CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 5 bij RB 18 - Beleidsregels jeugdhulp gemeente Almelo

Raad 24 juni 2025, gemeente AlmeloBij agendapunt: raadsbrieven vanuit B&W12.558 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De behandelduur voor ambulante behandeling individueel is maximaal 2 jaar, met uitzondering van de met aanbieders overeengekomen afwijkende afspraken. In voorkomende gevallen kan het college beslissen om een indicatie voor langere tijd af te geven. Er dient dan wel periodiek een evaluatiemoment plaats te vinden; - Als sprake is van de verwachting dat de situatie van de cliënt verslechtert, bijvoorbeeld als gevolg van een progressief verlopende aandoening, kan de indicatie, als het gaat om ondersteuning in het kader van de Wet, eveneens voor langere tijd worden afgegeven. Ook als blijkt dat er minder ondersteuning noodzakelijk is kan de omvang van de indicatie worden gewijzigd; - Is er sprake van een situatie waarbij de verwachting bestaat dat er verbetering mogelijk is in de eigen kracht, al dan niet door inzet van hulp uit het sociaal netwerk, (nietafdwingbare) mantelzorg of algemene voorzieningen, zal de indicatieduur worden beperkt tot de termijn waarbinnen deze verbeteringen verwacht worden, òf zal een getrapte indicatie plaatsvinden, waarmee de indicatie in 1 of meerdere stappen wordt af- of opgebouwd in omvang of intensiteit; - Het toekennen van een voorziening voor een langere periode betekent niet dat de cliënt tijdens deze periode een onvoorwaardelijke aanspraak houdt op de voorziening.

Het college is altijd bevoegd om tussentijds onderzoek te verrichten naar de vraag of de voorziening nog adequaat en noodzakelijk is of dat het verstrekte Pgb nog passend is. Aan een dergelijk heronderzoek zijn dezelfde inhoudelijke voorwaarden verbonden als bij een onderzoek naar aanleiding van een aanvraag. b. De woonomstandigheden en de samenstelling van het huishouden van de cliënt en de veranderingen die zich daarin kunnen voordoen: - Als het maatwerk bestaat uit dienstverlening kunnen ook de woonomstandigheden en samenstelling van het huishouden invloed hebben op de indicatieduur. Bij overige individuele voorzieningen speelt dit minder. Als er bijvoorbeeld sprake is van kinderen in het gezin, zullen deze mogelijkerwijs naarmate zij ouder worden meer gebruikelijke hulp kunnen verlenen. Ook kan het zijn dat na een beperkte ondersteuning van het gezin, 15

bijvoorbeeld bij het anders organiseren van het huishouden of het aanleren van bepaalde vaardigheden, minder ondersteuning nodig is, omdat gezinsleden meer gebruikelijke hulp kunnen verlenen. Artikel 6.3. Getrapt indiceren 1. Indien wordt vastgesteld dat er, al dan niet, ontwikkeling mogelijk is in zelfstandigheid, zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt, kan een getrapte indicatie worden afgegeven. Dit betekent dat de indicatieperiode wordt ingedeeld in één of meerdere perioden, waarbij een andere (hogere of lagere) hoeveelheid van de ondersteuning wordt toegekend. 2. Bij een ontwikkelingsmogelijkheid in de zelfstandigheid, zelfredzaamheid en/of participatie is meestal sprake van een afbouw van intensiteit, maar bij arbeidsmatige dagbesteding kan juist sprake zijn van een opbouw. Ook als voorzien wordt dat mantelzorg (bijvoorbeeld door verhuizing van de mantelzorger) binnen afzienbare tijd komt te vervallen, kan indeling in een hogere hoeveelheid ondersteuning aan de orde zijn. 3. Bij de getrapte indicatie kan dus zowel een afbouw als opbouw van ondersteuning aan de orde zijn. Artikel 6.4 Wijziging individuele voorziening 1. Het college is bevoegd om, al dan niet periodiek, verstrekte individuele voorzieningen tussentijds opnieuw te onderzoeken op basis van artikel 8.1.3 van de Wet. 2.

Als een cliënt aangeeft dat hij structureel minder of meer ondersteuning nodig heeft dan wordt er op basis van een aanvraag van de cliënt opnieuw onderzoek verricht naar de situatie van de cliënt en mogelijk een nieuw besluit genomen. 3. De ingangsdatum van de wijziging wordt zo veel mogelijk in overleg met de cliënt vastgesteld. 4. Als de cliënt, op wiens naam de indicatie is afgegeven, overlijdt of als hij/zij permanent of voor lange tijd (naar verwachting langer dan 8 weken) afwezig zal zijn, eindigt de indicatie. Artikel 6.5 Wisseling van ondersteuning 1. Het is van belang dat, bij een lopende individuele voorziening, er sprake is van continuïteit in de ondersteuning richting de cliënt, zodat de ondersteuning uiteindelijk efficiënt kan worden uitgevoerd. Dit vergroot de doelmatigheid van de ondersteuning. Om deze reden zijn er grenzen gesteld aan de frequentie waarmee een cliënt mag wisselen tussen zorgverleners. Een cliënt kan op eigen verzoek, na schriftelijke toestemming van het college, maximaal 1 keer per jaar wisselen van zorgverlener (ongeacht of het gaat om ondersteuning in de vorm van zorg in natura of Pgb), tenzij de wisseling veroorzaakt wordt door een situatie die niet aan de cliënt valt te verwijten, zoals een faillissement van de aanbieder of aantoonbaar geleverde slechte kwaliteit van zorg door de aanbieder. 2.

Is er sprake van een lopende indicatie en wil de cliënt op eigen verzoek overstappen van ondersteuning in natura naar ondersteuning in de vorm van een Pgb (of andersom), dan zal de cliënt dat zelf tijdig bij het college moeten aanvragen. Een verzoek tot omzetting van de individuele voorziening naar een Pgb moet aan de wettelijke Pgb-eisen worden getoetst. Door een dergelijk verzoek tijdig in te dienen kan de beoordeling van het recht op een Pgb en de kwaliteit van de in te kopen ondersteuning zorgvuldig plaatsvinden. Als een cliënt de ondersteuning in natura al heeft laten beëindigen, kan een Pgb alleen met terugwerkende kracht worden verstrekt als vaststaat dat over die periode geleverd is én de cliënt ook verder voldoet aan de voorwaarden voor een Pgb, waaronder een goedgekeurd zorgplan en de van toepassing zijnde kwaliteitseisen. Het college is bevoegd bewijsstukken te verzoeken waaruit blijkt dat de ondersteuning daadwerkelijk geleverd is. 3. De cliënt doet een verzoek tot wijziging van zorgaanbieder schriftelijk bij het college op basis van een door het college ter beschikking gesteld formulier. 4. De (Pgb-)aanbieder heeft gedurende de looptijd van de overeenkomst een acceptatieplicht en zorgplicht en is daarom altijd verplicht tot het leveren van de producten waarvoor zij gecontracteerd zijn.

Hiermee wil de gemeente voorkomen dat de cliënt door zorgaanbieders onterecht wordt geweigerd c.q. van zorgaanbieder naar zorgaanbieder wordt gestuurd. In geval van vakantie of afwezigheid van de zorgverlener moet de (Pgb-)aanbieder zorgen voor het zonder onderbreking voortzetten van de ondersteuning. 5. Gedurende het ondersteuningstraject kan blijken dat een (Pgb-)aanbieder niet in staat is de toegewezen cliënt te ondersteunen. Indien de (Pgb-)aanbieder kan aantonen dat hij de gevraagde ondersteuning niet kan bieden vanwege gebrek aan expertise op het betreffende (vak-)gebied of niet op de gewenste termijn ondersteuning kan bieden, dan rust op de zorgaanbieder de 16

inspanningsplicht om te zoeken naar een passend vervolgaanbod in samenwerking met de gemeente. De (Pgb-)aanbieder organiseert een zogenoemde ‘warme overdracht’. Dit houdt in ieder geval in dat de (Pgb-)aanbieder zorgt dat contact plaatsvindt tussen de cliënt, de gemeente en de nieuwe (Pgb-)aanbieder. Totdat de overdracht definitief is geregeld, blijft de huidige (Pgb-) aanbieder verantwoordelijk voor de ondersteuning van de cliënt. 6. Het beëindigen van de ondersteuning bij een cliënt met een lopende indicatie kan alleen plaatsvinden na overleg met en schriftelijke toestemming van de gemeente.

Hoofdstuk 7 Intrekking, herziening, beëindiging, terugvorderen Artikel 7.1 Intrekking en herziening 1. Van intrekking is sprake als achteraf gezien in het verleden geen recht op een voorziening bestond. De voorziening wordt met terugwerkende kracht stopgezet. Van intrekking is sprake als er in het geheel geen recht op de voorziening bestond. 2. Als er nog wel enig, maar een ander recht op de voorziening bestaat dan is er sprake van herziening. Dit betekent dat de individuele voorziening wordt omgezet naar een andere individuele voorziening. Dit kan bijvoorbeeld zijn dat ondersteuning in de vorm van een Pgb wordt omgezet naar ondersteuning in de vorm van zorg in natura. 3. Uit de Jeugdwet volgt dat het college een besluit om een individuele voorziening of een Pgb toe te kennen kan intrekken of herzien. Maar dit mag alleen als wordt vastgesteld dat: a. De jeugdige en/of zijn/haar ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. De cliënt moet wel redelijkerwijs kunnen begrijpen dat hij/zij ten onrechte een voorziening of een Pgb ontving. Ook geldt hier dat de cliënt wel de mogelijkheid moet worden geboden om alsnog de juiste gegevens aan te leveren; b.

De jeugdige en/of zijn/haar ouder(s) niet langer op de voorziening of een Pgb is aangewezen Hieronder valt ook de situatie dat beleid wijzigt en dat cliënt op grond van dat gewijzigde beleid niet langer in aanmerking komt voor de individuele voorziening of het Pgb. In dat geval dient wel een redelijke termijn in acht genomen te worden bij de wijziging. Wat een redelijke termijn is hangt af van de aard van de voorziening en de tijd die iemand naar verwachting nodig heeft om zich in te stellen op de nieuwe situatie; c. De individuele voorziening of het Pgb niet meer toereikend is te achten Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat de ondersteuningsvraag van de cliënt is gewijzigd waardoor de voorziening of het Pgb niet meer toereikend zijn. Het kan ook zijn dat bijvoorbeeld de kwaliteit van de ondersteuning verleend door de zorgverlener niet meer toereikend is. Ook als de voorziening of het Pgb door de zorgverlener voor een ander doel wordt ingezet dan waarvoor het is verstrekt kan de voorziening niet meer toereikend zijn. De cliënt behoudt wel het recht op de individuele voorziening, maar de voorziening uitgevoerd bij de door de cliënt gekozen zorgverlener is niet meer toereikend. De cliënt dient zijn voorziening in die gevallen bij een andere zorgverlener te verzilveren; d.

De jeugdige en/of zijn/haar ouder(s) niet voldoet aan de voorziening of het Pgb verbonden voorwaarden Dit speelt bijvoorbeeld als de cliënt niet langer in staat is de aan een Pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; e. De jeugdige en/of zijn/haar ouder(s) de voorziening of het Pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd Een voorbeeld hiervan is dat de voorziening of het Pgb wordt ingezet voor welzijnsactiviteiten. 4. Een beslissing tot verlening van een Pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het Pgb binnen 6 maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Artikel 7.2 Beëindiging 1. Van beëindiging is sprake als de voorziening per toekomende datum wordt stopgezet. De cliënt kan dit verzoeken door het invullen van een beëindigingsformulier. 2. Als een cliënt wordt opgenomen in een instelling ten laste van de Wet langdurige zorg, dan wordt de indicatie op grond van de Jeugdwet 1 dag na opname beëindigd. 3. Indien de cliënt verhuist naar een andere gemeente wordt de overdrachtsdatum van de indicatie in gezamenlijkheid vastgesteld met de nieuwe gemeente, met inachtneming van de afspraken uit het administratieprotocol.

17

Artikel 7.3 Terugvordering bij de cliënt of een derde die opzettelijk medewerking heeft verleend 1. Het college heeft de bevoegdheid om de geldswaarde terug te vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of Pgb. Dit mag alleen als: a. Een verstrekte voorziening of een Pgb is ingetrokken, omdat de cliënt onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt (en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit had geleid); en b. Dit door de cliënt opzettelijk is gedaan. 2. In het kader van de Wet en de regeling Jeugdwet geldt dat het college mag terugvorderen bij de cliënt zelf, maar ook bij degene die daaraan opzettelijk zijn/haar medewerking heeft verleend. De hoogte van de terugvordering is de gehele of de gedeeltelijke geldswaarde van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten Pgb. 3. Het bedrag van de terugvordering moet aan het college betaald worden. Als uitgangspunt geldt dat het college een betalingstermijn biedt van zes weken. Het college is bevoegd een afbetalingsregeling te treffen met de cliënt en/of om uitstel van betaling te verlenen. 4. Waar mogelijk kan het college overgaan tot verrekening van de vordering met (financiële) aanspraken die de cliënt op het college heeft. 5. Het besluit tot terugvordering heeft geen executoriale titel. Artikel 7.4 Terugvorderen bij de Pgb-aanbieder 1.

Op grond van artikel 8.2 van de verordening gaat het college over tot terugvordering van het Pgb bij de Pgb-aanbieder indien de Pgb-aanbieder: a. Ten onrechte heeft gedeclareerd voor ondersteuning, welke niet of niet volgens de gestelde voorwaarden is verleend Het is niet toegestaan om ondersteuning te declareren welke niet of niet volgens de gestelde voorwaarden is verleend. De Pgb-aanbieder kan, ondanks dat dit niet is toegestaan, ten onrechte ondersteuning declareren tijdens afwezigheid van de cliënt of de Pgb-beheerder, waarbij niet de cliënt maar de Pgb-aanbieder de urenbriefjes ondertekent door bijvoorbeeld in het bezit zijn van de DigiD-code van de cliënt. Het kan gaan om ondersteuning die niet is verleend tijdens bijvoorbeeld de vakantieperiode of ziekte. Ook kan het gaan om situaties waarbij het totale jaarbudget is verbruikt, terwijl bijvoorbeeld de ondersteuning halverwege het jaar beëindigd wordt; b. Het Pgb heeft ingezet voor een ander doel dan waarvoor het is verstrekt Indien de ondersteuning is ingezet voor een ander doel, dan de doelen zoals omschreven in het ondersteuningsplan, dan is er geen juiste ondersteuning geboden en kan het college het Pgb-bedrag bij de zorgverlener terugvorderen.

Denk hierbij onder andere aan het enkel verrichten van welzijnsactiviteiten, het niet inzetten van deskundig personeel, het geven van cadeaus aan cliënten in plaats van ondersteuning, het gebruiken van Pgb-gelden voor persoonlijk gewin zonder het bieden van kwalitatief goede ondersteuning; c. De individuele voorziening zonder toestemming van het college in het buitenland is ingezet Hierbij kan gedacht worden aan vakantiereisjes naar het buitenland of uitstapjes. 2. Het gaat om situaties waarbij de cliënt niet opzettelijk de inlichtingenplicht heeft geschonden, maar in gevallen waarbij er onwetendheid was bij de cliënt, de cliënt door de Pgb-aanbieder misbruikt, gemanipuleerd of onder druk gezet is. 3. Het bedrag van de terugvordering moet aan de gemeente betaald worden. Als uitgangspunt geldt dat het college een betalingstermijn biedt van zes weken. Het college is bevoegd een afbetalingsregeling te treffen met Pgb-aanbieder en/of om uitstel van betaling te verlenen. 4. Waar mogelijk kan het college overgaan tot verrekening van de vordering met (financiële) aanspraken die de Pgb-aanbieder op het college heeft. 5. Het besluit tot terugvordering heeft geen executoriale titel.

Hoofdstuk 8 Evalueren en bezwaar of beroep Artikel 8.1 Evalueren van de ondersteuning 1. Het college heeft verschillende mogelijkheden om de uitvoering van de ondersteuning te toetsen/evalueren. Hierbij wordt de medewerkingsplicht van de cliënt in acht genomen zoals opgenomen in artikel 6.6 van de verordening. 2. De zorgverlener dient iedere 6 maanden een evaluatiegesprek te houden met de cliënt. Tijdens dit gesprek wordt de ondersteuning geëvalueerd. Er wordt beoordeeld of de gestelde doelen behaald (kunnen) worden en of het noodzakelijk is om de ondersteuning bij te stellen om de gestelde doelen te behalen. De zorgverlener stelt een evaluatieverslag op en deelt dit met de cliënt en/of Pgb-beheerder. Dit evaluatieverslag wordt bij het volgende gesprek met de coach besproken. De 18

cliënt en/of zorgverlener stuurt het evaluatieverslag tijdig voorafgaand aan het gesprek toe naar de coach. 3. Uitgangspunt is dat de coach de ondersteuning tussentijds evalueert. Er vindt een gesprek plaats tussen de coach, de cliënt en eventueel de zorgverlener. Het is aan de beoordeling van het college te bepalen wie er eventueel nog meer aanwezig zijn bij dit gesprek. Tijdens dit gesprek wordt getoetst of de ondersteuning daadwerkelijk passend is bij de situatie van de cliënt. Naast dit evaluatiegesprek kan te allen tijde een periodieke toetsing gehouden worden, wanneer daar aanleiding toe is. Steekproefsgewijze controle behoort ook tot de mogelijkheden. 4. In zowel het evaluatiegesprek, als de periodieke toetsing en de steekproefsgewijze controle wordt gecontroleerd of de ondersteuning doel- en rechtmatig wordt ingezet. Onder doelmatig wordt verstaan of de doelen en resultaten, zoals geformuleerd in het ondersteuningsplan, worden gehaald. Onder rechtmatig wordt verstaan of de cliënt, eventueel de Pgb-beheerder en de zorgverlener(s) zich houden aan de afspraken zoals vastgelegd in het ondersteuningsplan, het zorgplan en eventueel de zorgovereenkomst. Daarmee wordt getoetst of de ondersteuning of het budget aangewend wordt voor datgene waarvoor het bestemd is. 5.

Als uit de evaluatie van de ondersteuning blijkt dat naar het oordeel van het college de ondersteuning niet veilig, doeltreffend, doelmatig en/of cliëntgericht is ingezet, kan het college besluiten om de individuele voorziening te herzien. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat als gestelde doelen niet worden behaald, de ondersteuning niet langer bij dezelfde (Pgb-)aanbieder wordt ingezet.

Hoofdstuk 9 Klachten en privacy Artikel 9.1 Klachten- en privacyregeling 1. De (Pgb-)aanbieder dient te beschikken over een vastgestelde klachtenregeling voor medewerkers en cliënten voor de afhandeling van klachten. 2. De (Pgb-)aanbieder moet in ieder geval een beroep kunnen doen op een onafhankelijke klachtencommissie en een vertrouwenspersoon. 3. De cliënt wordt actief geïnformeerd over de klachtenregeling. De klachtenregeling is eveneens te vinden op de website van de (Pgb-)aanbieder. 4. De (Pgb-)aanbieder beschikt over een privacyreglement inclusief datalek-protocol.

Hoofdstuk 10 Calamiteiten en geweldsincidenten Artikel 10.1 Calamiteiten en geweldsincidenten 1. Calamiteiten binnen de Jeugdwet zijn: a. Iedere niet beoogde of onverwachte gebeurtenis die betrekking heeft op de kwaliteit van ondersteuning en die tot de dood of een ernstig schadelijk gevolg voor een patiënt of cliënt heeft geleid; b. Een onbedoelde gebeurtenis tijdens het ondersteuningsproces die tot schade aan de cliënt en/of medewerker(s) heeft geleid, had kunnen leiden of (nog) zou kunnen leiden. 2. Als er sprake is van een incident, dat geen calamiteit is volgens de Wet, maar wel oorzaak is of kan zijn van maatschappelijke onrust of media-aandacht, dan meldt de aanbieder dit ook onmiddellijk bij de gemeente. 3. De aanbieder is verplicht calamiteiten en geweldsincidenten onverwijld te melden bij de toezichthouder calamiteiten en geweld. Onverwijld melden betekent binnen drie werkdagen, nadat de calamiteit heeft plaatsgevonden, dan wel nadat dit is vastgesteld. Indien de aanbieder twijfelt of sprake is van een calamiteit, dan heeft de aanbieder vanaf de constatering van de gebeurtenis 6 weken de tijd om dit te onderzoeken. Zodra er door de aanbieder wordt vastgesteld dat er sprake is van een calamiteit, meldt de aanbieder dat binnen 3 werkdagen. 4.

De aanbieder meldt in ieder geval bij de gemeente: • Het soort incident; of • De zorg in het gedrang is of kan komen; en • Welke stappen de zorgverlener onderneemt; en/of • De IGJ op de hoogte is. 6. De aanbieder meldt de calamiteit die zich voordoet of heeft voorgedaan binnen de gemeente Almelo en/of een cliënt raakt waarvoor de gemeente Almelo verantwoordelijk is via de e-mail aan: toezichthouder-calamiteiten@almelo.nl. Vanaf dat moment treedt het calamiteitenprotocol in werking. 6. Aanvullend op het bepaalde in dit artikel geldt voor aanbieders van zorg in natura dat, naast de gemeente Almelo, het OZJT geïnformeerd wordt via: infosamen14@samentwente.nl.

19

Hoofstuk 11 Slotbepalingen Artikel 11.1 Intrekking De beleidsregels jeugdhulp gemeente Almelo 2019 worden ingetrokken. Artikel 11.2 Inwerkingtreding beleidsregels Deze beleidsregels treden in werking de dag na bekendmaking. Artikel 11.3 Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: beleidsregels jeugdhulp gemeente Almelo 2025. Ondertekening Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo op 10 juni 2025. de secretaris,

de burgemeester,

J. Dijkstra

R.T.A. Korteland

Bijlagen Bijlage 1 Beleidsregels jeugdhulp 2025 – Aandachtspunten resultaatgebied 0-4 jaar FAQT-J Bijlage 2 Beleidsregels jeugdhulp 2025 – Aandachtspunten resultaatgebied 4-12 jaar FAQT-J Bijlage 3 Beleidsregels jeugdhulp 2025 – Aandachtspunten resultaatgebied 12-18 jaar FAQT-J Bijlage 4 Beleidsregels jeugdhulp 2025 – Aandachtspunten resultaatgebied ouderschap FAQT-J Bijlage 5 Beleidsregels jeugdhulp 2025 – Richtlijn 0-4 jaar FAQT-J Bijlage 6 Beleidsregels jeugdhulp 2025 – Richtlijn 4-12 jaar FAQT-J Bijlage 7 Beleidsregels jeugdhulp 2025 – Richtlijn 12-18 jaar FAQT-J Bijlage 8 Beleidsregels jeugdhulp 2025 – Richtlijn ouderschap FAQT-J Bijlage 9 Beleidsregels jeugdhulp 2025 – Onderscheid licht, matig en zwaar FAQT-J

20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=47fa2eca-ceee-4528-a537-f2a189896802