7.1 Vaststelling bestemmingsplan Rechtbank Almelo - Bijlage - Vast te stellen bestemmingsplan Rechtbank Almelo.pdf
Tekst van het document
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb.
De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied bevindt zich niet in beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het Wierdense veld en ligt op een afstand van circa 8 kilometer. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 4 kilometer afstand.
vastgesteld bestemmingsplan Rechtbank Almelo
30
NL.IMRO.0141.00130-BP31
Vanwege de stedelijke ligging en de afstand tot natuurgebieden zijn directe negatieve effecten zoals areaalverlies en versnippering op voorhand uitgesloten. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. Stikstofdepositie Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 met betrekking tot het Programma Aanpak Stikstof wordt bij vrijwel ieder plan stilgestaan bij de mogelijke stikstofemissie en het effect daarvan op Natura 2000-gebieden. Om te berekenen hoe hoog de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied zal zijn, is voor de realisatie- en de gebruiksfase een AERIUS berekening uitgevoerd. Uit de resultaten van de aanlegfase (bijlage 4) en de gebruikfase (bijlage 5) blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde. Voor dit plan geldt geen vergunningplicht op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb). Soortenbescherming De huidige ecologische waarden worden vastgesteld aan de hand van een quickscan en een veldonderzoek (zie bijlage 6).
Uit het verkennende natuuronderzoek blijkt dat de bebouwing in het plangebied potentieel geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen, steenmarter, huismus en gierzwaluw. Daarom is voor de beoogde ontwikkeling een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 7 bij de toelichting. Vleermuizen In de bebouwing in het onderzoeksgebied is één paar-, zomer- en (mogelijk) winterverblijf van een mannetje gewone dwergvleermuis aanwezig. Er zijn geen verblijfplaatsen van andere vleermuissoorten aangetroffen en ook geen kraamkolonies. Voor de voorgenomen herontwikkeling is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming voor de gewone dwergvleermuis noodzakelijk, omdat hierdoor een paar-, zomer- en (mogelijk) winterverblijf van een mannetje gewone dwergvleermuis wordt aangetast. In het plangebied is geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aanwezig. Er zijn ook geen vliegroutes van vleermuizen vastgesteld. Huismus In het onderzoeksgebied zijn geen nestplaatsen van de huismus aanwezig en het onderzoeksgebied fungeert niet als essentieel leefgebied voor de soort. Voor de voorgenomen herontwikkeling is geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming voor de huismus noodzakelijk. Gierzwaluw In het onderzoeksgebied zijn geen nestplaatsen van de huismus aanwezig en het onderzoeksgebied fungeert niet als essentieel leefgebied voor de soort.
Voor de voorgenomen herontwikkeling is geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming voor de huismus noodzakelijk. Steenmarter In het onderzoeksgebied zijn geen rust- of voortplantingsplaatsen van de steenmarter aanwezig en het onderzoeksgebied fungeert niet als essentieel leefgebied voor de soort. Voor de voorgenomen herontwikkeling is geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming voor de steenmarter noodzakelijk.
vastgesteld bestemmingsplan Rechtbank Almelo
31
NL.IMRO.0141.00130-BP31
Conclusie Voor de voorgenomen herontwikkeling is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming voor de gewone dwergvleermuis noodzakelijk. Deze ontheffing is op 16 juni 2021 aangevraagd bij de provincie Overijssel.
5.6
Externe veiligheid
Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Gemeentelijk beleid Bij het opstellen van de externe veiligheidsparagraaf is uitgegaan van de huidige wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Door de gemeente Almelo is in maart 2014 het externe veiligheidsbeleid 2015-2018 vastgesteld. Dit beleid is op 19 november 2019 verlengd tot en met 2021.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de uitgangspunten uit dit veiligheidsbeleid en is er in de planregels de gebiedsaanduiding 'Veiligheidszone - spoor' opgenomen. In dit kader is in artikel 8, van onderhavige bestemmingsplan, opgenomen dat gronden met deze gebiedsaanduiding nieuwe objecten en het gebruik van bestaande objecten ten behoeve van niet-zelfredzame en beperkt zelfredzame personen wordt tegengegaan. De bouw van beperkt kwestbare objecten is dan ook alleen mogelijk als via een risicoanalyse externe veiligheid is aangetoond dat er hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid van personen, danwel maatregelen zijn getroffen ter bescherming van de niet zelfredzame en berperkt zelfredzame personen. Een rechtbank is als zodanig niet aan te merken als een beperkt kwetsbaar object, behoudens de personen die in hechtenis zijn en hierdoor niet vrij in beweging zijn. Bij de omgevingsvergunning zal hier expliciet aandacht worden geschonken door het uitvoeren van een risicoanalyse externe veiligheid. Onderzoek De spoorlijn Almelo - Hengelo ligt op 50 meter ten zuiden van het plangebied. Over de spoorlijn vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Over de spoorlijn vindt vervoer plaats van gevaarlijke stoffen. Het invloedsgebied bedraagt meer dan 4 kilometer als gevolg van het vervoer van stofcategorie D4, toxische stoffen.
Het maatgevende invloedsgebied voor het groepsrisico bedraagt 460 meter. De locatie ligt op een afstand van 50 meter. Dit bestemmingsplan veranderd uitsluitend de bouwhoogte binnen het gebied. De beoogde functie is reeds toegestaan. Het gebouw komt ook niet dicht op de spoorlijn te staan. Een berekening van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. In het kader van het Bevt dient wel het groepsrisico te worden verantwoord en dient te worden ingegaan op de aspecten bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. In dit kader heeft de
vastgesteld bestemmingsplan Rechtbank Almelo
32
NL.IMRO.0141.00130-BP31
omgevingsdienst Twente een verantwoording groepsrisico opgesteld, deze verantwoording is opgenomen in bijlage 8. Voor onderhavige situatie is gekeken naar de consequenties voor het groepsrisico. Gezien de (beperkte) wijziging die de ruimtelijke ontwikkeling met zich mee brengt in aantallen personen binnen het invloedsgebied van de risicobron en/of: het feit dat de ontwikkeling plaatsvindt buiten de 200 meter zone van het doorgaand spoor of de 100 letaliteit afstand van aardgasleidingen, Is de Gemeente Almelo van mening dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige risico's voor de omgeving met zich mee brengen. De Veiligheidsregio Twente heeft in dit kader advies uitgebracht De Veiligheidsregio adviseert: Borg dat de mechanische ventilatie in het gebouw handmatig en centraal afgeschakeld kan worden; Zorg dat de gebruiker bekend is met de externe veiligheidsrisico's en borg de mogelijke handelingsperspectieven in het organisatieplan, rekening houdend met de celfunctie; Borg dat de vluchtroutes vanuit de gebouwen van het spoortracé af leiden en het gebouw bescherming biedt; Borg een goede doorstroming ter hoogte van de Egbert Gorterstraat / Stationsstraat voor Hulpdienstvoertuigen; Borg de optimalisering van de primaire bluswatervoorziening aan de zijde van de Stationsstraat. Geadviseerd wordt om deze punten over te nemen en te borgen.
Zoals beschreven in hoofdstuk 3, wordt het bouwplan en het ontwerp van de rechtbank pas verder uitgewerkt zodra dit bestemmingsplan in vastgesteld. In dit ontwerp zal rekening gehouden worden met vluchtwegen, van het spoor af en bouwtechnische maatregelen. Het definitieve bouwplan wordt met de vergunningaanvraag voorgelegd aan de veiligheidsregio/ brandweer.
5.7
Kabels en leidingen
Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
5.8
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
vastgesteld bestemmingsplan Rechtbank Almelo
33
NL.IMRO.0141.00130-BP31
Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10) fijn stof (PM2,5)
Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (=1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van een gerechtsgebouw dit leidt tot een toename van verkeer van 161 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde zoals opgenomen in paragraaf 5.2). Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 1 % (laden en lossen).
Middels de NIBM-tool is berekend of de toename niet in betekenende mate is. Tabel 5.1 NIBM-tool
Uit de NIBM-tool blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,24 µg/m³ en van fijn stof van 0,05 µg/m³ (zie tabel 5.1). De fijn stof toename blijft onder de 1,2 µg/m³, de grens van 1,2 voor N02 wordt overschreden.
vastgesteld bestemmingsplan Rechtbank Almelo
34
NL.IMRO.0141.00130-BP31
Uit de nibm-tool blijkt dat niet zondermeer gesteld kan worden dat de realisatie van de rechtbank niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Om de effecten van de rechtbank op de luchtkwaliteit te bepalen is onderzocht wat de concentraties luchtverontreinigende stoffen langs de dichtstbijzijnde weg bedroegen. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Nachtegalstraat, ten westen van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool 2021 blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 13,5 µg/m³ voor NO2, 15,9 µg/m³ voor PM10 en 8 µg/m³ voor PM2,5. De jaargemiddelde waarden voor stikstof zijn dermate laag dat een zeer lichte toename van 0,12 µg/m³ stikstof acceptabel is. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 lag op 6 dagen. De concentratie N02 zal toenemen tot 13,62 µg/m³ (13,5+ 0,12), de bijdrage van het plan leidt derhalve niet tot overschrijding van de grenswaarden zoals opgenomen in tabel 5.1. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.
Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.9
Bedrijven en milieuhinder
Beleid en Normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling een belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen te kunnen maken, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Onderzoek In de omgeving van het plangebied zijn woningen en andere functies gelegen als horeca en winkels. De richtafstanden gelden daarom ten opzichte van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Het plangebied krijgt met dit bestemmingsplan de bestemming 'dienstverlening'. Deze gronden zijn bestemd voor een rechtbank. Dit type bedrijf valt in milieucategorie 1, waarbij richtafstanden worden gehanteerd voor geur, stof en geluid. Voor deze aspecten gelden richtafstanden van 0 meter in 'gemengd gebied'.
De dichtstbijzijnde woningen liggen aan de andere zijde van het spoor op 130 meter. Andere woningen in de omgeving liggen op een grotere afstand. Met de beoogde ontwikkeling wordt er ruim voldaan aan de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
vastgesteld bestemmingsplan Rechtbank Almelo
35
NL.IMRO.0141.00130-BP31
5.10 T rilling In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is. Voor de normstelling wat betreft trillingen wordt de SBR-richtlijn 'Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen' deel B 'hinder voor personen in gebouwen' aangehouden. Deze richtlijn sluit grotendeels aan bij internationale richtlijnen. Om deze metingen te kunnen uitvoeren, moet echter het gebouw al gerealiseerd zijn. Om vooraf een inschatting te maken wat betreft de kans op trillingshinder wordt de 'Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen' gehanteerd. De locatie is gelegen ten noorden van het treinstation Almelo. Op de spoorlijn rijden reizigerstreinen (intercitytreinen) en goederentreinen. De afstand van de spoorlijn tot het beoogde gerechtsgebouw bedraagt minimaal 50 meter. In de handreiking wordt binnen een zone van 100 meter tot een spoorweg aangeraden om een aandachtszone vast te leggen in het bestemmingsplan. In Artikel 8 Algemene bouwregels 8 is een bepaling opgenomen dat er slechts mag worden gebouwd nadat is vastgesteld dat er maatregelen genomen zijn tegen trillingshinder, die ervoor zorgen dat Vmax niet hoger uitkomt dan de voelbaarheidsgrens van 0,1.
Het gaat hierbij om gebouwen waarin gevoelige functies (waar mensen langdurig verblijven) gevestigd kunnen worden.
vastgesteld bestemmingsplan Rechtbank Almelo
36
NL.IMRO.0141.00130-BP31
Hoofdstuk 6 6.1
Waterparagraaf
Waterbeheer en watertoets
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Vechtstromen en de gemeente Almelo, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met beide waterbeheerders over de voorgestane ontwikkeling.
6.2
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterprogramma Nationaal Waterplan (NW) Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal Partiële herziening omgevingsvisie voor kaderrichtlijn water en richtlijn overstromingsrisico's Gemeentelijk Programma Water en Riolering –De verbindende kracht van water (2022-2026) Waterplan Almelo (2002) Almelose Klimaatadaptatiestrategie 2021-2025 Waterschapsbeleid Waterschap Vechtstromen verzorgt sinds 1 januari 2014 het waterbeheer in Twente, Noordoost Overijssel en Zuidoost Drenthe. Vechtstromen is ontstaan door de fusie van de waterschappen Velt en Vecht en Regge en Dinkel. Op het gebied is het waterbeheerplan 2016-2021 van toepassing. Het waterschap is verantwoordelijk voor een optimaal waterbeheer en voor de instandhouding van het voor Twente karakteristieke bekensysteem. Dat betekent dat ervoor gezorgd wordt dat het oppervlakteen grondwater kwalitatief en kwantitatief aansluit bij het maatschappelijk gebruik van de grond.
Het waterbeheerplan 2016-2021 beschrijft hoe het waterschap de doelstellingen wil realiseren. Door klimaatverandering komen extreme buien vaker voor, met als gevolg grotere risico's op wateroverslast. Daarmee ligt een opgave om in de toekomst extreme situaties die vaker gaan voorkomen het hoofd te kunnen bieden. Daarom zijn maatregelen niet alleen nodig in het watersysteem en in de ruimtelijke ordening maar wil het waterschap ook werken aan een groter bewustzijn bij inwoners over de risico's op wateroverlast. KlimaatActieve Stad (KAS) Als Klimaat Actieve Stad Stedenband Twente, kortweg KAS, hebben de gemeenten Almelo, Enschede en Hengelo, waterschap Vechtstromen en provincie Overijssel de krachten gebundeld. De rode draden uit de ‘Klimaatagenda: weerbaar, welvarend en groen’ zijn als uitgangspunten genomen. De gemeente Almelo streeft een grondwaterstand na, die geen structurele overlast veroorzaakt bij
vastgesteld bestemmingsplan Rechtbank Almelo
37
NL.IMRO.0141.00130-BP31
bewoners en bedrijven. Nieuwe ontwikkelingen, zowel openbaar als particulier, moeten zodanig worden ontworpen en ingericht dat de toekomstige bewoners/gebruikers geen hinder ondervinden van (te) hoge grondwaterstanden. Het oplossen van grondwaterproblemen achteraf kost een veelvoud van maatregelen tijdens de bouwfase. De grondwateroverlast wordt bestreden (en bij nieuwbouw voorkomen) volgens de voorkeursstrategie: ophogen; aanleggen extra oppervlaktewater; aanleggen grondwatertechnische maatregelen. Pas als ophogen of extra oppervlaktewater in een deelgebied niet realistisch is, komen grondwatertechnische maatregelen zoals drainages, in beeld. Bij nieuwbouw worden in principe geen grondwatertechnische maatregelen aangelegd. Voor de ontwatering gelden de volgende criteria: wegen minimaal 0,80 m boven de GHG; openbaar groen minimaal 0,50 m boven de GHG; vloerpeilen minimaal 1,00 m boven de GHG. Programma Water en Riolering –De verbindende kracht van water (2022-2026) Met de invoering van de Omgevingswet vervalt de verplichting van het opstellen van een (verbreed) Gemeentelijk RioleringsPlan(vGRP). In plaats daarvan kunnen gemeenten een (vrijwillig) Programma opstellen. Met dit Programma Water en Riolering sorteren we voor op komst van de Omgevingswet.
In het Programma Water en Riolering –De verbindende kracht van water (2022-2026) worden de ambities en doelstellingen zoals verwoord in de Almelose Omgevingsvisie en de Klimaatadaptatiestrategie(AKAS) uitgewerkt tot maatregelen. Met het programma wordt voorgesorteerd op een meer integrale aanpak en maken we gerichter keuzes om nog doelmatiger en efficiënter te kunnen werken. Hiermee houden we ons watersysteem ondanks extra kosten en de uitdagingen die klimaatverandering met zich meebrengt haalbaar en betaalbaar. Met ons watersysteem streven we daarom naar het integreren van de vier waterstromen: stedelijk afvalwater hemelwater (regenwater) grondwater oppervlaktewater Deze watertaken corresponderen met de drie zorgplichten van de gemeente. Oppervlaktewater zien we als integraal onderdeel van het stedelijk water. De gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater zijn momenteel opgenomen in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit opgenomen in artikel 2.16 Ow (lid1a). De maatregelen voor de komende planperiode zijn bepaald door de huidige situatie te toetsen aan de normen die volgen uit de doelstellingen. Maatregelen betreffen onderzoeks-, borgings-en fysieke maatregelen en zijn gericht op het meer datagedreven, gebiedsgericht en samen met de stad inrichten, onderhouden en vervangen van het watersysteem.
Datagedreven, gebiedsgericht en samen met de stad vormen dan ook de drie pijlers van onze werkwijze. Waterplan Almelo Het Waterplan is in 2002 vastgesteld en beschrijft de samenhangende visie op het integrale watersysteem en de waterketen in de omgeving. Het plan zet in op het verbeteren van milieukwaliteit, het vergroten van belevingswaarde en het scheiden van waterstromen in waterketen en watersysteem.
6.3
Huidige situatie
Algemeen Het plangebied is gelegen in het centrum van Almelo en bestaat uit een drietal gebouwen met daar achter een parkeerterrein. Klimaateffecten De huidige situatie is kwetsbaar voor klimaateffecten. Bij een bui van 70 mm in 1 uur tijd (kans van
vastgesteld bestemmingsplan Rechtbank Almelo
38
NL.IMRO.0141.00130-BP31
ongeveer eens in de 100 jaar voor het klimaat in 2050) komt er water op straat te staan. Waterkwantiteit In de nabijheid van het plangebied is een watergang aanwezig die is opgenomen op de legger. Op een afstand van 70 m van het plangebied het Overijssels kanaal aanwezig. Het kanaal mogelijk gevolgen op het grondwater in het plangebied. Watersysteemkwaliteit en ecologie In de omgeving van het plangebied zijn geen KRW-waterlichamen gelegen. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in of nabij een waterkering of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel.
6.4
T oekomstige situatie
Algemeen Wanneer binnen het plan het verhard oppervlak met meer dan 1.500 m2 toeneemt, dienen hiervoor compenserende maatregelen te worden genomen. Waterschap Vechtstromen hanteert hierbij de 10% vuistregel. Op basis van het gemeentelijke beleid geldt voor nieuwe ontwikkelingen een bergingseis van 20 mm op eigen terrein ten opzichte van het nieuwe verharde oppervlak. Waterkwaliteit Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. De toekomstige waterhuishouding moet een duurzaam karakter krijgen door schone en vuile waterstromen gescheiden te houden. Voor de afhandeling van hemelwater moet worden aangesloten bij de voorkeursvolgorde hergebruik, infiltreren, retenderen/afvoer naar oppervlaktewater of retenderen/afvoeren naar riolering. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling vindt niet plaats binnen of nabij een waterkering en heeft derhalve geen invloed op de veiligheid. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden
vastgesteld bestemmingsplan Rechtbank Almelo
39
NL.IMRO.0141.00130-BP31
genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Toetsing Het is belangrijk dat bij toekomstige ontwikkelingen wateroverlast wordt voorkomen. Bij het ontwerp en de inrichting van nieuwe ontwikkelingen moet daarom rekening worden gehouden met de mogelijkheid om in noodgevallen. De straat en de overige openbare ruimte benutten als tijdelijke berging. Hiervoor moet de infrastructuur waterbewust en klimaatbestendig worden ingericht. Hierbij kan worden gedacht aan niet te lage vloerpeilen, het toepassen van trottoirbanden langs de wegen en het afvoeren van alle dakoppervlak naar de voorzijde van het perceel. Zoals beschreven in hoofdstuk 3 wordt het ontwerp van de beoogde bebouwing na vaststelling van dit bestemmingsplan verder uitgewerkt.
Eén van de beoordelingscriteria van de aanbestedingsprocedure is het onderdeel duurzaamheid, zie hiervoor paragraaf 3.2, hieronder valt ook het aspect klimaatbestendigheid en dus water. De footprint van de nieuwbouw is nog niet bekend. Echter in de huidige situatie is het gehele plangebied verhard met bebouwing of parkeerterrein. Hierdoor is toename in verharding uit te sluiten en is compensatie op basis van het beleid niet direct noodzakelijk. In het kader van klimaatbestendigheid is dit wel wenselijk. Het is belangrijk dat bij toekomstige ontwikkelingen wateroverlast wordt voorkomen. Tijdens de aanbesteding wordt onder andere beoordeeld hoe omgegaan wordt met water en de klimaatbestendigheid van het ontwerp van het gebouw en de inrichting van het terrein. Tevens dient er een noodoverloop van de waterberging op eigen terrein (=20 mm) te worden gerealiseerd. Deze noodverloop kan worden aangesloten op de regenwaterafvoer die onder het fietspad langs de Egbert Gorterstraat is gelegen. Bij het ontwerp en de inrichting van nieuwe ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de mogelijkheid om in noodgevallen de straat en de overige openbare ruimte te benutten als tijdelijke berging. De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
vastgesteld bestemmingsplan Rechtbank Almelo
40
NL.IMRO.0141.00130-BP31
Hoofdstuk 7
Juridisch bestuurlijke aspecten
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen.
7.1
Inleiding
Het bestemmingsplan 'Rechtbank Almelo' bestaat uit een verbeelding (plankaart), planregels en deze plantoelichting. De verbeelding en planregels vormen tezamen het juridische deel van het bestemmingsplan. Deze vormen het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van gronden en bebouwing. In de regels worden de mogelijkheden in artikelen vastgelegd. Op de verbeelding worden de bestemmingen, bouw- en gebruiksmogelijkheden aangeduid. Het bestemmingsplan is opgesteld in aansluiting op het vigerende bestemmingsplan 'Centrum' en de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. In dit hoofdstuk zal de juridische systematiek van het bestemmingsplan worden toegelicht. Ook wordt een beschrijving per artikel en een toelichting op de algemene bepalingen en de overgangs- en slotbepalingen gegeven.
7.2
Juridische systematiek
Dit bestemmingsplan maakt de vestiging van een supermarkt mogelijk in aansluiting op het bestaande winkelcentrum De Gors in de wijk Windmolenhoek. De bouwmogelijkheden zijn afgestemd op het beoogde ontwerp voor de supermarkt. De regels bestaan uit vier hoofdstukken waarop in de volgende paragrafen wordt ingegaan: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels.
7.3
Verantwoording van de planregels
Inleidende regels Begrippen In het eerste artikel zijn de noodzakelijke begripsbepalingen opgenomen die worden gebruikt in de regels. het bevat definities om misverstanden te voorkomen. Wijze van meten Het tweede artikel regelt hoe er gemeten moet worden.
Dienstverlening Gronden met de bestemming Dienstverlening (de rechtbank) zijn bestemd voor dienstverlening. De hoofdbebouwing mag enkel opgericht worden binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. In de regels en verbeelding zijn bepalingen opgenomen omtrent de hoogten voor zowel de hoofdbebouwing als de bijbehorende bouwwerken. Ook zijn bepalingen opgenomen voor de maximaal toegestane bedrijfsvloeroppervlak. Algemene regels Anti-dubbeltelregel Door middel van dit artikel wordt voorkomen dat grond, die betrokken is geweest bij het toestaan van ene bouwplan, bij de beoordeling van een later bouwplan wederom betrokken is.
vastgesteld bestemmingsplan Rechtbank Almelo
41
NL.IMRO.0141.00130-BP31
Algemene gebruiksregels Hierin is specifiek vermeld welk gebruik als strijdig wordt gezien. Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal regels opgenomen om het mogelijk te maken dat het plan op ondergeschikte punten wordt aangepast. Kleine afwijkingen van de in de regels opgenomen, dan wel op de verbeelding aangegeven maten kunnen volgens dit artikel mogelijk worden gemaakt met een binnenplanse omgevingsvergunning. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Het overgangsrecht bevat een regeling voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het plan, maar dat strijdig is met de regels van dit bestemmingsplan. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. De redactie van het artikel is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Slotregel In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan aangehaald kan worden (titel van het bestemmingsplan). De redactie van het artikel is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen.
vastgesteld bestemmingsplan Rechtbank Almelo
42
NL.IMRO.0141.00130-BP31
Hoofdstuk 8
Economische uitvoerbaarheid
Voorliggend plan betreft een bedrijfsmatig initiatief. De kosten van dit plan komen voor rekening van de initiatiefnemer. Voor zover de gemeente kosten maakt, zullen deze kosten door leges worden gedekt. Bovendien zijn afspraken over kostenverhaal vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Verder wordt met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst gesloten. Hiermee komen eventuele planschadeclaims voor rekening van de initiatiefnemer. Omdat het verhaal van exploitatiekosten en planschade is verzekerd door gesloten anterieure overeenkomsten met de initiatiefnemer, is het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig. Het plan wordt als economisch uitvoerbaar beschouwd.
vastgesteld bestemmingsplan Rechtbank Almelo
43
NL.IMRO.0141.00130-BP31
Hoofdstuk 9 9.1
Procedure
Inspraak- en vooroverlegprocedure
Op basis van het concept-ontwerp bestemmingsplan is het wettelijk vooroverleg, zoals vastgelegd in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening,met de provincie en Waterschap gevoerd. De ontvangen adviezen in het kader van het vooroverleg zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan 'Rechtbank Almelo' heeft gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
vastgesteld bestemmingsplan Rechtbank Almelo
44
NL.IMRO.0141.00130-BP31
Bijlagen toelichting
vastgesteld bestemmingsplan Rechtbank Almelo
45
NL.IMRO.0141.00130-BP31
Bijlage 1 Situatietekening
vastgesteld bestemmingsplan Rechtbank Almelo
46
21m
roo
mo
ge
ilij
n
lij
ke
do
or
br
aa
k
7-8m
18m
15m
af
nt
na
mi
do
n sta
m
14
d>
30m
do
mi
na
nte
22m
m
oo
er
7,5m
d
an
st
7,5m
n
ilij
af
4 >1
bebouwingshoogte tot 25m
bebouwingshoogte tot 25m
ijn
oil
ro
lic
rp
ve
e ht
er
cht
pli
ver
bebouwingshoogte tot 30m (<1500m2) n
ilij
oo e rst
lijn
uw
bo
e
uit
ed
bi
e kg
h
e
re
nt
de
f oo
e
zo
zoekgebied hoofdentree inrit/uitrit gehechtentransport inrit expedi�e uitrit expedi�e inrit/uitrit parkeren
Rijksvastgoedbedrijf 22-12-2021
NL.IMRO.0141.00130-BP31
Bijlage 2 Bodemonderzoek
vastgesteld bestemmingsplan Rechtbank Almelo
48
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING
2
2
VOORONDERZOEK
3
2.1
Bekende gegevens
3
2.2
Aanvullend vooronderzoek
4
2.3
Conclusie vooronderzoek
8
3
OPZET ONDERZOEK
9
4
UITVOERING ONDERZOEK
12
4.1
Veldwerkzaamheden
12
4.2
Veldresultaten
13
4.2.1
Lokale bodemopbouw
13
4.2.2
Zintuiglijke waarnemingen
13
4.2.3
Meetgegevens minerale olie onderzoek grondwater
16
4.3
5
6
Monsterselectie en analyses
17
4.3.1
Grond metalenonderzoek
17
4.3.2
Grondwater
19
TOETSING EN INTERPRETATIE
20
5.1
Toetsingskader
20
5.2
Toetsing analyseresultaten metalenonderzoek
21
5.3
Toetsing analyseresultaten PFAS
23
5.4
Toetsing analyseresultaten verontreiniging olieproduct
24
5.5
Interpretatie onderzoeksresultaten
25
5.5.1
Metalenverontreiniging grond
25
5.5.2
Olieverontreiniging in grond en grondwater
27
CONCLUSIE
28
Bijlagen bijlage 1: Topografische ligging onderzoekslocatie en kadastrale situatie bijlage 2: Overzicht veldwaarnemingen en boorprofielen bijlage 3: Analyserapporten bijlage 4: Toetstabellen bijlage 5: Kwaliteitsborging bijlage 6: Tekening van de onderzoekslocatie
datum
19 december 2019
referentie
R-LBR-473-192668
pagina
1 van 28
1
INLEIDING In opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is door Aveco de Bondt een nader bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Egbert Gorterstraat 3 te Almelo. De aanleiding tot het uitvoeren van het nader bodemonderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van de locatie door de aanvrager. Op de locatie zal nieuwbouw plaatsvinden. Tevens is daarbij de realisatie van een parkeerkelder aan de orde, mogelijk tot een diepte van 5,0 m-mv. Tijdens het voorgaande bodemonderzoek zijn sterk verhoogde gehalten aan zink en lood aangetroffen in de grond. Tevens is sprake van een restverontreiniging met olieproduct tegen de zuidwestelijke gevel van het pand Egbert Gorterstraat 3. De doelstelling van het bodemonderzoek is vast te stellen of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarbij de omvang van de aangetroffen verontreiniging(en) in beeld wordt gebracht. In de volgende hoofdstukken wordt verslag gedaan van het uitgevoerde onderzoek.
datum
19 december 2019
referentie
R-LBR-473-192668
pagina
2 van 28
2
VOORONDERZOEK
2.1
Bekende gegevens Op de onderzoekslocatie is in 2018 reeds bodemonderzoek uitgevoerd, welke is gerapporteerd als: 1.
Verkennend bodemonderzoek Egbert Gorterstraat 3 te Almelo, Aveco de Bondt, kenmerk RAWS-117-180667, d.d. 23 april 2018;
In bovenstaande rapport [Ad 1] is beschreven dat: ‘Geconcludeerd kan worden dat op drie plaatsen (boringen 02, 06 en 17, zie figuur 1) verspreid over de onderzoekslocatie een sterk verhoogd gehalte met zink en/of lood in de grond is aangetoond. Op grond van de onderzoeksresultaten is mogelijk sprake is van een geval van ernstige verontreiniging in de grond. De bodemverontreiniging lijkt heterogeen verdeeld over de locatie waarbij er geen directe relatie aanwezig is tussen de bijmengingen en de mate van verontreiniging.’
figuur 1: Boringen voorgaande onderzoek.
datum
19 december 2019
referentie
R-LBR-473-192668
pagina
3 van 28
2.2
Aanvullend vooronderzoek Voorafgaand aan onderhavig nader bodemonderzoek is het vooronderzoek geactualiseerd in verband met de voorgenomen planontwikkeling op de onderzoekslocatie. Hieruit is geconcludeerd dat de omgevingsrapportage van de gemeente Almelo meer en beter te ontsluiten gegevens bevat, ten opzichte van het eerdere vooronderzoek uit 2018. Deze aanvullende gegevens zijn gescreend. Uit deze screening blijken de volgende relevante rapportages. 2.
Nader bodemonderzoek rondom de verwijderde ondergrondse benzinetank langs de Stationsstraat te Almelo, Tebodin B.V., kenmerk 331599, d.d. april 1993;
3.
Evaluatie sanering bodemverontreiniging Stationsstraat te Almelo, Royal Ten Cate N.V. te Almelo, KWA Bedrijfsadviseurs B.V., kenmerk 2204490DR01.doc, d.d. 22 mei 2003;
4.
Briefrapport gegevens monitoring Stationsstraat te Almelo, KWA Bedrijfsadviseurs B.V., kenmerk 996027/3108870DB01/AL/amv, d.d. 22 november 2011;
5.
Bodemonderzoek stationsomgeving in Almelo BOD-1987, Envita, kenmerk 202808-10/R01, d.d. 8 januari 2013;
Ad 2. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat: Verontreinigingssituatie grond ‘Tijdens het veldwerk ter plaatse van het trottoir (…) is in de grond een sterke geur van benzine waargenomen. Uit de analyseresultaten van de grondmonsters, aangevuld met de zintuigelijke waarnemingen, blijkt dat ter plaatse een sterke verontreiniging, veroorzaakt door benzine, aanwezig is. Inpandig (…) is zowel zintuigelijk als ook analytisch geen minerale olie waargenomen resp. aangetoond.’ In figuur 2 staat de verontreinigingscontour van minerale olie in grond weergegeven.
datum
19 december 2019
referentie
R-LBR-473-192668
pagina
4 van 28
figuur 2: De verontreinigingsomvang van minerale olie in grond
Verontreinigingssituatie grondwater ‘De verontreiniging met minerale olie in het grondwater is afgebakend tot onder de detectiegrens. (…) Tot een minimale diepte van 5 m-mv worden nog sterk verhoogde gehalten aan minerale olie aangetroffen. Onder het Stationsplein zijn op een diepte van 8 m-mv geen gehalten aan olie boven de detectiegrens aangetoond. Ook de omvang van de sterke grondwaterverontreiniging (…) met vluchtige aromaten is vastgelegd. Deze omvang komt overeen met die van minerale olie. Aangenomen wordt dat de verontreiniging in het diepere grondwater ook onder het spooremplacement van de N.S. aanwezig is. In figuur 3 staat de verontreinigingscontour van minerale olie en vluchtige aromaten in grondwater weergegeven.
datum
19 december 2019
referentie
R-LBR-473-192668
pagina
5 van 28
figuur 3: De verontreinigingsomvang van minerale olie en vluchtige aromaten in grondwater
Ad 3. ‘In opdracht van Royal Ten Cate N.V. is door KWA Bedrijfsadviseurs B.V. de milieukundige begeleiding verzorgt van de bodemsanering op de hoek van de Egbert Gorterstraat en de Stationsstraat te Almelo. Op basis van door derden uitgevoerde bodemonderzoeken en de eerder uitgevoerde tanksanering is gebleken dat ter plaatse sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Onder milieukundig toezicht is (…) in totaal 180 ton grond ontgraven en afgevoerd (…). Dwars voor de ontgraving liep een kabel- en leidingentracé (…). Bovendien moest gegraven worden langs een op staal gefundeerd kantoorgebouw van Ten Cate. De ontgraving met een diepte van maximaal 2,5 meter is aangevuld met schoon zand. Uit de controlemonsters verzameld uit de putbodems en -wanden blijkt dat er onder het kantoorpand nog een restverontreiniging is achtergebleven van vermoedelijk overigens beperkte omvang. Bij de bepaling van de eindsituatie van het grondwater na afloop van de grondsanering is gebleken dat er gehalten boven de interventiewaarden aan vluchtige aromaten en minerale olie aanwezig zijn in het ondiepe grondwater direct naast het pand. De gehalte in de controlepeilbuis F2, die naast het pand staat, nemen in de tijd af.’ In figuur 4 staat de eindsituatie na afronding van de sanering weergegeven.
datum
19 december 2019
referentie
R-LBR-473-192668
pagina
6 van 28
figuur 4: De resultaten na afronding van de sanering, waarbij nog een restverontreiniging is achtergebleven.
datum
19 december 2019
referentie
R-LBR-473-192668
pagina
7 van 28
Ad 4. Uit de resultaten van deze monitoringsronde blijkt dat: ‘De gehalte in controlepeilbuis F2 (die direct naast het pand staat) zijn, in de tijd tot de laatste monitoringsronde december 2006, afgenomen tot een min of meer constante verontreinigingsgraad in de laatste ronden. Daarom is nu sprake van een min of meer stabiele situatie. Ad 5. In het verkennend onderzoek is gerapporteerd dat ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie (Ten Cate):
‘Zijn visueel in de bodem geen bijzonderheden waargenomen.
Is het grondwater (…) licht verontreiniging met ethylbenzeen, naftaleen en minerale olie en matig verontreiniging met xylenen. Ten opzichte van de meest recente monitoringsgegevens geldt dat voor alle overschrijdingen sprake is van een afname.’
Op basis van bovenstaande rapportages kan voor de huidige onderzoekslocatie worden geconcludeerd dat er sprake is van:
Een diffuse verontreiniging met zware metalen, welke in het verleden ter plaatse van het gehele stationsgebied, alsmede ter plaatse van het hedendaagse gerechtsgebouw is aangetroffen in een puinhoudende (ophoog)laag.
Een restverontreiniging met olieproduct onder het gebouw ter plaatse van de Egbert Gorterstraat 3. Het betreft hierbij een verontreiniging welke na sanering van de grond en het grondwater is achtergebleven ter plaatse van de fundering van het pand.
Dit heeft de volgende consequenties voor onderhavig onderzoek. De verontreiniging met zware metalen is ook in het verkennend onderzoek aangetroffen. Onderhavig onderzoek voorziet in het bepalen van de omvang van deze verontreiniging. De verontreiniging met olieproduct bevindt zich in de grond, en in het grondwater. Gezien de voorgenomen aanleg van de parkeerkelder wordt verwacht dat sprake is van toe te passen bemaling. Derhalve is in onderhavig rapport de kwaliteit van het grondwater geactualiseerd.
2.3
Conclusie vooronderzoek Het aanvullend vooronderzoek heeft geleid tot de volgende onderzoeks-aspecten voor het nader onderzoek:
Onderzoek naar de omvang van de verontreiniging van de bodem van de onderzoekslocatie met zware metalen.
Gezien het voornemen tot afvoer van substantiële volumes grond in verband met aanleg kelder wordt de grond aanvullend op PFAS onderzocht.
Actualisatie met betrekking tot de aanwezigheid van een verontreiniging met olieproduct, ter plaatse van het zuidwestelijke deel van de onderzoekslocatie.
datum
19 december 2019
referentie
R-LBR-473-192668
pagina
8 van 28
3
OPZET ONDERZOEK Het uitgevoerde onderzoek betreft een maatwerk onderzoek waarop geen in standaardnormen vastgelegde onderzoeksstrategie van toepassing is. De onderzoeksstrategie is door Aveco de Bondt in overleg met de opdrachtgever bepaald. Het onderzoek is in meerdere fases uitgevoerd, hieronder staat de uitwerking per fase beschreven. Tijdens het verkennend bodemonderzoek (Ad 1) is op het terrein een bovenlaag aangetroffen die bijmengingen bevat. Daarbij zijn op een drietal plaatsen in de grond analytisch gehalten boven de interventiewaarden aangetroffen tot maximaal 1,7 m-mv. Er bleek geen eenduidige relatie tussen de aangetroffen verontreinigingen en de aard en mate van de bijmengingen. Conceptueel model metalenverontreiniging Op vrijwel het gehele terrein is sprake van een bodemlaag met bijmengingen. De bijmengingen leiden plaatselijk tot verhoogde gehalten, waarbij niet duidelijk is of sprake is van verschillende verontreinigingskernen, danwel dat sprake is van een diffuse verontreiniging, waarin incidenteel gehalten aan verontreinigende componenten boven de interventiewaarden aanwezig zijn. Conceptueel model verontreiniging olieproduct De verontreiniging met olieproduct is vastgesteld als restverontreiniging van een bodemsanering in het rapport [Ad 3].
Daarbij is in 2003 een grondsanering uitgevoerd waarbij een restverontreiniging is achtergebleven, zoals weergegeven in figuur 5.
datum
19 december 2019
referentie
R-LBR-473-192668
pagina
9 van 28
figuur 5: restverontreiniging in de grond na sanering 2003
Voor zover nagegaan kon worden is geen sanering van het grondwater uitgevoerd, zodat geconcludeerd is dat nog steeds sprake kan zijn van een verontreiniging in het grondwater zoals weergegeven in het rapport [Ad 2] van 1993, weergegeven in figuur 6.
datum
19 december 2019
referentie
R-LBR-473-192668
pagina
10 van 28
figuur 6: Mogelijke omvang van de verontreiniging in het grondwater
Na de sanering 2003 hebben enige monitoringsronden plaatsgevonden, waarbij tot de laatste bemonstering d.d. 11 december 2012 (Ad 4), een beperkte afname heeft plaatsgevonden in de monitoringspeilbuis F2. Onderzoeksopzet In onderhavig nader onderzoek is de bovenomschreven verontreiniging met metalen in beeld gebracht en is geverifieerd of de verontreiniging met minerale olie in de grond en het grondwater ter plaatse van het zuidwestelijke deel van de onderzoekslocatie nog aanwezig is. Deze werkzaamheden zijn uitgevoerd in een tweetal fases. Fase 1 heeft als doel het afperken van de verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Hierbij zijn 14 boringen geplaatst (genummerd 101 t/m 114). Fase 2 heeft als doel het verifiëren van de bodemkwaliteit op het resterende deel van de onderzoekslocatie, alsmede het checken van de kwaliteit van de grond en het grondwater op het zuidwestelijke deel van de onderzoekslocatie (tevens onder bestaande pand). Hierbij zijn 11 boringen geplaatst (genummerd 121 t/m 129 en 201 en 202).
datum
19 december 2019
referentie
R-LBR-473-192668
pagina
11 van 28
4
UITVOERING ONDERZOEK
4.1
Veldwerkzaamheden De werkzaamheden zijn verricht conform ons procescertificaat op basis van de BRL SIKB 2000. De procescertificaten staan op naam van Aveco de Bondt bv, geregistreerd onder Kamer van Koophandel nr. 30169759. Met het voor akkoord tekenen van deze rapportage verklaart Aveco de Bondt dat de volgens Kwalibo als kritische functie omschreven (veld)werkzaamheden zijn uitgevoerd door of onder directe leiding van een daartoe gecertificeerde monsternemer. Voor wat betreft de onafhankelijkheid geldt dat door Aveco de Bondt is vastgesteld dat de opdrachtgever niet voorkomt in het organisatieschema van Aveco de Bondt, zoals aangegeven in haar Handboek Kwaliteitsmanagement op basis van NEN-EN-ISO 9001:2015. Daarmee is door Aveco de Bondt getoetst en geborgd dat sprake is van een externe functiescheiding zoals bedoeld in Kwalibo. Voornoemde is nader toegelicht in bijlage 5. Uitgevoerde werkzaamheden Het verrichten van de grondboringen en het plaatsen van de peilbuizen van fase 1 is uitgevoerd op 18 en 19 september 2019 door de heer P.C.J. Broekhuizen van Aveco de Bondt. Daarnaast zijn op 7 november 2019 voor fase 2 werkzaamheden uitgevoerd, waarbij tevens grondboringen zijn verricht en peilbuizen zijn geplaatst. De werkzaamheden voor fase 2 zijn uitbesteed aan MKD te Hardenberg (EC-SIK-20292) en uitgevoerd door de heer I. Venhuizen.
De bemonstering van het grondwater van fase 1 heeft plaatsgevonden op 26 september 2019 door de heer P.C.J. Broekhuizen van Aveco de Bondt. De bemonstering van het grondwater voor fase 2 is uitbesteed aan MKD Hardenberg en uitgevoerd op 22 november 2019 door de heer I. Venhuizen. Betreffende monsternemers zijn gecertificeerd en geregistreerd bij Rijkswaterstaat Leefomgeving. De veldwerkzaamheden zijn verricht conform de BRL SIKB 2000 en de bijbehorende protocollen 2001 en 2002. In tabel 1 is een overzicht gegeven van de verrichte veldwerkzaamheden.
datum
19 december 2019
referentie
R-LBR-473-192668
pagina
12 van 28
tabel 1: Overzicht veldwerkzaamheden Fase
Type
Tot [cm-
Aantal
Nummers
10
101, 102, 104, 106, 107, 108*, 109*, 110,
mv] 1 (metalen-
Boring
200
onderzoek)
111, 112 Boring
300
1
114
Boring
500
3
103, 105, 113
2 (metalen-
Boring
50
1
126
onderzoek en
Boring
100
1
125
minerale olie-
Boring
150
2
201, 202
onderzoek)
Boring
200
1
121
Boring
250
3
123, 124, 128
Boring
300
5
122, 125b, 126a, 127, 129
*deze boring is gestaakt op een obstakel.
Bemonstering heeft plaatsgevonden bij elke boring per halve meter of per zintuiglijk onderscheiden grondlaag. Voor een overzicht van de genomen grondmonsters wordt verwezen naar bijlage 2, de boorprofielen.
4.2
Veldresultaten
4.2.1
Lokale bodemopbouw Op basis van de opgeboorde grond is een globaal bodemprofiel opgesteld dat is weergegeven in tabel 2. tabel 2: Lokale bodemopbouw Bodemlaag [m-mv]
Hoofdnaam
Toevoeging
Kleur
0,0
-
0,5
ZAND
Zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus
Geelgrijs
0,5
-
1,0
ZAND
Zeer fijn, zwak siltig, zwak humeus
Neutraalbruin
1,0
-
2,0
ZAND
Zeer fijn, zwak siltig
Lichtgrijs
2,0
-
5,0
ZAND
Matig fijn, zwak siltig
Licht beigegrijs
Tijdens het uitvoeren van de grondboringen is het grondwater aangetroffen op een diepte van circa 1,5 m-mv.
4.2.2
Zintuiglijke waarnemingen In bijlage 2 zijn alle boorprofielen opgenomen en zijn de zintuiglijke waarnemingen beschreven. Een overzicht van de zintuiglijke waarnemingen is weergegeven in tabel 3.
datum
19 december 2019
referentie
R-LBR-473-192668
pagina
13 van 28
tabel 3: Overzicht zintuiglijke waarnemingen Boring
Diepte boring
Traject
(m -mv)
(m -mv)
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden
Zand
matig kolengruishoudend, zwak
Afperken metalen in grond 101
2,00
0,30 - 1,00
baksteenhoudend, matig sintelhoudend
102
2,00
1,00 - 1,30
Zand
Geroerd
0,20 - 0,50
Zand
zwak kolengruishoudend, zwak sintelhoudend, zwak baksteenhoudend
103
5,00
0,20 - 0,60
Zand
104
2,00
0,50 - 1,20
Zand
zwak kolengruishoudend, matig sintelhoudend, matig slakhoudend matig kolengruishoudend, zwak baksteenhoudend, matig sintelhoudend
1,20 - 1,50 105
5,00
Zand
0,50 - 1,20
Geroerd volledig kolengruis, volledig sintels, Grond laagjes
1,20 - 1,50
Zand
Geroerd
1,50 - 2,00
Zand
Geroerd
106
2,00
0,20 - 2,00
107
2,10
0,10 - 1,00
volledig kolengruis, volledig sintels Zand
zwak baksteenhoudend, zwak puinhoudend, zwak kolengruishoudend
108
0,80
1,00 - 1,80
Zand
Geroerd
0,30 - 0,80
Zand
zwak baksteenhoudend, zwak puinhoudend, zwak kolengruishoudend, zwak sintelhoudend, Gestaakt op obstakel
109
0,50
0,10 - 0,30
Zand
zwak baksteenhoudend, sporen kolengruis
0,30 - 0,50
Zand
zwak kolengruishoudend, zwak baksteenhoudend, gestaakt op obstakel
110
2,00
0,00 - 1,30
Zand
111
2,00
0,00 - 0,80
Zand
zwak kolengruishoudend, sporen baksteen, zwak sintelhoudend zwak kolengruishoudend, zwak metselpuinhoudend
0,80 - 1,10
Zand
matig sintelhoudend, matig kolengruishoudend
112
2,00
0,00 - 0,50
Zand
zwak baksteenhoudend, zwak kolengruishoudend
datum
121
2,00
0,00 - 0,60
Zand
resten puin, zwak kolengruishoudend
122
3,00
0,00 - 0,50
Zand
resten puin, kolengruis,
19 december 2019
referentie
R-LBR-473-192668
pagina
14 van 28
Boring
Diepte boring
Traject
(m -mv)
(m -mv) 0,50 - 1,20
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden
Zand
matig puinhoudend, matig kolengruishoudend,
123
2,50
1,50 - 2,20
Zand
zwak puinhoudend
0,04 - 0,60
Zand
sterk baksteenhoudend, matig puinhoudend, matig kolengruishoudend,
0,60 - 2,00
Zand
0,15 - 0,50
Zand
matig puinhoudend, matig kolengruishoudend,
124
2,50
uiterst baksteenhoudend, sterk puinhoudend,
0,90 - 1,80 201
1,50
volledig kolengruis, volledig slakken
0,00 - 1,00
Zand
1,00 - 1,50
Zand
matig kolengruishoudend, zwak baksteenhoudend matig kolengruishoudend, zwak baksteenhoudend, Vermoedelijk carbid afval (witte kleur) | gestaakt op obstakel
202
1,50
0,30 - 0,80
Zand
sporen baksteen, zwak
0,80 - 1,10
Zand
Geroerd
Zand
matige benzinegeur, matige olie-
kolengruishoudend, sporen sintels
Verificatieonderzoek minerale olie in grondwater 114
3,20
1,50 - 2,00
water reactie, Aromaten + 2,00 - 3,00
Zand
matige benzinegeur, matige oliewater reactie, Aromaten +
125
0,91
3,00 - 3,20
Zand
zwakke benzinegeur,
0,10 - 0,60
Zand
matig baksteenhoudend, matig
0,60 - 0,90
Zand
puinhoudend, sterk baksteenhoudend, sterk puinhoudend, zwak kolengruishoudend, 0,90 - 0,91 125b
3,40
gestaakt op opstakel
0,10 - 0,50
Zand
resten puin,
0,50 - 1,00
Zand
zwak puinhoudend, resten kolengruis,
1,00 - 1,30
Zand
zwak puinhoudend, resten kolengruis, zwakke olie-water reactie
126
126a
0,80
3,40
0,35 - 0,36
doek
0,36 - 0,80
gestaakt
0,10 - 0,70
Zand
matig baksteenhoudend, brokken puin, zwak kolengruishoudend,
0,70 - 1,30
Zand
zwak puinhoudend, resten kolengruis, resten baksteen,
1,30 - 1,90
datum
19 december 2019
referentie
Zand
R-LBR-473-192668
resten baksteen,
pagina
15 van 28
Boring
127
128
Diepte boring
Traject
(m -mv)
(m -mv)
3,50
2,50
129
3,20
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden
0,00 - 0,80
Zand
resten baksteen,
0,80 - 1,30
Zand
resten baksteen, resten puin,
0,00 - 0,03
volledig hout
0,03 - 0,14
volledig beton
0,14 - 0,75
Holle ruimte
0,75 - 0,80
volledig beton
0,00 - 0,75
Holle ruimte
0,75 - 0,80
volledig beton
Over de gehele onderzoekslocatie zijn, vanaf het maaiveld tot circa 1,5 m-mv overwegend bijmengingen met baksteen, kolengruis en puin aangetroffen. Deze bijmengingen zijn weergegeven op een kaart, welke in de bijlagen is opgenomen. Daarnaast zijn ter plaatse van de zuidwestelijke hoek van de onderzoekslocatie, waar geverifieerd is of een verontreiniging met olie aanwezig is, een zwak tot matige oliewaterreactie en een zwakke benzinegeur aangetroffen. Tevens zijn hier bijmengingen met kolengruis aangetroffen. Op het maaiveld of in de opgeboorde grond zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen.
4.2.3
Meetgegevens minerale olie onderzoek grondwater De peilbuisgegevens en de grondwaterbepalingen zijn in de onderstaande tabel weergegeven. tabel 4: Peilbuisgegevens en grondwaterstand Peilbuis
Filterdiepte
Grondwater-
pH
EC
Troebelheid
Temperatuur
(m -mv)
stand
(-)
(µS/cm)
(NTU)
(°C)
(m -mv) 114
2,00 - 3,00
1,65
6,8
396
28
13
125b
2,40 - 3,40
1,53
6,3
2070
*
11
126a
2,40 - 3,40
1,50
6,6
2620
*
*
127
2,50 - 3,50
1,13
6,7
1620
*
*
129
2,20 - 3,20
*
6,9
300
*
*
PbA
2,10 - 3,10
1,60
6,5
568
10
13
PbB
2,30 - 3,30
1,60
6,5
693
17
13
De NEN 5744 vermeldt t.a.v. troebelheid: Het beste monster wordt verkregen als het watermonster dezelfde helderheid heeft als het water zoals dat door natuurlijke krachten door de formatie beweegt. Dit zal veelal het geval zijn wanneer de troebelheid 10 NTU (Nephelometric Turbidity Unit) of lager is. Wanneer een hogere troebelheid dan 10 NTU geconstateerd wordt, kan toch monsterneming plaatsvinden. Pas met de interpretatie van de analyseresultaten kan worden beoordeeld wat de invloed van de troebelheid op het analyseresultaat kan zijn. Indien NTU-waarden >10 gemeten zijn, wordt in paragraaf 5.5.2 beoordeeld wat de betekenis hiervan is.
datum
19 december 2019
referentie
R-LBR-473-192668
pagina
16 van 28
*: Tijdens de veldwerkzaamheden zijn enkele gegevens per abuis niet gemeten of niet geregistreerd. Ons inziens heeft dit geen invloed op de gerapporteerde resultaten.
De in de bovenstaande tabel opgenomen waarden voor de pH (zuurgraad), EC (elektrische geleidbaarheid) en troebelheid zijn in het veld gemeten. De gemeten pH en EC waarden kunnen als normaal worden beschouwd. De bovengenoemde grondwaterstand betreft de gemeten stijghoogte. De in de boorprofielen aangegeven grondwaterstanden betreft de inschatting van de grondwaterstand tijdens de boorwerkzaamheden. Bij de bemonstering van het grondwater zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging.
4.3
Monsterselectie en analyses De monsters zijn voor de analyse overgedragen aan het laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. Het laboratorium is geaccrediteerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025:2018 en erkend voor ‘Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek’ (AS3000).
4.3.1
Grond metalenonderzoek In relatie tot de doelstelling van het bodemonderzoek en op basis van de veldwaarnemingen zijn grondmonsters geselecteerd en grondmengmonsters samengesteld ten behoeve van de analyses zoals weergegeven in tabel 5. Hierbij zijn in eerste instantie voor fase 1, analyses ingezet van afperkende boringen rondom boringen 02, 06, 09 en 17 uit het voorgaande bodemonderzoek. Daarnaast zijn monsters ingezet van de diepe ondergrond om hiermee de bodemkwaliteit op diepte te verifiëren. Tevens zijn aanvullende monsters ingezet van het middenterrein om de verontreiniging af te perken. Daarnaast zijn analyses op PFAS ingezet om de bodemkwaliteit inzichtelijk te maken. tabel 5: Monstersamenstelling en uitgevoerde analyses fase 1 (metalenonderzoek) Analyse-
Traject
Deelmonsters
Analysepakket
monster
(m -mv)
101-3 101-4
0,80 - 1,00
101 (0,80 - 1,00)
Metalen pakket grond (9), Pakket lutum en organische stof
1,00 - 1,30
101 (1,00 - 1,30)
Metalen pakket grond (9), Pakket lutum en organische stof
105-4
1,20 - 1,50
105 (1,20 - 1,50)
Metalen pakket grond (9), Pakket lutum en organische stof
109-2
0,30 - 0,50
109 (0,30 - 0,50)
Metalen pakket grond (9), Pakket lutum en organische stof
111-3
0,80 - 1,10
111 (0,80 - 1,10)
Metalen pakket grond (9), Pakket lutum en organische stof
111-4
1,10 - 1,50
111 (1,10 - 1,50)
Metalen pakket grond (9), Pakket lutum en organische stof
201-3
1,00 - 1,50
201 (1,00 - 1,50)
Metalen pakket grond (9), Pakket lutum en organische stof
202-2
0,30 - 0,80
202 (0,30 - 0,80)
Metalen pakket grond (9), Pakket lutum en organische stof
202-3
0,80 - 1,10
202 (0,80 - 1,10)
Metalen pakket grond (9), Pakket lutum en organische stof
MMOG1
2,00 - 2,50
103 (2,00 - 2,50), 105 (2,00 - 2,50)
Standaardpakket grond1
113 (2,00 - 2,50)
datum
19 december 2019
referentie
R-LBR-473-192668
pagina
17 van 28
Analyse-
Traject