Verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025 - bijlage 1 - getekend
Tekst van het document
Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht, tenzij ouders meer dan één eigen kind met het
eigen vervoer vervoeren en hiervoor een kilometervergoeding ontvangen. Dan wordt er per auto een drempelbedrag geheven (ABRvS 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1959). Als een leerling slechts voor een deel van het schooljaar een vervoersvoorziening wordt toegekend, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook wanneer alleen voor de heen- of terugreis een vervoersvoorziening wordt toegekend, of voor enkele dagen per week. Bij het drempelbedrag is de vergoeding in geld gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan
bestaan op een vervoersvoorziening. Het drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar
vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening van de ouders komen.
De kosten van het openbaar vervoer worden berekend op basis van de kosten die met de OVchipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) zouden worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. Vierde lid Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van belang of de leerling
daadwerkelijk gebruik maakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruik maakt van
aangepast vervoer, of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf te dragen. In dat geval wordt uitgegaan van de meest gangbare, voor de leerling toegankelijke route, en gerekend met een OV-prijs die geldt binnen het betreffende vervoersgebied.
Artikel 4, zevende lid, van de WPO stelt een afstand van 6 kilometer als bovengrens. Deze afstand wordt in de verordening leerlingenvervoer aangehouden.
Doelgroep voor het drempelbedrag zijn de ouders van leerlingen van scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs, die een gezamenlijk inkomen hebben dat boven een bepaalde grens uitkomt. Een uitzondering geldt voorleerlingen die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoerzijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Aan hun ouders mag geen drempelbedrag gevraagd worden. Voor deze leerlingen geldt ook geen kilometergrens als voorwaarde voor een vervoersvoorziening. Aan ouders van leerlingen die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoeken kan geen drempelbedrag worden opgelegd, aangezien de WEC deze mogelijkheid niet
biedt.
Indexatie Voor de berekening van het geïndexeerde inkomen waarbij het drempelbedrag van toepassing is,
wordt verwezen naar data van het CBS. Deze is te raadplegen via: https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82838NED/table
https://opendata.cbs.nl/#/CB S/nl/dataset/83131NED/table ?searchKeywords=consumentenprijsindexcij fer%20%20vervoersdiensten
Vijfde lid Als het college zelf geen inzage kan verkrijgen in de inkomensgegevens kunnen aanvragers een kopie van de belastingaanslag sturen om het inkomen aan te tonen. Ouders kunnen ook een inkomensverklaring opvragen bij de belastingdienst. Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken, wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de
ontbrekende gegevens is aangevuld, of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In het laatste geval kan het college besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
Als het gezamenlijk inkomen van het peiljaar nog niet bekend is, kan het derde jaar voorafgaande aan
het desbetreffende schooljaar als voorlopig uitgangspunt worden gehanteerd. In een later stadium, als het inkomen van het peiljaar wel bekend is, kan een definitieve berekening worden gemaakt.
Wanneer het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en hetjaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door af te wijken van de verordening. Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de peildatum af te wijken, dient artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering als richtsnoer.
Zesde lid Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op leerlingen met een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke of psychische beperking, of wanneer er sprake is van
pleegzorg.
Artikel 23. Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage Artikel 4, elfde lid, van de WPO biedt de mogelijkheid een bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer, wanneer de afstand tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer is dan 20 kilometer. Deze bijdrage kan alleen worden gevraagd wanneer het een school voor regulier basisonderwijs betreft. De bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht van de ouders.
Er wordt geen eigen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen die wegens hun structurele beperking op ander vervoer dan openbaar vervoerzijn aangewezen, of vanwege een zodanige beperking niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.
De draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt per gezin per schooljaar geheven, in tegenstelling tot het
drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht.
Indexatie Voor de berekening van het geïndexeerde inkomen waarbij het drempelbedrag van toepassing is,
wordt verwezen naar data van het CBS. Deze is te raadplegen via: https:Vopendata.cbs.nl#/CBS/nl/dataset/82838NED/table
https:/opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/831 3 1NED/table?searchKeywords=consumentenprijsindexcij fer%20%20vervoersdiensten Wanneer het inkomen van de betrokken oudersin de periode die ligt tussen het peiljaar en het jaar
waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door af te wijken van de verordening. Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de peildatum af te wijken, dient artikel 6.12 van de Wet
studiefinanciering als richtsnoer.
Dit artikel is niet van toepassing op leerlingen met een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke of psychische beperking, of wanneer er sprake is van pleegzorg.
Hoofdstuk 6. Rechtmatigheid Artikel 24. Doorgeven van wijzigingen
Ouders of de meerderjarige handelingsbekwameleerling zijn verplicht wijzigingen die van directe
invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening door te geven aan het college. Zij moeten
dit zo snel mogelijk doen.
Van invloed op de vervoersvoorziening zijn onder andere:
- wijziging in het woonadres van de leerling, bijvoorbeeld door verhuizing;
- verandering van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs);
- wijziging van het adres van de school; - wijziging van de schooltijden; - verandering van de reistijd, bijvoorbeeld door een wijziging in het openbaar vervoer; - wijziging in de gezinssituatie, in verband met het al dan niet kunnen begeleiden van leerlingen. Als de wijziging daartoe aanleiding geeft neemt het college een passend besluit tot beëindiging,
opschorting, herziening of intrekking van de verstrekte vervoersvoorziening (artikel 25.).
Artikel 25. Beëindiging, opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van de vervoersvoorziening Ouders of de meerderjarige handelingsbekwame leerling zijn verplicht informatie met betrekking tot
wijzigingen in hun situatie die van invloed kunnen zijn op het recht op een toegekende
vervoersvoorziening direct door te geven aan het college (artikel 24.). Het college kan, zonder dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling iets hebben doorgegeven, zelf ook
wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op het recht op de vervoersvoorziening. Het
college neemt op basis van deze doorgegeven of geconstateerde informatie een passend besluit. Beëindigen
Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (in de nabije toekomst) niet langer recht bestaat op de eerder toegekende vervoersvoorziening, dan besluit het college om het recht op
deze voorziening te beëindigen. Er bestaat dan vanaf het moment van het besluit, of een in het besluit
genoemde toekomstige datum, niet langer recht op de vervoersvoorziening.
Opschorten
Als er naar het oordeel van het college gegronde redenen zijn om te twijfelen of er nog wel recht op een toegekende vervoersvoorziening bestaat, kan het college de werking van het toekenningsbesluit door middel van een opschortingsbesluit tijdelijk opschorten. De vervoersvoorziening wordt dan
tijdelijk niet verstrekt, in afwachting van verder onderzoek.
Herzien Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (voor een deel van de periode) geen recht bestond op de eerder toegekende vervoersvoorziening, maar wel op een andere
vervoersvoorziening, dan besluit het college om het recht op de vervoersvoorziening te herzien en alsnog de correcte vervoersvoorziening (voor de correcte periode) toe te kennen. Intrekken
Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (voor een deel van de periode) in het geheel geen recht bestond op een eerder toegekende vervoersvoorziening, dan besluit het college het recht op de toegekende vervoersvoorziening (voor die periode) in te trekken. Overig Naast de hiervoor genoemde besluiten op basis van nieuwe informatie kan het college een leerling de
toegang tot het aangepast vervoertijdelijk of voor de rest van het schooljaar ontzeggen, indien bij herhaling is gebleken dat de leerling door onaangepast gedrag of anderszins de orde in het voertuig verstoort of de veiligheid van het voertuig of inzittenden in gevaar brengt. Dit kan ook aan de orde zijn indien de zorgvraag van de leerling dermate hoog is dat die niet van een reguliere chauffeur kan
worden gevergd. Ook de weigering om de eigen bijdrage te betalen of nalatig zijn in de betaling kan een reden zijn dat de vervoersvoorziening wordt ingetrokken. Tweede lid Het college kan, zonder dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwameleerling iets hebben doorgegeven, zelf wijzigingen constateren die van invloed kunnenzijn op de
vervoersvoorziening. Daarbij kan blijken dat ten onrechte een vergoeding is verstrekt. Het tweede lid
biedt in dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde vergoeding terug te vorderen of in mindering te brengen bij een eventueel nieuw te verstrekken vergoeding (zie ABRvS 25 januari
2017, ECLI:NL:RVS:2017:165).
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 26. Beleidsregels en Nadere regels Het college kan beleidsregels en nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening.
Artikel 27. Hardheidsclausule
In dit artikel wordt gesteld dat het college kan afwijken van de verordening. Met deze bepaling wordt aangeslotenbij artikel 4., twaalfde lid, van de WPO, artikel 4., tiende lid, van de WECen artikel 8.29,
vijfde lid, van de WVO 2020.
Van een afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake zijn bij toekenning van de vergoeding van openbaar vervoer voor een begeleider, toekenning van een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer, vergoeding van groepsvervoer dat is georganiseerd door de ouders, of toekenning van een vervoersvoorziening naar een verder weg gelegen school.
De hardheidsclausule maakt het mogelijk om van alle bepalingen in de verordening af te wijken. De
ouders dienen aan te tonen dat er sprake is van een bijzonderesituatie. In dit verband kan metalle
omstandigheden rekening gehouden worden. Het gaathierbij uitsluitend om vervoer voor
schoolbezoek ten behoeve van onderwijs, niet voor schoolbezoek ten behoeve van een medische behandeling bijvoorbeeld.
Precedentwerking
Ter voorkoming van — ongewenste — precedentwerking moet de toepassing van de hardheidsclausule worden onderbouwd met argumenten die op de specifieke, concrete situatie van de ouders en/of de
leerling betrekking hebben.
Artikel 28. Intrekking van de oude regeling Eerste lid De verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2016 en alle voorgaande wijzigingsbesluiten worden hiermee ingetrokken. Tweede lid
Aanvragen die zijn ingediend onder de verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2016 en waarop nog nietis beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening (verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025), tenzij dit
nadelige gevolgen heeft voor de aanvrager.
Derde lid Een leerling houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de verordening leerlingenvervoer 2016, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken dan wel gewijzigd. Vierde lid Op bezwaarschriften tegen een besluit dat op grond van de verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2016 is genomen, wordt beslist met inachtneming van die verordening.
Artikel 29. Inwerkingtreding en citeertitel Eerste lid
Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. Tweede lid Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2025.