Verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025 - bijlage 1 - Verordening
Tekst van het document
Verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025 Intitulé Verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025 De raad van de gemeente Almelo; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 november 2025, raadsstuk 806947; Gelet op de artikelen artikel 4. van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4. van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 149 van de Gemeentewet; Besluit: vast te stellen de: ‘Verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025’
Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1. Definities 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. aangepast vervoer: het door het college georganiseerd besloten vervoer zijnde (school)busvervoer, taxi of taxibus; b. aanvraag: een volledig ingevuld (digitaal) aanvraagformulier leerlingenvervoer en alle daarbij noodzakelijke informatie en bijlagen; c. afstand: de afstand tussen het woonadres van de leerling en de school gemeten met www.anwb.nl langs de kortst mogelijke voor de leerling (meest) begaanbare en veilige weg dat door de leerling zelfstandig te belopen is; d. begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; e. deskundige: onafhankelijk medisch, psychologisch, pedagogisch of een deskundige vanuit de onderwijsinstelling; f. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo; g. dichtstbijzijnde toegankelijke school: de toegankelijke school die naar afstand het dichtstbij gelegen is vanaf de woning, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg; h. eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets dat onder eigen verantwoordelijkheid plaatsvindt; i.
inkomen: inkomensgegevens als bedoeld in artikel 21., aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4., zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; j. leerling met een beperking: een leerling, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken; k. leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school als bedoeld in deze verordening en die zijn woonadres binnen de gemeente heeft; l. leerlingenvervoer: de bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek volgens artikel 4., eerste lid, van de Wet op
het primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 4., eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC) en artikel 8.29, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: WVO 2020); m. onderzoek: beoordeling van de aanvraag voor een vervoersvoorziening; n. openbaar vervoer: personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en waarvan iedereen al dan niet tegen betaling gebruik van kan maken; o. opstapplaats: een plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het leerlingenvervoer. De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider; p. ouder(s): met gezag over de leerling belaste ouder(s), pleegouder(s), voogd(en) of verzorger(s) van de leerling; q. persoonlijk vervoersontwikkelingsplan: een schriftelijk plan waarin de activiteiten worden beschreven door middel waarvan de leerling de vaardigheden kan aanleren die nodig zijn om zoveel mogelijk zelfstandig en met het openbaar vervoer of de fiets te reizen; r. reistijd: de totale tijdsduur tussen het verlaten van de woning en het aankomen bij school volgens de schooltijd in de schoolgids en vice versa, berekend met het door het college gebruikte www.anwb.nl en rekening houdend met maximaal 10 minuten als extra wachttijd; s.
samenwerkingsverband: samenwerkingsverband 23 (SWV23) dat toeziet op de uitvoering van de navolgende wet- en regelgeving: 1°. Het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; 2°. Het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of 3°. Het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; t. school: een schoollocatie waar de leerling basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, voortgezet onderwijs 2020, voortgezet speciaal basisonderwijs in de Wet op de expertisecentra volgt; u. schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids; v. stage: de praktische leertijd bij de beroepsopleiding; w. structureel: een aaneengesloten periode van minimaal 6 maanden; x. toegankelijke school: toegankelijke school binnen de gemeente of het werkgebied van de gemeente als bedoeld in artikel 4., vijfde lid, onder a, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4., vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, waar plaats is en waarbij de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouder(s) of de meerderjarige leerling berustende keuze van een school geëerbiedigd wordt; y.
vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele beperking van een leerplichtige leerling die aansluit onmogelijk maakt; z. vervoersvoorziening: 1°. Vergoeding van fietsvervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; 2°. Vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; 3°. Aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; of 4°. Gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoersvoorziening voor de leerling en zo nodig diens begeleider; aa. woning: de woning waar de leerling feitelijk en structureel (tijdelijk) verblijft. Het kan daarbij ook gaan om verblijf in een instelling.
Artikel 2. Reikwijdte en doelstelling van de verordening 1. Deze verordening is van toepassing op leerlingen die in verband met hun individuele omstandigheden niet zelfstandig van en naar school kunnen reizen of die door de grote afstand voor een vervoersvoorziening in aanmerking komen. 2. Deze verordening heeft tot doel ten behoeve van het schoolbezoek aan de ouders van leerlingen op aanvraag de goedkoopst passende vervoersvoorziening toe te kennen met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. 3. Het uitgangspunt is dat de leerling zo zelfstandig en zelfredzaam mogelijk reist naar en van school. Daarom zal er zoveel als mogelijk worden ingezet op gebruikelijke of breder inzetbare vervoersmogelijkheden, zoals de fiets, het openbaar vervoer en eigen vervoer van ouders of vervoer door gebruik van eigen netwerk.
Hoofdstuk 2. Aanvraag van een vervoersvoorziening Artikel 3. Aanvraagprocedure 1. Het college stelt een aanvraagformulier voor een vervoersvoorziening leerlingenvervoer vast. 2. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening kan door de ouder(s) of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling bij het college worden ingediend voor een leerling die zijn/haar woning in de gemeente heeft. 3. Een aanvraag kan bij het college worden ingediend door middel van een volledig ingevuld digitaal formulier, voorzien van de op het formulier benodigde gegevens. 4. Als het voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouder(s) verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken.
Artikel 4. Onderzoek 1. Bij de beoordeling van de aanvraag voor een vervoersvoorziening onderzoekt het college in elk geval de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling, het vervoersontwikkelingsperspectief van de leerling, de eigen kracht en probleemoplossend vermogen van zijn ouder(s) en het sociale netwerk, de afstand en de route tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school en de noodzakelijkheid om een vervoersvoorziening toe te kennen. 2. Het college kan in een gesprek met de ouder(s) en desgewenst de leerling, nader onderzoek doen naar de noodzakelijk geachte vervoersvoorziening. 3. Bij dit gesprek kan het college desgewenst ook een medewerker uit een ander domein of een (extern) deskundige betrekken bij het onderzoek en verzoekt deze advies uit te brengen ter beoordeling van de individuele situatie van de leerling op het moment dat het college specifieke deskundigheid noodzakelijk acht. 4. De ouder(s) en de leerling verlenen medewerking aan het onderzoek en verschaffen daartoe in het kader van de medewerkings- en inlichtingenplicht de benodigde informatie. 5. Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden. 6. Het college betrekt in het gesprek tenminste de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en de dichtstbijzijnde toegankelijke school als bedoeld in artikel 15. van deze verordening. 7.
De mogelijke afstemming van de vervoersvoorziening met andere in het kader van het sociaal domein aan de leerling of het gezin verstrekte voorzieningen maakt ook deel uit van het onderzoek.
Artikel 5. Opstellen persoonlijk vervoersontwikkelingsplan 1. Wanneer de leerling op 1 augustus van het betreffende schooljaar de leeftijd van 9 jaar bereikt, wordt door het college, in overleg met de ouder(s) en desgewenst de leerling, gelet op het ontwikkelingsperspectief van de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opgesteld 2. Het college stelt in overleg met de ouder(s) en desgewenst de leerling en in samenhang met het ontwikkelingsperspectief een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan op. In dit plan wordt de weg naar zelfstandig reizen naar en van school beschreven, alsmede de mogelijkheden van de leerling. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit. 3. Met het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan kan het college ondersteuning bieden om de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling te bevorderen. Het uitgangspunt hierbij is dat ontwikkelingsmogelijkheden die uit het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan blijken zoveel mogelijk worden gevolgd. .
Artikel 6. Beslistermijn en besluit 1. Het college besluit binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening. 2. Het college kan de in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste 4 weken verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. 3. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking, de uitbetaling, en de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. 4. Bij de toekenning van een vervoersvoorziening is bepalend de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het betreffende schooljaar waarop de voorziening betrekking heeft. 5. Ingeval er een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan wordt opgesteld, dan maakt deze deel uit van het besluit. 6. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden.
Artikel 7. Ingangsdatum vervoersvoorziening 1. Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt een ingangsdatum waarbij die datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Wanneer het een verstrekking van aangepast vervoer betreft, wordt deze met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de verzochte datum.
Artikel 8. Aanwijzing opstapplaats 1. Het college kan bij het verstrekken van een vervoersvoorziening een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening. 2. Het college kan tussentijds een andere opstapplaats aanwijzen. 3. De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider. 4. De ouder(s) zijn verantwoordelijk voor de begeleiding van de leerling van de woning naar de opstapplaats en van de opstapplaats naar de woning. 5. Het college wijst geen opstapplaats aan als: a. door de ouder(s) wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen uit hun sociaal netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden; b. als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan inzet van een vervoersvoorziening vanaf de woning van de leerling.
Artikel 9. Andere regeling 1. Als de leerling aanspraak kan maken op een passende voorziening of vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling, komt de leerling niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening op grond van deze verordening. 2. Als de leerling aanspraak kan maken op een gedeeltelijke vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling betrekt het college deze vergoeding bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding op grond van deze verordening of brengt hij dit bedrag als eigen bijdrage in rekening.
Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria Artikel 10. Algemene bepalingen 1. Aan het schoolbezoek van een leerling, die zijn woning heeft in de gemeente, kent het college aan de ouder(s) of de meerderjarige leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hierbij vormt de goedkoopst passende vervoersvoorziening het uitgangspunt. 2. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouder(s) voor het schoolbezoek van hun kinderen. Uitgangspunt daarbij is dat het begeleiden bij het vervoeren naar school de verantwoordelijkheid is van ouders. 3. De zorgplicht van ouder(s) strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, toezicht, begeleiding en opvoeding die een ouder(s) normaal gesproken geeft aan het kind passend bij de leeftijd en/of het ontwikkelingsniveau van het kind. Dat betekent ook dat als één van de ouders uitvalt, de andere ouder dit overneemt. Verder behoren ouders hun kinderen een passend leefklimaat te bieden in een veilige en stimulerende opvoedomgeving. 4. Bij een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt uitgegaan van de eigen kracht en probleemoplossend vermogen van het kind, zijn ouder(s) en het sociale netwerk. 5.
Kiezen ouders op andere gronden dan godsdienstige of levensbeschouwing voor een verder weg gelegen school, bijvoorbeeld vanwege onderwijsinhoudelijke redenen, dan komt de leerling in principe niet in aanmerking voor leerlingenvervoer. In deze situatie heeft de gemeente de vrijheid om het vervoer gedeeltelijk te vergoeden door de kosten tot de dichtstbijzijnde school te vergoeden. De gemeente is dat evenwel niet verplicht. 6. Het college weegt, conform artikel 3. t/m 9. van deze verordening, bij het onderzoek mee dat ouder(s) naast het recht ook een plicht hebben om hun minderjarig kind(eren) te verzorgen en op te voeden (art. 1:247 van het Burgerlijk Wetboek) en de kosten van die verzorging en opvoeding te dragen (art. 1:82 Burgerlijk Wetboek). Dit geldt ook als sprake is van een minderjarig kind met een ziekte, aandoening of beperking. 7. Indien de noodzaak voor een vervoersvoorziening is aangetoond verstrekt het college een vervoersvoorziening voor het goedkoopst passende vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school. 8.
De verantwoordelijkheid om als dat nodig is te zorgen voor een begeleider berust bij ouder(s), tenzij naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouder(s) of anderen uit hun sociaal netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden. 9. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouder(s). 10. Bij de keuze voor de toe te kennen vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens beoordeeld of vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is: 1°. Vergoeding van fietsvervoer voor de leerling; 2°. Vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling; 3°. Aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling; of 4°. Gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte
vervoersvoorziening voor de leerling. 11. Er wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer aan het college genoegzaam is aangetoond dat het een leerling betreft met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking. 12. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.
Artikel 11. Toekenningscriteria 1. Met in achtneming van hetgeen in de verordening is bepaald wordt een vervoersvoorziening toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: a. basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan 6 kilometer; b. speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan 6 kilometer; of c. speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs meer bedraagt dan 6 kilometer.
Artikel 12. Afwijzingsgronden 1. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt in ieder geval afgewezen, als: a. Er naar oordeel van het college geen noodzaak is voor het toekennen van een vervoersvoorziening; b. de vervoersvoorziening niet is aangevraagd voor het vervoer van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school; c. De ouder naar het oordeel van het college redelijkerwijs in staat is om het vervoer van en/of naar school zelf te verzorgen, gelet op de eigen verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 10., tweede, derde en zesde lid; d. Niet is voldaan aan de afstandsgrens zoals bedoel in lid 4. van dit artikel; e. De leerling of ouder geen gebruik wil maken van een aangewezen opstapplaats. 2. In afwijking van het eerste lid, onder c van dit artikel is de ouder niet in staat om het vervoer van de leerling van en naar school redelijkerwijs te verzorgen als de ouder een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking heeft die het verzorgen van het vervoer van de leerling van en naar school onmogelijk maakt. In dat geval kan een vervoersvoorziening worden toegekend. De ouder dient de beperking door middel van een verklaring van een arts aan te tonen. 3. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening kan tevens worden geweigerd als niet wordt voldaan aan de inlichtingen- of medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 3. lid 4., artikel 4. lid 4. en artikel 24.
van deze verordening. 4. Er wordt geen vervoersvoorziening toegekend als de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school minder dan 6 kilometer bedraagt. 5. Er wordt geen vervoersvoorziening toegekend voor het bezoeken van het voortgezet onderwijs, tenzij: a. Er sprake is van voortgezet speciaal onderwijs en de leerling door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of b. De leerling door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Hoofdstuk 4. Aanspraak op een vervoersvoorziening Artikel 13. Vervoersvoorziening voor de leerling 1. Het college bepaalt de hoogte van de te verstrekken vervoersvoorziening in de vorm van een vervoersvergoeding op basis van de kosten van het openbaar vervoer en houdt daarbij rekening met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. 2. Als aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders de vergoeding op basis van de kosten van het vervoer per fiets. 3. De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand per fiets wordt jaarlijks door het college vastgesteld.
Artikel 14. Vervoersvoorziening voor de begeleider 1. Het college verstrekt aan de ouders van de leerling, die een school bezoekt en daarvoor recht heeft op een vervoersvergoeding op grond van deze verordening, een vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer of het vervoer per fiets van een begeleider van de leerling als: a. de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft jonger dan 9 jaar is;
b. de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft ouder dan 9 jaar is en naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.2. Als een begeleider
meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één leerling voor vergoeding in aanmerking. 3. Bij de vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer houdt het college rekening met de kortingen die voor de begeleider binnen het systeem kunnen gelden. 4. De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand per fiets wordt jaarlijks door het college vastgesteld.
Artikel 15. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1. In overeenstemming met artikel 4., vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4., vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt een vervoersvoorziening toegekend over de afstand tussen de opstapplaats dan wel de woning en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouder(s) of de meerderjarige leerling als aanvrager met het vervoer naar die school schriftelijk instemt. 2. Er wordt, overeenkomstig artikel 4., vijfde lid, aanhef en onder c en d, van de Wet op het primair onderwijs, eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de opstapplaats of woning, en: a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school voor speciaal basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, als ouder(s) daar schriftelijk mee instemmen; of b.
een andere school voor speciaal basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school voor speciaal basisonderwijs als bedoeld onder a en ouder(s) daar schriftelijk mee instemmen. 3. Als de ouder(s) of de meerderjarige leerling vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. aan het college is door de ouder(s) of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte is van de leerling; en b. aan het college is door de ouder(s) of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod.
Artikel 16. Schooltijden en wachttijden 1. Het leerlingenvervoer vindt plaats in aansluiting op de schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de betreffende school die de leerling bezoekt. 2. Als er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten een wachttijd van één of meerdere lesuren in te stellen, om het gecombineerde vervoer zo efficiënt mogelijk in te zetten en aan te sluiten op de reguliere schooltijden. 3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet georganiseerd, tenzij de ouder(s) of de meerderjarige leerling als aanvrager naar het oordeel van het college toereikend bewijs overlegt waaruit blijkt dat de structurele beperking van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt.
Artikel 17. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1. Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal 6 weken toekennen aan de ouder(s) van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente Almelo verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; b. in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente Almelo, is door het college een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en c. de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de gemeente Almelo. 2. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van het tijdelijk verblijf buiten de gemeente en Almelo herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken. 3. Als de vervoersvoorziening bestaat uit aangepast vervoer kan het college van de gemeente Almelo, in overleg met de gemeente waar de leerling tijdelijk verblijf heeft, besluiten dat het college van de gemeente waar het tijdelijk verblijf gevestigd is, de vervoersvoorziening regelt en uitvoert.
Artikel 18. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat 1. Met inachtneming van de hoofdstukken 2 t/m 4 van deze verordening kent het college op aanvraag een vervoersvoorziening toe voor het weekeinde en de schoolvakantie aan de in de gemeente Almelo wonende ouder(s) van de leerling die met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal (basis)onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. 2. Het college kent aan de ouder(s) een vervoersvoorziening toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de eenmaal per weekeinde gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouder(s) en terug, voor zover de weekenden niet vallen binnen de schoolvakanties volgens de schoolgids. 3. Het college kent aan de ouder(s) een vervoersvoorziening toe voor het vervoer van de leerling tijdens de schoolvakanties volgens de schoolgids. De voorziening betreft de reis van het internaat of het adres van het pleeggezin naar de ouder(s), eenmaal aan het begin van de schoolvakantie en eenmaal aan het einde van de schoolvakantie. 4. Voor de toekenning is een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt.
Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn/haar structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken. 5. Het college kan toestaan dat de ouder(s) de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De vergoeding is dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouder(s) aanspraak zouden maken.
Artikel 19. Vervoersvoorziening naar stageadres 1. Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar school kan op verzoek een vervoersvoorziening worden aangevraagd voor het vervoer naar een stageadres. Voor een vervoersvoorziening naar een stageadres dient een aparte aanvraag ingediend te worden. 2. De stage-overeenkomst moet toegevoegd worden bij een aanvraag van een vervoersvoorziening naar een stageadres. 3. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt, in aanvulling op de voorwaarden die gelden voor een vervoersvoorziening naar school, slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract; b. de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; c. de stage vindt plaats op één stageadres; d. het stageadres is gelegen binnen een door het college vastgestelde maximum aantal kilometers zijnde 6 kilometer van de woning dan wel de opstapplaats. 4. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres.
Artikel 20. Vervoersvoorziening op basis van de kosten van eigen vervoer door de ouder(s) 1. Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouder(s) vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief. 2. Ouders kunnen op basis van het eerste lid niet verplicht worden om één of meer leerlingen zelf te vervoeren. 3. De vergoeding voor het door ouders zelf georganiseerde vervoer bestaat uit een kilometervergoeding voor de eigen auto op basis van het belastingvrije bedrag per kilometer, gebaseerd op twee retourreizen per dag. Het door het college vastgestelde maximaal aantal kilometers zijnde in dit geval twee keer 6 kilometer per dag van de woning dan wel de opstapplaats, wordt in mindering gebracht op de kilometervergoeding. 4. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouder(s) is verleend, vergoedt het college aan de ouder(s) die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto voor de rit en niet per leerling. 5. Aan de ouder(s) die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die voor het vervoer al een vergoeding van het college ontvangen, wordt door het college geen vergoeding verstrekt. 6.
Als ouders in samenwerking met andere ouders besluiten zelf een vervoersvoorziening te organiseren, kan het college, in afwijking van het derde lid, een bijzonder kostendekkend tarief hanteren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.
Artikel 21. Aangepast vervoer Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als: a. aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening zoals bedoeld in artikel 13. en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht; b. aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening zoals bedoeld in artikel 15. en openbaar vervoer ontbreekt tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van vervoer per fiets; c. aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening op grond van artikel 15. en naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouder(s) of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een anders oplossing niet mogelijk is; d. de leerling, naar het oordeel van het college gelet op een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken; of e. dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.
Hoofdstuk 5. Bijdrage in de kosten Artikel 22. Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag 1. Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een school voor speciaal basisonderwijs bezoekt, van wie het gezinsinkomen meer bedraagt dan het in artikel 4., zevende lid van de Wet op het primair onderwijs genoemde bedrag van € 31.500 (prijspeil 2025) wordt het door het college vastgestelde maximaal aantal kilometers, zijnde in dit geval twee keer 6 kilometer per dag gerekend van de woning dan wel de opstapplaats, in mindering gebracht op de kilometervergoeding. 2. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een school voor speciaal basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11. lid 1 bepaalde afstand, als het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 31.500 tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van deze bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen. 3.
De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 11. lid 1 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. 4. Het inkomensbedrag van € 31.500 genoemd in het eerste en tweede lid, wordt jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 31.500. 5. Op verzoek van de ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het eerste lid, het actuele inkomen worden gehanteerd. 6. Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op leerlingen met een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking, of wanneer er sprake is van pleegzorg.
Artikel 23. Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage 1. Als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 kilometer bedraagt, overeenkomstig artikel 4., elfde lid van de Wet op het primair onderwijs, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 2. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 kilometer bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 3. De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin per schooljaar en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. Zij bedragen:
Inkomen vanaf
Tot
0
€ 42.000
Eigen bijdrage per gezin per schooljaar nihil
€ 42.000
€ 50.000
€ 185
€ 50.000
€ 58.000
€ 820
€ 58.000
€ 65.000
€ 1.520
€ 65.000
€ 74.500
€ 2.230
€ 74.500
€ 81.500
€ 2.990
Vanaf € 81.500
Voor elke € 5.000 hoger
€ 715 erbij
4. De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van het nieuwe kalenderjaar jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500. 5. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van het nieuwe kalenderjaar jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5. 6. Het drempelbedrag bedoeld in artikel 22. kan tegelijk met de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage genoemd in het eerste lid worden opgelegd aan het gezin. 7. Op verzoek van de ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het eerste lid, het actuele inkomen worden gehanteerd. 8. Dit artikel is niet van toepassing op leerlingen met een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking, of wanneer er sprake is van pleegzorg.
Hoofdstuk 6. Rechtmatigheid Artikel 24. Doorgeven van wijzigingen De ouder(s) of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, binnen 5 werkdagen schriftelijk mede te delen aan het college.
Artikel 25. Beëindiging, opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van de vervoersvoorziening 1. Het college kan een besluit tot toekenning van een vervoersvoorziening beëindigen, opschorten, herzien, of intrekken, als het vaststelt dat: a. niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij deze verordening; b. beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen; c. de verstrekte vervoersvoorziening naar het oordeel van het college niet meer de meest passende vervoersvoorziening is; d. ouders weigeren het drempelbedrag bedoeld in artikel 22. te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan; e. ouders weigeren de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage bedoeld in artikel 23. te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan; f. sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling gedurende het verblijf in het leerlingenvervoer; het gedrag van de leerling berust ten alle tijde bij de ouder(s) of verzorger(s); of g. het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie voor de leerling zelf, andere reisgenoten of de chauffeur in het leerlingenvervoer. 2.
De kosten van een ten onrechte genoten vervoersvoorziening kunnen van de ouder(s) of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, of worden verrekend bij een eventuele nieuwe, maar nog niet uitbetaalde vervoersvergoeding.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen Artikel 26. Beleidsregels en Nadere regels Het college kan beleidsregels en nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening.
Artikel 27. Hardheidsclausule 1. Het college kan in bijzondere gevallen, met betrekking tot het leerlingenvervoer, gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan een deskundige.
Artikel 28. Intrekking oude regeling 1. De verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2016 en alle voorgaande wijzigingsbesluiten worden ingetrokken. 2. Aanvragen die zijn ingediend onder de verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2016 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening (verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025), tenzij dit nadelige gevolgen heeft voor de aanvrager. 3. Een leerling houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de verordening leerlingenvervoer 2016, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken dan wel wordt gewijzigd. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit dat op grond van de verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2016 is genomen, wordt beslist met inachtneming van die verordening.
Artikel 29. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 december 2025.
Ondertekening Gedaan ter openbare vergadering van 16 december 2025, de griffier,
de voorzitter,
drs. J.W. Scherpenzeel
R.T.A. Korteland
Toelichting op de verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025 Algemeen Het college hechte er waarde aan om alvorens over te gaan tot een artikelsgewijze toelichting de belangrijkste punten rondom leerlingenvervoer met nadruk uit te leggen. Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school lang of kan het kind wegens zijn/haar structurele beperking niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de verordening leerlingenvervoer. Ook meerderjarige leerlingen kunnen, nadat zij meerderjarig zijn geworden, een beroep doen op leerlingenvervoer. Leerlingenvervoer wordt niet toegekend worden wanneer ouder(s)/verzorger(s) als gevolg van werk niet de mogelijkheid hebben om hun kind(eren) zelf naar school te brengen. Leerlingenvervoer kan enkel verstrekt worden voor een leerling met een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking. De verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025 biedt mogelijkheden om maatwerk te kunnen bieden. Besloten is het opstellen van een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan op te nemen in de verordening. Door een onderzoek uit te voeren wordt beoordeeld in hoeverre een leerling zelfstandig dan wel zelfredzaam is en wat er gedaan moet worden om deze doelen te bereiken.
De consulent kan op basis van het onderzoek en de vastlegging daarvan in het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan eigentijdse oplossingen opnemen zoals het verstrekken van een elektrische fiets of bakfiets als meest passende goedkoopst adequate oplossing te verstrekken ten opzichte van andere mogelijkheden voor leerlingenvervoer. Hiermee kan in sommige gevallen een meer kosteneffectieve bekostiging aangeboden worden. De reikwijdte en de doelstelling van de verordening zijn uitgeschreven. Ook zijn de aanvraagprocedure, het onderzoek, het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan, de toekenningscriteria en de afwijzingsgronden expliciet opgenomen in de ontwerpverordening leerlingenvervoer. In de ontwerpverordening leerlingenvervoer wordt ook nadrukkelijk gewezen op de zorgplicht van ouders. Ook wordt uitgegaan van de eigen kracht en probleemoplossend vermogen van het kind, zijn ouder(s) en het sociaal netwerk. Ouders moeten eerst zelf aantonen welke mogelijkheden zij hebben benut om de leerling te vervoeren van een naar school alvorens overgegaan wordt tot het bekostigen van leerlingenvervoer. Een aantal onderdelen in deze verordening zijn van belang om nader toe te lichten: Wettelijke plicht De gemeenteraad heeft de wettelijke plicht een verordening vast te stellen voor het leerlingenvervoer.
In artikel 4., eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 4., eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC) en artikel 8.29, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: WVO 2020), heet dit: ‘een vergoeding van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek’. Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal basisonderwijs en voortgezet speciaal basisonderwijs, als om instellingen voor cluster 1. en cluster 2. onderwijs. De zorgplicht van ouders strekt zich in ieder geval uit over de verzorging, toezicht, begeleiding en opvoeding die een ouder normaal gesproken geeft aan het kind passend bij de leeftijd en/of het ontwikkelingsniveau van het kind. Dat betekent ook dat als één van de ouders uitvalt, de andere ouder dit overneemt. Verder behoren ouders hun kinderen een passend leefklimaat te bieden in een veilige en stimulerende opvoedomgeving. Bij een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt uitgegaan van de eigen kracht en probleemoplossend vermogen van het kind, zijn ouder(s) en het sociale netwerk. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouder(s) voor het schoolbezoek van hun kinderen.
Uitgangspunt daarbij is dat het begeleiden bij het vervoeren naar school de verantwoordelijkheid is van ouders. De verordening leerlingenvervoer geeft uitvoering aan de taakstelling van het college om leerlingenvervoer te regelen voor kinderen met een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking. Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders en meerderjarige leerlingen de aanvraag kunnen indienen (de procedure), bevat deze verordening criteria aan de hand waarvan het college kan beoordelen of de ouders of de meerderjarige leerling aanspraak kan maken op een vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders blijft. Vervoersvoorziening
In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Deze kan verschillende vormen hebben. Het kan daarbij gaan om een vergoeding voor de kosten van een fiets of openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn beperking geen gebruik kan maken van de fiets en het openbaar vervoer, ook niet met begeleiding, kan het college een vorm van aangepast vervoer verzorgen of laten verzorgen. Het college bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn. In deze verordening spreken we van een goedkoopst passende vervoersvoorziening. Het recht op een vervoersvoorziening is geen absoluut recht. Als de leerling zich in het aangepast vervoer onaanvaardbaar gedraagt, kan dit gedrag er uiteindelijk toe leiden dat de vervoersvoorziening beëindigd wordt. Onder onaanvaardbaar gedrag door de leerling of de ouder wordt verstaan het gedrag dat onder de gegeven omstandigheden in het maatschappelijk verkeer onacceptabel is. Gedacht kan worden aan beschadiging van het interieur van de taxi(-bus), mishandeling van medepassagiers, grove belediging of bedreiging van de chauffeur etc. Voordat daar echter consequenties aan worden verbonden dient nagegaan te worden of het gedrag verwijtbaar is. Bepaalde aandoeningen kunnen met zich meebrengen, dat dit niet het geval is.
In dat geval zal beoordeeld moeten worden of een andere vervoersvoorziening uitkomst biedt, zoals inzet eigen vervoer. Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren dienen ze hiervoor toestemming te vragen aan het college. De vergoeding van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten of als de toestemming leidt tot een aantasting van de instandhouding van het aangepast vervoer. Zelfstandigheid en zelfredzaamheid De verordening leerlingenvervoer gaat uit van een voorziening voor het zo zelfstandig mogelijk reizen door de leerling. Om dit te monitoren en te stimuleren kan de aanvraag met ouders worden besproken en wordt vanaf de 9-jarige leeftijd van de leerling in overleg met ouders een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling opgesteld (zie artikel 5.). Verantwoordelijkheid van ouders De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders. Zij moeten de gelegenheid krijgen hun kind te begeleiden bij het vervoer. Wanneer het gedrag van de leerling beïnvloedbaar is als ouders de leerling kunnen begeleiden, dan is er geen reden om de leerling individueel te vervoeren.
Artikelsgewijze toelichting In onderstaande artikelsgewijze toelichting worden enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, nader behandeld.
Hoofdstuk 1. Definities Artikel 1. Definities Aangepast vervoer Van aangepast vervoer is sprake als het college het vervoer naar en van school zelf verzorgt of laat verzorgen. Het kan dan gaan om vervoer per besloten (school)busvervoer maar bijvoorbeeld ook vervoer met een taxi of een (taxi)bus in individueel of groepsverband. Voor het aangepast vervoer geldt dat het college, na toekenning, de praktische organisatie van het vervoer mogelijk enige tijd nodig zal hebben. Hierbij gaat het onder andere om het inroosteren van de leerling door de vervoerder en het eventueel aanpassen van de vervoersroute door de vervoerder, zodat de leerling mee kan. Afstand De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke afstand eenzelfde, professionele routeplanner gebruikt: www.anwb.nl. Het gaat daarbij om de voor de leerling kortst mogelijke, langs de (meest) begaanbare en veilige weg die door de leerling zelfstandig te belopen is. Dichtstbijzijnde toegankelijke school Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking zijn aangewezen op een bepaalde school. In het tweede lid, van artikel 4., van de WPO staat dat de gemeente in de verordening geen onderscheid mag maken tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Het derde lid van artikel 4.
WPO bepaalt dat de verordening de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van een school, moet eerbiedigen. Leerling met een beperking Een leerling die door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een leerling met een beperking in de zin van deze verordening leerlingenvervoer. Centraal staat het feit dat de leerling vanwege een beperking niet in staat is om zelfstandig naar school te reizen, de aard van de beperking is daarbij ondergeschikt (Kamerstukken II 2013/14, 34 022, nr. 3., p. 5.). In deze verordening vervangen wij het woord handicap of gehandicapte leerling door: een leerling met een lichamelijk, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking. Wanneer een leerling, ondanks zijn beperking wél zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is deze in de zin van de verordening leerlingenvervoer géén leerling met een beperking. De beperking die de leerling ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder geval langer dan 6 maanden duren. Wanneer de beperking met medicijnen te verbeteren is, is er geen sprake van een beperking in de zin van deze verordening. Van een beperking in deze verordening is dus alleen sprake wanneer deze structureel en niet behandelbaar is.
Leerling Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten tot het basisonderwijs (artikel 39., eerste lid, van de WPO). In het derde lid van artikel 39. van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de verordening leerlingenvervoer. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang. Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking WPO). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen.
Loopafstand Een loopafstand is de afstand tussen het woonadres van de leerling en de school gemeten langs de kortst mogelijke voor de leerling (meest) begaanbare en veilige weg die door de leerling zelfstandig te belopen is. Onderzoek In de onderzoeksfase wordt onderzocht of een leerling in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening en welke voorziening de goedkoopst passende vervoersvoorziening is. Bij dit onderzoek staan de mogelijkheden en behoeften van de leerling en de zelfredzaamheid van het gezin om zo zelfstandig mogelijk te reizen centraal, alsmede de mogelijkheden van de leerling om zich te ontwikkelen naar meer zelfstandigheid in het reizen. Het onderzoek is bedoeld om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen te verzamelen, zoals ook voorschreven in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Bij de beoordeling van een aanvraag leerlingenvervoer is het belangrijk te kijken naar de mogelijkheden van een leerling. Gekeken wordt naar de meest zelfstandige en onafhankelijke manier van reizen door de leerling. Ouders spelen hierin een belangrijke rol en hebben een eigen verantwoordelijkheid. Het is aan hen om eventueel samen met hun sociale netwerk of met behulp van andere ouders hun kind zelf te (laten) vervoeren of te leren zelf naar school te reizen.
Het blijft maatwerk om te beoordelen hoe een kind kan zo zelfstandig mogelijk kan reizen. Daarin speelt niet alleen de beperking een rol, maar ook de leeftijd van de leerling, de route en de behoeften van de leerling. Om het maatwerk te kunnen bieden is het van belang om kennis te hebben van de situatie van de leerling, de meest geschikte en haalbare vervoerswijze en de zelfredzaamheid van de leerling en het gezin. Wanneer de omstandigheden van de leerling wijzigen kan dat aanleiding zijn om een nieuw gesprek te voeren. Het spreekt voor zich, dat een schoolwissel en adreswijziging een nieuwe omstandigheid is, maar ook het gegeven dat de leerling ouder wordt en zich ontwikkelt kan gezien worden als een gewijzigde omstandigheid. Openbaar vervoer Het openbaar vervoer is ruim gedefinieerd. Het gaat niet alleen om voor eenieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling. Ook een voor eenieder openstaande regiotaxi of belbus, die op afroep rijdt, wordt in het kader van deze verordening als een vorm van openbaar vervoer beschouwd. De definitie in deze verordening is daarmee ruimer dan de definitie van openbaar vervoer in artikel 1., Wet personenvervoer 2000.
Opstapplaats Eén van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de (school)busvervoer, taxi of (taxi)bus worden vervoerd. Leerlingen worden dan niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door het college aangewezen opstapplaats. De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider. Het college wijst geen opstapplaats aan als naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden. Persoonlijk vervoersontwikkelingsplan Het college stelt in overleg met de ouders en zo mogelijk met de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling op. In dit plan wordt vastgelegd waar de leerling qua mobiliteit naartoe kan groeien en hoe dit begeleid moet worden. Het doel hiervan is om te beschrijven welke mogelijkheden er zijn om de leerling zelfstandiger te laten reizen, wat hiervoor nodig is, welke periode hiervoor gepland wordt, wat ouders hierin kunnen betekenen en waar de gemeente ondersteunt.
Het onderwijs heeft ook tot doel om leerlingen zelfstandig te leren functioneren in de maatschappij. Onder meer voor dit doel wordt door de school een ontwikkelingsperspectief opgesteld voor de leerling. Dit plan wordt betrokken bij het vervoersontwikkelingsplan en het is aan te raden met scholen frequent overleg te hebben over wat te verwachten valt in het leerlingenvervoer. Een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan is een schriftelijk plan waarin de activiteiten worden beschreven door middel waarvan de leerling de vaardigheden kan aanleren die nodig zijn om zoveel
mogelijk zelfstandig en met het openbaar vervoer of de fiets te reizen. Om de leerling in staat te stellen zelfstandig naar en van school te reizen kan het nodig zijn om de leerling aanvullende vaardigheden aan te leren. Het hiervoor op te stellen plan is het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan, dat door het college, waar nodig op basis van deskundig advies, wordt opgesteld. Reistijd Onder reistijd wordt verstaan de totale tijdsduur tussen het verlaten van de woning en het aankomen bij school volgens de schooltijd in de schoolgids en vice versa, berekend met het door het college gebruikte www.anwb.nl en rekening houdend met maximaal 10 minuten als extra wachttijd. Stage Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar school kan op verzoek een vervoersvoorziening worden aangevraagd voor het vervoer naar een stageadres. Voor een vervoersvoorziening naar een stageadres dient een aparte aanvraag ingediend te worden. De stageovereenkomst moet toegevoegd worden bij een aanvraag van een vervoersvoorziening naar een stageadres. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt, in aanvulling op de voorwaarden die gelden voor een vervoersvoorziening naar school, slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract; b.
de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; c. de stage vindt plaats op één stageadres; d. het stageadres is gelegen binnen een door het college vastgestelde maximum aantal kilometers zijnde 6 kilometer van de woning dan wel de opstapplaats. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids van de school is het stageadres aan te merken als ‘school’. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres. Aangezien stage in feite een verlenging van de schoolactiviteit is, moeten de dagen en tijden, waarvoor de vervoersvoorziening wordt verstrekt in beginsel overeenkomen met de reguliere schooltijden. Naar analogie van ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’ wordt slechts een vervoersvoorziening verstrekt naar het dichtstbijzijnde toegankelijke stageadres en naar één stage-locatie. Om de vervoerskosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is in artikel 19. lid 4.
eerste lid van de verordening bepaald dat een vervoersvoorziening slechts wordt toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. Voor een vervoersvoorziening naar een stageadres gelden verder dezelfde voorwaarden die ook gelden als de leerling of zijn ouders in aanmerking wil komen voor een vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school (zie de artikelen 3. t/m 12.). Stage is een opstap naar deelname in het maatschappelijk verkeer. Bij het onderzoek naar wat passend vervoer is voor de leerling kan voor de stage een andere vervoersvoorziening worden verstrekt, dan naar de school van de leerling. Het doel blijft om zo zelfstandig mogelijk te reizen. Structureel Het woord structureel wordt in twee opzichten in de verordening genoemd. In zijn algemeenheid verstaan wij onder structureel: een aaneengesloten periode van minimaal 6 maanden. De beperking die de leerling ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder geval een periode van minimaal 6 maanden duren. Wanneer de beperking met medicatie te verbeteren is, is er geen sprake van een beperking in de zin van deze verordening. Van een beperking in deze verordening is dus alleen sprake wanneer deze structureel en niet behandelbaar is.
Structureel heeft ook betrekking op waar een leerling structureel en feitelijk verblijft. Ofwel waar een leerling minimaal een periode van 6 maanden feitelijk verblijft.
Toegankelijke school Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke of psychische beperking zijn aangewezen op een bepaalde school. In het tweede lid, van artikel 4., van de WPO staat dat de gemeente in de verordening geen onderscheid mag maken tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Het derde lid van artikel 4. WPO bepaalt dat de verordening de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van een school, moet eerbiedigen. Vervoer Onder vervoer wordt verstaan: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele beperking van een leerplichtige leerling die aansluit onmogelijk maakt. Vervoersvoorziening In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Deze kan verschillende vormen hebben. Het kan bijvoorbeeld gaan over een vergoeding voor de kosten van een fiets of openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn beperking geen gebruik kan maken van de fiets of het openbaar vervoer, ook niet met begeleiding, kan het college een vorm van aangepast vervoer verzorgen of laten verzorgen. Het college bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn.