CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

9.1 Vaststelling bestemmingsplan Gravenweg 10 - Bijlage - Vast te stellen bestemmingsplan Gravenweg 10.pdf

Raad 28 maart 2023, gemeente AlmeloBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Gravenweg 1032.702 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan Gravenweg 10 Aadorp NL.IMRO.0141.00109-

NL.IMRO.0141.00109-BP31

Inhoudsopgave

T oelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 De bij het plan behorende stukken 1.4 Huidig planologisch regime 1.5 Leeswijzer

6 6 6 6 7 8

Hoofdstuk 2 De huidige situatie 2.1 Huidige situatie plangebied

10 10

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1 Inleiding 3.2 Gewenste ontwikkeling 3.3 Verkeer en parkeren

11 11 11 13

Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid

14 14 16 21

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten 5.1 Geluid (Wet geluidhinder) 5.2 Bodemkwaliteit 5.3 Luchtkwaliteit 5.4 Externe veiligheid 5.5 Milieuzonering 5.6 Ecologie 5.7 Archeologie & cultuurhistorie 5.8 Besluit milieueffectrapportage 5.9 Fysieke veiligheid

24 24 25 26 27 29 31 34 35 36

Hoofdstuk 6 Waterparagraaf 6.1 Vigerend beleid 6.2 Waterparagraaf

39 39 42

Hoofdstuk 7 Juridisch bestuurlijke aspecten 7.1 Inleiding 7.2 Opzet van de regels 7.3 Verantwoording van de regels

43 43 43 44

Hoofdstuk 8

46

Economische uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 9 Vooroverleg, inspraak en zienswijze 9.1 Vooroverleg 9.2 Inspraak 9.3 Zienswijzen

47 47 47 47

Bijlagen bij de toelichting

48

Bijlage 1

49

Verkennend bodemonderzoek

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

3

NL.IMRO.0141.00109-BP31

Bijlage 2

Nader asbestonderzoek

128

Bijlage 3

AERIUS-berekening

174

Bijlage 4

Quickscan natuurwaardenonderzoek

203

Bijlage 5

Watertoetsresultaat

233

Regels

236

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

237 238 243

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5

Bestemmingsregels Agrarisch Tuin Wonen

244 245 247 248

Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene procedureregels Overige regels

251 252 253 254 255 256 257

Hoofdstuk 4 Artikel 12 Artikel 13

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

258 259 260

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

4

NL.IMRO.0141.00109-BP31

Toelichting

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

5

NL.IMRO.0141.00109-BP31

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Ter plaatse van de Gravenweg 10 te Aadorp (hierna: plangebied) bevindt zich een woonperceel met een woning. Initiatiefnemer is voornemens de woning te slopen en er een nieuwe grotere woning met bijgebouw voor terug te bouwen. De nieuwe woning is deels buiten het bouwvlak beoogd, en hiermee niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk om het voornemen te kunnen realiseren. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het vastleggen van het gewenste juridisch-planologische kader en toont aan dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is.

1.2

Ligging van het plangebied

Het plangebied aan de Gravenweg 10 is gelegen in het zuidelijke deel van de kern Aadorp, en staat kadastraal bekend als gemeente Almelo, sectie R, nummer 151. Daarnaast is initiatiefnemer tevens eigenaar van het naastgelegen perceel nummer 1538, dat tevens wordt meegenomen in dit bestemmingsplan. In afbeelding 1.1 is de ligging van de planlocatie in de kern Aadorp (rode ster) en ten opzichte van de directe omgeving (rode omlijning) weergegeven.

Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied in Aadorp en ten opzichte van de directe omgeving (Bron: PDOK)

1.3

De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan "Gravenweg 10 Aadorp" bestaat uit de volgende stukken: regels (met bijbehorende bijlagen); verbeelding (NL.IMRO.0141.00109-BP31) en een renvooi; Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangegeven. In de regels zijn voorschriften opgenomen die noodzakelijk worden geacht voor een juiste ontwikkeling en beheer van het plangebied. De toelichting (met bijbehorende bijlagen) vergezelt het plan. Hierin zijn de aan het plan ten grondslag liggende uitgangspunten en onderzoeken weergegeven.

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

6

NL.IMRO.0141.00109-BP31

1.4

Huidig planologisch regime

1.4.1 Algemeen Het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan "Noord Aadorp". Dit bestemmingsplan is op 13 mei 2009 vastgesteld door de gemeenteraad van Almelo. Daarnaast zijn ter plaatse van het plangebied tevens de bestemmingsplannen “Parapluherziening Geluidszone Industrieterreinen Noord” (27 januari 2015), “Parapluherziening parkeren” (5 juni 2018) en “Parapluherziening wonen” (23 maart 2020) van toepassing. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan "Noord Aadorp" opgenomen, waarbij het plangebied met rood is omlijnd. Hierna wordt kort ingegaan op de ter plaatse geldende bestemmingen.

Afbeelding 1.2: Uitsnede bestemmingsplan 'Noord Aadorp' (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

1.4.2 Beschrijving bestemmingen Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende bestemmingen: 'Woondoeleinden' De voor 'Woondoeleinden' bestemde gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor wonen met de daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken, tuinen en andere bijbehorende voorzieningen. Ter plaatse gelden enkele maatvoeringen. Zo is binnen het plangebied slechts een vrijstaande woning met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,5 en 8 meter toegestaan. Daarnaast moet een woning worden gebouwd binnen het aanwezige bouwvlak. 'Landelijk gebied' De voor 'landelijk gebied' bestemde gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor agrarisch gebruik, de versterking van landschapswaarden, ontsluitingswegen ten behoeve van het bestemmingsverkeer en waterlopen. Daarnaast zijn de daarbij behorende andere werken en andere bouwwerken welke passen binnen de bestemming, groenvoorzieningen en bouwwerken ten behoeve van voorzieningen van openbaar nut toegestaan. 'Tuin' De voor 'Tuin' bestemde gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor tuinen met de daarbij behorende andere

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

7

NL.IMRO.0141.00109-BP31

bouwwerken, groenvoorzieningen, verhardingen, tuinafscheidingen en overige bijbehorende voorzieningen. Ter plaatse mogen uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van respectievelijk 1 meter en 2 meter voor en achter de voorgevel. Tot slot is de aanduiding 'Geluidzonegrens Bedrijvenpark Twente – Turfkade Dollegoor 50 dB(A) etmaal waardecontour' van toepassing op een deel van het plangebied. Op basis van het geldende bestemmingsplan “Noord Aadorp” gelden ter plaatse geen aanvullende voorwaarden op basis van de bijbehorende planregels. Op basis van later vastgestelde bestemmingsplan “Parapluherziening Geluidszone Industrieterreinen Noord” is deze grond voorzien van de gebiedsaanduiding 'geluidszone – industrie'. 'geluidszone – industrie' De gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van gronden en gebouwen, welke deel uitmaken van een industrieterrein, waar geluidszoneringsplichtige inrichtingen zijn toegelaten. In afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(en), mogen ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - industrie" geen nieuwe geluidsgevoelige functies/gebouwen worden gerealiseerd/gebouwd.

1.4.3 Strijdigheid De nieuwe woning is deels geprojecteerd buiten het bestaande bouwvlak, en hiermee niet in overeenstemming met de geldende bouwregels. Het geldende bestemmingsplan bevat daarnaast geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid waarmee het voornemen mogelijk kan worden gemaakt. Dit maakt een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridisch planologische kader om het voornemen mogelijk te kunnen maken. In het kader van bovenstaande wordt nog opgemerkt dat in voorliggend geval alle gronden in eigendom van initiatiefnemer in de herziening worden betrokken. Dit vanwege het feit dat het geldende bestemmingsplan dateert uit 2009. Middels dit bestemmingsplan wordt de planologische situatie voor het gehele plangebied herzien.

1.5

Leeswijzer

De plantoelichting geeft een toelichting op het bestemmingsplan, maar maakt geen deel uit van het bestemmingsplan. De plantoelichting bevat achtereenvolgens de volgende hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Inleiding Hoofdstuk 2 De huidige situatie Hoofdstuk 3 Planbeschrijving Hoofdstuk 4 Beleidskader Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Hoofdstuk 6 Waterparagraaf Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid Hoofdstuk 9 Vooroverleg, inspraak en zienswijze In hoofdstuk 1 wordt ingegaan op de onderdelen waaruit dit bestemmingsplan bestaat, de ligging en begrenzing van het plangebied en het op dit moment geldende bestemmingsplan. Hieruit blijkt het kader waarbinnen dit bestemmingsplan is opgesteld. In hoofdstuk 2 wordt de huidige situatie van het gebied beschreven (functionele, stedenbouwkundige en verkeersstructuur). Hoofdstuk 3 bevat de planbeschrijving. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid van het Rijk, de provincie Overijssel en de gemeente Almelo beschreven. In hoofdstuk 5 wordt de milieusituatie, inclusief het aspect fysieke veiligheid, besproken.

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

8

NL.IMRO.0141.00109-BP31

Hoofdstuk 6 bevat de waterparagraaf. In hoofdstuk 7 staat hoe deze uitgangspunten zijn vertaald in de juridisch bindende plantekst en verbeelding. In hoofdstuk 8 staat de financiële verantwoording van het plan en hoofdstuk 9 geeft de wijze van en resultaten omtrent de inspraak.

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

9

NL.IMRO.0141.00109-BP31

Hoofdstuk 2

De huidige situatie

In dit hoofdstuk wordt het plangebied beschreven. Dit hoofdstuk gaat zowel in op de omgeving waarin het plangebied zich bevindt als op het plangebied zelf.

2.1

Huidige situatie plangebied

Het perceel aan de Gravenweg 10 is gelegen in het zuidelijk deel van de kern Aadorp. De ruimtelijke en functionele structuur in de omgeving bestaat hoofdzakelijk uit woonfuncties en bijbehorende woonbebouwing. De planlocatie zelf betreft een woonperceel met bijbehorende tuin- en agrarische gronden. Op het woonperceel is een vrijstaande woningen met een vrijstaand bijgebouw gesitueerd. De planlocatie wordt aan de noordoostzijde begrensd door de Gravenweg. Ten zuidoosten vormt het woonperceel Gravenweg 12 de begrenzing. Aan de overige zijden bevinden zich agrarische gronden, deels in eigendom bij initiatiefnemer. In Afbeelding 2.1 is middels een luchtfoto de huidige situatie ter plaatse van het plangebied (rode omlijning) en de directe omgeving weergegeven.

Afbeelding 2.1: Luchtfoto huidige situatie plangebied (Bron: Provincie Overijssel)

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

10

NL.IMRO.0141.00109-BP31

Hoofdstuk 3 3.1

Planbeschrijving

Inleiding

In hoofdstuk 2 is al ingegaan op de structuur, kenmerken van de directe omgeving en de huidige situatie ter plaatse van het plangebied. In dit hoofdstuk wordt op de gewenste ontwikkeling ingegaan. Zoals aangegeven betreft het voornemen de realisatie van een nieuwe vervangende woning op het perceel aan de Gravenweg 10. Hier wordt hierna nader op ingegaan.

3.2

Gewenste ontwikkeling

De bestaande bebouwing binnen het plangebied is sterk verouderd en voldoet niet meer aan de hedendaagse woningbehoefte. Initiatiefnemer is dan ook voornemens deze bebouwing te slopen en een nieuwe grotere vrijstaande woning inclusief vrijstaand bijgebouw te realiseren passend bij deze tijd. De nieuwe woning heeft een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,5 en 9 meter. Naast de bebouwing wordt voorzien in voldoende ruimte voor de bijbehorende tuin, erf en parkeervoorzieningen. De nieuwe in- en uitrit wordt gerealiseerd aan de linkerzijde van de woning. De realisatie van een groter woonperceel en bijbehorende bebouwing wordt in voorliggend geval aanvaardbaar geacht gezien de locatie specifieke kenmerken. Initiatiefnemer is namelijk tevens eigenaar van de aangrenzende agrarische cultuurgronden. Gezien het totale grondoppervlak van circa 2 hectare wordt een grotere woning hier als passend beschouwd. Het gebruik van de naastgelegen agrarische cultuurgronden wijzigt overigens niet. In de onderstaande afbeeldingen is de gewenste situatie weergegeven. De beoogde invulling is reeds akkoord bevonden door de gemeentelijke welstandscommissie.

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

11

NL.IMRO.0141.00109-BP31

Afbeelding 3.1: Gewenste situatie Gravenweg 10 (Bron: Weghorst Architectuur)

Afbeelding 3.2: Gevelbeelden beoogde nieuwbouw (Bron: Weghorst Architectuur)

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

12

NL.IMRO.0141.00109-BP31

3.3

Verkeer en parkeren

3.3.1 Uitgangspunten Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd. De gemeente Almelo heeft middels de Beleidsregel parkeernormen Almelo de actuele parkeerkencijfers van de CROW als parkeernormen. Voor ontwikkelingen in schilgebieden en overige gebieden moet worden voldaan aan de maximale parkeernorm. De Beleidsregel parkeernormen Almelo geeft de volgende uitgangspunten die gelden voor het plangebied: verstedelijkingsgraad: matig stedelijk; stedelijke zone: rest bebouwde kom; soort: Koop, huis, vrijstaand; parkeercijfers: minimaal 1,8 en maximaal 2,6 per woning; verkeersgeneratie: minimaal 7,8 en maximaal 8,6 per woning.

3.3.2 Beoordeling In voorliggend geval is sprake van vervangende nieuwbouw in hetzelfde woningtype. Er is dan ook geen sprake van een toename in de parkeerbehoefte of de verkeersgeneratie. Op basis van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' (versie 381) geldt er een maximale parkeernorm van 2,6 parkeerplaatsen per woning, afgerond 3 parkeerplaatsen. In voorliggend geval is er voldoende ruimte om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Daarnaast zijn in de planregels van dit bestemmingsplan parkeerregels opgenomen die dit waarborgen. Op basis van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' (versie 381) geldt er een maximale verkeersgeneratie van 8,6 verkeersbewegingen per weekdagetmaal per woning, afgerond 9 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De omliggende infrastructuur kan dit aantal verkeersbewegingen eenvoudig en verkeersveilig afwikkelen. De nieuwe woning wordt ontsloten middels een nieuw aan te leggen in- en uitrit op de gravenweg. Geconcludeerd wordt dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de in dit plan besloten ontwikkeling.

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

13

NL.IMRO.0141.00109-BP31

Hoofdstuk 4

Beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.

4.1

Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 4.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 4.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.

Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.

Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

14

NL.IMRO.0141.00109-BP31

4.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. 4.1.1.4 Toetsing van het initiatief aan de NOVI De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen.

Het betreft een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking 4.1.2.1 Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigt en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ 4.1.2.2 Toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking Wat betreft de “Ladder voor duurzame verstedelijking” wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij “nieuwe stedelijke ontwikkelingen” (3.1.6 Bro). Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie. Op het realiseren van woningen is onder meer de uitspraak ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921 van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat het realiseren van 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. In voorliggend geval is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing aangezien slechts sprake is van vervangende nieuwbouw, waarbij geen woningen worden toegevoegd aan de woningvoorraad.

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

15

NL.IMRO.0141.00109-BP31

Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

4.1.3 Conclusie toetsing aan het rijksbeleid Geconcludeerd wordt dat het relevante ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet in de weg staat.

4.2

Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening. Op 12 april 2017 hebben Provinciale Staten van Overijssel de Omgevingsvisie Overijssel 2017 'Beken Kleur' en bijbehorende Omgevingsverordening Overijssel 2017 vastgesteld. Op 1 mei zijn de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening in werking getreden. Op 13 november 2019 hebben Provinciale Staten de Actualisatie 2018/2019 gewijzigd vastgesteld.

4.2.1 Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Leidende thema's voor de Omgevingsvisie zijn: Duurzaamheid; Ruimtelijke kwaliteit. Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn: door meer aandacht voor herstructurering wordt ingezet op een breed spectrum aan woon-, werk- en mixmilieu's; dorpen en steden worden gestimuleerd hun eigen kleur te ontwikkelen; investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan; zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik; deze methode gaat ervan uit dat eerst het gebruik van de ruimte wordt geoptimaliseerd, dan de mogelijkheid van meervoudig ruimtegebruik wordt onderzocht en dan pas de mogelijkheid om het ruimtegebruik uit te breiden, wordt bekeken; ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid.

4.2.2 Omgevingsverordening Overijssel De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie Overijssel. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie Overijssel te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

4.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities wordt gebruik gemaakt van het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel'. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, et cetera kan aan de hand van deze drie stappen bepaald worden of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

16

NL.IMRO.0141.00109-BP31

geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.

Afbeelding 4.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

4.2.3.1 Of - generieke beleidskeuzes Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen van de provincie. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. 4.2.3.2 Waar - ontwikkelingsperspectieven Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn.

De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaaleconomische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

17

NL.IMRO.0141.00109-BP31

nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging t.a.v. functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen. 4.2.3.3 Hoe - gebiedskenmerken Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype verstaan. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in onze omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden.

De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet.

4.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Toetsing van voorliggend initiatief aan het uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel geeft globaal het volgende beeld. 4.2.4.1 Of - generieke beleidskeuzes Ten aanzien van de generieke beleidskeuzes zijn met name 'Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) en 'Realisatie nieuwe woningen' (artikel 2.2.2) van belang. Artikel 2.1.3 lid 1: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Toetsing van het initiatief aan artik el 2.1.3 van de Omgevingsverordening In voorliggend geval is sprake van vervangende nieuwbouw van een vrijstaande woning. De nieuwe woning wordt gebouwd binnen de contouren van het bestaande woonperceel. Van nieuw ruimtebeslag op de groene omgeving is geenszins sprake.

Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 2.2.2: Realisatie nieuwe woningen Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw; In bestemmingsplannen wordt in maximaal 80% van de behoefte aan nieuwe woningen zoals vastgesteld in het kader van actueel onderzoek woningbouw, voorzien; In bestemmingsplannen van gemeenten waarvoor woonafspraken van toepassing zijn, mag - in afwijk ing van lid 2 - in een hoger percentage dan 80% worden voorzien, met een maximum van 100% van de behoefte zoals vastgesteld in het kader van de woonafspraken; De behoefte aan nieuwe woningen zoals bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende woonafspraken zoals die zijn gemaakt

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

18

NL.IMRO.0141.00109-BP31

tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. Toetsing van het initiatief aan artik el 2.2.2 van de Omgevingsverordening Er is in dit geval geen sprake van een toevoeging van woningen aan de woningvoorraad, maar slechts van vervangende nieuwbouw van een enkele vrijstaande woning. De initiatiefnemer van dit plan is zelf toekomstig bewoner van de woning, waarmee de behoefte vaststaat. In paragraaf 4.3 wordt onder meer getoetst aan het gemeentelijke woonbeleid. Kortheidshalve wordt naar deze paragraaf verwezen. Hier wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Overijssel. 4.2.4.2 Waar - ontwikkelingsperspectieven Het plangebied maakt op basis van de ontwikkelingsperspectievenkaart van de provincie Overijssel onderdeel uit van zowel de 'groene omgeving' (wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap) alsook de 'stedelijke omgeving' (stads- en dorpsrandgebieden). Afbeelding 4.2 bevat een uitsnede van de ontwikkelingsperspectievenkaart, waarbij het plangebied met de rode contour is aangegeven.

Afbeelding 4.2: Uitsnede Ontwikkelperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) 'Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap' Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt. Het verbinden van de ontwikkelingsmogelijkheden van economische en maatschappelijke functies met het behoud en de versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke elementen draagt bij aan het behoud van de specifieke kwaliteiten van het kleinschalige mixlandschap in Overijssel. 'Stads- en dorpsrandgebieden' In de Stedelijke Omgeving vind je enkele bijzondere gebiedscondities die specifieke kansen met zich

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

19

NL.IMRO.0141.00109-BP31

meebrengen. Denk aan kenniscentra, stadsassen en stationsgebieden, maar ook aan stads- en dorpsrandgebieden. De stads- en dorpsrandgebieden vormen de overgang tussen de Stedelijke en de Groene Omgeving, en zijn daarmee zowel entree van de stad als verbinding naar het buitengebied. Het vormgeven als entree van zowel de Groene als de Stedelijke Omgeving is een belangrijk kwaliteitsdoel. Veel stads- en dorpsrandgebieden in Overijssel liggen tegen aantrekkelijke natuurcomplexen of landgoederen aan. Als er naast de inmiddels geplande woon- en werklocaties nog behoefte ontstaat, kunnen nieuwe werkmilieus worden ingezet om de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de stads- en dorpsrandgebieden te verhogen en de landschappelijke structuur in deze gebieden te versterken. In de stads- en dorpsrandgebieden liggen ook kansen om beleidsambities op het gebied van natuur, water, en energie te realiseren én om de functie als 'uitloop'-gebied voor de stad te versterken door verdichting van het routenetwerk voor langzaam verkeer. Toetsing van het initiatief aan de Ontwikkelingsperspectieven Dit plan gaat uit van de vervangende nieuwbouw van een vrijstaande woning. De functie 'wonen' wordt als passend gezien in het mixlandschap.

Met de sloop van de bestaande verouderde bebouwing en de realisatie van nieuwe bebouwing omstaat een nieuwe mogelijkheid om bebouwing te realiseren die beter aansluit bij de kenmerken van dit overgangsgebied. Hiermee wordt de kwaliteit en aantrekkelijkheid van dit gebied versterkt. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de geldende ontwikkelingsperspectieven. 4.2.4.3 Hoe - gebiedskenmerken Met behulp van de gebiedskenmerken, de 'Natuurlijke laag', de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap', de 'Stedelijke laag' en de 'Laag van de beleving', wordt de doorwerking van het provinciaal ruimtelijk kwaliteitsbeleid van de Omgevingsvisie op gebieds- en uitvoeringsniveau geborgd. Bij ieder nieuw ruimtelijk initiatief moet getoetst worden aan deze gebiedskenmerken. In voorliggend geval zijn er geen kenmerken vanuit de 'laag van het agrarisch cultuurlandschap' en de 'stedelijke laag' van toepassing op het plangebied. Het plangebied maakt slechts onderdeel uit van de volgende gebiedskenmerken: 'Dekzandvlakte en ruggen' (natuurlijke laag); 'Stads- en dorpsrandgebieden' (laag van de beleving). 'Dekzandvlakte en ruggen' De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie.

Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. 'Stads- en dorpsrandgebieden' De stads- en dorpsrand is een overgangsgebied. Hier is sprake van 2 elkaar overlappende invloedssferen. De randen zijn bepalend voor de identiteit van zowel de steden- en dorpen als het landschap eromheen. De (potentiële) kwaliteit is die van de 'best of both worlds'; stedelijke voorzieningen, verspreid liggende (gewilde) woon- en werkfuncties, padennetwerk in een landschappelijk raamwerk. Dichtbij stad en dorp en toch buiten. Randen gaan niet alleen over de 'functionele mix', maar vooral ook over herkenbaarheid, duidelijkheid, silhouetten (kerktorens, markante gebouwen, bruggen, ed) het je thuis voelen. Markante zichtlijnen op dorpen versterken de randkwaliteit. In de stads- en dorpsranden sluiten recreatieve en utilitaire routes van buiten de stad/het dorp aan op de binnenstedelijke/dorpsstructuur.

In deze gebieden komen veel opgaven en belangen samen zoals dorpsen stadsuitbreidingen, infrastructuur, landbouw, landschapsontwikkeling, water en natuur. Toetsing van het initiatief aan de gebiedskenmerken In voorliggend geval is enkel sprake van vervangende nieuwbouw binnen de contouren van een bestaand

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

20

NL.IMRO.0141.00109-BP31

woonperceel. Er is geen sprake van zodanige fysieke ingrepen/wijzigingen dat de ter plaatse aanwezige gebiedskenmerken, voor zover nog herkenbaar, in het geding zouden kunnen zijn. Met de realisatie van nieuwe bebouwing kan juist beter aansluiting wordt gezocht bij de kwaliteiten van dit stads- en dorpsrandgebied. De uitgangspunten behorend bij de geldende gebiedskenmerken verzetten zich niet tegen voorliggend plan.

4.2.5 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid Geconcludeerd wordt dat de ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1 Omgevingsvisie voor de ideale gemeente Almelo 2020-2040 4.3.1.1 Algemeen De omgevingsvisie vervangt het sterk verouderde structuurplan en geeft de gemeente Almelo weer een actueel, strategisch en eigentijdsplan voor de leefomgeving van Almelo voor de komende vijftien tot twintig jaar. De visie is op 29 september 2020 vastgesteld door de gemeenteraad. De omgevingsvisie geeft weer hoe de omgeving zich tot nu toe heeft gevormd en wat de gemeente Almelo wil voor de toekomst. Het doel is een omgeving waarin de inwoners zo goed mogelijk kunnen wonen, werken, sporten en ontspannen. 4.3.1.2 Visie algemeen Almelo bestaat uit verschillende gebieden, met elk hun eigen karakter. Per gebied heeft de gemeente een bepaalde visie, maar er zijn ook onderwerpen die voor alle gebieden gelden, de belangrijkste voor het plangebied zijn hieronder weergegeven. De basis onder ons bestaan De gemeente ontwikkelt een duurzaam bodembeheer, voor het behoud van een schone en gezonde basis. Dat biedt kansen op het gebied van vergroening, de energietransitie, voedselproductie, wonen en klimaatbestendigheid. Dorpen, stad en ommeland zijn ons podium en decor Dorpen, stad en ommeland ziet de gemeente als het podium en decor om de identiteit van de dropen, steden en het ommeland te versterken. Het erfgoed van Almelo draagt bij aan de gedeelde identiteit van alle inwoners.

De gemeente Almelo koestert de archeologische en cultuurhistorische schatten, maar zonder vernieuwing tegen te houden. Waar heden en verleden elkaar kunnen versterken, mogen historische panden of plekken onderdeel worden van een nieuwe ontwikkeling. Bij het herbestemmen is bijvoorbeeld bewonen en/of het inrichten van creatieve broedplaatsen een optie. Wendbare woningen Bij het toevoegen van woningen kijkt de gemeente heel nauwkeurig voor wie ze bouwen en wat de precieze woonvraag is. De woningbouwopgave is beperkt. Qua locatie heeft de binnenstad prioriteit, vanwege het belang van een vitale, aantrekkelijke binnenstad, waar mensen graag verblijven. Ook de wens om nieuwe inwoners te trekken met een (boven)modale sociaaleconomische positie, kan invloed hebben op het bouwbeleid. Bovendien zetten ze altijd in op natuur-inclusief (en klimaat-adaptief) bouwen, voor een optimale leefbaarheid. Om te voorkomen dat er wordt gebouwd voor leegstand (op termijn), zijn de belangrijkste afwegingen: wendbaarheid en kwaliteit. De woningen zijn aanpasbaar en geschikt voor verschillende typen bewoners. De kwaliteit van een woning hangt samen met duurzaamheid, in de betekenis van: levensloopgeschikt; toekomstbestendig en onderhoudsvriendelijk. 4.3.1.3 Visie Wijken en dorpen Dit zijn de dorpen Aadorp en Bornerbroek, en de woonwijken van de stad Almelo.

Deze wijken en dorpen zijn heel verschillend, maar hebben een gedeelde hoofdfunctie: prettig wonen.

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

21

NL.IMRO.0141.00109-BP31

Samen wonen en samen leven Bewoners hoeven idealiter hun wijk of dorp niet uit voor hun dagelijkse boodschappen en behoeften. In elk van deze leefgemeenschappen zijn en blijven de voorzieningen zo dichtbij mogelijk. De inwoners en de ondernemers versterken elkaar hierin. Voor alle noodzakelijke voorzieningen is er plek in de wijk. Want iedereen wil graag goed bereikbaar zijn en elektrisch rijden, maar liever geen zendmast of laadpaal voor de deur. Werken dichtbij huis Veel wijken zijn rustig op doordeweekse dagen, wanneer de bewoners naar hun school of werk zijn vertrokken. Toch is het prettig als er ook dan wat reuring is. Daardoor krijgen eenzaamheid en onveiligheid (zoals inbraak) minder kans. Daarom stimuleert de gemeente het werken in of dichtbij huis. Ideaal voor zzp'ers en startups, die (nog) geen grote werkruimte nodig hebben. Of die elkaar juist graag opzoeken en een leegstaand pand in de wijk omvormen tot verzamelgebouw. Via klimaatbestendig naar energieneutraal Zoals heel Nederland maakt ook de gemeente Almelo de woningen voor 2050 aardgasvrij. Dat is een enorme opgave, die uitstekende aanknopingspunten biedt voor het gesprek over verduurzaming met de bewoners. In de openbare ruimte werkt de gemeente aan de verduurzaaming. Het weghalen van waar nodig gebouwen en ruimte voor water en groen zijn daar voorbeelden van.

Energieneutrale wijken en dorpen zijn voorlopig nog toekomstmuziek, maar de gemeente streeft ernaar in alles wat we doen. 4.3.1.4 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie voor de ideale gemeente Almelo De nieuwe vervangende woning wordt gerealiseerd op een bestaand woonperceel in het dorp Aadorp. Er wordt met dit plan geen nieuwe woning toegevoegd, er wordt enkel verouderde woonbebouwing vervangen. Door een nieuwe eigentijdse, en hiermee ook duurzamere woning te realiseren ontstaat ter plaatse een prettiger woonklimaat. Deze ontwikkeling wordt ter plaatse als passend beschouwd. De voorgenomen ontwikkeling op deze locatie is in overeenstemming met de omgevingsvisie en past binnen de ruimtelijke en functionele structuur van de omgeving.

4.3.2 Woonvisie Almelo 2020-2030 4.3.2.1 Algemeen De gemeentelijke Woonvisie was aan een actualisatie toe. Sinds juli 2012, het moment waarop de Woonvisie van Almelo is vastgesteld, is het speelveld veranderd. Ook is in de prestatieafspraken met de woningcorporaties afgesproken dat in 2019 gewerkt wordt aan een herijking van de Woonvisie. Met de nieuwe Woonvisie bepaalt de gemeente de woonkoers en daarmee beschikt Almelo over een actuele basis om woonafspraken te kunnen maken met onze partners. Met deze Woonvisie Almelo 2020-2030 wordt ongeveer vijftien jaar vooruit gekeken. Op basis van de prognose en de historische en huidige woonsituatie in Almelo, hebben zijn de belangrijkste ambities op woongebied bepaald. Op basis van de beschikbare prognoses en de historische en huidige woonsituatie in Almelo, zijn de belangrijkste ambities op woongebied bepaald: Flexibele woningvoorraad Evenwichtige en gevarieerde woningvoorraad Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad Met de woonvisie Almelo 2020 – 2030 wil de gemeente ervoor zorgen dat Almelo een aantrekkelijke woongemeente blijft voor toekomstige generaties. 4.3.2.2 Visie Aadorp Voor elke ambitie zijn deelambities geformuleerd, waar de komende jaren concreet aan gewerkt wordt. Om een flexibele woningvoorraad te creëren zal in de kern Aadorp de ruimte worden gegeven om aan de vraag van nieuwbouw tegemoet te komen.

Er wordt hiermee voorkomen dat jonge mensen wegtrekken uit de kern en wordt de vitaliteit in het buitengebied van Almelo behouden. Om dit te bereiken zal de gemeente: In de kernen van de gemeente Almelo worden woningen toegevoegd, ook in het sociale huursegment.

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

22

NL.IMRO.0141.00109-BP31

De woningen die worden toegevoegd zullen het buitengebied niet op slot zetten voor agrariërs. De gemeente zal nadenken over onttrekking van vastgoed en uitruil van grond. Voor het vitaal houden van het platteland wordt ook gekeken naar alternatieven voor leegstaande gebouwen. De gemeente staat positief tegenover initiatieven als 'knarrenhofje' en 'tiny houses'. Met het herbestemmen van vrijgekomen agrarische bebouwing (VAB) wordt voorzichtig omgegaan. De schoonheid en rust trekken zorgpartijen en kunstenaars aan die enerzijds geschikt zijn om te huisvesten in een landelijke omgeving, maar anderzijds ook tot overlast voor anderen kunnen leiden. Dit wil de gemeente voorkomen. 4.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie Almelo 2020-2030 Met de realisatie van een eigentijdse vervangende nieuwbouwwoning wordt bijgedragen aan een toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad. Deze ontwikkeling heeft geen invloed op de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven aangezien de dichtstbijzijnde agrariër op grote afstand van het plan is gevestigd. De ontwikkeling is in overeenstemming met de Woonvisie Almelo 2020-2030.

4.3.3 Conclusie gemeentelijk beleid Geconcludeerd wordt dat de gewenste ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

23

NL.IMRO.0141.00109-BP31

Hoofdstuk 5

Milieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, het Besluit milieueffectrapportage en fysieke veiligheid. Geurhinder wordt buiten beschouwing gelaten omdat er geen vergunningsplichtige veehouderijen in de omgeving van het plangebied gevestigd zijn.

5.1

Geluid (Wet geluidhinder)

5.1.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt.

5.1.2 Beoordeling De geplande woning wordt op basis van de Wgh aangemerkt als een geluidsgevoelige object. Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in de Wgh. 5.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in de onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken Stedelijk gebied Buitenstedelijk gebied 1 of 2 rijstroken 200 m 250 m 3 of 4 rijstroken 350 m 400 m 5 of meer rijstroken 350 m 600 m De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2). Het feit dat er voor de hiervoor genoemde gevallen geen wettelijke geluidszone geldt, betekent niet dat een akoestisch onderzoek automatisch niet benodigd is. Indien vooraf aangenomen kan worden dat er niet aan de voorkeurswaarde van 48 dB kan worden voldaan, dient er een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. De geluidsbelasting van de weg kan hierdoor meegenomen worden in de belangenafweging in het kader van 'een goede ruimtelijke ordening'. In de directe (woon)omgeving van het plangebied bevinden zich uitsluitend wegen waar een 30 km/uur snelheidsregime geldt.

Gezien de locatie specifieke kenmerken is in dit geval met name de Gravenweg mogelijk relevant in het kader van wegverkeerslawaai. De voorgevel van de woning wordt op ruim 30 meter van Gravenweg gesitueerd. Deze weg heeft geen doorgaande functie en wordt dan ook bijna uitsluitend gebruikt door bestemmingsverkeer. De verkeersintensiteit is daarmee naar verwachting dusdanig laag dat vooraf kan worden aangenomen dat aan de voorkeurswaarde zal worden voldaan, en daarmee sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een akoestisch onderzoek

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

24

NL.IMRO.0141.00109-BP31

wegverkeerslawaai wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere spoorwegen. In artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder is aangegeven dat een spoorweg die is aangegeven op de geluidplafondkaart een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de spoorweg tot de breedte naast de spoorweg, gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf. In onderstaande tabel staan de zones in meters aangegeven die horen bij het betreffende geluidproductieplafond (Gpp).

In voorliggend geval ligt de beoogde woning op minimaal 300 meter afstand van de as van de buitenste spoorstaaf van de dichtstbijzijnde spoorweg. Aan de hand van het Geluidregisterspoor is een inventarisatie gedaan naar de Gpp ter plaatste van de omliggende spoorwegen. Hierbij is gekeken naar de punten in de nabijheid van de beoogde woning. Uit de inventarisatie blijkt dat het Gpp langs het spoor ter plaatse van het dichtstbijzijnde punt ten opzichte van de toekomstige woning in alle gevallen kleiner dan 56 dB is. Hiervoor geldt een zone van 100 meter, waardoor nader akoestisch onderzoek in dit geval niet noodzakelijk is. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat voor de beoogde woning ten aanzien van het aspect railverkeerlawaai sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.1.2.3 Industrielawaai Het plangebied ligt deels binnen een geluidszone van een gezoneerd bedrijventerrein, als bedoeld in de Wet geluidhinder. Dit bleek eerder al in paragraaf 1.4. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' mogen dan ook geen nieuwe geluidsgevoelige functies/gebouwen worden gerealiseerd/gebouwd. In het kader van voorliggend plan betreft de nieuwe woning een nieuw geluidsgevoelig gebouw, en is hiermee maatgevend in relatie tot de hierboven weergegeven beperking.

Het bouwvlak waarbinnen de nieuwe woning zal moeten worden gebouwd ligt buiten de gebiedsaanduiding 'geluidszone – industrie'. De binnen het aanduidingsvlak geldende beperkingen zijn in voorliggend geval dan ook niet van toepassing op de nieuwe woning. Ter plaatse van deze woning wordt vanwege de ligging buiten de geluidszone een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht ten aanzien van het aspect industrielawaai. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woning wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering).

5.1.3 Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1 Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

25

NL.IMRO.0141.00109-BP31

Ten behoeve van dit bestemmingsplan heeft Kruse Groep in 2020 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het nieuwe woonperceel binnen het plangebied. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek is vervolgens door Ortageo een nader asbestonderzoek uitgevoerd. De volledige onderzoeksrapporten zijn opgenomen als Bijlage 1 en Bijlage 2. Hierna wordt kort ingegaan op de meest relevante resultaten en conclusies.

5.2.2 Beoordeling 5.2.2.1 Verkennend bodemonderzoek In de bovengrond en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen aangetoond. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. In het mengmonster van de fijne fractie van druppelzone A is geen asbest aangetoond. In het mengmonster van de fijne fractie van druppelzone B is asbest aangetoond. Het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor een nader asbestonderzoek. De puinfundering onder het grindpad is sterke verontreinigd met asbest. De omvang van de verontreiniging is niet bekend. Een nader asbestonderzoek wordt geadviseerd om de omvang van de verontreiniging in kaart te brengen. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met andere bodemlagen. De sterk verontreinigde laag mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag. Voorafgaande aan de sanering dient een saneringsplan opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. De verontreiniging veroorzaakt bij huidig gebruik van het terrein echter geen gezondheidsrisico's voor de mens, omdat het is afgedekt met een schone grindlaag van 0.15 meter dikte.

De funderingslaag onder het grindpad dient te worden gesaneerd wanneer het terrein wordt herontwikkeld en een andere (gevoeliger) bestemming krijgt. De verontreinigingen mogen niet zonder toestemming van het bevoegd gezag worden verminderd of verplaatst. 5.2.2.2 Nader asbestonderzoek De aanleiding voor het onderzoek zijn de resultaten van een recent uitgevoerd verkennend bodemonderzoek. Daaruit blijkt dat (lokaal) onder het grind een puinhoudende bodemlaag is aangetroffen waarin asbest is aangetoond. Gezien de beperkte onderzoeksintensiteit en hoeveelheid monstermateriaal, is nog niet duidelijk in hoeverre sprake is van een "asbestweg" (overschrijding van de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s.). Het doel van het onderzoek is het vaststellen of sprake is van een "asbestweg" en (indien van toepassing) wat de omvang van het met asbest verontreinigde grond is. Er is geen asbest aangetoond in gewogen gehalten boven de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. Dit houdt in dat er op basis van het Besluit asbestwegen milieubeheer (en de Wet bodembescherming) geen aanleiding is voor het uitvoeren van sanerende maatregelen.

5.2.3 Conclusie In voorliggend geval wordt er een nieuwe in- en uitrit gerealiseerd aan de linkerzijde van de nieuwe woning. Het bestaande grindpad komt hiermee te vervallen. De initiatiefnemer van dit plan is dan ook voornemens om de aanwezige bodemverontreiniging te saneren. In de planregels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter waarborging van nader onderzoek en sanering in het geval van herontwikkeling van dit deel van het plangebied.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1 Algemeen Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende

vastgesteld bestemmingsplan Gravenw eg 10 Aadorp

26

NL.IMRO.0141.00109-BP31

stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen.

Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=bf9de876-8ae7-4e05-b5b3-d0c589e2891c