Stedenbouwkundig plan en grondexploitatie Westerdok en investeringskrediet Kanaalpark fase 1 - bijlage 7 - Ecologie
Tekst van het document
RAPPORTAGE quickscan natuurwaarden Westerdok Almelo
Rapport quickscan natuurwaarden Westerdok, Almelo Opdrachtgever
gemeente Almelo Haven Zuidzijde 30 7607 EW Almelo
1
Rapportnummer
25034.001
Versienummer
D1
Status
definitief
Datum
27 november 2024
Opsteller1
De heer P.A.R. Vermeiren, MSc
Kwaliteitscontrole
De heer J.G. Boogaard, BSc
Vrijgave
In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.
KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Omgevingswet, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 5
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 6
4
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .............................................................. 7 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7
5
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 17 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7
6
Vogels ............................................................................................................................................. 7 Vleermuizen ................................................................................................................................. 10 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 11 Reptielen, amfibieën en vissen .................................................................................................... 13 Ongewervelden ............................................................................................................................ 14 Planten ......................................................................................................................................... 15 Specifieke zorgplicht .................................................................................................................... 16
Broedvogels .................................................................................................................................. 17 Vleermuizen ................................................................................................................................. 18 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 19 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................................. 19 Teunisbloempijlstaart .................................................................................................................. 19 Overige soort(groep)en ................................................................................................................ 20 Samenvatting ............................................................................................................................... 20
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ............................................................................................... 22 6.1 6.2
Natura 2000 ................................................................................................................................. 22 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 23
7
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 24
8
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 25
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
Natuurwetgeving en doelen Natura 2000 Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland Omgevingswet
ProjectCode
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van de gemeente Almelo opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan natuurwaarden in het gebied Westerdok te Almelo. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. De quickscan natuurwaarden heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest bij ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
25034.001 versie D1
1 / 27
2
GEBIEDSBESCHRIJVING
2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 82.000 m²) ligt binnen het gebied Westerdok te Almelo. In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven. De voorgenomen ingreep die invloed heeft op de bebouwing op de onderzoekslocatie, is genummerd van 1 t/m 6 en zal gedurende onderhavige rapportage via deze nummering worden behandeld.
Figuur 2.1
Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft het gebied Westerdok en ligt centraal gelegen in Almelo. Het gebied bestaat uit een mix van woningen en (leegstaande) bedrijventerreinen. Er is weinig groen aanwezig, naast enkele bomen, plantsoen beplanting, hagen en struiken. Het zuidwestelijke gedeelte van de onderzoekslocatie betreft een deel van de kade behorend tot de haven van Almelo. De onderzoekslocatie wordt volledig omgeven door stedelijk gebied als woonwijken en bedrijventerreinen. Direct ten westen en zuiden van de onderzoekslocatie ligt de haven en het kanaal loopt via het noorden bovenlangs het gebied. Het centraal treinstation ligt ten zuiden van de onderzoekslocatie, aan de andere kant van het water. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m figuur 2.8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
25034.001 versie D1
2 / 27
Figuur 2.2 Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 2.3 Zuidgrens van de onderzoekslocatie, met aansluitend de haven.
Figuur 2.4 Noordgrens van de onderzoekslocatie, met aansluitend het kanaal.
Figuur 2.5 Impressie van de onderzoekslocatie, midden in een woonwijk.
Figuur 2.6 Braakliggend gebied op de onderzoekslocatie.
Figuur 2.7 Oostgrens van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.8 Westgrens van de onderzoekslocatie, met aansluitend de haven.
25034.001 versie D1
3 / 27
Figuur 2.9 Westzijde van gebouw 1.
Figuur 2.10 Noordzijde van gebouw 1.
Figuur 2.11 Noordzijde van gebouw 2.
Figuur 2.12 Zuidzijde van gebouw 2.
Figuur 2.13 Oostzijde van gebouw 3.
Figuur 2.14 Westzijde van gebouw 3.
Figuur 2.15 Westzijde van gebouw 4.
Figuur 2.16 Oostzijde van gebouw 4.
Figuur 2.17 Oostzijde van gebouw 5.
Figuur 2.18 Westzijde van gebouw 5.
Figuur 2.19 Zuidzijde van gebouw 6.
Figuur 2.20 Noordzijde van gebouw 6.
25034.001 versie D1
4 / 27
2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens het gebied Westerdok deels her in te richten, waarbij enkele bebouwing wordt gesloopt of gerenoveerd. Voor de gesloopte bebouwing komen nieuwe panden of woningen. Daarnaast wordt de openbare ruimte anders ingericht. Bestaande ondergroei en bomen worden mogelijk verwijderd en in de toekomstige situatie op een andere manier aangebracht. Hierbij blijven de twee grote bomen achter het scheepsvaarthuis en de bomenlanen langs het kanaal behouden. Meer details over de voorgenomen ingrepen zijn in dit planstadium nog niet bekend. Wel is bekend dat de werkzaamheden gefaseerd plaats gaan vinden met in totaal vijf fases (zie figuur 2.21).
Figuur 2.21 Concept ontwerpschets Westerdok (Gemeente Almelo).
25034.001 versie D1
5 / 27
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 11 april 2024. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Een tweede veldbezoek is afgelegd op 24 mei 2024, om een aanvullende steenmarterinspectie uit te voeren voor gebouw 1 op de onderzoekslocatie. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Overijssel opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan natuurwaarden is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen.
Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
25034.001 versie D1
6 / 27
4
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.
4.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen de bebouwde kom kunnen dit zijn: huismus, gierzwaluw, roek, sperwer, ransuil en slechtvalk. Huismus Huismussen broeden op verschillende plaatsen in bebouwing zoals onder dakpannen, onder golfplaten, op balken, achter betimmeringen en andere kleine nisjes en openingen die in bebouwing aanwezig kunnen zijn. De bebouwing behorend tot het plangebied is merendeels ongeschikt voor huismussen om te broeden. Gebouwen 2 t/m 6 beschikken over een plat dak en hebben geen geschikte openingen waar huismussen gebruik van kunnen maken. Echter, de noordzijde van gebouw 1 is vervallen, waarbij de dakrand voldoende geschikte openingen bevat waar huismussen mogelijk hun nest kunnen maken (zie figuur 4.1). De Omgevingswet wordt mogelijk overtreden door de voorgenomen ingreep voor gebouw 1. Daarnaast is het openbare groen, met in het bijzonder in het noordelijke deel van de onderzoekslocatie, onderdeel van het functioneel leefgebied van de huismus (zie figuur 4.2). Nader onderzoek zal moeten uitsluiten welke essentiële functies aanwezig zijn op de onderzoekslocatie voor de huismus. Overtredingen van de Omgevingswet zijn niet volledig uit te sluiten (zie hoofdstuk 5).
25034.001 versie D1
7 / 27
Figuur 4.1 Geschikte openingen in de noordgevel van gebouw 1.
Figuur 4.2 Kwetterbosje van huismussen.
Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in stedelijk gebied met name in ruimten onder het dak, maar ook bovenin spouwmuren bovenop de spouwisolatie. Gierzwaluwen kunnen in algemene zin toegang krijgen tot deze ruimten via overhangende kantpannen, nokpannen en andere openingen zoals kieren en scheuren in de gevel. De bebouwing behorend tot het plangebied beschikt niet over geschikte nestmogelijkheden voor gierzwaluwen. De daken van de bebouwing beschikken over een plat dak, zonder openingen waar gierzwaluwen naar binnen kunnen vliegen en het merendeel van de bebouwing behorend tot het plangebied betreft laagbouw. Het is uitgesloten dat de gierzwaluw nestplaatsen kunnen hebben op de onderzoekslocatie. Overtredingen van de Omgevingswet zijn uitgesloten ten aanzien van de gierzwaluw. Roek Roeken broeden in grote kolonies in hoge bomen, vaak populieren, gelegen langs snelwegen, treinsporen of kanalen. Ook worden soms kolonies aangetroffen in dorpen. De nesten van roeken zijn relatief groot en slordig gebouwd. Tijdens het veldbezoek zijn er geen nesten van roeken aangetroffen op de onderzoekslocatie. Gezien er geen roekenkolonie is gevestigd op de onderzoekslocatie, kunnen overtredingen van de Omgevingswet worden uitgesloten. Sperwer en ransuil De sperwer broedt meestal in bossen of half open landschappen, maar tegenwoordig ook vaak in tuinen, parken en erven binnen stedelijk gebied.
De roofvogel bouwt jaarlijks een nieuw nest, maar keert daarbij steeds terug naar dezelfde locatie. Ze maken hun nesten vaak dicht tegen de stam van een boom of soms in grotere struiken. De ransuil gebruikt vaak een oud ekster- of kraaiennest, waarbij de uil het nest opknapt. Op de onderzoekslocatie is nabij de te slopen bebouwing één groot nest aangetroffen. Echter, tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat dit nest actief in gebruik was om te broeden door zwarte kraai (zie volgende paragraaf). Het is niet volledig uit te sluiten dat er een sperwer- of ransuil nest in particuliere tuinen binnen het plangebied aanwezig is, maar de kans hiervoor is zeer klein. In het geval hier een nest van sperwer of ransuil aanwezig zou zijn, bevindt dit nest zich in ieder geval buiten de invloedsfeer van voorgenomen ingrepen.
25034.001 versie D1
8 / 27
Slechtvalk De slechtvalk is volgens de database van de NDFF waargenomen in de buurt van de onderzoekslocatie. De roofvogel broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. De bebouwing op de onderzoekslocatie betreft voornamelijk laagbouw en meer geschikte hoge bebouwing is aanwezig net buiten de onderzoekslocatie. Aangezien hier al een bekend nest van de slechtvalk is gevestigd, is het gezien het territorium van de slechtvalk en de laagbouw op de onderzoekslocatie, onwaarschijnlijk dat de slechtvalk een nest kan hebben op de onderzoekslocatie. Het is redelijkerwijs uitgesloten dat verbodsbepalingen van de Omgevingswet worden overtreden. De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Op de onderzoekslocatie is één nest van de zwarte kraai aangetroffen die tijdens het veldbezoek actief in gebruik was om te broeden (zie figuur 4.3). In dezelfde boom was nog een oud nest aanwezig die in vervallen staat verkeerde, dit nest is niet meer geschikt voor vogels om te broeden. Daarnaast zijn er geen andere nesten van jaarrond beschermde soorten aangetroffen.
Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omge- Figuur 4.3 Bezet nest van een zwarte kraai op de onderving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn zoekslocatie. derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding op dit punt te voorkomen (zie hoofdstuk 5). Overige broedvogels De bebouwing en beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals houtduif, merel en roodborst. Op de onderzoekslocatie zijn enkele broedende houtduiven waargenomen in bomen vlakbij bebouwing 4. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningsplichtig geval zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 5).
25034.001 versie D1
9 / 27
4.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Bij verblijfplaatsen van vleermuizen is onderscheid te maken tussen een zomerverblijf, kraamverblijf, paar/baltsverblijf (die ook als individueel winterverblijfplaats gebruikt kunnen worden) en massawinterverblijf. Deze functies worden mede bepaald door specifieke kenmerken van bebouwing op de onderzoekslocatie. Deze verblijfplaatsen kunnen door diverse vleermuissoorten worden gebruikt. De bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen die toegang verlenen tot de spouwmuren of ruimtes achter betimmering. Geschikte openingen zijn aanwezig in de vorm van ventilatievoegen, open stootvoegen, spleten, loshangende loodslabben en ruimte achter dakranden (zie figuur 4.3 t/m 4.8). De geschiktheid van de bebouwing op de onderzoekslocatie voor vleermuissoorten is weergegeven in tabel 4.1. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van vleermuizen is niet uit te sluiten.
Nader onderzoek naar de genoemde verblijfsfuncties en vleermuissoorten is noodzakelijk (zie hoofdstuk 5).
Figuur 4.4 Ruimte onder de dakrand bij bebouwing 1.
Figuur 4.5 Ruimte achter loshangende loodslab bij bebouwing 2.
Figuur 4.6 Ventilatievoegen bij bebouwing 3.
Figuur 4.7 Open stootvoegen bij bebouwing 4.
Figuur 4.8 Spleten bij bebouwing 5.
Figuur 4.9 Open stootvoegen bij bebouwing 6.
25034.001 versie D1
10 / 27
Tabel 4.1 Potentiële functies van de onderzoekslocatie voor vleermuissoorten. Soort
Zomerverblijf
Kraamverblijf
Paar/baltsverblijf
Massawinterverblijf
Gewone dwergvleermuis
x
x
x
x (alleen bebouwing 4)
Ruige dwergvleermuis
x
x
x
Laatvlieger
x
x
Gewone grootoorvleermuis
x
x
x
De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk gewone grootoorvleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden geen vliegroutes verstoord.
De bomenlaan langs de kanalen aan zowel de noord- als de zuidzijde wordt niet aangetast en betreft geen essentiële vliegroute.
4.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten.
25034.001 versie D1
11 / 27
Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: steenmarter, eekhoorn, das, bunzing, wezel, hermelijn en egel. Wegens de ligging van de onderzoekslocatie binnen de bebouwde kom, afwezigheid van landschapselementen en groen structuren, zijn verblijfplaatsen van das en kleine marterachtigen op voorhand uitgesloten. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Deze soort komt in de omgeving van de onderzoekslocatie voor. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Echter, is de binnenkant van de bebouwing niet geïnspecteerd op sporen van de steenmarter tijdens het eerste veldbezoek. Bebouwing 1 heeft diverse openingen in het gebouw waar de steenmarter gebruik van kan maken.
De overige bebouwing 2 t/m 6 heeft geen geschikte openingen waar de steenmarter naar binnen kan. Tijdens het tweede veldbezoek is de binnenkant van bebouwing 1 geïnspecteerd op sporen van de steenmarter (zie figuur 4.11). Hierbij zijn wederom geen uitwerpselen of prooiresten aangetroffen. Er zijn een aantal openingen in het gebouw waar de steenmarter in kan kruipen, echter zijn deze openingen te vochtig voor een steenmarter op zijn verblijfplaats te houden (zie figuur 4.10). Verder zijn er geen geschikte openingen aangetroffen die een steenmarter kan gebruiken om de bebouwing te betreden. Op basis van de aanvullende steenmarter inspectie, kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen worden uitgesloten op de onderzoekslocatie.
Figuur 4.10 Vochtige opening in bebouwing 1.
25034.001 versie D1
Figuur 4.11 Binnenzijde bebouwing 1.
12 / 27
Eekhoorn De eekhoorn komt in de omgeving van de onderzoekslocatie voor. Deze soort kan zich doorgaans goed handhaven in stedelijke omgevingen wanneer er voldoende verbindende groene elementen aanwezig zijn en er genoeg voedsel te vinden is. De onderzoekslocatie ligt midden in een stedelijk gebied, groene verbindingen, zoals voldoende bomen en hoge struiken, waar de eekhoorn gebruik van kan maken ontbreken rond de onderzoekslocatie. In de bomen op de onderzoekslocatie zijn daarnaast geen nesten van een eekhoorn aangetroffen. Het is mogelijk dat de eekhoorn een nest zou kunnen hebben in particuliere tuinen. Wanneer dit het geval is, zullen nesten van eekhoorns niet negatief beïnvloed worden door de voorgenomen ingreep. Overtredingen van de Omgevingswet zijn uitgesloten voor de eekhoorn. Egel Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF komt de egel voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. De egel komt in diverse landschappen voor zoals tuinen, bosranden, struweel en loofbos. Daarnaast worden egels ook frequent gezien in stedelijk gebied, waar voldoende groen en schuilplaatsen aanwezig zijn. Binnen de onderzoekslocatie zijn er op verschillende locaties geschikt groen aanwezig en in combinatie met de tuinen van woningen kan de onderzoekslocatie geschikt leefgebied vormen voor de egel.
De aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de egel kan niet worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5). Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn en rosse woelmuis. Op het braakliggende terrein zijn meerdere graafsporen en uitwerpselen van konijnen aangetroffen. Het is mogelijk dat de konijn op dit gedeelte zijn hol heeft. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van konijnen worden vergraven, indien er werkzaamheden plaats gaan vinden op het braakliggende terrein (zie hoofdstuk 5).
4.4 Reptielen, amfibieën en vissen Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen streng beschermde reptielen waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Amfibieën Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in het deel van Nederland waar de onderzoekslocatie ligt, de volgende soorten te verwachten: kleine watersalamander, gewone pad, bastaardkikker en bruine kikker. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten.
25034.001 versie D1
13 / 27
De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt landhabitat voor amfibieën. Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad beschutting vinden tussen de beplanting van het openbaar groen en tuinen van woningen. Het kanaal aan de noordzijde dat grenst aan de onderzoekslocatie kan voortplantingsmogelijkheden bieden aan beide soorten. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Omgevingswet (zie hoofdstuk 5). Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.
4.5 Ongewervelden Libellen Voor libellen geldt dat water nodig is voor de voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF waarnemingen bekend van de teunisbloempijlstaart, grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder. Van deze soorten kunnen de grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder op voorhand worden uitgesloten. Er zijn geen waardplanten van deze soorten op de onderzoekslocatie waargenomen. Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart heeft open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen als habitat. De waardplanten van de soort zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Tijdens het veldbezoek is gelet op waardplanten van teunisbloempijlstaart. Op de onderzoekslocatie zijn teunisbloemen (waardplanten van teunisbloempijlstaart) op het braakliggende terrein aangetroffen (zie figuur 4.9 en 4.10).
De teunisbloemen zijn waargenomen in rozetvorm en bieden mogelijk een functie voor de teunisbloempijlstaart wanneer de teunisbloemen in bloei staan. Aangezien er meerdere waardplanten zijn aangetroffen op de onderzoekslocatie, kunnen overtredingen van de Omgevingswet niet met zekerheid worden uitgesloten. Wanneer er werkzaamheden plaatsvinden op het braakliggende terrein waarbij teunisbloemen worden vergraven, zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk (zie hoofdstuk 5).
25034.001 versie D1
14 / 27
Figuur 4.9 Braakliggend terrein waar teunisbloemen zijn aangetroffen.
Figuur 4.10 Rozet van de teunisbloem.
Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft, vermiljoenkever en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
4.6 Planten Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, verharding en openbaar groen binnen stedelijk gebied is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten waargenomen. Smalle raai Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 3 jaar exemplaren van de smalle raai waargenomen in de buurt van de onderzoekslocatie. Smalle raai wordt tegenwoordig voornamelijk in urbane omgevingen aangetroffen, waarbij de bodem snel kan opwarmen. De plant groeit op droge tot matig vochtige, matig voedselrijke, stikstofrijke, kalkrijke en verstoorde grond. Aantallen van de smalle raai nemen toe in omgevingen zoals spoorwegterreinen. Op de onderzoekslocatie zijn geen exemplaren aangetroffen van de smalle raai. De waarnemingen zijn afkomstig van het nabij gelegen spoorterrein net buiten de onderzoekslocatie. Op de onderzoekslocatie is geen vergelijkbaar habitat aanwezig, waarmee overtredingen van de Omgevingswet niet aan de orde zijn voor de smalle raai.
25034.001 versie D1
15 / 27
4.7 Specifieke zorgplicht Onder de specifieke zorgplicht vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in de Rode Lijsten. Een Rode lijst is een overzicht van levende soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Economische Zaken. De dier- en plantensoorten zijn onderverdeeld in categorieën. Naast vogels zijn er ook lijsten voor bijen, dagvlinders, haften, kokerjuffers, sprinkhanen, krekels, korstmossen, landen zoetwaterweekdieren, libellen, mossen, paddenstoelen, platwormen, sprinkhanen en krekels, steenvliegen, vissen en zoogdieren. Volgens de actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn er geen Rode Lijst soorten in de afgelopen 3 jaar waargenomen. Door te voldoen aan de algemene zorgplicht kan worden vastgesteld dat nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dier- en plantensoorten die zijn opgenomen in de Rode Lijst.
25034.001 versie D1
16 / 27
5
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er schadelijke handelingen optreden die leiden tot een vergunningsplichtig geval. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Omgevingswet en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Omgevingswet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
5.1 Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels Huismus De nesten van huismussen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 11.37, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving (bal) is het verboden nesten van huismussen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er bij gebouw 1 op de onderzoekslocatie nestplaatsen van huismussen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soort. Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn.
In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren.
25034.001 versie D1
17 / 27
Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.
5.2 Vleermuizen De te slopen en renoveren bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop en renovatie van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningsplichtig geval. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal nader onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Omgevingswet aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Een dergelijk nader onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden.
Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Omgevingswet naar verwachting niet te vermijden en is daarom een vergunningssaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd via het Omgevingsloket, middels een omgevingsvergunning.
25034.001 versie D1
18 / 27
5.3 Overige zoogdieren Egel Zowel de rust- en voortplantingsplaatsen als het functioneel leefgebied van de egel zijn in provincie Overijssel beschermd. Als gevolg van het verwijderen van het openbaar groen op de onderzoekslocatie, kunnen dieren verwond of gedood worden en verblijfplaatsen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 11.54 van de Omgevingswet in. Het doden of verwonden kan plaatsvinden wanneer rust- of voortplantingslocaties (zoals lage vegetatie en struiken) worden aangetast. Aanvullend onderzoek is in de provincie Overijssel niet noodzakelijk voor de egel, wel dient een vergunning te worden aangevraagd en dient het verlies aan leefgebied gecompenseerd te worden.
5.4 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden en het verwijderen van groen kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van Artikel 11.54, bal in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden wanneer rust- of voortplantingslocaties worden aangetast. Het verwijderen van groen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust uitgevoerd te worden. De geschikte periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden betreft de periode september t/m oktober. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen.
5.5 Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart is Europees beschermd onder vermelding van Artikel 11.46 van de Omgevingswet. Dat betekend concreet dat het opzettelijk doden, vangen of verstoren van individuen verboden is. Ook het beschadigen van voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen is niet toegestaan. Op het moment dat er plannen komen voor het braakliggende terrein, waarbij de waardplanten van de teunisbloempijlstaart worden verwijderd, bestaat de kans dat er functioneel leefgebied van deze vlindersoort verloren gaat. Er dient dan eerst aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd naar de teunisbloempijlstaart.
25034.001 versie D1
19 / 27
5.6 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
5.7 Samenvatting Ten aanzien van de ingreep op de onderzoekslocatie, dient er rekening gehouden te worden met de volgende soorten weergegeven per gebied (zie figuur 5.1): Bebouwing 1 t/m 6 (rood) • De bebouwing is mogelijk geschikt als verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen zoals, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Het deel van de bebouwing dat geschikt is voor vleermuizen is rood gearceerd. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk. • De noordzijde van bebouwing 1 is mogelijk geschikt als verblijfplaats voor de huismus (geel gearceerd). Aanvullend onderzoek is noodzakelijk. • De binnenzijde van bebouwing 1 is mogelijk geschikt als vaste rust- en/of verblijfplaats van de steenmarter. Een aanvullende inspectie is noodzakelijk om de bebouwing op geschiktheid te beoordelen. Indien geschikt is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Braakliggend terrein (oranje) • De teunisbloempijlstaart heeft mogelijk zijn functioneel leefgebied op het braakliggend terrein, direct ten zuiden van bebouwing 1. Indien er werkzaamheden plaats gaan vinden, waarbij de waardplant teunisbloem wordt verwijderd, dient er aanvullend onderzoek plaats te vinden. Openbaar groen (gehele onderzoekslocatie) • In de Westerdokstraat heeft het openbaar groen mogelijk een belangrijke functie als vaste rustplaats voor huismussen.
Het groen dient mogelijk als essentiële kwetterbos. Het onderzoeken van deze functie dient te worden meegenomen in het huismusonderzoek. • Al het openbaar groen binnen de onderzoekslocatie dient mogelijk als essentieel leefgebied voor de egel. Voor de egel dient het verlies aan leefgebied te worden gecompenseerd en is afhankelijk van de ingrepen een vergunning noodzakelijk. • De zorgplicht is van toepassing voor alle algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën. • In de bomen nabij bebouwing 4 zijn er nesten van houtduiven en zwarte kraai aangetroffen. Indien deze nesten worden verwijderd ten aanzien van de voorgenomen ingreep, dient dit buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd.
25034.001 versie D1
20 / 27
Figuur 5.1 Overzicht van de risicogebieden en aangetroffen nesten binnen de onderzoekslocatie.
25034.001 versie D1
21 / 27
6
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Omgevingswet aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
6.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Wierdense Veld, bevindt zich op circa 8,5 kilometer afstand ten westen van de onderzoekslocatie (zie figuur 6.1).
Figuur 6.1
Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de sloop- en renovatiewerkzaamheden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de vergunningplicht ‘Natura 2000-activiteit’ ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).
25034.001 versie D1
22 / 27
6.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 4 kilometer afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie. In figuur 6.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 6.2
Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
De onderzoekslocatie is gelegen op 4 kilometer afstand van een onderdeel van het Overijsselse Natuurnetwerk. Het Natuurnetwerk betreft in Overijssel een louter planologische bescherming van de aangewezen gebieden zelf. Aangezien het planvoornemen niet leidt tot een wijziging van de bestemming van het aangrenzende onderdeel van het Natuurnetwerk zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het ONN of zone ONW niet aan de orde.
25034.001 versie D1
23 / 27
7
HOUTOPSTANDEN
In art. 11.112 zijn de oogmerken opgenomen voor de activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten. De oogmerken met betrekking tot vellen en herplanten van houtopstanden hebben betrekking op de natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf in Artikel 11.111 (Bal). De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. Daarnaast blijven de bomenrijen langs de kanalen behouden.
25034.001 versie D1
24 / 27
8
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft van de gemeente Almelo opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan natuurwaarden in het gebied Westerdok te Almelo. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens het gebied Westerdok deels te herinrichten, waarbij enkele bebouwing wordt gesloopt of gerenoveerd en het openbaar groen anders wordt ingericht. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 8.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 8.1
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader on- Omgevingsver- Bijzonderheden / opmerkingen* derzoek gunning
algemeen
ja
ja
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
ja
mogelijk
aanvullend onderzoek noodzakelijk voor huismus bij bebouwing 1
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
ja
mogelijk
aanvullend onderzoek noodzakelijk voor gebouwbewonende vleermuizen voor alle bebouwing behorend tot de onderzoekslocatie
foerageergebied
ja
mogelijk
nee
nee
voldoende alternatief in de omgeving beschikbaar
vliegroutes
nee
nee
nee
nee
-
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
mogelijk
mogelijk
compenserende maatregelen noodzakelijk voor de egel. Aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemeen voorkomende zoogdieren
Amfibieën
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemeen voorkomende amfibieën
Broedvogels
Vleermuizen
25034.001 versie D1
25 / 27
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader on- Omgevingsver- Bijzonderheden / opmerkingen* derzoek gunning
Libellen en vlinders
ja
mogelijk
mogelijk
mogelijk
aanvullend onderzoek noodzakelijk naar de teunisbloempijlstaart, indien werkzaamheden worden verricht op het braakliggend terrein
Overige soortgroepen
nee
nee
nee
nee
-
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader on- Vergunningderzoek plicht
Natura 2000
8,5 km
mogelijk
ja
mogelijk
stikstofberekening met AERIUS-calculator
Natuurnetwerk Nederland
4 km
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t
-
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusie Huismus Aanvullend onderzoek naar beschermde functies behorend tot het leefgebied van de huismus is noodzakelijk binnen de onderzoekslocatie. Het betreft hier specifiek gericht onderzoek naar bebouwing 1 en het openbaar groen. Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, wanneer het groen en aanwezige nesten verwijderd dienen te worden, dit buiten het broedseizoen gebeurd dient te worden, zodat er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien de werkzaamheden plaatsvinden tijdens het broedseizoen, dient er een inspectie uitgevoerd te worden door een ecoloog om vast te stellen dat er geen broedgevallen aanwezig zijn. Gebouwbewonende vleermuizen Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen, wanneer de bebouwing wordt gesloopt of gerenoveerd. Onderzoek zal plaats moeten vinden naar zomer-, kraam- en paar-/baltsverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis.
Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Omgevingswet aan de orde zijn.
25034.001 versie D1
26 / 27
Egel De egel heeft mogelijk verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie of is onderdeel van het essentieel leefgebied van deze soorten. Het betreft leefgebied zoals het openbaar groen en tuinen van woningen die binnen de onderzoekslocatie liggen. De provincie Overijssel geeft de voorkeur om geen aanvullend onderzoek uit te voeren voor bovengenoemde soorten, maar direct mitigerende maatregelen te treffen en een vergunning aan te vragen. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën vallen onder het provinciale soortenbeleid of hebben een vrijstelling van de Omgevingswet, waardoor geen vergunning hoeft worden aangevraagd. Bij diverse werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor deze soortgroepen zoals het doden van konijnen bij het vergraven van holen en het doden van amfibieën bij het verwijderen van openbaar groen. Het is in het kader van de zorgplicht noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Daarom dient er buiten de meest kwetsbare periode gewerkt te worden. De meest geschikte periode om werkzaamheden aan het openbaar groen uit te voeren is in september en oktober.
Teunisbloempijlstaart Indien er werkzaamheden zijn gepland voor het braakliggend terrein op de onderzoekslocatie, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de teunisbloempijlstaart. Overige soortgroepen Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Gebiedsbescherming Externe effecten op het nabijgelegen Natura 2000-gebied als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de voorgenomen werkzaamheden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Omgevingswet ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (Aerius-calculator).
Econsultancy Doetinchem, 27 november 2024.
25034.001 versie D1
27 / 27
GERAADPLEEGDE BRONNEN BIJ12 (2023b). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/ BIJ12 (2017a). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/ Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 11 april 2024 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Overijssel, Almelo, periode 2018-2023. NDFF. Geraadpleegd op 11 april 2024 van https://ndff-ecogrid.nl. Ravon (z.d.). Soorten. Geraadpleegd op 11 april 2024 van https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 11 april 2024 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 11 april 2024 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021.
Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Vlinderstichting (z.d.) Vlinders. Geraadpleegd op 11 april 2024 van https://www.vlinderstichting.nl/vlinders Vogelbescherming (z.d.). Vogelgids. Geraadpleegd op 11 april 2024 van https://www.vogelbescherming.nl/ Zoogdiervereniging (z.d.) Zoogdiersoorten. Geraadpleegd op 11 april 2024 van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten
Provinciale bronnen www.overijssel.nl (NNB en beschermde gebieden in Overijssel) www.overijssel.nl/thema's/natuur/groenloket
BIJLAGE 1 NATUURWETGEVING EN DOELEN NATURA 2000 Natuurwetgeving Natura 2000 Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1-1-2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten op Natura 2000. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn.
Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 2.7, lid 2 Wnb. en per 1-1-2024 artikel 5.1, lid 1, sub e Ow). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het bevoegd gezag. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen).
Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
Doelen Natura 2000 Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek internationaal belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau. Algemene doelen zijn behoud en indien van toepassing herstel van: • •
• •
De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.