Verordening jeugdhulp gemeente Almelo - Bijlage 1 Verordening jeugdhulp gemeente Almelo 2025
Tekst van het document
Een gedeeltelijke overname van zorg en permanent (opvoedkundig) toezicht door VOV-personeel is noodzakelijk. De doelen van Jeugd GGZ-verblijf zijn: • Gevaar voor de jeugdige of de omgeving te voorkomen; • De jeugdige te behandelen of stabiliseren. JeugdzorgPlus: is gericht op de jeugdige tot 18 jaar met gedragsproblemen die zo ernstig zijn dat de jeugdige een gevaar is voor zichzelf, of voor anderen. Jeugdhulp is noodzakelijk in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. JeugdzorgPlus betreft verblijf dat zich onderscheidt doordat er beperkende maatregelen kunnen worden toegepast. JeugdzorgPlus is er voor de jeugdige met een ernstige ontwikkelingsbedreiging waarin een behandeling onontkoombaar is. Dat betekent dus dat er vrijheidsbeperkende en controlerende maatregelen ingezet kunnen worden tegen de wil in van de jeugdige (en wettelijk vertegenwoordigers). Maatregelen kunnen worden ingezet op basis van een machtiging van de rechter. Het leefklimaat is erop gericht om de impact van de beperkende maatregelen zo passend mogelijk te maken.
De doelen van JeugdzorgPlus zijn: • Het voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; • De jeugdige voor te bereiden op een tijd waarin er geen noodzaak meer is voor beperkende maatregelen; • De jeugdige te leren functioneren in de maatschappij. Deeltijd verblijf/logeren: is gericht op de jeugdige: • Waarvan de (pleeg) ouders of verzorgers ontlast dienen te worden, zodat de jeugdige thuis of in de gezinsvervangende situatie kan blijven wonen en/of jeugdige waarbij ontlasting niet geboden kan worden door middel van inzet vanuit het netwerk of reguliere dagopvang; • Die als gevolg van zijn beperking en/of stoornis in meer of mindere mate directe nabijheid van een begeleider nodig heeft ; en/of • Waarvan de ontwikkeling gestimuleerd kan worden door deeltijd elders te verblijven en gericht op activiteiten om de ontwikkeling te stimuleren.
Doelen van Deeltijd verblijf/logeren zijn: • Ouders of verzorgers vanwege overbelasting tijdelijk te ontlasten; en/of • De ontwikkeling van de jeugdige te stimuleren. 9. Extra Verblijfsbegeleiding: gericht op de jeugdige met zeer ernstige externaliserende gedragsproblemen of internaliserende gedragsproblemen. De jeugdige is een gevaar voor zichzelf en voor de groep. Hierbij kan gedacht worden aan een zeer hoog risico op suïcide, zeer ernstige fysieke agressie of zeer ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag (lijst is niet limitatief). Extra Verblijfsbegeleiding wordt kortdurend ingezet wanneer de begeleiding of behandeling die valt binnen het pedagogisch leefklimaat onvoldoende de veiligheid van de jeugdige en/of de groep kan waarborgen. Het gaat hierbij om onvoorspelbaar gedrag en waar geen planbare begeleiding op ingezet kan worden. Het doel van Extra Verblijfsbegeleiding is: • De veiligheid van de jeugdige en/of groep te waarborgen. Artikel 3.4.5 Crisiszorg 1. In dit artikel wordt de individuele voorziening Crisiszorg beschreven. Crisiszorg bestaat uit crisistriage en crisisinterventies. De verschillende vormen worden beschreven als individuele voorzieningen en deze zijn: a. Crisisdienst GGZ-Jeugd; b. Ambulante crisiszorg Families First (FF); c. Ambulante Spoed Hulp (ASH); d. Crisisverblijf Licht verstandelijk beperkt (LvB); e. Crisisverblijf Jeugd- en Opvoedhulp; f.
Crisisverblijf Jeugd GGZ; g. Crisispleegzorg. 2. Crisisdienst GGZ-jeugd: is gericht op de jeugdige waarbij sprake kan zijn van direct gevaar voor de jeugdige en/of de omgeving. Crisisdienst GGZ-jeugd bestaat uit een psychiatrische beoordeling en/of eerste interventie bij acute en psychiatrische klachten bij de jeugdige. De jeugdhulpaanbieder realiseert een 24-uurs Crisisdienst GGZ-Jeugd die 24 uur per dag, zeven dagen per week bereikbaar is voor wettelijke verwijzers. Op basis van de crisismeldingen vindt er bij de jeugdhulpaanbieder een triage plaats. Zo nodig komt de ambulante voorwacht voor de beoordeling ter plekke, indien nodig samen met een arts of psychiater. De doelen van Crisisdienst GGZ-jeugd zijn: • Het bieden van een eerste kortdurende actieve interventie om acute problemen op te lossen; • Het richten op het stabiliseren en veilig maken van de situatie voor de jeugdige en/of de omgeving. 3. Ambulante crisiszorg Families First (FF): is gericht op de jeugdige en de ouder(s) die intensieve crisishulp nodig hebben. De veiligheid van de jeugdige staat voorop. De hulp duurt vier tot maximaal zes weken (zoals beschreven in de methodiek), sluit aan bij de behoeften van het gezin en is gericht op het vergroten van de competentie van gezinsleden door middel van het versterken van datgene wat goed gaat en het aanleren van nieuwe vaardigheden.
De doelen van FF zijn: • De uithuisplaatsing van één of meerdere jeugdigen te voorkomen; • Het gezinssysteem bij elkaar te houden; • De aanwezige crisis op te lossen; • De veiligheid in het gezinssysteem te vergroten; • De gedragsproblemen van de jeugdige te verminderen; • De competenties van de gezinsleden te vergroten; • De ervaren opvoedingsbelasting bij de ouder(s) te verminderen; • De opvoedingsvaardigheden van de ouder(s) te verbeteren; • De gezinsleden meer gebruik van hun sociale netwerk te laten maken; • De veiligheid en basisroutines (eten, slapen, naar school/werk gaan) van de jeugdige en ouder(s) voldoende te herstellen en te werken aan urgente korte termijn doelen en indien van toepassing een veiligheidsplan op stellen en te volgen. 4. Ambulante Spoed Hulp (ASH): is gericht op de jeugdige en/of het gezinssysteem. ASH is een kortdurende, intensieve, activerende hulpverleningsvorm. De hulp wordt in de woonsituatie ingezet bij crisis en spoedeisende situaties in de opvoedingssituatie. De hulpverlener kan vaak al binnen een paar uur bij het gezinssysteem zijn. Soms kan het gezinssysteem na een dag weer zelf verder. Regelmatig is het ook nodig om, nadat het ASH-traject is afgerond, vervolghulp in te zetten. Kenmerkend voor ASH is dat jeugdhulpaanbieders binnen 24 uur en dag en nacht de ondersteuning kunnen starten en geven. De doelen van ASH zijn:
•
5.
6.
7.
8.
De veiligheid en basisroutines (eten, slapen, naar school/werk gaan) van de jeugdige en ouder(s) te herstellen; • Te werken aan urgente korte termijndoelen; • Indien van toepassing een veiligheidsplan op te stellen en te volgen. Crisisverblijf Licht verstandelijk beperkt (LvB): is gericht op de jeugdige met een (licht)verstandelijke beperking, eventueel in samenhang met psychosociale- en/of psychiatrischeen/of systeemproblematiek, waarbij een dusdanige (onveilige) crisissituatie is ontstaan dat thuisblijven geen optie is. Tijdelijk verblijf van de jeugdige bij iemand uit het sociaal netwerk of crisispleegzorg is niet mogelijk en acuut interveniëren met het oog op de veiligheid van de jeugdige en/of het gezinssysteem is noodzakelijk. Het crisisverblijf wordt ingezet als er sprake is van een zodanige balansverstoring dat het handhaven van de natuurlijke gezinssituatie (en soms ook school, vrije tijd) (tijdelijk) niet mogelijk is en voor de jeugdige als gevolg van ontwikkelings- en of gedragsproblemen een gestructureerde opvoedingsomgeving noodzakelijk is. Tijdens het verblijf wordt, voor zover dat mogelijk is, gestimuleerd dat de jeugdige zijn onderwijs continueert op de eigen school dan wel gebruik blijft maken van reeds lopende dagbesteding en/of vrijetijdsbesteding.
Crisisverblijf Licht verstandelijk beperkt (LvB) biedt een veilige en stabiele plek met structuur en een pedagogisch klimaat. De doelen van Crisisverblijf Licht verstandelijk beperkt (LvB) zijn: • Te zorgen voor stabilisatie en rust; • Zo snel mogelijk terug te keren naar de omgeving van de jeugdige, wanneer de veiligheid voldoende gewaarborgd is. Crisisverblijf Jeugd- en Opvoedhulp: is gericht is op de jeugdige met gedrags- en/of gezinsproblematiek eventueel in samenhang met psychosociale en/of licht verstandelijke problematiek en op het gezinssysteem en de omgeving. Het gaat om de jeugdige waarbij als gevolg van gedrags- en/of systeemproblematiek een dusdanig onveilige, crisissituatie is ontstaan dat thuisblijven geen optie is. Tijdelijk verblijf van de jeugdige bij iemand uit het sociaal netwerk of crisispleegzorg is niet mogelijk gebleken en acuut interveniëren met het oog op de veiligheid van de jeugdige en/of het gezinssysteem is noodzakelijk. Crisisverblijf Jeugd- en Opvoedhulp biedt een veilige en stabiele plek met structuur en een pedagogisch klimaat. Doelen van Crisisverblijf Jeugd- en Opvoedhulp zijn: • Te zorgen voor stabilisatie en rust; • Het gewone leven, inclusief school (of dagbesteding) en vrijetijdsbesteding, zoveel mogelijk door te laten gaan; • Zo snel mogelijk terug te keren naar de omgeving van de jeugdige, wanneer de veiligheid voldoende gewaarborgd is.
Crisisverblijf Jeugd GGZ: is het noodzakelijke crisisverblijf voor een jeugdige met psychische of psychiatrische problematiek eventueel in samenhang met licht verstandelijke- of gezinsproblematiek. Het gaat om de jeugdige met acute psychiatrische problematiek waarbij een dusdanig onveilige, crisissituatie is ontstaan dat thuisblijven geen optie is. Tijdelijk verblijf van de jeugdige bij iemand uit het sociaal netwerk of crisispleegzorg is niet mogelijk gebleken en acuut interveniëren met het oog op de veiligheid van de jeugdige en/of het gezinssysteem is noodzakelijk. Doelen van Crisisverblijf Jeugd GGZ zijn: • Te zorgen voor stabilisatie en een zekere mate van rust, zowel voor de jeugdige als de andere leden in het gezinssysteem; • Het realiseren van een snelle terugkeer naar huis. Crisispleegzorg: is gericht op de jeugdige en/of het gezinssysteem. Wanneer in verband met een ernstige bedreiging van de veiligheid van de jeugdige en/of ouders tot directe plaatsing in een crisispleeggezin besloten is (in vrijwillig of justitieel kader), wordt de zorg voor de jeugdige vooral gericht op stabilisatie, veiligheid en rust. Het verblijf in het crisispleeggezin is ondersteunend aan het proces dat met het gezinssysteem wordt doorlopen om voor de jeugdige weer een veilige gezinssituatie te realiseren. Bij Crisispleegzorg is er sprake van spoedeisende problematiek of een crisissituatie.
De doelen van Crisispleegzorg zijn: • Stabilisatie van de crisissituatie; • Het realiseren van een veilige gezinssituatie; • Het ontwikkelen van een perspectief voor de jeugdige en de ouder(s); • Er komt duidelijkheid voor de jeugdige en het gezinssysteem vastgelegd in een plan.
Artikel 3.4.6 Advies en Expertise 1. Advies en Expertise betreft het inzetten van specifieke expertise van een gespecialiseerde aanbieder als noodzakelijke aanvulling op de expertise en het onderzoek van de wettelijke
verwijzer. Advies en Expertise is voor een brede vraagverheldering om tot het besluit te komen over het best passende hulptraject in complexe casuïstiek. 2. Onder complexe casuïstiek wordt verstaan hulpvragen/problemen op minstens twee levensgebieden. 3. De doelen van Advies en Expertise zijn: • De jeugdige en het gezinssysteem benutten voldoende zelfoplossend vermogen om met fysieke, mentale en sociale uitdagingen in het leven om te gaan. Zij voeren daarbij zo veel als mogelijk eigen regie; • Er is een volledig en beheersbaar landschap van jeugdhulp dat de jeugdigen en het gezinssysteem met een (tijdelijke) hulpvraag ondersteunt bij het hervinden en versterken van hun zelfoplossend vermogen het aanbod van jeugdhulp is effectief en efficiënt en sluit optimaal aan op de bestaanscondities; • Een veilige en vertrouwde leef- en leeromgeving. Artikel 3.4.7 Jeugdhulpvervoer 1. Jeugdhulpvervoer is structureel routegebonden vervoer van de jeugdige van en naar jeugdhulplocaties. Dit is gecombineerd vervoer. Het Jeugdhulpvervoer dient plaats te vinden tussen de woning van de jeugdige of de locatie waar de jeugdige onderwijs geniet en de locatie waar de jeugdige de individuele voorziening ontvangt. Een individuele voorziening Jeugdhulpvervoer is tijdelijk.
Het Jeugdhulpvervoer wordt beëindigd op het moment dat de medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid van het gezinssysteem of de jeugdige is opgeheven. 2. Het college onderzoekt de eigen kracht van de jeugdige, de ouder en het sociaal netwerk. In artikel 2.8 is het onderzoek naar eigen kracht nader uitgewerkt. Als de jeugdige is aangewezen op jeugdhulp zorgen de jeugdige en/of ouder in beginsel voor het vervoer van en naar de locatie van de jeugdhulpaanbieder. Het college kent geen individuele voorziening Jeugdhulpvervoer toe als: a. De jeugdige zelf de jeugdhulplocatie kan bereiken; of b. Het gezinssysteem de jeugdige zelf kan vervoeren; of c. Er geen speciaal (medisch) vervoer nodig is; of d. Het probleem wijst op een probleem op het werk van en/of randzaken rondom het gezinssysteem en niet op het probleem bij het vervoeren van de jeugdige; of e. Naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden. Deze voorziening is in dat geval voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden. 3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 2.8 wordt onder het aanwenden van eigen kracht onder andere verstaan: • Het meewerken aan het opstellen van persoonlijke vervoersontwikkeldoelen voor de jeugdige; • Het aanpassen van werktijden van en/of randzaken rondom het gezinssysteem om de jeugdige naar en van de jeugdhulplocatie te vervoeren. Hoofdstuk 4 Kwaliteitseisen Artikel 4.1 Kwaliteitseisen jeugdhulp 1. Het college draagt er zorg voor dat minimaal de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten met de aanbieders. 2. (Pgb-)aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen conform artikel 4.1.1. van de Wet en bijlage 1 bij de verordening, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. Het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. Het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; c. Erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 3. Om na te gaan of de kwaliteit van de ondersteuning voldoende geborgd is, wordt onder meer gekeken naar de volgende punten: a. De professional beschikt over de juiste kwalificaties om de ondersteuning te kunnen leveren, d.w.z. relevante opleiding, kennis en ervaring.
Indien van toepassing registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd dan wel een ander relevant beroepsregister; b. Het type zorg sluit aan bij de ondersteuningsbehoefte;
c.
4. 5. 6. 7.
De professional die cliëntgebonden hulp levert, dient een door de overheid erkende, afgeronde zorggerelateerde opleiding (gericht op mensen) te hebben afgerond. Dit, naar uitsluitend oordeel van het college: I. De opleiding dient passend te zijn bij de te verrichten activiteiten en bij de persoonlijke kenmerken en omstandigheden, complexiteit en aard van de problematiek van de cliënt en het gezin en/of systeem; II. Professionals met HBO-niveau of hoger zijn BIG- en/of SKJ-geregistreerd en/of ingeschreven in het Registerplein. Een vaktherapeut hoeft niet SKJ-geregistreerd te zijn. Wel dient de vaktherapeut dan te zijn geregistreerd in het Register Vaktherapie; d. Dat er sprake is van kwaliteitseisen die opgenomen zijn in de bij de inkoop gestelde inkoopvoorwaarden; e. Bij indiensttreding dient de professional die de ondersteuning levert en de bestuurder(s) van een zorgorganisatie te beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) met screeningsprofiel 45 ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’. De VOG dient specifiek voor de betreffende functie die door de medewerker wordt uitgevoerd te zijn afgegeven. De VOG mag niet eerder zijn afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene bij de (Pgb-)aanbieder in dienst is getreden en niet ouder te zijn dan drie jaar.
Na indiensttreding zorgt de (Pgb-)aanbieder ervoor dat er voor de medewerker per drie jaar een nieuwe VOG wordt aangevraagd en verkregen. Een VOG is niet nodig bij zorg door familie (eerste of tweedegraads) of partner; f. Dat de door de (Pgb-)aanbieder ingeschakelde medewerkers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen. Zij dienen te beschikken over een adequate opleiding en een recente VOG. De (Pgb-)aanbieder draagt er zorg voor dat ingeschakelde vrijwilligers beschikken over een recente VOG; g. De (Pgb-)aanbieder dient adequaat verzekerd te zijn tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid en de verzekering biedt in voldoende mate dekking tegen schade, die kan ontstaan bij of als gevolg van de uitvoering van de werkzaamheden; h. Een verklaring van de Belastingdienst inzake betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen (VOFG) waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de verplichtingen tot het betalen van belasting en sociale zekerheidspremies kan worden uitgevraagd; i. De (Pgb-)aanbieder dient financieel gezond te zijn en er dient aan financiële verplichtingen voldaan te worden, zodat de continuïteit van de zorg voor de cliënt voldoende gewaarborgd is. De (Pgb-)aanbieder kan worden gevraagd de meest recente jaarrekening te overleggen.
In het geval van een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid kan om een balans en resultatenrekening gevraagd worden, waaruit in ieder geval de gerealiseerde omzet en kosten gesplitst naar personele kosten en materiële kosten zijn opgenomen; j. De aanbieder neemt de regels in acht van de Wet normering topinkomens en de regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp. Met een Pgb bekostigde professioneel verleende jeugdhulp moet aan dezelfde kwaliteitseisen voldoen als gecontracteerde jeugdhulp. Het college draagt er zorg voor dat, indien een (Pgb-)aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, deze er als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor is dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt. Als het niet voldoen aan de kwaliteitseisen gevolg is van verwijtbaar handelen of er is sprake van voortdurende wanprestatie kan het college een waarschuwing met een redelijke hersteltermijn geven of de (Pgb-)aanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een Pgb. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de (Pgb-)aanbieders en het uitvoeren van een cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde jeugdhulp.
Artikel 4.2 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor door derden te leveren diensten, zoals jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, als bedoeld artikel 2.11 en 4.1.1. van de Jeugdwet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. Een vaste prijs of tarief, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of b. Een reële prijs die geldt als ondergrens voor: • Een inschrijving en het aangaan een overeenkomst met de derde; en
• De vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering rekening met de navolgende kostprijselementen conform de AMvB reële tarieven Jeugdwet: a. Cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten; b. Redelijke overheadkosten; c. Kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; d. Reis- en opleidingskosten; e. Indexering van de tarieven conform de OVA/PPC welke vastgesteld zijn door de Nederlandse Zorgautoriteit (Nza). 3. Het college kan de uiteindelijk over een kalenderjaar te betalen vergoeding aan een (Pgb-) aanbieder van dienstverlening korten met maximaal het bedrag waarmee bezoldigingen en uitgekeerde ontslagvergoedingen aan al dan niet ingehuurde (deeltijd) medewerkers, bestuurders en toezichthouders over dat jaar (naar rato) meer bedragen dan de normen, zoals bedoeld in artikel 2.3 en 2.10 van de Wet normering topinkomens en de regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp. 4.
Wanneer de (Pgb-)aanbieder op enige wijze bedragen onttrekt aan de bedrijfsvoering op een voor de branche niet gebruikelijke, niet integere, dan wel niet marktconforme wijze wordt dit gezien als schending van de integriteit. Dit staat het leveren van ondersteuning in de weg en heeft tot gevolg dat het college de (Pgb-)aanbieder kan uitsluiten van het leveren van de ondersteuning, zoals omschreven in artikel 5.1 lid 5 van deze verordening en op basis van de contracten met de aanbieders. Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget (Pgb) Artikel 5.1 Criteria Pgb 1. Het uitgangspunt is dat de cliënt een voorziening in natura ontvangt. Een Pgb is mogelijk als een voorziening in natura niet passend is en voldaan wordt aan de vereisten, zoals benoemd in artikel 8.1.1 van de Wet. Het gaat om de volgende vereisten: a. De jeugdige en/of zijn ouder(s) zijn naar het oordeel van het college in staat tot een redelijke waardering van belangen; b. De jeugdige en/of zijn ouder(s) kunnen de aan een Pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uitvoeren; c. De jeugdige en/of zijn ouder(s) dienen gemotiveerd aan te geven waarom het Zorg in Natura aanbod van de gemeente niet passend is; en d. Naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die men met het Pgb wil inkopen van goede kwaliteit is. 2. Onverminderd het gestelde in lid 1 is een Pgb alleen mogelijk indien; a.
Er geen weigeringsgrond van toepassing is, zoals benoemd in artikel 3.2 van deze verordening en de leden 3 tot en met 6 van dit artikel en artikel 5.5 lid 2 van deze verordening; en b. De ondersteuning in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; en c. Er op geen enkele manier druk is uitgeoefend op cliënt om de dienstverlening, in welke vorm dan ook, van een persoon of organisatie te betrekken. 3. Uitgesloten van inkoop met een Pgb zijn de volgende voorzieningen: a. De op het individu toegesneden voorzieningen in het gedwongen kader; b. Behandeling; c. Voorzieningen tweedelijns GGZ; d. Spoed- en crisiszorg; e. Vaktherapie; f. Ambulante alternatieven voor verblijf; g. Advies en expertise; h. Screening. 4. Het college weigert een Pgb te verstrekken als; a. De kosten hiervan hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura; b. Het college eerder een beslissing heeft herzien en/of heeft ingetrokken omdat: • De cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
•
De cliënt niet heeft voldaan aan de aan de individuele voorziening of het Pgb verbonden voorwaarden; c. De cliënt het Pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor het is bestemd; d. De cliënt een Pgb wenst in te zetten voor vervoer, maar de cliënt in deze behoefte kan voorzien door gebruik te maken van het collectief vervoer; e. De cliënt een Pgb wil inzetten voor bemiddelings- of administratiekosten of een combinatie hiervan, in verband met de aanvraag of uitvoering van het Pgb, of een combinatie hiervan, al dan niet in combinatie met de kosten van de Pgb-beheerder; f. De cliënt een Pgb wenst in te zetten voor een (Pgb-)aanbieder waarbij misbruik en/of oneigenlijk gebruik is vastgesteld. 5. Het college verstrekt geen Pgb voor ondersteuning van een (Pgb-)aanbieder indien er twijfels zijn over de integriteit van de (Pgb-)aanbieder, wat zich in ieder geval voordoet indien de (Pgb-) aanbieder: a. Betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar kan brengen; b. Verdacht is geweest van strafbare feiten dan wel daarvoor veroordeeld is geweest; c. Bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen; d. Bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom; e.
Er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de Pgb-aanbieder en/of zijn directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden; f. Zich niet professioneel gedraagt. Hiervan is onder andere sprake indien de Pgb-aanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn functie; g. Op basis van een Bibob-toets door het college is (of zal worden) geweigerd als zorgaanbieder. 6. Verstrekking in de vorm van Pgb vindt niet of niet langer plaats als: a. Op grond van aanwijzingen die duidelijk maken dat het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een Pgb; b. Uit onderzoek van het college blijkt dat de cliënt en/of de Pgb-beheerder de aan het Pgb verbonden taken onvoldoende uitvoert en/of kan uitvoeren; c. Er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een Pgb in het verleden; d. Er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking. 7. Het college kan de criteria voor het verstrekken van een Pgb nader uitwerken. Artikel 5.2 Criteria Pgb beheer 1.
Het college beoordeelt, door middel van een gesprek, of de cliënt en/of aangedragen Pgbbeheerder de aan het Pgb verbonden taken op verantwoorde wijze kan uitvoeren (Pgbbekwaamheid). De cliënt en/of Pgb-beheerder dient ten minste aan te geven: a. Welke ondersteuning de cliënt nodig heeft; b. Wat de cliënt en/of Pgb-beheerder met het Pgb wenst in te kopen; c. Waarom de cliënt de ondersteuning in de vorm van een Pgb wenst te ontvangen; d. Indien van toepassing: wie de cliënt heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het Pgb te behartigen en de aan het Pgb verbonden taken uit te voeren; e. Hoe de cliënt en/of Pgb-beheerder een keuze maakt voor een geschikte Pgb-aanbieder; f. Op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; g. Op welke wijze de aanbieder wordt aangestuurd in de praktijk; h. Op welke wijze de zorg wordt gecontroleerd; i. Op welke wijze hij een juiste administratie gaat bijhouden; j. Op welke wijze hij een contract aangaat met de Pgb-aanbieder; k. Hoe de cliënt en/of Pgb-beheerder omgaat met geconstateerde onjuistheden. 2. Indien de cliënt een Pgb-beheerder heeft gemachtigd, dan zal het college deze Pgb-beheerder in het onderzoek betrekken en daarmee minstens eenmaal een gesprek hebben, alvorens over te gaan tot besluitvorming op de aanvraag. 3.
Het college acht een cliënt en/of een Pgb-beheerder niet in staat de aan een Pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren, indien bij hem/haar sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden: a. Schuldenproblematiek;
b. c. d. e. f. g. h. 4.
5.
6.
7.
Verslavingsproblematiek; Aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; Een verstandelijke beperking; Een psychiatrisch ziektebeeld; Een vastgestelde cognitieve stoornis; Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; Indien er twijfels zijn over de Pgb-vaardigheid. De vaardigheden zijn omschreven in bijlage 3 van deze verordening. Onverlet het bepaalde in het vorige lid wordt een Pgb-beheerder alleen geacht de aan het Pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien: a. De Pgb-beheerder tot het sociaal netwerk van de cliënt behoort; b. De Pgb-beheerder een professionele Pgb-beheerder is; c. De Pgb-beheerder door de rechtbank is aangesteld als mentor, curator of bewindvoerder; d. De Pgb-beheerder niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het Pgb wordt ingekocht en/of geen relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning, tenzij dit gezien de situatie van de cliënt, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding en verantwoording van het Pgb is omgeven naar het oordeel van het college passend wordt bevonden; e. Er sprake is van voldoende nabijheid richting de cliënt in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd; en f. De Pgb-beheerder de belangen van de cliënt voldoende kan behartigen; en g.
De Pgb-beheerder de aan een Pgb verbonden taken kan uitvoeren. Onverlet het bepaalde in lid 4 van dit artikel, worden professionele Pgb-beheerders en door de rechtbank benoemde personen zoals mentoren, curatoren of bewindvoerders door het college getoetst op Pgb-bekwaamheid. Een cliënt krijgt, bij de beoordeling van een aanvraag voor een Pgb, in totaal twee mogelijkheden om een persoon aan te dragen die de aan de Pgb verbonden taken gaat uitvoeren. Indien geen geschikte Pgb-beheerder wordt aangedragen, zal de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een Pgb worden afgewezen. Het college kan de criteria ten aanzien van het beheer van het Pgb nader uitwerken.
Artikel 5.3 Criteria kwaliteit zorg (zorgplan) 1. Het college beoordeelt of de ondersteuning die de cliënt met het Pgb wenst in te kopen van voldoende kwaliteit is. Hieronder wordt verstaan dat de voorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. 2. De kwaliteit van de ondersteuning wordt door het college getoetst door middel van een zorgplan en bewijsstukken waaruit blijkt dat aan de vereiste kwaliteits- en opleidingseisen voor jeugdhulp wordt voldaan (zoals diploma en VOG). Het format van het zorgplan wordt door het college ter beschikking gesteld. De cliënt is verplicht het door het college ter beschikking gestelde format te hanteren. 3. De Pgb-aanbieder stelt samen met de cliënt, en eventueel zijn Pgb-beheerder, ten aanzien van het waarborgen van de kwaliteit van de ondersteuning het zorgplan op. In het zorgplan staat onder andere omschreven: a. Welke Pgb-aanbieder de zorg gaat verlenen; b. Wie de directe zorgverlener is; c. Wat de deskundigheid is van de directe zorgverlener(s); d. Wie de directe zorgverlener(s) kan vervangen bij afwezigheid; e. Welke (SMART geformuleerde) doelen behaald moeten worden; f. Welke concrete acties ingezet worden om de gestelde doelen te bereiken; g. Waar en wanneer de ondersteuning gaat plaatsvinden. 4. Het zorgplan dient aan te sluiten op de doelen (resultaten) die in het ondersteuningsplan zijn geformuleerd. 5.
Bij de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een Pgb verstrekt de cliënt bij inzet van een professionele hulp bewijsstukken waaruit blijkt dat directe en vervangende uitvoerder van de zorg aan de vereiste kwaliteitseisen voor jeugdhulp voldoet (zoals diploma en VOG), zoals opgenomen in bijlage 2 van deze verordening. Als de ondersteuning wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk kan het college ervoor kiezen om geen VOG te vragen. 6. Onverminderd het bepaalde in lid 3 tot en met 5 van dit artikel en het bepaalde in artikel 4.1 van de verordening en bijlage 1 van de verordening voldoet de kwaliteit van de met het Pgb
ingekochte ondersteuning minimaal aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren, hierbij moeten Pgb-aanbieders minimaal: a. Ingeschreven staan in de Kamer van Koophandel; b. Adequaat opgeleid personeel in dienst hebben. Hieronder wordt verstaan dat de directe en vervangend zorgverlener moet voldoen aan de kwaliteitseisen van de in te kopen/geleverde voorziening, zoals opgenomen in bijlage 2 van deze verordening; c. Een VOG van alle werknemers (en eventueel vrijwilligers) kunnen overleggen; en d. Beschikken over een volledig geïntegreerd kwaliteitssysteem en/of kwaliteitshandboek dat voldoet aan de landelijke eisen. 7. Een cliënt krijgt, bij de beoordeling van een aanvraag voor een Pgb, in totaal twee mogelijkheden om een zorgplan in te dienen. Indien het zorgplan niet voldoet aan de vereisten van dit artikel en daarmee naar het oordeel van het college niet geborgd kan worden dat de ondersteuning veilig, doeltreffend en cliëntgericht zal worden verstrekt, zal de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een Pgb worden afgewezen. 8. Het college kan de criteria ten aanzien van de kwaliteit van zorg en het zorgplan nader uitwerken. Artikel 5.4 Onderscheid professionele hulp en informele hulp 1.
Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de cliënt: a. Personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het Pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of b. Personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het Pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of c. Personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) of stichting kwaliteitsregister jeugd (SKJ), voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 2. Als de hulp wordt verleend door een ander persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a, b of c is er sprake van informele hulp. 3. Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad of iemand uit het sociaal netwerk van de cliënt en/of het gezinssysteem, is er altijd sprake van informele hulp. 4.
Het college kan het onderscheid tussen professionele en informele hulp nader uitwerken. Artikel 5.5 Criteria informele hulp 1. Het college kent een Pgb voor informele hulp alleen toe als: a. Wordt gemotiveerd waarom de inzet van informele hulp leidt tot een gelijk of beter resultaat dan de inzet van professionele hulp; b. De persoon die de informele hulp verleent voldoet aan de minimale kwaliteitseisen die zijn opgenomen in bijlage 2 van deze verordening; c. De persoon die de informele hulp verleent beschikt over de voor de hulpvraag benodigde competenties, kennis en vaardigheden om adequate hulp te bieden; d. De persoon die de informele hulp verleent geen deel uitmaakt van de problematiek waarvoor de jeugdhulp ingezet wordt; e. Er geen sprake is van het creëren of in stand houden van een afhankelijkheidsrelatie; f. Het zorgplan voldoet aan de eisen zoals bepaald in artikel 5.3 van deze verordening; en g. De ondersteuning aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet leidt tot overbelasting bij de persoon die de informele hulp verleent. 2. Het college weigert een Pgb voor een informele hulp als de hulp op grond van het afwegingskader in het door het SKJ vastgestelde Kwaliteitskader Jeugd, geboden moet worden door een (geregistreerde) professional. 3. Het college kan de criteria voor informele hulp nader uitwerken. Artikel 5.6 Hoogte Pgb 1.
De hoogte van het Pgb voor professionele hulp bedraagt 80% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura, tenzij passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. Het betreft een all-in tarief.
2. Als het op basis van lid 1 vastgestelde Pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen jeugdhulp te kunnen inkopen en deze ondersteuning niet wordt aangeboden door het gecontracteerde aanbod van jeugdhulp, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht. 3. De hoogte van het Pgb voor informele hulp is gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. Dit tarief geldt ongeacht de diploma’s en werkervaring van de informele hulp. 4. Het Pgb wordt uitbetaald op basis van declaratie van het aantal geleverde uren of dagdelen. Uitbetaling in de vorm van een maandloon is niet toegestaan. 5. Het Pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. 6. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het Pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als het vermoeden bestaat dat de cliënt het Pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten. Artikel 5.7 Besteding en verantwoording Pgb 1. De (professionele) aanbieder zorgt voor een goede en controleerbare cliëntenadministratie ten aanzien van de geleverde ondersteuning conform de voor haar gestelde wettelijke bewaartermijnen. 2.
De cliënt en/of Pgb-beheerder zorgt voor een goede en controleerbare administratie en houdt deze gedurende vijf jaar beschikbaar vanaf de ingangsdatum van de toekenning van het Pgb. 3. De cliënt en/of Pgb-beheerder moet kunnen aantonen dat het Pgb is besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt. Daarbij moet de cliënt en/of Pgb-beheerder controleren of de ondersteuning voldoet aan de kwaliteitseisen, zoals gesteld in artikel 4.1 van de verordening 4. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een Pgb: a. Kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. Kosten voor het voeren van een Pgb-administratie; c. Kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een Pgb; d. Kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag; e. Kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; f. Huur; g. Bijdragen in de kosten voor levensonderhoud; h. Contributie voor het lidmaatschap van Per Saldo, kosten voor het volgen van cursussen over het Pgb en kosten voor het bestellen van informatiemateriaal; i. Zorg en ondersteuning die onder een algemene en/of voorliggende voorziening vallen en/of niet binnen de reikwijdte van de Jeugdwet vallen; j. Ondersteuning afgenomen buiten Nederland, tenzij hiervoor vooraf toestemming wordt verleend door het college. 5.
Het college kan de criteria rondom verantwoording en besteding van het Pgb nader uitwerken. Hoofdstuk 6 Evalueren, controle, meldingsregeling calamiteiten en geweld, voorkoming misbruik en oneigenlijk gebruik Artikel 6.1 Evalueren ondersteuning 1. Het college kan de ingezette individuele voorziening (tussentijds) evalueren met de cliënt, het gezinssysteem en/of de (Pgb-)aanbieder of zorgverlener. 2. Iedere 6 maanden vindt er een evaluatiegesprek plaats tussen de (Pgb-)aanbieder en de cliënt en eventueel de Pgb-beheerder waarin de geboden ondersteuning en daaraan verbonden doelen wordt geëvalueerd. 3. Van dit evaluatiegesprek wordt een evaluatieverslag opgesteld. 4. Het college kan voorwaarden stellen aan het evaluatieverslag. 5. Het evaluatieverslag wordt opgestuurd naar het college. Artikel 6.2 Opstellen perspectiefplan 1. Wanneer de jongere 16 jaar wordt of na het bereiken van de leeftijd van 16 jaar aangewezen raakt op een voorziening in het kader van de Wet en waarvan de verwachting is dat ondersteuning ook na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar nog noodzakelijk is, dient er gewerkt te worden aan het ontwikkel- of toekomstplan (perspectiefplan) voor de jongere. Dit betekent concreet dat elke jongere van 16 jaar en ouder die jeugdhulp ontvangt een persoonlijk ontwikkel- of toekomstplan heeft met niet-vrijblijvende afspraken.
De Big 5 (wonen, werken/school, inkomen, welzijn en
support) is hierin leidend. Het plan is van de jongere zelf. De eigen specifieke behoeften van de jongeren staan centraal. 2. De (Pgb-)aanbieder stelt met de jongere een perspectiefplan op bij het bereiken van de 16-jarige leeftijd waarin uitgewerkt wordt hoe de jongere zo zelfstandig mogelijk gemaakt wordt richting het bereiken van de 18-jarige leeftijd. 3. Het perspectiefplan wordt gedeeld met het college. Artikel 6.3 Controle 1. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze door het college zijn verstrekt. 2. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verwijzingen door derden zoals bedoeld in artikel 2.4, 2.5 en 2.6 van de verordening rechtmatig zijn. 3. Het college kan regels met betrekking tot controle nader uitwerken. Artikel 6.4 Meldingsregeling calamiteiten en geweldsincidenten 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de uitvoering van een individuele voorziening op grond van de Wet door een (Pgb-)aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2.
(Pgb-)aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan tijdens de uitvoering van een individuele voorziening op grond van de Wet onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar en bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). 3. De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college en de (Pgb-)aanbieder over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Het college kan de meldingsregeling nader uitwerken. Artikel 6.5 Maatregelen ter voorkoming en bestrijding van misbruik of oneigenlijk gebruik 1. Het college treft de nodige maatregelen om het oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen en Pgb’s te voorkomen en misbruik en oneigenlijk gebruik te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval: a. Het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en misbruik op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen; b. Het college verricht zo nodig onderzoek bij (Pgb-)aanbieders van voorzieningen die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente Almelo onderhouden of die ondersteuning verlenen op grond van een Pgb aan cliënten van Almelo en die verplicht zijn om kosteloos hun medewerking te verlenen; c.
Het college screent aanbieders van voorzieningen die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente Almelo (willen) onderhouden door middel van het KIT. KIT staat voor Kwaliteit en Integriteitsinstrument Twente waarmee de gemeenten kwalitatieve zorg kunnen inkopen en zorgfraude steviger aangepakt kan worden. KIT bestaat onder andere uit het uitvoeren van een Bibob-onderzoek. Indien mogelijk zal KIT ook toegepast worden bij de screening van (Pgb-)aanbieders. d. Het college maakt afspraken met (Pgb-)aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties; e. Het college controleert, al dan niet steekproefsgewijs, of de gemaakte afspraken zoals genoemd in het voorgaande lid worden nagekomen; f. Het college beperkt de looptijd van de indicaties of voert periodiek controles uit bij langlopende indicaties; g. Het college voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een Pgb op: I. De regiemogelijkheden en Pgb-vaardigheden van de cliënt of degene die de cliënt als vertegenwoordiger wenst in te schakelen conform artikel 5.2 van de verordening. II. De kwaliteit van de in te kopen ondersteuning conform artikel 5.3 van de verordening; h.
Het college monitort het gebruik van het Pgb en verstrekte individuele voorziening (zowel ZIN als Pgb) en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen.
Artikel 6.6 Medewerkingsplicht en verstrekken van inlichtingen 1. De jeugdige en ouder(s) zijn verplicht aan het college en aan de (Pgb)-aanbieder desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de Wet, daaronder begrepen het onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp. Onder medewerking wordt ook verstaan het naleven van het ondersteuningsplan/zorgplan, huisen gedragsregels (afspraken) en/of omgangsvormen van de (Pgb-)aanbieder. 2. Als de jeugdige of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief dan kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken. 3. Als een individuele voorziening eenmaal is toegekend geldt een inlichtingenplicht voor de jeugdige en ouder(s). Dat houdt in dat de jeugdige, en/of zijn wettelijke vertegenwoordiger, op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling moet doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem/haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van de verstrekking van een individuele voorziening.
Concreet betekent dit dat een cliënt het college actief moet informeren over onder meer: a. Een wijziging in zijn beperking(en) die van invloed is op het gebruik van de voorziening; b. Een gewijzigde gezinssituatie in de gevallen waar er sprake is/kan zijn van eigen kracht; c. Verbetering in de (gezondheids-)situatie waardoor de voorziening niet langer of in mindere mate noodzakelijk is; d. Het niet ontvangen van (goede kwaliteit) ondersteuning; e. Indien ondersteuning wordt ingezet voor een ander doel dan waarvoor deze wordt verleend; f. Indien zorg wordt gedeclareerd voor ondersteuning die niet (juist) is verleend; g. Als tijdelijk geen gebruik kan worden gemaakt van de voorziening door detentie, behandeling in een instelling of opname in een ziekenhuis, verpleegtehuis of revalidatiecentrum; h. Het wijzigen van zorgverlener; i. Het toe- of afnemen van verleende mantelzorg of hulp uit het sociaal netwerk; j. Een verhuizing; k. Een vakantie of verblijf in het buitenland van meer dan 4 weken; l. Het niet langer gebruikmaken van de voorziening. 4. Het niet of niet volledig nakomen van de medewerkingsplicht kan leiden tot beëindiging, intrekking, opschorting of herziening van de individuele voorziening. 5. Het niet of niet volledig nakomen van de inlichtingenplicht kan leiden tot intrekking of herziening van de individuele voorziening.
Artikel 6.7 Overleg met (Pgb-)aanbieders en cliëntervaringsonderzoek 1. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de kwaliteit en de naleving van de nadere eisen door periodieke overleggen met de (Pgb-)aanbieders van op de maatwerkvoorzieningen en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 2. Het college ziet toe op een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek naar de ervaringen van cliënten over de verstrekking van maatwerkvoorzieningen.
Hoofdstuk 7 Toezichthouders Artikel 7.1 Toezicht 1. Het college kan toezichthoudende ambtenaren aanwijzen die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.9 van de Jeugdwet. 2. De aangewezen toezichthouder is belast met: a. De bevoegdheid van het inzien van dossiers; b. De bevoegdheid om inlichtingen te vorderen; c. De bevoegdheid om de (cliënten)administratie/dossiers te vorderen bij de (Pgb-)aanbieder; d. De bevoegdheid om de administratie te vorderen van de cliënt of de Pgb-beheerder; e. Het vorderen van inzage in een identificatiebewijs; f. Inzage van documenten en toegang tot gegevens; g. Het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen); h. Controleren of de (Pgb-)aanbieder de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst met het college naleeft;
i.
Ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de cliënt of de Pgbbeheerder heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie; j. Controleren of de individuele voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt uitgevoerd.; k. De bevoegdheid om (Pgb-)aanbieders te screenen. 3. Eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder.
Hoofdstuk 8 Herzien, intrekken, terugvorderen en opschorten Artikel 8.1 Herziening of intrekking 1. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. De jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. De jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of op het Pgb zijn aangewezen; c. De individuele voorziening of het Pgb niet meer toereikend is te achten; d. De jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het Pgb of; e. De jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het Pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. 2. Een beslissing tot verlening van een Pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het Pgb binnen 6 maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Artikel 8.2 Terugvordering Pgb bij de Pgb-aanbieder 1. Het college kan tot terugvordering van het Pgb bij de Pgb-aanbieder overgaan indien: a.
De Pgb-aanbieder geld heeft ontvangen voor zorg die (gedeeltelijk) niet is verleend of niet (geheel) conform de gestelde voorwaarden is verleend en hij niet binnen 72 uur aanvraag heeft gedaan bij de Pgb-beheerder om dit te crediteren; b. Een maatwerkvoorziening voor een ander doel is ingezet, dan waarvoor het is toegekend; c. Een maatwerkvoorziening zonder toestemming van het college in het buitenland is ingezet. 2. In geval van terugvordering stuurt het college een factuur naar de Pgb-aanbieder, die binnen 4 weken moet worden voldaan. 3. Het college kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. 4. De hoogte van de terugvordering is de gehele of de gedeeltelijke geldwaarde van het (ten onrechte) bestede Pgb.
Artikel 8.3 Opschorting betaling uit het Pgb 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het Pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een jeugdige een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Wet. 2. Het college stelt de cliënt, en/of Pgb-beheerder, schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste lid. Hoofdstuk 9 Vertrouwenspersoon, klachten, inspraak en medezeggenschap Artikel 9.1 Vertrouwenspersoon 1. Het college zorgt ervoor dat de cliënt een beroep kan doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2. Het college wijst de cliënt erop dat hij/zij zich desgewenst kan laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel 9.2 Klachtregeling 1. Het college behandelt klachten van cliënt die betrekking hebben op de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem/haar of een ander heeft gedragen, overeenkomstig de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en Klachtenregeling gemeente Almelo 2013. Desgewenst kan men hierna de klacht voorleggen aan de Nationale Ombudsman.
2. (Professionele) aanbieders stellen intern een regeling vast voor de afhandeling van klachten van ondersteuningsvragers ten aanzien van alle individuele voorzieningen op grond van de Jeugdwet en maken duidelijk kenbaar aan de cliënten hoe zij een klacht kunnen indienen. Artikel 9.3 Inspraak en medezeggenschap 1. Het college betrekt de inwoner van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat cliënten kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden en dat zij worden voorzien van de, voor een adequate deelname aan het overleg, benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college regelt de uitvoering van het tweede en derde lid. Hoofdstuk 10 Slotbepalingen Artikel 10.1 Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt elke twee jaar na inwerkingtreding van deze verordening geëvalueerd.
Het college zendt hiertoe aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening en de beleidsregels in de praktijk. Artikel 10.2 Hardheidsclausule 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. 2. Het college kan beleidsregels stellen over de uitvoering van deze verordening. 3. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening als de toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 10.3 Intrekking oude Verordening en overgangsrecht 1. De Verordening jeugdhulp gemeente Almelo 2019 en alle voorgaande wijzigingsbesluiten worden hiermee ingetrokken. 2. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp gemeente Almelo 2019 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze Verordening, worden afgehandeld krachtens deze Verordening (Verordening jeugdhulp gemeente Almelo 2025) tenzij dit nadelige gevolgen heeft voor de aanvrager. 3. Een jeugdige houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Almelo 2019, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken dan wel gewijzigd. 4.
Op bezwaarschriften tegen een besluit dat op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Almelo 2019 genomen is, wordt beslist met inachtneming van die Verordening. Artikel 10.4 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Almelo 2025.
Gedaan ter openbare vergadering van 11 maart 2025,
De griffier,
de voorzitter
drs. J.W Scherpenzeel
R.T.A. Korteland