebruikt, deze ligt het dichtst bij P. canescens wat betreft de houteigenschappen.
In de onderstaande tabel staat de basis veiligheidsfactor vermeld en de laagst gemeten veiligheidsfactor voor het wortelgestel en de stam. Als de waardes lager zijn dan de gewenste veiligheidsfactor 1,5 (norm; zie paragraaf onderzoeksmethode) en lager dan de veiligheidsfactor 1,0 worden ze in rood (<1) of oranje (1-1,4) weergegeven. Alle resultaten zijn terug te vinden in de grafieken in de bijlage (zie calculated tipping stability voor de stabiliteit van het wortelgestel (standvastheid) en calculated fracture stability voor breukveiligheid van de stam).
De basisveiligheidswaarde toont de stabiliteit op basis van een theoretische windlastberekening. Deze waarde geeft de verhouding weer aan de hand van de boomhoogte, stamdiameter, kroonoppervlakte en beschutting. Hoe hoger dit getal ligt, hoe beter de boom theoretisch in balans staat. Dit staat echter los van de werkelijke stabiliteit van het wortelgestel en de stam aan de hand van de meetgegevens. Wanneer de veiligheidsfactoren van het wortelgestel en/of de stam achter blijven ten opzichte van de basisveiligheidswaarde is er (vaak) sprake van een afwijkende situatie.
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 5
boomnummer veiligheidsfactor basis wortelgestel stam 10240 1,4 2,1 1,8 11953 1,5 1,8 2,3 12054 1,7 1,5 1,8 12621 0,6 1,0 0,8 2126 1,3 1,3 1,8 2128 2 1,4 2,0 2453 1,2 1,1 1,3 3169 1 1,4 1,5 3272 0,8 0,8 0,8 4608 1,9 1,7 1,9 5361 1,2 1,5 1,7 7363 1,9 2,7 2,4 7484 1,2 1,3 1,4 7553 1,4 1,2 1,4 7583 0,9 1,1 0,9 7585 0,8 1,3 1,1 7601 1,0 1,1 0,8 7632 1,1 1,4 1,5 7633 1,2 1,8 1,6 7637 1,0 1,4 1,5 7661 0,9 0,9 0,9 7706 1,1 1,4 1,3 7708 1,5 1,5 1,7 7720 1,4 1,6 1,7 7746 0,5 1,2 0,6 7781 0,6 0,8 1,1 7799 2,1 1,8 2,5 7800 1,5 1,6 1,6 7802 1,7 1,4 1,8 7935 2,1 1,7 2,1 7967 1,2 1,7 1,5 8003 1,1 1,3 1,3 8044 0,8 1,2 0,9 8418 1,4 1,4 1,4 8559 1,4 1,2 1,5 8832 1,3 1,5 1,3 8860 4,0 3,4 3,8 8919 1,3 1,8 1,6 9063 1,1 1,2 1,3 10667 1,7 1,5 2,5
2.2 Uitkomsten H/D verhoudingen Bij de bomen die niet onderworpen zijn aan de trekproef is de H/D verhouding gemeten en bewerkt. De boomhoogte is in meters gemeten, de stamomtrek in centimeters. In bijlage 3 is
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 6
een Excel-lijst opgenomen met de volledige opnamegegevens en uitkomsten. Het getal van de basis veiligheidswaarde (Basic Safety) geeft de theoretische veiligheidswaarde, waarbij 1 = 100% de basis zonder reserve is en bijvoorbeeld 1,2 = 20% reserve heeft. De bomen die onder de 1 scoren hebben een slechte theoretische veiligheidswaarde, hoe lager het getal hoe hoger de potentiele kans op stambreuk en/of windworp.
In totaal zijn 206 bomen getoetst en doorberekend. Hiervan ligt bij 43 stuks (ca. 21 %) de basisveiligheidswaarde onder de 1,0. In tabel 2 zijn de verschillende boomnummers onderverdeeld in de basisveiligheidswaardes.
Basisveiligheidswaarde <1 (43 stuks) 3170 3171 3218 3474 3821 5236 5652 7138 7139 7362 7364 7520 7540 7554 7556 7557 7582 7584 7607 7608 7658 7659 7660 7709 7710 7725 7726 7782 7901 7928 8045 8404 8558 8665 8825 8832 9056 9057 9074 10224 10923 12082 12630 Basisveiligheidswaarde 1-1,4 (86 stuks) 2118 2124 2129 2452 3150 3152 3192 3219 3270 3271 4400 4609 4610 4611 7137 7496 7498 7500 7504 7542 7548 7555 7581 7602 7603 7609 7610 7636 7640 7662 7684 7685 7713 7715 7719 7721 7714 7718 7731 7744 7745 7748 7749 7753 7764 7779 7780 7783 7786 7806 7938 7966 7968 7984 8010 8011 8013 8025 8028 8029 8030 8041 8042 8265 8295 8416 8561 8623 8664 8920 8953 8954 8984 9132 9697 9735 9750 9751 10238 10297 10299 10354 10486 11950 11951 12672
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 7
Basisveiligheidswaarde 1,5 en >1,5 (77 stuks) 2125 2127 2150 2151 3033 3035 3036 3061 3081 3082 3151 3190 3191 3193 3194 3195 3274 3499 3544 3548 5461 7378 7499 7501 7541 7552 7586 7591 7604 7605 7634 7635 7638 7639 7705 7711 7707 7722 7727 7730 7747 7752 7758 7762 7763 7765 7766 7776 7777 7778 7801 7833 7903 7969 8014 8015 8043 8264 8414 8415 8417 8721 8727 8824 8827 8952 8957 9087 9133 9769 10189 10227 10319 10328 10673 10832 12697
2.3 Bodemopbouw Bij alle bomen waar een boomtrekproef is uitgevoerd, is ook een grondboring gedaan om de bodemopbouw in kaart te brengen. De bodemopbouw per boom is (inclusief foto’s) weergegeven in bijlage 3.
De bodemopbouw is zeer wisselend. Wel wordt er bij de meeste boringen een (opgespoten) zandlaag aangetroffen. Meestal begint deze laag tussen de 40 en 100 cm centimeter diepte. De (opgespoten) zandlaag is sterk verdicht. De overige lagen bestaan uit kleiig zand. De toplaag is humeus. Beworteling is voornamelijk aangetroffen in de bovenste, lossere klei/zandlagen. In de humusloze zandlaag hieronder is geen beworteling aangetroffen. Een enkele keer zijn dunne (water)opnamewortels aangetroffen in de diepere lagen.
Grondwater is meestal niet aangetroffen tot 120 centimeter diepte. Een enkele keer is dit rond de 100 centimeter diepte aangetroffen, dit zijn locaties waar het maaiveld lager ligt dan de nabijgelegen asfaltweg.
2.4 Conclusie Boomtrekproeven Uit de resultaten van de boomtrekproeven kan het volgende worden geconcludeerd: 3 bomen hebben een veiligheidsfactor onder de 1,0. Dit komt neer op 7,5% van het totaal. De stabiliteit van deze bomen is duidelijk verminderd. 20 van de 40 onderzochte bomen (50%) hebben een veiligheidsfactor van het wortelgestel tussen de 1,0 en de 1,5 en halen daarmee niet de gewenste veiligheidsfactor van 1,5; 17 bomen hebben de veiligheidsfactor van 1,5 en hebben daarmee de gewenste veiligheidsmarge van 50% Bomen die slechter uit de trekproef komen, zijn doorgaans hoger dan bomen die een beter veiligheidsfactor (wortelgestel) hebben.
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 8
Er zijn diverse bomen welke een slechte veiligheidsfactor hebben op de stam. Deze lage waarden dienen echter genuanceerd te worden. De slechte veiligheidsfactor is te verklaren door de hoge mate van beschutting: de meeste bomen groeien op in een ‘bossituatie’. Hierdoor is de stamdikte minder relevant, de bomen zorgen onderling voor voldoende windvang. De hoogte- dikte verhouding verschilt hierdoor sterk van een boom die solitair groeit. Het stamhout is vele malen flexibeler, wat in de relatief lage veiligheidsfactor terugkomt. Bij plotseling wegvallen van de beschutting kan dit echter wel leiden tot een verhoogd risico op stambreuk. Andere mogelijke oorzaken als rotting of holtes zijn niet aangetroffen.
Figuur 2 Overzicht veiligheidsfactor wortelstel
Verspreiding resultaten boomtrekproef In figuur 3 is zichtbaar hoe de resultaten verspreid zijn over de Westerdreef. Hierin is wel een opvallende verdeling te zien. De bomen tussen de Keiwierde en Nijvergouw komen nagenoeg allemaal slecht uit de test. Hier zijn geen opvallende verschillen in bodemopbouw zichtbaar. Verder is het aantal bomen met een veiligheidsfactor (wortelgestel) tussen de 1,0 en 1,5 het grootst in het noordelijk deel.
Figuur 3 Verdeling resultaten trekproef
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 9
H/D verhoudingen en basisveiligheidswaarde Uit de resultaten van de metingen betreffende de H/D verhoudingen en basisveiligheidswaarde kan worden geconcludeerd dat de aanwezige populieren bijna allemaal een afwijkende H/D verhouding hebben en daardoor een lage basisveiligheidswaarde.
De bomen met een basisveiligheidswaarde < 1,0 zijn (in theorie) potentieel onveilig vanwege de sterk afwijkende H/D verhouding. Daarbij ligt, net als bij de uitgevoerde boomtrekproeven, het zwaartepunt in het noorden van het onderzoeksgebied. In figuur 4 is een overzicht van de resultaten te zien, waarbij de bomen met een H/D van < 1 in rode cirkels zijn aangegeven en de bomen van 1 of > 1 in groene cirkels.
Figuur 4 Verdeling resultaten H/D verhouding
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 10
In figuur 5 is de verdeling van de resultaten van de trekproeven en de resultaten uit het onderzoek naar de H/D verhouding gecombineerd tot één kaart. Een uitvergrote versie van deze kaart is opgenomen in bijlage 6.
Figuur 5 Verdeling resultaten H/D verhouding en trekproef
Resultaten i.r.t. bodemopbouw Individuele bomen De resultaten van de boomtrekproeven en de bijbehorende grondboring en bodemopbouw zijn met elkaar vergeleken. Er is geen directe relatie te leggen tussen een boom met een lage/hoge veiligheidsfactor (wortelgestel) en de bodemopbouw op de locatie van de betreffende boom.
Algemeen Aangezien ca 57% van de bomen niet de gewenste veiligheidsfactor of basisveiligheidswaarde haalt van 1,5, kan worden geconcludeerd dat de bodemopbouw in het algemeen (opgespoten zand in combinatie met een opgebrachte (klei)grond), een negatief effect heeft op de stabiliteit van de bomen. De bomen hebben een beperkte laag tot hun beschikking om in te wortelen. Dit resulteert in een dun wortelpakket wat kan worden vergeleken met wortelpakketten bij een vaste hoge grondwaterstanden of zeer arme, hooggelegen zandgronden. De bomen zijn hier gevoelig voor windworp, zeker in afwijkende situaties zoals wegvallen van beschutting.
De opgespoten zandlagen zijn sterk verdicht en bevatten nagenoeg geen voedingsstoffen. Beworteling is in deze lagen dan ook nauwelijks aangetroffen. De doorwortelbare ruimte is beperkt. De (stabiliteits-)beworteling bevindt zich (gemiddeld gezien) in de bovenste 50 cm, een enkele ‘waterhaler’ naar het dieper gelegen grondwater, uitgezonderd.
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 11
3 Advies Algemeen De gemeente Almere is verantwoordelijk voor de veiligheid van het bomenbestand, zeker bij de drukke uitvalsweg die de Westerdreef is. Uit de trekproeven en het onderzoek naar H/D verhoudingen komt naar voren dat er een aantal bomen staan met, in theorie, een verhoogd risico op windworp. Daarnaast is bij een aantal bomen, door middel van de boomtrekproef, aangetoond dat ze verminderd stabiel zijn. Om het risico op (letsel) schade te minimaliseren dienen maatregelen te worden genomen. De maatregelen kunnen bestaan uit vervangen en/of snoeien. In beide gevallen zorgen verandering van de windvang bij naastgelegen bomen voor mogelijk verergerde stabiliteitsproblemen in de toekomst. Hierdoor kunnen deze potentieel gevaarlijk worden wanneer er sprake is van onvoldoende stabiliteit. Beschutting is een belangrijke factor welke zwaar weegt bij de berekening van de veiligheidsfactor en dus van grote invloed is op de uitkomst van de boomtrekproef. Wanneer in de berekening de beschutting (volledig) weg wordt gelaten, heeft een groot deel van de bomen onvoldoende veiligheidsmarge. De veiligheidsfactor neemt dan ongeveer met 0,3 (30%) af.
Toekomstbeeld voor de grauwe abelen De in het vorige hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten en conclusie laten zien dat er op dit moment sprake is van een stabiliteitsprobleem bij een groot deel van de aanwezige bomen: namelijk ca 57 % voldoet niet aan de gewenste veiligheidsmarge. Bij 7,5% hiervan is sprake van acute instabiliteit. Belangrijke oorzaak is de ontoereikende groeiplaats (matige bodemopbouw en sterke verdichting van de zandlaag). De bomen wortelen oppervlakkig in een dunne laag opgebrachte (klei)grond. Veel bomen zijn nog niet volgroeid en zullen de komende jaren in omvang toenemen. Alleen als de H/D verhouding verbeterd, zal het niet meer problemen opleveren. Als dit niet het geval is, neemt de windvang toe en kunnen er serieuze stabiliteitsproblemen ontstaan.
Advies PF voor toekomstig beheer Om een veilige Westerdreef in de toekomst te garanderen dienen maatregelen te worden genomen. De Westerdreef bestaat nu uit een éénzijdig bomenbestand met een beperkte levensduur en een matige tot slechte groeiplaats. Uit de verschillende onderzoeken blijken een groot aantal bomen in meer of mindere mate onveilig te zijn. Het advies van Pius Floris Boomverzorging is om de gehele structuur te vervangen. Er kan dan een nieuwe duurzame en biodiverse invulling gegeven worden aan deze belangrijke bomenstructuur. Aanplant van verschillende bomen in een goede groeiplaats is daarbij van groot belang. Op deze wijze kan gehoor worden gegeven aan de eisen uit het Bomenkader van de Gemeente Almere. De bomen langs de hoofdstructuren dienen voor een periode van 80 jaar duurzaam te kunnen uitgroeien tot waardevolle/monumentale bomen.
Vanwege de gevoeligheid om ineens te vervangen worden in totaal drie verschillende scenario’s aangedragen: alles vervangen of vervangen in fasen of snoeien. Hieronder worden de voor- en nadelen per scenario vastgelegd, in volgorde van optimale veiligheid.
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 12
1.Vervangen van het totale bomen bestand
Vanuit de onderzoeksresultaten mag worden afgeleid dat er een groot aantal bomen een verhoogd risico hebben op windworp. De uitkomst van de trekproef in combinatie met de resultaten van de H/D verhoudingen en de matige/slechte groeiplaats geven dit matige totaalbeeld. Om het verhoogde risico in één keer weg te nemen is een totale vervanging het eerste scenario. Na het vellen van de bomen kunnen er nieuwe groeiplaatsen worden gecreëerd. Daarnaast kan er een klimaatbestendig ontwerp worden gemaakt dat gericht is op een grotere biodiversiteit van keuze van het sortiment, zoals in het Bomenkader van de gemeente Almere staat beschreven. Met een geheel nieuwe inrichting van de Westerdreef en met de juiste nazorg ontstaat een laan die deze functie kan vervullen. Met het aanplanten van een zwaardere maat bomen wordt een herstel van een lommerrijke dreef in een beperkt tijdsbestek gerealiseerd.
2.Vervangen in fasen
Figuur 5 uit het onderzoeksrapport geeft duidelijk weer dat het zwaartepunt van het verhoogde risico ligt in het noorden van de Westerdreef. Het gaat hierbij om het gebied boven de rotonde van de Uithof/Keiwierde. Hier staan namelijk de meeste bomen met een verhoogd risico. Fase 1 bestaat uit het vervangen van alle bomen (totaal 137 bomen) in het noordelijk gedeelte en de bomen met een veiligheidsfactor en basisveiligheidswaarde < 1 uit het zuidelijke gedeelte (totaal 8 bomen). De bomen in het zuidelijke deel dienen gesnoeid te worden, om voldoende veiligheid te garanderen. Naast het (sterk) innemen van de kroon dient ook uitdun snoei toegepast te worden. In naast staande figuur 6 staat een voorbeeld van de gewenste snoeilijnen. Monitoring van de gesnoeide bomen dient jaarlijks worden uitgevoerd om de risico’s duidelijk in kaart te brengen/houden. De tweede fase bestaat uit het vervangen van de overige 101 bomen in het zuidelijke deel. Figuur 6 Voorbeeld snoeilijnen 3.Snoeien
Als eerste dienen de 3 ‘slecht’ scorende bomen, uit de trekproef, te worden verwijderd. Theoretisch geldt dit ook voor de slecht scorende (<1) bomen uit het onderzoek naar de H/D verhouding. Daarna dienen de resterende bomen (sterk) ingenomen te worden. Monitoring van het gehele gebied dient jaarlijks te worden uitgevoerd om de reactie op het snoeien en de boomveiligheid duidelijk in kaart te brengen/houden. Het uitvoeren van snoeimaatregelen om de windvang te beperken, hebben vaak een negatief effect op het bomenbestand. De werkzaamheden zijn verder tijdelijk van aard. De conditie en vitaliteit van de bomen wordt negatief beïnvloed door het plots wegnemen van een groot deel van het bladoppervlak. Daarnaast lopen ingenomen (gestel)takken slechter uit omdat ze, door omliggende bomen, minder van het licht profiteren. De kans bestaat dat kroondelen af sterven. Ook wordt de kroonvorm (habitus) sterk aangetast bij deze zware snoeiingrepen. Daarnaast is
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 13
de kans reëel dat grote snoeiwonden in gaan rotten, waardoor de bomen op den duur voor een groter veiligheidsrisico kunnen zorgen. Wanneer de bomen wél weer volledig uitlopen, zullen de problemen terugkeren naarmate de bomen hun volledige omvang weer bereiken. Beheerkosten zijn bij dergelijke ingrepen altijd hoger dan bij ‘normaal’ beheer van een boom vanwege het terugkerende karakter van een grote snoeiingreep. Bij de bomen met een veiligheidsfactor (wortelgestel) tussen 1,0 en 1,4 kan uitdunsnoei worden toegepast om zo de krachten op het wortelstel af te doen nemen. De veiligheidsfactor wordt hiermee wat verhoogt waardoor de bomen minder frequent onderzocht dienen te worden. Dit is echter een oplossing welke hoge beheerkosten met zich meebrengt en ook terugkerend van aard is. Regelmatige monitoring van de bomen is ook vereist vaak in combinatie met nader onderzoek naar ontstane gebreken.
Hieronder wordt in een schema aangegeven wat de voor- en nadelen per scenario zijn:
Uitvoering Voordelen Nadelen
Scenario 1 Eén werkgang Beeld verlies vervanging ineens Wegnemen alle risico’s Tijdelijk vermindering ecologische waarden Groeiplaats verbeteren Bevorderen biodiversiteit Bevorderen klimaatbestendigheid Een homogeen beeld Richtlijnen Bomenkader te behalen Scenario 2 (tijdelijk)Behoud van een aantal Meer monitoring vervanging in fasen bomen Wegnemen grootste risico’s Geen homogeen beeld en eindresultaat Groeiplaats verbeteren Kosten technisch duurder Bevorderen biodiversiteit Vaker overlast door werkzaamheden Bevorderen klimaatbestendigheid Leeftijd divers bomenbestand
Scenario 3 Snoei Tijdelijk behoud bomen Hoge beheer kosten Tijdelijk (deels) behoud ecologische Onbekend risico toekomst waarden Tijdelijk resultaat Meer monitoring Uitstellen van de ingreep
Bomen in bosplantsoen Bij uitvoering van scenario 1 of 2 is het van belang dat rekening gehouden wordt met dat er ook verschillende andere bomen in het bosplantsoen, rondom de onderzochte populieren staan. Bij deze bomen is de H/D verhouding, net als bij de populieren, ongunstig. Wanneer scenario 1 of 2 uitgevoerd wordt, zullen deze bomen gelijktijdig vervangen of gesnoeid moeten worden.
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 14
Slotwoord
Voor welk scenario er ook gekozen gaat worden, er dient in ieder geval rekening worden gehouden met de aanwezigheid van risicobomen. Om de veiligheid te kunnen garanderen zullen de beoogde werkzaamheden binnen een periode van 6 maanden moeten worden uitgevoerd.
Dit rapport is naar waarheid opgemaakt te Veenendaal, 31 mei 2021.
Ing. W.A. van Ginkel Directeur Pius Floris Boomverzorging Veenendaal
© Pius Floris Boomverzorging Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, in enige vorm of op enige wijze, zonder voorafgaande toestemming van de auteur. Informatie: www.piusfloris.nl
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 15
Bijlage 1 Locatie onderzochte bomen In deze bijlage zijn de locaties van de onderzochte bomen weergegeven. De zijn verdeeld over vier afbeeldingen, om de boomnummers leesbaar te houden.
Legenda: Geel = boom bepaald door ‘eigen keus’ Blauw = boom bepaald door ‘loting’ Groen = overige bomen (populieren)
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 16
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 17
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 18
Bijlage 2 Toelichting onderzoeksmethode In deze bijlage is een memo van dhr, Ing. D. de Goederen opgenomen naar aanleiding van gestelde vragen over de door Pius Floris Boomverzorging gebruikte methoden omtrent de boomtrekproef.
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 19
Bijlage 3 Uitgebreide resultaten trekproef In deze bijlage worden, per boom, de volledige resultaten van de trekproeven weergegeven. Deze bijlage volgt in de definitieve versie van de rapportage.
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 20
Bijlage 4 Uitkomsten H/D verhoudingen In deze bijlage is de Excellijst met een samenvatting van de uitkomsten opgenomen. De complete gegevens volgen bij de definitieve versie van de rapportage.
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 21
Bijlage 5 Bodemopbouw per boom In deze bijlage is per boom de bodemopbouw weergegeven. Per boom wordt ook de veiligheidsfactor van het wortelgestel vermeld. Grondwater is in de meeste gevallen tot 120 cm onder maaiveld niet aangetroffen. Wanneer dit wel aangetroffen is, dan staat dit vermeld. Beworteling is vaak beperkt aanwezig in de boringen. Wanneer hier wortels zijn aangetroffen, staat dit vermeld in de omschrijving van het bodemprofiel.
Deze bijlage volgt in de definitieve versie van de rapportage.
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 22
Bijlage 6 Kaart resultaten H/D verhouding en trekproeven
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 23
Bijlage 1 Locatie onderzochte bomen In deze bijlage zijn de locaties van de onderzochte bomen weergegeven. De zijn verdeeld over vier afbeeldingen, om de boomnummers leesbaar te houden.
Legenda: Geel = boom bepaald door ‘eigen keus’ Blauw = boom bepaald door ‘loting’ Groen = overige bomen (populieren)
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 16
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 17
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 18
Bijlage 2 Toelichting onderzoeksmethode In deze bijlage is een memo van dhr, Ing. D. de Goederen opgenomen naar aanleiding van gestelde vragen over de door Pius Floris Boomverzorging gebruikte methoden omtrent de boomtrekproef.
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 19
Reactie van D. de Goederen op Notitie van Jitze Kopinga betreffende 40 trekproeven Westerdreef, Almere
Randvoorwaarden en aannames
De veiligheidsfactor 1 staat voor de ondergrens van windkracht 12 (orkaan). Dit komt overeen met de windstootsnelheid bij windkracht 9 (storm in open landschap). Het zijn vooral de (herhaalde) windstoten die het omvallen van bomen veroorzaken.
Windexpositie
De blootstellingsfactor wordt bepaald op basis van de volgende criteria:
• 1,0 = volledige blootstelling, een solitaire boom • 0,9 = er is sprake van een gezamenlijk kronendak aan één zijde van de boom; dit betreft bijvoorbeeld een boom die aan de kop van een enkelvoudige bomenrij staat. • 0,8 = er is sprake van een gezamenlijk kronendak aan twee kanten; dit betreft bijvoorbeeld een kroon in een enkelvoudige bomenrij • 0,7 = er is sprake van een gezamenlijk kronendak waarbij de kroon beschutting heeft zodanig dat er niet of nauwelijks sprake is van directe winddruk uit een heersende windrichting
Statistische verdeling veiligheidsfactoren
Figuur 2 lijkt niet helemaal te kloppen, want wij hebben data aangeleverd waarbij 3 stuks een VF- stabiliteit < 1,0 hebben (0,8 of 0,9). Bovendien lijkt de schaal van de x-as niet te kloppen.
Discussie
1. De 150% veiligheidsmarge is afkomstig van de norm NEN-EN 1991-1-4 Eurocode 1 windbelasting op constructies. Deze marge is daarmee een afspraak om veiligheid te borgen. Of de grens opgeschoven zou kunnen worden voor bomen, is inderdaad onbekend. Vanwege aansprakelijkheid kunnen individuele bedrijven niet zelfstandig deze norm bijstellen. De onderzoeksmethode is beschreven door Brudi, E., and P. van Wassenaer. 2001 (Trees and statics: Nondestructive failure analysis. In Smiley, E.T., and K.D. Coder (Eds.). Tree Structure and Mechanics Conference Proceedings: How Trees Stand Up and Fall Down. October 2001, Savannah, GA. International Society of Arboriculture, Champaign, IL. pp. 53–70). 2. Dit klopt. We weten dat we in Europa meer dan 10.000 bomen getest hebben met deze methode en dat van de veilig bevonden bomen slechts enkele bomen toch omgewaaid zijn (discussie enkele jaren geleden binnen onze beroepsvereniging). Echter, orkanen hoeven niet afgewacht te worden, omdat dezelfde windsnelheid bereikt wordt tijdens de windstoten horende bij windkracht 9. Omdat het zeileffect (A x cd) pas echt bereikt wordt als bomen in blad staan, betreft dit de minder voorkomende zomerstormen. 3. Er is een invloed van factoren die door de expert worden bepaald. Omdat hier sprake kan zijn van een foutmarge t.a.v.
de werkelijkheid is de 150% veiligheidsmarge ook gewenst, omdat de factoren evengoed onderschat als overschat kunnen worden.
De uitkomst van de basisveiligheid wordt o.a. bepaald door de H/D verhouding en het kroonoppervlak. Bomen die vanwege hun nadelige concurrentiepositie een hoge h/d verhouding hebben, scoren een lagere basiswaarde.
Bijlage 3 Uitgebreide resultaten trekproef In deze bijlage worden, per boom, de volledige resultaten van de trekproeven weergegeven. Deze bijlage volgt in de definitieve versie van de rapportage.
Pius Floris Boomverzorging Veenendaal | Stabiliteitsonderzoeken, Westerdreef 20
Wind Load Analysis analogous to DIN 1055-4 Tree No. 7632
Project Site Project Name Almere Westerdreef Project Number 09P2000384 Almere, NL Test Date 1-2-2021 Altitude a. sea level 0 m
Tree Data Applied Material Properties Tree Species Populus canescens as for Populus nigra Stem circumference 144 cm Source Stuttgart Stem Diameter || 46 cm Compressive Strength 20 MPa in 1m height _|_ 47 cm Modulus of Elasticity 7200 MPa Bark Thickness 1 cm Limit of Elasticity 0,28 % Tree Height 23,2 m Green Density 0,95 g/cm³
Crown Outline
Load Direction sw Surface Area Analysis Crown Base 8 m Effective Height 17,1 m Total Surface Area 81 m² Crown Eccentricity 3,11 m
Applied Structural Parameters Drag Factor 0,2 Natural Frequency 0,31 Hz Damping Decrement 0,84 Form Factor for Dead Weight 0,8
Applied Site Parameters Windzone N2 Speed of Applied Design Wind Speed 22,5 m/s Air Density 1,29 kg/m³ Roughness Catagory Suburb Exponent for Wind Profile 0,22 Proximity Factor for Effects in Near Ground Wind Flow 1,1 Factor for Crown Exposure 0,70
Results Wind Load Analysis Tree Static Analysis Mean Wind Pressure 3,3 kN Dead Weight Tree 2,7 t Gust Reaction Factor 2,63 Critical Degree of Hollowness 45 % Load Centre 16,8 m Critical Residual Wall Thickness 12 cm Torsion Moment 27 kNm Assuming an Uncompromised Residual Wall Design Wind Load 146 kNm Basic Safety Factor 1,1 General Comments
Pius Floris Boomverzorging © ArboSafe
Calculated Tipping Stability according to Pull Test Tree Data Project Almere Tree No. 7632 Tree Species Populus canescens Date 1-2-2021
Setup Pulling Test Height of the Stem Anchor 7,2 m Measurement No. 1 Rope Angle 18 ° Load Direction sw
Graphic Display (test data and best fit to tipping curve)
Inclinometer Measurement 80 81 Position ne.y nw.x
Tipping Stability (based on Generalized Tipping Curve) Safety Factor 1,45 1,37
Control Value in Standard Deviation % 2,45 2,19 Substitute Load % 50,6 50,6 Load Direction at Inclinometer xy-Axis x-Axis
General for Pull Test Consultant D. Vriend BSc. Witness / Assistant dhr. W.Van de Langemeen Measurement Comments
Pius Floris Boomverzorging © ArboSafe
Calculated Tipping Stability according to Pull Test Tree Data Project Almere Tree No. 7632 Tree Species Populus canescens Date 1-2-2021
Setup Pulling Test Height of the Stem Anchor 7,2 m Measurement No. 2 Rope Angle 18 ° Load Direction sw
Graphic Display (test data and best fit to tipping curve)
Inclinometer Measurement 80 81 Position ne.y nw.x
Tipping Stability (based on Generalized Tipping Curve) Safety Factor 1,5 1,39
Control Value in Standard Deviation % 2,79 3,62 Substitute Load % 51,1 51,1 Load Direction at Inclinometer xy-Axis x-Axis
General for Pull Test Consultant D. Vriend BSc. Witness / Assistant dhr. W.Van de Langemeen Measurement Comments
Pius Floris Boomverzorging © ArboSafe
Calculated Fracture Stability according to Pull Test Tree Data Project Almere Tree No. 7632 Tree Species Populus canescens Date 1-2-2021
Setup Pulling Test Height of the Stem Anchor 7,2 m Measurement No. 1 Rope Angle 18 ° Load Direction sw
Graphic Display (test data and best linear fit)
Elastometer Measurement in 90 92 Measurement Height m 1 1 Position sw ne Stem Diameter 1 cm 46 46 Stem Diameter 2 cm 47 47 Bark Thickness cm 1 1 Load part % 100 100 Breaking Stability (derived from the gradient of the best linear fit) Safety Factor 1,51 1,5 Control Value Coefficient of Determination R² 0,9989 0,9989 Residual Stiffness % >100 >100 Degree of Hollowness % 0 0 Compression originating from Dead Weight % 0,8 0,8 Substitute Load % 46 46
Pius Floris Boomverzorging © ArboSafe
Calculated Fracture Stability according to Pull Test Tree Data Project Almere Tree No. 7632 Tree Species Populus canescens Date 1-2-2021
Setup Pulling Test Height of the Stem Anchor 7,2 m Measurement No. 2 Rope Angle 18 ° Load Direction sw
Graphic Display (test data and best linear fit)
Elastometer Measurement in 90 92 Measurement Height m 1 1 Position sw ne Stem Diameter 1 cm 46 46 Stem Diameter 2 cm 47 47 Bark Thickness cm 1 1 Load part % 100 100 Breaking Stability (derived from the gradient of the best linear fit) Safety Factor 1,52 1,48 Control Value Coefficient of Determination R² 0,999 0,999 Residual Stiffness % >100 >100 Degree of Hollowness % 0 0 Compression originating from Dead Weight % 0,8 0,8 Substitute Load % 46,7 46,4
Pius Floris Boomverzorging © ArboSafe
Wind Load Analysis analogous to DIN 1055-4 Tree No. 10240
Project Site Project Name Almere Westerdreef Project Number 09P2000384 Almere, NL Test Date 1-2-2021 Altitude a. sea level 0 m
Tree Data Applied Material Properties Tree Species Populus canescens as for Populus nigra Stem circumference 173 cm Source Stuttgart Stem Diameter || 54 cm Compressive Strength 20 MPa in 1m height _|_ 56 cm Modulus of Elasticity 7200 MPa Bark Thickness 1 cm Limit of Elasticity 0,28 % Tree Height 22,5 m Green Density 0,95 g/cm³
Crown Outline
Load Direction e Surface Area Analysis Crown Base 6,8 m Effective Height 16,2 m Total Surface Area 109 m² Crown Eccentricity 0,33 m
Applied Structural Parameters Drag Factor 0,2 Natural Frequency 0,31 Hz Damping Decrement 0,74 Form Factor for Dead Weight 0,8
Applied Site Parameters Windzone N2 Speed of Applied Design Wind Speed 22,5 m/s Air Density 1,29 kg/m³ Roughness Catagory Suburb Exponent for Wind Profile 0,22 Proximity Factor for Effects in Near Ground Wind Flow 1,1 Factor for Crown Exposure 0,80
Results Wind Load Analysis Tree Static Analysis Mean Wind Pressure 4,9 kN Dead Weight Tree 3,8 t Gust Reaction Factor 2,63 Critical Degree of Hollowness 66 % Load Centre 15,6 m Critical Residual Wall Thickness 10 cm Torsion Moment 4 kNm Assuming an Uncompromised Residual Wall Design Wind Load 202 kNm Basic Safety Factor 1,4 General Comments
Pius Floris Boomverzorging © ArboSafe
Calculated Tipping Stability according to Pull Test Tree Data Project Almere Tree No. 10240 Tree Species Populus canescens Date 1-2-2021
Setup Pulling Test Height of the Stem Anchor 6,8 m Measurement No. 1 Rope Angle 13,5 ° Load Direction e
Graphic Display (test data and best fit to tipping curve)
Inclinometer Measurement 80 81 Position w.y n.x
Tipping Stability (based on Generalized Tipping Curve) Safety Factor 2,37 2,1
Control Value in Standard Deviation % 3,18 5,29 Substitute Load % 72,7 72,7 Load Direction at Inclinometer y-Axis x-Axis
General for Pull Test Consultant D. Vriend BSc. Witness / Assistant dhr. W.Van de Langemeen Measurement Comments
Pius Floris Boomverzorging © ArboSafe
Calculated Tipping Stability according to Pull Test Tree Data Project Almere Tree No. 10240 Tree Species Populus canescens Date 1-2-2021
Setup Pulling Test Height of the Stem Anchor 6,8 m Measurement No. 2 Rope Angle 13,5 ° Load Direction e
Graphic Display (test data and best fit to tipping curve)
Inclinometer Measurement 80 81 Position w.y n.x
Tipping Stability (based on Generalized Tipping Curve) Safety Factor 2,4 2,16
Control Value in Standard Deviation % 3,48 5,15 Substitute Load % 74,9 74,9 Load Direction at Inclinometer y-Axis x-Axis
General for Pull Test Consultant D. Vriend BSc. Witness / Assistant dhr. W.Van de Langemeen Measurement Comments
Pius Floris Boomverzorging © ArboSafe
Calculated Tipping Stability according to Pull Test Tree Data Project Almere Tree No. 10240 Tree Species Populus canescens Date 1-2-2021
Setup Pulling Test Height of the Stem Anchor 6,8 m Measurement No. 3 Rope Angle 13,5 ° Load Direction e
Graphic Display (test data and best fit to tipping curve)
Inclinometer Measurement 80 81 Position w.y n.x
Tipping Stability (based on Generalized Tipping Curve) Safety Factor 2,37 2,17
Control Value in Standard Deviation % 4,72 4,79 Substitute Load % 74 74 Load Direction at Inclinometer y-Axis x-Axis
General for Pull Test Consultant D. Vriend BSc. Witness / Assistant dhr. W.Van de Langemeen Measurement Comments
Pius Floris Boomverzorging © ArboSafe