8.1 Vaststellen bestemmingsplan Ary Schefferstraat - Bijlage 1 - Vast te stellen bestemmingsplan Ary Schefferstraat.pdf
Tekst van het document
4.4 Bedrijven en milieuzonering Om een leefbare woonomgeving te waarborgen worden de ruimtelijk relevante milieu-invloeden van bedrijfsmatige activiteiten, in relatie tot de omgeving, beschreven. Vanuit deze doelstelling ligt in de woongebieden het accent op wonen en worden bedrijfsmatige activiteiten geweerd of ontmoedigd. Andersom ligt het accent in gebieden waar bedrijvigheid is toegestaan op activiteiten en wordt wonen niet direct toegestaan. Functiemenging van detailhandel en wonen, kan gewenst zijn voor zover deze niet leidt tot een onleefbare situatie en deze bedrijvigheid direct is gerelateerd aan de woonomgeving (bv. buurtsuper, schoolgebouw). 4.4.1 Wijze van beoordelen In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: <0000> ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; <0000> rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling een belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen te kunnen maken, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting.
Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden in de publicatie gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Voor een 'gemengd gebied' mogen de richtafstanden met een milieucategorie verlaagd worden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.4.2 Onderzoek In de beoogde situatie worden 10 woningen gerealiseerd. Hiermee worden milieugevoelige functies opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. In de omgeving van het plangebied staan voornamelijk woningen. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving en is daarom niet opgenomen in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van
vastgesteld Bestemmingsplan Ary Schefferstraat
25
NL.IMRO.0141.00140-BP31
omwonenden. Naast de woningen zijn ook andere functies in de omgeving aanwezig, zoals een school, sportvelden en een dienstverlenende functie (bankgebouw). De omgeving kan daarom getypeerd worden als 'gemengd gebied'. Kleinschalige activiteiten, zoals detailhandel en kantoor of bedrijven aan huis, leveren geen problemen op en zijn buiten beschouwing gelaten. De volgende activiteiten in de omgeving van het plangebied worden nader toegelicht: 1. R.K. basisschool De Compaan, Maardijk 83A. Scholen- voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs vallen onder milieucategorie 2. Vanwege het aspect geluid geldt in een gemengd gebied een richtafstand van 10 m. Het schoolplein wordt door een groenstrook en de ontsluitingsweg gescheiden van de nieuw te bouwen woningen. De afstand van het schoolplein tot de gevel van de nieuwe woningen bedraagt ten minste 22 m. Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. 2. Sportpark Ossenkoppelerhoek, veld Honk- en softbalvereniging Uitsmijters'55. Een veldsportcomplex (met verlichting) valt onder milieucategorie 3.1. Vanwege het aspect geluid geldt voor een gemengd gebied een richtafstand van 30 m. De afstand van de nieuwe woningen tot de perceelsgrens van het sportterrein bedraagt circa 15 m en bestaat deels uit een bestaande groensingel, welke met extra beplanting versterkt wordt.
Het trainingsveld van Uitsmijters'55 loopt overigens niet tot de perceelsgrens, bovendien betreft dit de niet intensief gebruikte buitenring van het honk-/softbalveld. Aan de richtafstand wordt niet geheel voldaan. Gezien het extensieve gebruik van het buitenveld, welke slechts voor circa 5 m binnen de richtafstand tot de nieuw te bouwen woningen valt, kan aangenomen worden dat de honk- en softbalvereniging niet in haar activiteiten gehinderd zal worden door de nieuwe woningen. 3. Voormalige stadsbank, Andreas Schelfhoutstraat 19-19A. Een bank- of verzekeringsbedrijf valt evenals kantoren of overige zakelijke dienstverlening onder milieucategorie 1. Hiervoor geldt in gemengd gebied een richtafstand van 0 m. Op 28 januari 2015 is echter een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van het gebruik van het pand naar woning en kantoorfunctie ten behoeve van een stratenmakersbedrijf. Aan deze omgevingsvergunning zijn de voorschriften verbonden dat het verboden is om het terrein anders te gebruiken dan voor het stallen van materieel in de vorm van bedrijfsbussen (2 à 3) en aanhangers met een trilplaat, een kruiwagen, of een klein mini-shoveltje. Er mag op het terrein geen opslag (stenen/zand) of handel van bouwmaterialen of aan- en afvoer met vrachtverkeer plaatsvinden.
De functie wonen betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving, voor het kantoor geldt milieucategorie 1 overeenkomstig de geldende bestemming 'Dienstverlening'. Een stratenmakersbedrijf zou onder milieucategorie 2 vallen, maar gezien de voorwaarden die aan de omgevingsvergunning verbonden zijn valt de stalling van enkele bussen en een aanhanger met materieel eveneens onder milieucategorie 1 met een richtafstand 0 m. Het is planologisch mogelijk dat een dienstverlenend bedrijf zich conform de bestemming 'Dienstverlening' hier wederom vestigt. De afstand van de nieuwe woningen tot het bouwvlak van de Andreas Schelfhoutstraat 19-19A bedraagt ten minste 20 m. Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. In en om het plangebied zijn verder geen bedrijven aanwezig die een negatieve invloed hebben op de nieuw te realiseren woningen en hierdoor belemmerd zouden kunnen worden in hun bedrijfsvoering of in hun ontwikkelingsmogelijkheden. 4.4.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het gewenste plan in het kader van milieuzonering in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening.
4.5 Fysieke veiligheid 4.5.1 Inleiding Het aspect fysieke veiligheid beoogt het beschermen van mens, dier en milieu tegen (de gevolgen van) ongevallen en rampen. Om de effecten van een incident zoveel mogelijk te beperken, is het belangrijk dat hulpverleningsdiensten op kunnen treden en dat burgers zich in veiligheid kunnen
vastgesteld Bestemmingsplan Ary Schefferstraat
26
NL.IMRO.0141.00140-BP31
brengen. Het bestemmingsplan is op fysieke veiligheidsaspecten getoetst aan landelijke, regionale en gemeentelijke richtlijnen en/of regelgeving. Dit betreft de onderdelen: <0000> bereikbaarheid; <0000> opkomsttijd; <0000> bluswatervoorziening; <0000> zelfredzaamheid; <0000> sirenedekking. De hoofdtaken van de brandweer zijn onderverdeeld in schakels uit de veiligheidsketen. De schakels zijn: Pro-actie; de schakel pro-actie gaat onder andere over de bluswatervoorziening, de bereikbaarheid en de sirenedekking. Preventie; voor het aspect preventie geldt dat rekening moet worden gehouden met de bestaande wet- en regelgeving. Preparatie; voor hulpdienstrelevante objecten is het wenselijk om deze op te nemen in de planvorming van de brandweer, zoals een bereikbaarheidskaart of een aanvalsplan. Repressie; vanuit de repressieve dienst wordt ter plaatse bepaald hoe er wordt ingezet. Nazorg; de taak nazorg heeft geen consequenties voor de ruimtelijke ordening. Ondanks de gerealiseerde veiligheidsmaatregelen en -voorzieningen blijft er een restrisico waarbinnen incidenten plaats kunnen vinden. 4.5.2 Bereikbaarheid 4.5.2.1 Bereikbaarheid algemeen Bij het bepalen of er in het plangebied sprake is van een goede bereikbaarheid van de gebouwen via het openbare wegennet wordt het plangebied getoetst aan de handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid.
Hierbij wordt beoordeeld of: <0000> de weg voldoet aan de specifieke afmetingen van brandweervoertuigen; <0000> een willekeurig adres binnen een verblijfsgebied in principe via een tweede onafhankelijke route bereikbaar is; <0000> of de verkeersaders aan de brandweervoertuigen een onbelemmerde doorgang bieden. 4.5.2.2 Beoordeling bereikbaarheid Het plangebied is vanuit verschillende richtingen goed te bereiken. Er wordt op dit punt dan ook voldaan aan de handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid. 4.5.3 Opkomsttijd 4.5.3.1 Opkomsttijd algemeen De opkomsttijd is de optelsom van de verwerkingstijd van de melding, de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd is daarbij de tijd tussen het alarmeren van de brandweer door de meldkamer en het tijdstip dat het voertuig de kazerne verlaat. De aanrijdtijd is de tijd die het eerste voertuig nodig heeft om van de kazerne naar de plaats van het incident te gaan. De opkomsttijd van de brandweer wordt als een belangrijk kwaliteitskenmerk van de brandweer beschouwd. In het Besluit Veiligheidsregio's (BVR) zijn de opkomsttijden voor de brandweer vastgelegd en staan in onderstaande tabel beschreven. Normtijd
Gebruiksfunctie
5 minuten 6 minuten 8 minuten 10 minuten
Winkel met gesloten constructie (tijdens openingsuren), wonen boven winkel, cel Portiekwoningen/portiekflats, woning verminderd zelfredzamen Overige woningen, winkels, gezondheidszorg, onderwijs, kinderdagverblijf, logies Kantoor, (lichte)industrie, sport, overige ruimtes voor bijeenkomsten, overige gebruiksfuncties
Daarnaast is het ‘Dekkingsplan Brandweer Twente’, dat onderdeel uitmaakt van het beleidsplan, vastgesteld. 4.5.3.2 Beoordeling opkomsttijd
vastgesteld Bestemmingsplan Ary Schefferstraat
27
NL.IMRO.0141.00140-BP31
De twee-onder-eenkap-woningen vallen in de categorie overige woningen, waarvoor een opkomsttijd van 8 minuten geldt. Uit berekeningen blijkt dat de brandweer in theorie binnen deze norm ter plaatse kan zijn. 4.5.4 Bluswatervoorziening 4.5.4.1 Bluswatervoorziening algemeen Voor een optimale bluswatervoorziening wordt onderscheid gemaakt in primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorzieningen. Dit is van belang omdat de eisen voor de afstand, de capaciteit en de bereikbaarheid verschillend zijn. De basiskenmerken van deze drie modellen zijn: <0000> De primaire bluswatervoorziening Boven- of ondergrondse brandkranen die geplaatst zijn op het drinkwaterleidingnet. <0000> De secundaire bluswatervoorziening De secundaire bluswatervoorziening is in principe aanvullend op een primaire bluswatervoorziening. Een secundaire bluswatervoorziening kan bestaan uit geboorde putten, bluswaterriolen, vijvers e.d. of ondergrondse reservoirs. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 320 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 8 meter kunnen bereiken. <0000> De tertiaire bluswatervoorziening Bij de noodzakelijke inzet van grotere hoeveelheden water of gedurende langere tijd zijn de primaire en secundaire voorzieningen niet voldoende. Water wordt dan onttrokken uit bijvoorbeeld kanalen. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 2500 meter tot het object.
Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 50 meter kunnen bereiken. 4.5.4.2 Beoordeling bluswatervoorziening Tijdens de beoordeling van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt beoordeeld of een brandweerkraan dient te worden geplaatst. 4.5.5 Zelfredzaamheid 4.5.5.1 Zelfredzaamheid algemeen Voor de bestrijdbaarheid van een incident zijn onder andere de bereikbaarheid voor hulpdiensten, opkomsttijd en bluswatervoorziening van belang. Daarnaast speelt de zelfredzaamheid van burgers een rol. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan hoofdzakelijk uit schuilen en vluchten. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. De ruimtelijke inrichting van het gebied kan op verschillende manieren inspelen op de zelfredzaamheid. 4.5.5.2 Beoordeling zelfredzaamheid De toekomstige bewoners van de nieuwe twee-onder-één-kapwoningen en halfvrijstaande woningen worden in beginsel aangemerkt als zelfredzaam. De omgeving van het plangebied biedt voldoende mogelijkheden om uit te wijken in geval van calamiteiten.
4.5.6 Waarschuwings- en alarmeringssysteem De sirene is een hulpmiddel van de overheid om mensen te kunnen waarschuwen voor acute gevaren. Dit systeem zal in de komende jaren verdwijnen. Daarna zullen de aanwezige personen in bedreigd gebied worden gewaarschuwd middels NL-Alert. Dit is bijvoorbeeld het geval als er gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval. In het bericht wordt tevens het handelingsperspectief vermeld, zodat de personen die zich in het bedreigde gebied bevinden weten hoe te handelen.
4.6 Externe veiligheid 4.6.1 Algemeen Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
vastgesteld Bestemmingsplan Ary Schefferstraat
28
NL.IMRO.0141.00140-BP31
<0000> <0000>
bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.
Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk Externe veiligheidsbeleid 2014-2018 is vastgesteld in maart 2014. In november 2019 is besloten om dit beleidsplan, inclusief de 16 algemene uitgangspunten, te verlengen tot en met 2021. 4.6.2 Onderzoek Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.
Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In figuur 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe cirkel) en omgeving weergegeven. In de omgeving van het plangebied zijn een aantal kwetsbare objecten, zoals onderwijsinstellingen (staande groene driehoekjes) en een woonverblijf (groen driehoekje op de kop) te vinden, maar geen risicovolle inrichtingen. Het tankstation met LPG-afleverinstallatie, -vulpunt en -reservoir langs de Weezebeeksingel bevindt zich op meer dan 600 m afstand. De risicocontouren voor het plaatsgebonden risico van dit LPG-station blijven beperkt tot de zuidzijde van de Weezebeeksingel.
vastgesteld Bestemmingsplan Ary Schefferstraat
29
NL.IMRO.0141.00140-BP31
Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart met ter plaatse van de blauwe cirkel het plangebied (bron: risicokaart.nl) Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via de weg, het water of door buisleidingen. Wel vindt er vervoer van gevaarlijke stoffen plaats via spoortraject 30 (Deventer Oost – Hengelo West). Dit gebeurt op een afstand van circa 1.000 meter ten oosten van het plangebied. Dit spoortraject heeft een invloedsgebied van 4.000 meter. Het maatgevende invloedsgebied voor het groepsrisico bedraagt 460 meter. Wanneer een ontwikkeling betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk binnen 200 meter van een transportroute ligt, dient conform het Besluit externe veiligheid transportroutes (artikel 8.1) inzicht te worden gegeven in het groepsrisico. Het plangebied ligt niet binnen de 200 meter. Een berekening hoeft niet te worden uitgevoerd. Omdat het plangebied wel in het invloedsgebied ligt, is wel een beknopte verantwoording nodig waarin meer inzicht wordt gegeven in de mogelijkheden voor rampbestrijding, hulpverlening en zelfredzaamheid. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn.
De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. Het plangebied is ontsloten via de Maardijk of Andreas Schelfhoutstraat naar de Rembrandtlaan of eventueel via de Jan Tooropstraat richting de Windmolenbroeksweg. Deze wegen sluiten aan op het verdere wegennetwerk van Almelo. Dit kan worden bestempeld als een gedegen netwerk gezien de
vastgesteld Bestemmingsplan Ary Schefferstraat
30
NL.IMRO.0141.00140-BP31
verschillende toegangswegen en de bereikbaarheid vanuit tegengestelde windstreken. Daarnaast kan via verschillende straten van de bron af worden gevlucht. Deze dienen minimaal 4,5 meter breed te zijn met een minimale verharding van 3,25 en een vrije hoogte van 4,2 meter om de bereikbaarheid te garanderen. Zelfredzaamheid De beoogde ontwikkeling voorziet in de toevoeging van 8 twee-onder-eenkap-woningen en 2 halfvrijstaande woningen. De toekomstige bewoners van de nieuwe woningen worden in beginsel aangemerkt als zelfredzaam. 4.6.3 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Deventer Oost – Hengelo West waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7 Kabels en leidingen 4.7.1 Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). 4.7.2 Onderzoek Door de Ary Schefferstraat en de Jan Tooropstraat lopen zowel een rioolleiding als een waterleiding, die ook als zodanig in het geldende bestemmingsplan zijn bestemd. De vigerende dubbelbestemmingen 'Leiding - Riool' en 'Leiding - Water' zijn in voorliggend bestemmingsplan overgenomen. 4.7.3 Conclusie De bestaande water- en rioolleidingen staan de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Voor het overige zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig.
4.8 Luchtkwaliteit 4.8.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van deze maatgevende stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Stof
Toetsing van
Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³
vastgesteld Bestemmingsplan Ary Schefferstraat
31
NL.IMRO.0141.00140-BP31
Fijn stof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24-uurgemiddelde concentratie Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³ Fijn stof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: <0000> <0000>
een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 ( fijn stof) in de buitenlucht; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg.
4.8.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 10 woningen. Het plan draagt daarom in niet betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Het dichtstbijzijnde meetpunt ligt aan de Weezebeeksingel/rondweg, circa 400 meter ten zuiden van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat aan de Weezebeeksingel in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide 16,5 µg/m³, fijn stof PM10 15,9 µg/m³ (met 6 overschrijdingsdagen per jaar) en fijn stof PM2,5 8,8 µg/m³ bedroegen. Deze waarden liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.8.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.9 Bodemkwaliteit 4.9.1 Toetsingskader Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient een bodemonderzoek te worden verricht. Kruse Milieu B.V. heeft ter plaatse een verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek conform NEN5740, NEN5707 en NTA5755 uitgevoerd. Een samenvatting van de resultaten en de conclusies uit dit onderzoek is in de volgende subparagraaf opgenomen. Voor een nadere toelichting op de resultaten wordt verwezen naar het complete bodemonderzoek, opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting. 4.9.2 Onderzoek De belangrijkste conclusies en aanbevelingen van het door Kruse Milieu B.V. uitgevoerde verkennende nader (asbest) bodemonderzoek op een terrein ter grootte van circa 3.822 m2 aan de Ary Schefferstraat in Almelo zijn als volgt:
vastgesteld Bestemmingsplan Ary Schefferstraat
32
NL.IMRO.0141.00140-BP31
Verkennend bodemonderzoek In de bovengrond (BG I, BG II en BG III), de ondergrond (OG I) en het grondwater (PB 1) zijn enkele van de onderzochte stoffen in een (zeer) licht tot matig verhoogde concentratie aangetoond. Naar aanleiding van het matig verhoogde PAK-gehalte zijn de grondmonsters uit het mengmonster OG I separaat geanalyseerd. In de ondergrond van boring 1 is een sterk verhoogd gehalte aan PAK aangetoond. De analyseresultaten van de grondmonsters zijn indicatief getoetst aan het Besluit Bodemkwaliteit. Op basis hiervan valt de bovengrond in de klasse “Wonen” (BG II en BG III) of “Industrie” (BG I). De ondergrond (met uitzondering van de sterk verontreinigde grond) valt in de klasse “Industrie”. De sterk met PAK-verontreinigde grond is niet elders toepasbaar. In de fijne fractie van de mengmonsters MM FF - 01, MM FF - 02 en MM FF - 03 is geen asbest aangetoond. Nader bodemonderzoek Naar aanleiding van het sterk verhoogde PAK-gehalte in de ondergrond van boring 1 is een nader bodemonderzoek uitgevoerd. In horizontale en verticale richting is de sterke verontreiniging in voldoende mate afgeperkt. Ter plekke van sleuf S6 is de ondergrond matig verontreinigd met koper en licht verontreinigd met lood, zink, minerale olie en PAK. Op basis van de analyseresultaten kan aangenomen worden dat de verdachte laag heterogeen sterk verontreinigd is met PAK..
De omvang van de verdachte laag bedraagt circa 250 m2 x gemiddeld 0.50 meter = 125 m3. Aangenomen wordt dat de laag heterogeen sterk verontreinigd is met PAK. De omvang van de sterke PAK-verontreiniging ter plekke van boring 1 en sleuf S1 wordt geschat op circa 80 m2 x 0.5 meter = 40 m3. Tevens zijn er licht tot matig verhoogde gehalten aan koper, lood, zink en minerale olie aangetoond. De te saneren grond is niet verontreinigd met PFAS. Aangezien er meer dan 25 m3 sterk verontreinigd is, is er sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. In het kader van de voorgenomen herontwikkeling van het terrein, is sanering noodzakelijk. De (sterk) verontreinigde grond mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag (gemeente Almelo). Voorafgaand aan een grondsanering dient een BUS-melding of saneringsplan ingediend te worden bij de gemeente Almelo. Een eventuele grondsanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd. Uit milieukundig oogpunt is er, na sanering van de sterke PAK-verontreiniging, geen bezwaar tegen de voorgenomen werkzaamheden, aangezien de overige vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt na sanering geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
4.9.3 Conclusie Met betrekking tot de locatie van de sterke PAK-verontreiniging zal een BUS-melding of saneringsplan worden opgesteld en ingediend. Deze bodemsanering dient te worden uitgevoerd voordat dit planinitiatief uitgevoerd kan worden. Na deze sanering is er uit milieukundig oogpunt geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouwplannen. Geconcludeerd wordt dat het aspect bodemkwaliteit de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.
4.10 Flora en fauna 4.10.1 Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse
vastgesteld Bestemmingsplan Ary Schefferstraat
33
NL.IMRO.0141.00140-BP31
Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: <0000> <0000> <0000>
alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: <0000> <0000> <0000>
soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Tenslotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De vastgesteld Bestemmingsplan Ary Schefferstraat
34
NL.IMRO.0141.00140-BP31
noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt, waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. 4.10.2 Onderzoek Eelerwoude heeft een Quickscan Flora en Fauna inclusief stikstofberekening voor de Ary Schefferstraat uitgevoerd. Dit rapport is bijgevoegd als bijlage 3. Voor eventuele stikstofdepositie veroorzaakt in de bouwfase van de woningen is een afzonderlijke stikstofberekening uitgevoerd, deze is als bijlage 4 toegevoegd. Gebiedbescherming Niet stikstof-gerelateerde effecten Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden (op ongeveer 8,3 km ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Wierdense Veld), de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking.
Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Aan de hand van de berekeningen worden de volgende conclusies getrokken: <0000> De bouwfase van de 10 woningen heeft een niet significante stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar tot gevolg. <0000> De nieuwe gebruiksfase van de 10 woningen heeft een niet significante stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar tot gevolg. Een vergunning Wet natuurbescherming, onderdeel stikstof is niet aan de orde voor de bouw en het gebruik van de 10 woningen. Natuurnetwerk Nederland De ontwikkeling is in strijd met het bestemmingsplan en het plangebied ligt buiten het NNN. In de provincie Overijssel kent het natuurbeleid geen externe werking. Een toetsing aan het natuurbeleid is daarom niet noodzakelijk. Soortenbescherming De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als konijn en diverse algemene (spits)muizen- en amfibieënsoorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.
Door het ontbreken van bomen met holtes en bebouwing kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen worden uitgesloten in het plangebied. Nader onderzoek en een ontheffingsaanvraag zijn niet noodzakelijk. Het plangebied heeft mogelijk een functie als foerageergebied voor vleermuizen. Het betreft met name de randen met opgaande vegetatie. Deze strook kan tevens dienen als vliegroute. De ontwikkeling zal geen invloed hebben op de geschiktheid van het plangebied voor vleermuizen, de groenstrook langs de randen blijft behouden. Het is daarbij wel van belang dat de verlichting op deze randen niet toeneemt. Dit kan met enkele simpele maatregelen: <0000> niet uitstralende armaturen; <0000> voorkom verlichting van boomkronen; <0000> werkzaamheden uitsluitend overdag uitvoeren (m.n. in actieve periode van vleermuizen- april t/m november); <0000> tijdelijke verlichting (slechts een deel van de nacht aan);
vastgesteld Bestemmingsplan Ary Schefferstraat
35
NL.IMRO.0141.00140-BP31
<0000>
afschermende beplanting plaatsen.
Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld door de dieren te verplaatsen naar een ander gebied. 4.10.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. De Wet natuurbescherming staat de ontwikkeling niet in de weg. Wel dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van algemene broedvogels te worden gestart of wanneer geen broedgeval aanwezig is.
Daarnaast is voor eventuele aanwezige soorten de algemene zorgplicht van kracht. Geconcludeerd wordt dat het aspect flora en fauna de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.
4.11 Archeologie en cultuurhistorie 4.11.1 Archeologie Regelgeving en beleid Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Onderzoek Het plangebied valt buiten de 'Historische kern van Almelo'. Op de archeologische waardenkaart heeft de wijk 'Ossenkoppelerhoek' grotendeels een lage archeologische verwachtingswaarde. In het geldende bestemmingsplan is voor het plangebied dan ook geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Bovendien is het plangebied vergraven met de bouw en de sloop van het voormalige schoolgebouw. Archeologisch onderzoek is voor deze locatie niet noodzakelijk.
4.11.2 Cultuurhistorie Toetsingskader Vanaf 1 januari 2012 is het verplicht om in ruimtelijke plannen rekening te houden met cultuurhistorische waarden. Om een stabiele en meer structurele basis te geven aan de borging van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, is per 1 januari 2012 aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegevoegd dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen niet alleen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden onder de grond (archeologische waarden), maar ook met waarden boven de grond. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten
vastgesteld Bestemmingsplan Ary Schefferstraat
36
NL.IMRO.0141.00140-BP31
maken van de cultuurhistorie in een bestemmingsplangebied, en daar conclusies aan moeten verbinden die in het bestemmingsplan verankerd worden. Onderzoek Volgens historisch kaartmateriaal is het gebied in de tweede helft van de 19e eeuw ontgonnen en was de locatie, alsmede de omgeving ervan, destijds in agrarisch gebruik (weide). In de jaren 30 van de vorige eeuw ontstond wel wat bebouwing langs het noordelijke deel van de Maardijk, maar de wijk Ossenkoppelerhoek is pas in de 60-er jaren gebouwd. In diezelfde periode is ten oosten van het plangebied een school gebouwd. Rond 1975 is tevens een schoolgebouw in het plangebied gebouwd. In 2013 is het schoolgebouw in het plangebied gesloopt. Ten oosten van het plangebied is basisschool De Compaan nog steeds aanwezig, in bebouwing die in de loop van de jaren is uitgebreid en gemoderniseerd. Op de planlocatie is het oude schoolmuurtje, welke om het schoolplein was gelegen, blijven staan. Daarnaast is het grotendeels onverharde terrein begroeid met gras en enkele bomen. Een klein gedeelte is in gebruik gebleven bij de naastgelegen school als fietsenstalling met een tegelverharding en een laag ijzeren hekwerk. Tevens heeft de gemeente ingestemd met het tijdelijk gebruik van het terrein als hondenuitlaatplaats tot herinvulling plaatsvindt.
Het behouden van het schoolmuurtje rondom het plangebied zou een cultuurhistorische verwijzing zijn naar het vroegere gebruik als schoolplein. Het muurtje heeft echter geen beschermde monumentale status en is in slechte staat, het behouden dan wel herstellen van de schoolmuur is dan ook niet gewenst en kostbaar. Daarnaast zouden diverse doorbraken nodig zijn voor het realiseren van inritten naar de nieuw te realiseren woningen. Verder zijn geen waardevolle cultuurhistorische objecten en/of monumenten aanwezig. 4.11.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er is geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
vastgesteld Bestemmingsplan Ary Schefferstraat
37
NL.IMRO.0141.00140-BP31
Hoofdstuk 5 Waterparagraaf 5.1 Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Vechtstromen en de gemeente Almelo, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Uitgangspunt is dat bij een bouwplan moet worden voorkomen dat er grond- of oppervlaktewateroverlast ontstaat en de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater niet negatief wordt beïnvloed.
5.2 Vigerend beleid Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: <0000>
Kaderrichtlijn Water (KRW)
Nationaal: <0000> <0000> <0000> <0000>
Nationaal Waterplan (NW); Waterbeleid voor de 21e eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet.
Provinciaal: <0000>
Partiële herziening omgevingsvisie voor kaderrichtlijn water en richtlijn overstromingsrisico's
Gemeentelijk: <0000> <0000>
Almelose Klimaat Adaptatiestrategie (AKAS); Programma Water en Riolering –De verbindende kracht van water (2022-2026).
5.2.1 Beleid Waterschap Vechtstromen Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021 een Watervisie en een waterbeheerprogramma. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg).
vastgesteld Bestemmingsplan Ary Schefferstraat
38
NL.IMRO.0141.00140-BP31
Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan het gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. 5.2.2 Waterbeleid gemeente Almelo 5.2.2.1 Almelose Klimaatadaptatie Strategie (AKAS) Sinds 2018 het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie van kracht. Hierin hebben Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten met elkaar afgesproken dat ons land van af 2050 klimaatrobuust en waterbestendig is ingericht. De verschillende overheden werken hiervoor met elkaar samen in zogenaamde werkregio’s. Voor de gemeente Almelo is dit Twents waternet (TWN). Het Deltaprogramma werkt volgens een aantal stappen: <0000> WETEN: we brengen de effecten en kwetsbaarheden in beeld <0000> WILLEN: we gaan met de stad in gesprek om de gezamenlijke ambitie te bepalen <0000> WERKEN: we stellen een agenda op met concrete acties die Almelo klimaatrobuust maken De stappen zijn vertaald in 7 ambities: 1. Kwetsbaarheden in beeld brengen 2. Risicodialoog voeren en strategie opstellen 3.
Uitvoeringsagenda opstellen 4. Meekoppelkansen benutten 5. Stimuleren en faciliteren 6. Reguleren en borgen 7. Handelen bij calamiteiten In het AKAS zijn de ambities gekoppeld aan de klimaattrends en zoveel mogelijk uitgewerkt in kwalitatieve en getalsmatige uitgangspunten voor nieuwbouw, openbare ruimte en privaat terrein. Het AKAS beperkt zich tot de klimaattrends wateroverlast (inclusief overstromen van beken en kanalen), hitte en droogte. Wateroverlast: Uitgangspunt bij wateroverlast is dat bij extreme regenval hoofd- en gebiedsontsluitingswegen toegankelijk voor hulpdiensten blijven. Ter voorkoming van overlast bij extreme regenval zijn uitgangspunten voor te nemen maatregelen opgesteld. <0000> Voor nieuw aan te leggen hoofd- en gebiedsontsluitingswegen geldt dat de waterdiepte (waterplassen op straat) gemiddeld over de breedte van de weg niet groter mag zijn dan 10 cm bij een bui van respectievelijk 70mm (hoofdwegen) en 45mm (gebiedsontsluitingswegen) in één uur. Voor bestaande hoofd- en gebiedsontsluitingswegen (inclusief tunnels) met kans op een waterdiepte van meer dan 25 cm bij een bui is het uitgangspunt dat deze voor 2030 worden aangepakt.
Voor bestaande hoofd- en gebiedsontsluitingswegen met minder dan 25 cm maar meer dan 10 cm waterdiepte geldt dat de gemeente bij herinrichting streeft de duur van water op straat bij een bui van 45 mm in één uur te beperken tot maximaal 2 uur, voor private wegen geldt een waterdiepte van meer dan 10 cm bij een bui van 70mm of 45mm in één uur. <0000> Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen en nutsvoorzieningen geldt dat het vloerpeil minimaal 30 cm boven het wegpeil dient te liggen. Voor stedelijke in- en uitbreidingen geldt bovendien dat water binnen het plangebied op doelmatige wijze geborgen moet worden (40 mm (uitbreidingslocaties) of 20 mm (inbreidingslocaties)). De wijze waarop is ter goedkeuring door de gemeente. <0000> Bij de herinrichting van de openbare ruimte streeft de gemeente ernaar dat een bui van 70 mm in één uur, door een gebied/wijk verwerkt kan worden zonder dat er nieuwe onacceptabele situaties ontstaan. De gemeente hanteert hierbij de volgorde: water vasthouden op locatie, berging in het gebied en indien nodig afvoeren. Voor de riolering kan eventueel worden uitgegaan van een afvoercapaciteit van 20 mm per uur; de overige waterberging moet in het gebied worden gecreëerd. Eigenaren van bestaande percelen worden gestimuleerd af te koppelen en hun tuin te ontstenen / vergroenen.
<0000> Om overlast van grondwater bij nieuwbouw tegen te gaan geldt een vloerhoogte van minimaal 100 cm en straatpeil van 80 cm ten opzichte van de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand). vastgesteld Bestemmingsplan Ary Schefferstraat
39
NL.IMRO.0141.00140-BP31
Voor gebieden in de openbare ruimte waar structureel sprake is van grondwateroverlast neemt de gemeente maatregelen indien dat doelmatig is. Voor bestaande bouw geldt een vloerhoogte van minimaal 90 cm en straatpeil van 70 cm ten opzichte van de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand). Eigenaren van privaat terrein zijn zelf verantwoordelijk voor het voorkomen of beperken van schade door grondwater. Hitte en droogte Ten aanzien van hitte en droogte heeft de gemeente de ambitie uitgesproken dat de hitte impact in 2050 niet erger is dan in 2020 en droogte niet mag leiden tot onomkeerbare schade aan openbaar groen en natuur. <0000> Om die reden wordt bij nieuwbouwontwikkeling en herinrichting gestreefd naar een zodanige inrichting van het gebied dat er voldoende koelteplekken en schaduw is. Bij het beheer en onderhoud van wegen wordt onderzocht op welke manier de opwarming van verharding kan worden teruggedrongen. Inwoners, bedrijven en instellingen zijn zelf verantwoordelijk maatregelen te treffen om schade en gezondheidsimpact van hitte in gebouwen en op privaat terrein te beperken, door het toevoegen van groen, warmte werend of verkoelend dak, schaduw en koele plekken. <0000> Ter voorkoming van droogte wordt bij nieuwbouw het gebied neerslag bergend en afvoer vertragend ingericht.
Zodanig dat bij droogte bomen, groen, (dak)tuinen of andere voorzieningen van water uit het plangebied worden voorzien. Oppervlaktewater wordt zo ingericht dat droogval zoveel als mogelijk voorkomen kan worden en circulatie mogelijk is. Bij de herinrichting van de openbare ruimte in de bestaande stad treft de gemeente maatregelen om de gevolgen van droogte structureel te beperken. Op privaat terrein zijn eigenaren zelf verantwoordelijk voor het droogtebestendig maken van hun groen of voor het beperken van de gevolgen. 5.2.2.2 Programma Water en Riolering - De verbindende kracht van water (2022-2026) Met de invoering van de Omgevingswet vervalt de verplichting van het opstellen van een (verbreed) Gemeentelijk RioleringsPlan(vGRP). In plaats daarvan kunnen gemeenten een (vrijwillig) Programma opstellen. Met dit Programma Water en Riolering sorteren we voor op komst van de Omgevingswet. In het Programma Water en Riolering –De verbindende kracht van water (2022-2026) worden de ambities en doelstellingen zoals verwoord in de Almelose Omgevingsvisie en de Klimaatadaptatiestrategie(AKAS) uitgewerkt tot maatregelen. Met het programma wordt voorgesorteerd op een meer integrale aanpak en maken we gerichter keuzes om nog doelmatiger en efficiënter te kunnen werken.
Hiermee houden we ons watersysteem ondanks extra kosten en de uitdagingen die klimaatverandering met zich meebrengt haalbaar en betaalbaar. Met ons watersysteem streven we daarom naar het integreren van de vier waterstromen: <0000> stedelijk afvalwater <0000> hemelwater (regenwater) <0000> grondwater <0000> oppervlaktewater Deze watertaken corresponderen met de drie zorgplichten van de gemeente. Oppervlaktewater zien we als integraal onderdeel van het stedelijk water. De gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater zijn momenteel opgenomen in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit opgenomen in artikel 2.16 Ow (lid1a). De maatregelen voor de komende planperiode zijn bepaald door de huidige situatie te toetsen aan de normen die volgen uit de doelstellingen. Maatregelen betreffen onderzoeks-, borgings-en fysieke maatregelen en zijn gericht op het meer datagedreven, gebiedsgericht en samen met de stad inrichten, onderhouden en vervangen van het watersysteem. Datagedreven, gebiedsgericht en samen met de stad vormen dan ook de drie pijlers van onze werkwijze.
5.3 Watertoets Ary Schefferstraat Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). Op basis van deze digitale toetsing valt de ontwikkeling onder de normale procedure. In verband hiermee is een waterhuishoudkundig plan (WHHP) voor de Ary Schefferstraat te Almelo opgesteld door Incite Project, waarin de waterhuishoudkundige aspecten worden beschouwd. Het rapport is bijgevoegd in bijlage 5. In het plan worden de uitgangspunten uit
vastgesteld Bestemmingsplan Ary Schefferstraat
40
NL.IMRO.0141.00140-BP31
het voorkeursbeleid van het waterschap betrokken. Hieronder wordt op enkele waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied ingegaan. 5.3.1 Nieuwe situatie Binnen het plangebied wordt de bouw van 10 grondgebonden woningen en bijbehorende verhardingen voorzien. Dit betreft een inbreidingslocatie, omdat hier voorheen een school gevestigd was. Voor een inbreidingslocatie geldt een eis van 20 mm waterberging per m2 aan toename van verhard oppervlak. Het maaiveld van het plangebied ligt op een hoogte tussen circa +10,55 en +10,90 m NAP. De Ary Schefferstraat en de Jan Tooropstraat aan de westzijde van het plangebied liggen op een hoogte van circa +10,55 m NAP, de sportvelden aan de zuidwestzijde liggen op een hoogte van circa +9,40 m NAP en het maaiveld van het oostelijk gelegen perceel ligt op een hoogte van circa +10,65 à +10,75 m NAP. Uit het rapport blijkt dat voor het plangebied kan worden uitgegaan van een Representatieve Hoogste Grondwaterstand (RHG) van +9,40 m NAP. De RHG is een nauwkeurige/representatievere berekenwijze dan de GHG, zodat er minder snel wateroverlast kan optreden. In de tabel in het rapport wordt de minimale ontwerphoogte van de woningen op + 10,40 m NAP vermeld. Voor het vloerpeil van de woningen dient 0,20 m boven het omringend maaiveld aangehouden te worden.
Omdat het maaiveld ter plaatse van de omliggende wegen op + 10,55 m NAP is gelegen, moet de ontwerphoogte c.q. het vloerpeil in elk geval deels minimaal +10,75 m bedragen. Dit is uitvoerbaar, omdat het huidige maaiveld binnen het plangebied ligt op +10,55 à +10,90 m NAP. Op elk uitgeefbaar perceel wordt 20 mm berging gerealiseerd: dit kan bijvoorbeeld met infiltratiekratten. Voor het bergen van overtollig hemelwater en hemelwater dat op openbaar gebied valt, wordt in het zuiden van het plangebied een wadi aangelegd. De gemeente heeft als eis gesteld dat de bodem van de wadi 0,50 m boven de GHG/RHG moet liggen. Dit betekent dat de bodem van de wadi minimaal op +9,90 m NAP moet liggen. Uit het rapport blijkt dat voor de verwerking van de 20 mm berging dat valt op het verhard oppervlak van 850 m2 in openbaar terrein, een bergingscapaciteit van 22 m3 nodig is. De voorgestelde wadi in het WHHP heeft een bodem op + 10,25 m NAP. Daarmee heeft de wadi met een waking van 15 cm een capaciteit van 67 m3 en bij een vulling tot op maaiveld 164 m3. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de bergingseis van 20 mm. Ook blijkt bij extremere buien van 70 mm dat het water nog binnen de tot op maaiveld gevulde wadi kan worden opgevangen. Er ontstaan geen onacceptabele situaties. Uit het infiltratieonderzoek zijn voor de onverzadigde zone K-waarden afgeleid tussen 0,6 en 0,7 m/dag.
Voor het bepalen van de ledigingstijd van een wadi wordt standaard met een infiltratiecapaciteit gerekend van 0,5 m/dag. Dan heeft een voor 30 cm gevulde wadi een ledigingstijd van circa 17 uur, wat voldoet aan de eis van de gemeente om binnen 24 uur te infiltreren. Op basis van dit waterhuishoudkundig plan is geconcludeerd dat de hoeveelheid vuil afvalwater van het plangebied dusdanig gering is dat het kan worden aangesloten op de bestaande gemengd rioolstelsel met een diameter van 1.500 mm onder de Jan Tooropstraat en de Ary Schefferstraat. Voor de oostelijke woning zal een verzamelriool met een leidingdiameter van ø250 mm ruimschoots voldoen. 5.3.2 Watertoets Het waterschap is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De uitkomst van de digitale watertoets is dat voor de ontwikkeling de zogenoemde 'normale procedure' van toepassing is. Het waterschap geeft hiermee aan dat de ontwikkeling waterschapsbelangen raakt en overleg over het plan moet plaatsvinden. Vanwege de uitkomst van de watertoets is een eerste versie van het waterhuishoudkundig plan voorgelegd aan het waterschap en heeft op 23 mei 2022 een digitaal vooroverleg met de gebiedsadviseur van het waterschap plaatsgevonden.
Gebleken is dat het gemaal op de Weezebeek voldoende afwateringscapaciteit heeft om de hemelwaterafvoer van de nieuw te bouwen woningen niet te koppelen aan het gemengd rioolstelsel. Dit betekent dat bij extreme piekbuien de wadi in het groen aan de zuidzijde van het plangebied kan en mag overlopen naar de naastgelegen sloot en
vastgesteld Bestemmingsplan Ary Schefferstraat
41
NL.IMRO.0141.00140-BP31
vervolgens afwatert naar het gemaal op de Weezebeek. Deze aanbeveling is een aandachtspunt welke bij de nadere uitwerking geconcretiseerd kan worden. Bij tabel 4 van het WHHP wordt vermeld dat voor het vloerpeil van de woningen 0,20 m boven het omringend maaiveld aangehouden dient te worden. Om de overstromingsrisico’s bij kortdurende buiten te beperken, is het advies van het waterschap om niet 20 cm maar minimaal 30 cm hoogteverschil aan te houden tussen straatpeil en het vloerpeil van de woningen. Dat zou leiden tot een vloerpeil van minimaal + 10,85 m NAP. Voor het overige zal de waterhuishouding in de bestaande of directe omgeving geen nadelige gevolgen ondervinden van het plan (waterkwaliteit/waterkwantiteit) en kan het waterschap zich vinden in het WHHP. De watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.
5.4 Conclusie Met inachtneming van adviezen en de uitkomsten van het waterhuishoudkundige plan heeft de ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
vastgesteld Bestemmingsplan Ary Schefferstraat
42
NL.IMRO.0141.00140-BP31
Hoofdstuk 6 Juridisch bestuurlijke aspecten De regels zijn een juridische vertaling van het planologische- en ruimtelijk beleid van de gemeente, provincie en het rijk. De regels zijn een juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bebouwing, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bebouwing. Bij het opstellen van de regels is geprobeerd om de regels zo beperkt mogelijk te houden door alleen te regelen wat nodig is.
6.1 Inleiding Het bestemmingsplan Ary Schefferstraat bestaat uit een verbeelding (plankaart), planregels en deze plantoelichting. De verbeelding en planregels vormen tezamen het juridische deel van het bestemmingsplan. Deze vormen het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van gronden en bebouwing. In de regels worden de mogelijkheden in artikelen vastgelegd. Op de verbeelding worden de bestemmingen, bouw- en gebruiksmogelijkheden per locatie aangeduid. In dit hoofdstuk zal de juridische systematiek van het bestemmingsplan worden toegelicht, alsmede een beschrijving per bestemming en een toelichting op de algemene regels en de overgangs- en slotregels.
6.2 Juridische systematiek In dit plan wordt uitgegaan van positieve bestemmingen, waarbij de ontwikkeling van nieuwbouw of verbouw mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend. De omgevingsvergunning kan alleen worden verleend wanneer het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Ook moet het gebruik van het gebouw of de gronden mogelijk zijn volgens de planregels en de verbeelding. Planregels De planregels zijn ondergebracht in een viertal hoofdstukken: <0000> Inleidende regels: bevat een aantal bepalingen die van belang zijn voor een juiste interpretatie en toepassing van de planregels in de overige hoofdstukken; <0000> Bestemmingsregels: bevat de regels omtrent de diverse bestemmingen waarin bouw- en gebruiks(on)mogelijkheden zijn opgenomen; <0000> Algemene regels: bevat algemeen geldende regels met betrekking tot gebruik en afwijkingen; <0000> Overgangs- en slotregels: bevat overgangsregels en de titel van het plan. De hoofdstukindeling van de regels ziet er als volgt uit: Hoofdstuk 1: "Inleidende regels", bevat de volgende artikelen: <0000> Begrippen; <0000> Wijze van meten.