6.3 1e wijziging Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Almelo - Bijlage 3 - Was-wordt tabel wijzigingen toelichting.pdf
Tekst van het document
Bijlage bij APV gemeente Almelo 2021 (toelichting) Toelichting op de artikelen 2:1a en 2:1b Dit artikel bestond nog niet.
Toelichting op de artikelen 2:1a en 2:1b Het begrip openbare orde is niet nader omschreven in de Gemeentewet. De Hoge Raad heeft zich in zijn arrest van 30 januari 2007 (ECLI:NL:HR:2007:AZ2104) gebogen over de vraag wanneer er sprake is van een verstoring van de openbare orde als bedoeld in een APV en daarbij het volgende overwogen: “3.4.1. Het begrip "verstoring van de (openbare) orde" in genoemde bepaling is niet nader omlijnd. De beantwoording van de vraag of daarvan sprake is, zal dus moeten worden beantwoord aan de hand van het normale spraakgebruik, met inachtneming van de specifieke omstandigheden van het geval. Wil van een dergelijke verstoring kunnen worden gesproken, dan zal het moeten gaan om een verstoring van enige betekenis van de normale gang van zaken in of aan de desbetreffende openbare ruimte.” De Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad heeft in zijn conclusie van 30 januari 2007 (ECLI:NL:PHR:2007:AZ2104) helder uiteengezet wanneer er sprake is van een verstoring van de openbare orde: “10. Het voorgaande maakt duidelijk dat het vereiste in de onderhavige APV-bepaling dat de verstoring van de orde moet plaats hebben "op of aan de openbare weg of in een voor het publiek toegankelijk bouwwerk", niet een min of meer toevallige beperking naar plaats is, maar juist preciseert wat de "orde" is die niet verstoord mag worden.
Het gaat om de ter plaatse geldende ordening van de gang van het maatschappelijke leven. Voor de verstoring van die orde is niet nodig dat er publiek aanwezig is, laat staan dat die verstoring tot commotie onder het publiek leidt. Voor een verstoring van de openbare orde is, zo stelde (toen nog) A-G Fokkens in zijn conclusie bij HR 26 februari 1991, NJ 1991, 512, niet vereist dat sprake is van
Pagina 1 van 19
"openlijkheid". Ook "een sitdown aktie op een verkeersweg" heeft derhalve een verstorend effect, "ook al zou op dat moment geen verkeer aanwezig zijn". Een verkeersweg is nu eenmaal niet bestemd als zitplaats. Wie daarop toch gaat zitten, verstoort daarmee de objectief bestaande orde die ter plaatse voor de openbare ruimte is geschapen, hoe rustig en beschaafd de sitdownactie verder ook moge worden uitgevoerd. 11. Het voorgaande kleurt ook de overlast die de onderhavige APV-bepaling als "maatregel tegen overlast" bedoelt tegen te gaan. Die overlast is gekoppeld aan de ordening die ter plaatse in het maatschappelijk leven is aangebracht, aan de objectieve bestemming die de openbare ruimte op een bepaald moment heeft. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Als op het Lange Voorhout een manifestatie wordt georganiseerd om de Koningin (of wat misschien minder denkbaar is: de plaatselijke voetbalclub die net kampioen is geworden) toe te juichen, dan vormt de geluidsoverlast die dat gejuich voor de omwonenden oplevert, geen verstoring van de openbare orde.
Zou daarentegen sprake zijn van een plechtigheid waarbij de gevallenen uit de tweede wereldoorlog worden herdacht, dan vormt het maken van lawaai wél een verstoring van de openbare orde.” Hieruit volgt dat er sprake is van een verstoring van de openbare orde wanneer de ordening die ter plaatse in het maatschappelijk leven is aangebracht, wordt verstoord. Artikel 2.2 strekt tot bescherming van de openbare orde en verbiedt ordeverstoringen, zowel individueel als collectief, op de weg en in voor het publiek toegankelijke gebouwen en vaartuigen. Onder een voor het publiek toegankelijk gebouw wordt elke gebouwde ruimte verstaan die in principe voor iedereen toegankelijk is, zoals een winkel, een postkantoor of een stationshal. Daarnaast vallen onder dit begrip ook gebouwen die met enige Pagina 2 van 19
beperkingen openstaan. Hierbij valt te denken aan gebouwen die toegankelijk zijn voor personen die in het bezit zijn van een toegangsof plaatsbewijs (bijvoorbeeld musea, theaters, perrons van metrostations) of voor personen die een bepaalde leeftijd hebben bereikt (bijvoorbeeld een speelautomatenhal). Artikel 2:2a strekt tot bescherming van de openbare orde, die door inzet van digitale middelen (internet en sociale media) verstoord wordt of een ernstig vrees daarvoor bestaat. Hetgeen in de virtuele ruimte gebeurt, kan immers tot een fysieke verstoring van de openbare orde leiden. Om misverstanden te voorkomen wordt hierbij benadrukt dat hier niet gaat om de beperking van de vrijheid van meningsuiting. Dat laatste kan ook niet. De vrijheid van meningsuiting is neergelegd in artikel 7 van de Grondwet en volgens die bepaling staat het eenieder vrij om zijn of haar gedachten en gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Artikel 2:2a brengt daar geen verandering in en kan daar ook geen verandering in brengen. Zo kan eenieder zijn gedachten, gevoelens en zelfs zijn ongenoegen uiten over allerlei zaken. Dat betekent echter niet dat er opgeroepen mag worden om bijvoorbeeld te gaan rellen of plunderen met schade voor derden tot gevolg. Sterker nog, uit de rechtspraak blijkt dat het online oproepen tot verstoring van de openbare orde strafbaar is.
Zo hebben bijvoorbeeld de rechtszaken rondom de Blokkeerfriezen en Project X2 Enschede tot strafvervolging geleid met veroordeling van de personen die online opriepen tot verstoring (zie bijvoorbeeld Rechtbank Overijssel 4 oktober 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:3656, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:9290 en Hoge Raad 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2020). Pagina 3 van 19
In praktijk zal van geval tot geval beoordeeld worden of er sprake is van een verstoring van de openbare orde of ernstige vrees daarvoor. De burgemeester neemt pas een bestuurlijke maatregel als uit informatie van de politie blijkt dat een online uiting kan leiden tot een fysieke verstoring van de openbare orde binnen het grondgebied van de gemeente Almelo. De monitoring van online uitingen ligt in beginsel bij de politie. Handhavend optreden vereist een uiterste zorgvuldige beoordeling, waarbij oog is voor de vrijheid van meningsuiting in relatie tot oproepen tot online openbare ordeverstoringen. Daarbij zal steeds maatwerk worden toegepast. In dat kader is het van belang om te benadrukken dat met artikel 2:2a niet worden getreden buiten de grenzen van het bestuursrecht. Daar waar strafbare feiten plaatsvinden, is en blijft dat binnen het domein van het strafrecht en is het dus aan het Openbaar Ministerie om al dan niet strafrechtelijk daartegen op te treden. Er is ook een groot verschil tussen het strafrecht en het bestuursrecht. Zo is strafrechtelijke vervolging gericht op bestraffing (punitief), terwijl bestuursrechtelijk handhavend optreden gericht is op het ongedaan maken of voorkomen van een overtreding (herstellend karakter). Dat is overigens ook vaste rechtspraak.
Zo heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 31 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1444) het verschil tussen strafrecht en bestuursrecht helder geduid: “4.2. Over het betoog van [appellant] dat de last onder dwangsom - en daarmee ook het besluit tot invordering van de dwangsom - een punitief karakter heeft waarop artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) betrekking heeft, overweegt de Afdeling het volgende. Het algemeen bestuur heeft bij Pagina 4 van 19
het opleggen van bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen een eigen, niet van de met de strafvervolging en strafoplegging belaste organen afhankelijke verantwoordelijkheid. De last onder dwangsom is een reparatoire sanctie en de verbeurte van de dwangsom had door [appellant] kunnen worden voorkomen door zich te houden aan het bij of krachtens de wet bepaalde, terwijl een strafrechtelijke procedure kan leiden tot een punitieve sanctie die is bedoeld om leed toe te brengen na het plegen van een strafbaar feit. De dwangsom is - na het niet voldoen aan de last - van rechtswege verbeurd en de invordering van de dwangsom is niet bedoeld om leed toe te brengen na het overtreden van de last. Er bestaat onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de invordering van de dwangsom louter op basis van de hoogte van de dwangsom is aan te merken als een punitieve sanctie waarop artikel 6 van het EVRM betrekking heeft.” Bij overtreding van artikel 2:2a ligt handhavend optreden middels een last onder dwangsom voor de hand met als doel om de (geconstateerde) overtreding te beëindigen of te voorkomen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is de overtreder, gelet op artikel 5:1, tweede lid, van de Awb, degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift schendt. Dit is in de eerste plaats degene die de verboden handeling verricht.
Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt. Een partij die feitelijk en juridisch in haar macht heeft om de overtredingen te (doen) beëindigen, kan eveneens als overtreder worden aangemerkt (vlg, ABRvS 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2005). Beheerders van Pagina 5 van 19
websites, domeinnaamhouders, hostingproviders en sociale mediaplatforms hebben het in hun macht om een overtreding als bedoeld in artikel 2:2a te (doen) beëindigen. Om die reden zijn zij daarin opgenomen Toelichting op artikel 2:9 Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen Feesten en wedstrijden zijn evenementen, maar muziek maken kan ook een evenement zijn (zie de toelichting onder artikel 2:24). Het optreden van een straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is echter geen evenement. Daarom is een straatmuzikant onder artikel 2:9 gebracht. Hetzelfde geldt voor straatfotografen en de andere vertoningen zoals genoemd in artikel 2:9, eerste lid. De motieven voor de burgemeester om openbare plaatsen aan te wijzen zijn: dwingende redenen van algemeen belang, hetgeen omvat: openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu. Lex silencio positivo Het aanwijzen van een gebied waar het verboden is om als straatartiest op te treden zal doorgaans op initiatief van het college zelf gebeuren en niet op aanvraag. Mocht er wel een aanvraag aan de orde zijn, bestaan er geen duidelijke bezwaren tegen een lex silencio positivo. Een ontheffing van het verbod zal vaker op aanvraag gebeuren, maar ook een ambtshalve ontheffing zal voorkomen (bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten). Ook bij een ontheffing op aanvraag is geen reden om van een lex silencio positivo af te zien.
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht wordt op dit gehele artikel van toepassing verklaard.
Toelichting op artikel 2:9 Geen toelichting.
Toelichting op artikel 2:24 In dit artikel is gekozen voor een negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de definiëring van het begrip ‘evenement’. Uitgaande van een algemeen geldend criterium (‘elke voor publiek toegankelijke verricht van vermaak’) wordt vervolgens een aantal
Toelichting op artikel 2:24 Geen toelichting.
Pagina 6 van 19
evenementen opgesomd dat niet onder de werking van deze afdeling valt (lid 1): a. Bioscoop- en theatervoorstellingen; b. Warenen snuffelmarkten. Indien het college op grond van artikel 160, eerste lid aanhef en sub h, van de Gemeentewet een (waren)markt heeft ingesteld, kan de gemeenteraad hiervoor regels vaststellen in een marktverordening. Snuffelmarkten zijn specifiek geregeld in artikel 5:22; c. Kansspelen. De Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtregime; d. Dansen in een inrichting in de zin van de Alcoholwet is uitgezonderd van het begrip ‘evenement’ omdat dit in het algemeen niet als een evenement kan worden gezien. Een andere, meer incidenteel plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid geven tot dansen (bijvoorbeeld het optreden van een band, een houseparty of een kooigevecht), kan wel als een ‘evenement’ worden aangemerkt; e. Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn geregeld in de Wet openbare manifestaties. Zie voor een toelichting de toelichting onder artikel 2:3; f. Activiteiten zoals straatartiest (artikel 2:9), betaalde voetbalwedstrijden (artikel 2:26a en verder) en speelgelegenheden (artikel 2:39 en verder) zijn uitgezonderd van de evenementenbepaling. Dit om dubbele regelgeving te voorkomen; g.
Sportwedstrijden worden niet als ‘evenement’ aangemerkt, tenzij het om een door de burgemeester aangewezen vechtsportevenement gaat, waarmee gedoeld wordt op zogenaamde full contactvechtsportevenementen of -gala’s. Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt een herdenkingsplechtigheid wel als een ‘evenement’ aangemerkt (tweede lid sub a). Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt in de zin van artikel 160 van de Gemeentewet worden aangemerkt (Vz. ARRS 27Pagina 7 van 19
05-1992, JG 93.0002). Tevens valt deze activiteit niet aan te merken als een snuffelmarkt in de zin van artikel 5:22. Omdat een braderie een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak is, wordt het als een ‘evenement’ aangemerkt (tweede lid sub b). Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten, bloemencorso’s et cetera, die niet kunnen worden opgevat als een middel tot het uiten van een mening, gedachte of gevoelen, valt niet onder de bescherming van de Grondwet, het EVRM of andere internationale verdragen die de vrijheid van meningsuiting waarborgen. Hierop is de Wet openbare manifestaties evenmin van toepassing (tweede lid sub c). Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een vergunningplichtige activiteit omdat het feest valt onder de reikwijdte van de definitie van een ‘evenement’ in de zin van artikel 2:24, eerste lid. Het feest kan in dat geval worden aangemerkt als een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak (een evenement). Besloten feesten vallen daarentegen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling, omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak is. Bijvoorbeeld bij het houden van een bedrijfsfeest waar aan de hand van uitnodigingen publiek aanwezig is, is er geen sprake van een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak.
Maar wanneer een feest een “besloten” karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden verkocht en/of reclame wordt gemaakt, is er wel sprake van een evenement. De gemeente kan bij feesten waarvoor geen vergunning nodig is handhavend optreden wanneer deze bijvoorbeeld worden georganiseerd in ruimten strijdig met het bestemmingsplan. Zie de uitspraak met betrekking tot het verplicht handhavend optreden bij schuurfeesten: ABRvS 02-04- 1999, ECLI:NL:RVS:1999:BL3041. Feesten die gehouden worden in horecagelegenheden en niet behoren tot de normale bedrijfsvoering (bijvoorbeeld een Pagina 8 van 19
optreden van een bekende diskjockey of een optreden van een bekende band) zijn vergunningplichtig (ABRvS 11-01-2006, ECLI:NL:RVS:2006:AU9388 (Ghostship/Ghosthouse)). Wanneer een feest al dan niet besloten “op of aan de weg” plaatsvindt, is dit een vergunningplichtige activiteit omdat het plaats vindt op doorgaans voor publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest besloten is, dus niet voor publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Optreden van muziekkorpsen, muziekbandjes, et cetera die voor iedereen toegankelijk zijn (zowel in een inrichting als in de buitenlucht) vallen onder de vergunningplicht van artikel 2:25. Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De artikelen 4:2 en 4:3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer geven het college de bevoegdheid om ontheffing te verlenen voor geluidshinder in een inrichting. Voorschriften met betrekking tot geluid buiten een inrichting kunnen op grond van artikel 4:6 van het Activiteitenbesluit milieubeheer in de vergunning worden opgenomen. Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist, krachtens het bepaalde in artikel 2:25, eerste lid, en artikel 2:25, derde lid, sub d.
Wedstrijden met voertuigen op wegen, zoals bedoeld in artikel 1 lid 1 aanhef en sub b van de Wegenverkeerswet 1994 zijn op grond van artikel 10 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 verboden. Artikel 1, sub a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geeft aan wat onder ‘voertuigen’ verstaan moet worden: fietsen, bromfietsen, invalidevoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Op grond van artikel 148, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 kan van dat verbod een ontheffing worden verleend. Het verlenen van die ontheffing geschiedt: - voor wegen onder beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en Waterstaat; - voor andere wegen, Pagina 9 van 19
door Gedeputeerde Staten; in afwijking hiervan wordt de ontheffing verleend door het college, indien de wegen waarvoor de ontheffing wordt gevraagd, alle gelegen zijn binnen een gemeente. Indien een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 dan is –naast artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994– artikel 2:25 van toepassing. De evenementenbepaling is namelijk van een geheel andere orde dan de wedstrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. De burgemeester kan op grond van andere motieven, zoals openbare orde, veiligheid en gezondheid, weigeren medewerking te verlenen aan het evenement, in casu de wedstrijd op de openbare weg. In die zin is de evenementenbepaling aanvullend op de wedstrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. Vindt echter een wedstrijd met een motorvoertuig of bromfiets plaats op een terrein dat niet behoort tot een weg als hier bedoeld, dan moet daarvoor een vergunning verkregen zijn van de burgemeester op grond van artikel 2:25. Op grond van artikel 2:25 geldt voor andere wedstrijden op of aan de weg eveneens een vergunningplicht. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld ‘vossenjachten’, droppings en dergelijke (tweede lid, sub d).
Er is voorzien in een bevoegdheid van de burgemeester om categorieën full-contact vechtsportwedstrijden of -gala’s aan te wijzen die als evenement worden aangemerkt. De populariteit van full-contact vechtsporten – ringcontactsporten zoals muay thai (Thaiboksen), kickboksen en MMA– is enorm toegenomen. De praktijk wijst uit dat er bij vechtsportevenementen of -gala’s bij deze categorieën full-contact vechtsporten een verhoogde kans bestaat op ongewenste situaties rond en tijdens het evenement. Het is daarbij niet relevant of een dergelijk evenement wordt georganiseerd in een gebouw dat voor sportwedstrijden is bestemd of niet. De Pagina 10 van 19
Vechtsportautoriteit is een toezichthoudend orgaan dat door middel van regelmatige controles de evenementen toetst aan de criteria die in de richtlijn voor vechtsportevenementen staan (tweede lid, sub f). Tweede en derde lid Voor het organiseren van kleine eendaagse evenementen, zoals het straatfeest of de buurtbarbecue, is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger gekozen voor een meldingsplicht. In het derde lid is een ‘klein evenement’ daarom gedefinieerd. Aan alle voorwaarden moet worden voldaan wil er sprake zijn van een ‘klein evenement’ Toelichting op artikel 2:25 Evenementen vervullen een belangrijke functie in gemeenten. Er worden verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling voor bijvoorbeeld de hele stad, middelgroot of kleinschalig, bijvoorbeeld beperkt tot de eigen straat. Voor een goed verloop van een evenement moeten verschillende belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de organisator worden gemaakt. Volgens de Europese Dienstenrichtlijn is in beginsel een vergunningstelsel geoorloofd. Bij (middel)grote evenementen is vooraf een vergunning vereist, omdat niet kan worden volstaan met een controle achteraf vanwege mogelijk gevaar voor de openbare orde, overlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid en dergelijke.
Daarnaast is de organisator gebaat bij een vergunningstelsel, omdat hij met de gemeente kan onderhandelen en goede afspraken kan maken. Zo krijgt hij op het evenement toegesneden voorwaarden. Bij kleine evenementen (straatfeest of buurtbarbecue) kan worden volstaan met een melding (tweede lid). De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen stoelt op artikel 174 van de Gemeentewet. Het is ook de bevoegdheid van de burgemeester het beleid Pagina 11 van 19
Toelichting op artikel 2:25 Geen toelichting.
ten aanzien van voorschriften met betrekking tot de evenementenvergunning vast te stellen. Voorop staat dat de vergunninghouder of de organisator zelf, of degene die bijvoorbeeld tijdens een evenement een gevaar in het leven roept dat zich vervolgens verwezenlijkt, primair aansprakelijk kan worden gesteld voor daardoor veroorzaakte schade. Het arrest Vermeulen/Lekkerkerker (HR 10 maart 1972, NJ 1972, 278) is van overeenkomstige toepassing op de houder van de evenementenvergunning. De Hoge Raad oordeelt in dat arrest dat het feit dat een Hinderwetvergunning (tegenwoordig: Wet milieubeheer) is verleend, nog niet betekent dat eigenaren van naburige erven schade en hinder, welke zij in het algemeen niet behoeven te dulden, wel zouden moeten verdragen van een vergunninghouder. De burgemeester is bevoegd voorschriften te verbinden aan het houden van een evenement. Een doorlopende vergunning is voor de evenementenvergunning niet aangewezen. Immers het evenement loopt per definitie af. Hier verzet de aard van de vergunning zich tegen een vergunning met onbeperkte duur. Een aanvraag om een vergunning voor een evenement kan niet worden geweigerd enkel omdat het in strijd is met het bestemmingsplan. Een aanvraag voor een evenementenvergunning moet worden beoordeeld aan de hand van de belangen die zijn opgenomen in de weigeringsgronden.
Andersoortige belangen kunnen bij de beoordeling van de aanvraag geen zelfstandige weigeringsgrond spelen (ABRvS 2903-2003, ECLI:NL:RVS:AF8028). Vanuit het oogpunt van ruimtelijke ordening is het bestemmingsplan uiteraard wel relevant. Het bestemmingsplan moet het gebruik ten behoeve van het gewenste evenement namelijk toestaan. Daarbij moet worden beoordeeld of het evenement naar omvang, duur en uitstraling een planologische relevantie heeft. Evenementen die geen of slechts geringe planologische relevantie hebben kunnen gewoon plaatsvinden. Daar is Pagina 12 van 19
geen omgevingsvergunning voor nodig, maar wel een evenementenvergunning (op grond van de APV) en eventuele andere toestemmingen of ontheffingen voor muziek/geluidhinder, meldingen, brandveiligheid, etc. Voor het gebruik van een terrein in strijd met het bestemmingsplan voor een evenement met een planologische relevantie kan (naast de evenementenvergunning op grond van de APV) een omgevingsvergunning worden aangevraagd (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo). Het college kan een omgevingsvergunning verlenen met behulp van de in artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo genoemde afwijkingsmogelijkheden. Vaak zal daarbij gebruik kunnen worden gemaakt van de ‘buitenplanse afwijkingsmogelijkheid’. Het Besluit omgevingsrecht (hierna: ‘Bor’) biedt het college de bevoegdheid om van de bepalingen in het bestemmingsplan af te wijken als het gaat om het gebruiken van gronden of bouwwerken ten behoeve van evenementen met een maximum van drie per jaar en een duur van ten hoogste vijftien dagen per evenement, het opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve van het evenement hieronder begrepen (artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo jo. artikel 4, achtste lid, van de Bijlage II Bor).
Wanneer het bestemmingsplan het gebruik als evenemententerrein niet toestaat, maar er wel sprake is van planologische relevantie en het verlenen van een omgevingsvergunning niet mogelijk is, zal handhavend moet worden opgetreden (ABRvS 13-04-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT3708 (Schuttersfeest Diepenheim, hof van Twente) en Rb. Leeuwarden 27-07-2005, ECLI:NL:RBLEE:2005:AU0442 (Veenhoopfestival Smallingerland)). Het is daarom van belang dat gemeenten naast de vergunningverlening erop toezien dat de bestemmingsplannen voorzien in de te houden evenementen. In het bestemmingsplan dient dan niet alleen het betreffende gebied als evenementterrein te Pagina 13 van 19
worden bestemd, ook moet daarbij het aantal, soort en duur van de evenementen en het maximaal toegestane aantal bezoekers per evenement worden geregeld. Dit zijn allemaal aspecten met ruimtelijke relevantie die in het kader van de rechtszekerheid in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd (ABRvS 05-01-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BO9802 en ABRvS 16-02-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP4728). Evenementenbeleid Aan de hand van de motieven, neergelegd in de weigeringsgronden, kan de burgemeester beleidsregels vaststellen. Het doel van een evenementenbeleid is enerzijds het vastleggen van wat er met betrekking tot evenementen in een gemeente wordt nagestreefd in relatie tot de APV en onder welke voorwaarden dit is toegestaan. Anderzijds behelst het beleid de afstemming van processen binnen de vergunningverlening, zodat deze zo efficiënt en goedkoop mogelijk kan plaatsvinden. Zie ook de toelichting op artikel 2:24, tweede lid, over het toe te passen beleid met betrekking tot fullcontact vechtsportwedstrijden of –gala’s. In de daar genoemde richtlijn voor vechtsportevenementen wordt gemeenten geadviseerd een vergunningplicht voor fullcontact vechtsportevenementen op te nemen in de APV. In de voorwaarden voor de evenementenvergunning kan worden verwezen naar deze richtlijn.
Gemeenten die ervoor kiezen geen vergunningplicht voor full-contact vechtsportevenementen in te voeren, worden verzocht een meldingsplicht in te stellen. Bij een meldingsplicht moet een organisator de burgemeester op de hoogte stellen van zijn voornemen een full-contact vechtsportevenement te organiseren. De burgemeester wijst deze organisator op de richtlijn en stelt de Vechtsportautoriteit van dit voornemen op de hoogte. Lex silencio positivo (zevende lid) Kleinere evenementen zijn al vergunningsvrij. Deze vergunning ziet derhalve op grotere evenementen. Daarbij is een lex Pagina 14 van 19
silencio positivo niet wenselijk, gezien de impact die een groot evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten van een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3 Awb wordt niet van toepassing verklaard. Toelichting op artikel 2:26 Het verbod bij evenementen de orde te verstoren, richt zich in zijn algemeenheid tot bezoekers (eerste lid). Op grond van het tweede lid is het verboden om bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. Hierbij valt te denken aan zogenoemde Outlaw Motorcycle Gangs (OMG). Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en andere aanduiding op motoren. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1 van deze verordening.
Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een antisamenloopbepaling (derde lid).
Toelichting op artikel 2:26 Geen toelichting.
Toelichting op artikel 2:28 Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen. De vergunning voor een openbare inrichting wordt daarom door de
Toelichting op artikel 2:28 Geen toelichting.
Pagina 15 van 19
burgemeester verleend. Vergunning voor onbepaalde tijd Op grond van artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd. Dit geldt ook voor de horeca-exploitatievergunning (de vergunning voor een openbare inrichting). Met betrekking tot de vergunning voor een openbare inrichting met aantekening coffeeshop is in artikel 2:30 bepaald dat die vergunning wordt verleend voor bepaalde tijd Toelichting op artikel 2:28b Met het oog op de rechtszekerheid voor het bedrijfsleven is in dit artikel bepaald dat de beslistermijn voor een vergunning voor een openbare inrichting acht weken betreft (eerste lid). Deze termijn kan eenmaal met twaalf weken worden verlengd (tweede lid). De vergunning voor een openbare inrichting valt onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet geldt als uitgangspunt dat een vergunning van rechtswege wordt verleend wanneer de termijn, waarbinnen het besluit op de aanvraag moet volgen, verstreken is. Dit is bedoeld als prikkel voor de overheid om tijdig te beslissen en zorgt ervoor dat burgers en bedrijven geen nadeel ondervinden van een mogelijk te trage besluitvorming. De verwachting bestaat dat de wettelijke termijnen in dit artikel ruim genoeg zijn om tijdig op een aanvraag om een vergunning te besluiten.
Zou dat evenwel niet lukken, dan wordt het belang van een daadwerkelijke afweging bij vergunningen als hier aan de orde geacht zwaarder te wegen dan voornoemd uitgangspunt. Dit is in overeenstemming met de uitzonderingsgrond van artikel 13, vierde lid, van de Dienstenrichtlijn: dwingende redenen van algemeen belang, te weten de bescherming van de openbare orde. Wanneer een vergunning van rechtswege ten onrechte is verleend, kan dit namelijk ernstige en onomkeerbare schade voor derden tot gevolg hebben. Daarom is, zoals omschreven in het derde van dit artikel, de lex Pagina 16 van 19
Toelichting op artikel 2:28b Met het oog op de rechtszekerheid voor het bedrijfsleven is in dit artikel bepaald dat de beslistermijn voor een vergunning voor een openbare inrichting acht weken betreft (eerste lid). Deze termijn kan eenmaal met acht weken worden verlengd (tweede lid). De vergunning voor een openbare inrichting valt onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet geldt als uitgangspunt dat een vergunning van rechtswege wordt verleend wanneer de termijn, waarbinnen het besluit op de aanvraag moet volgen, verstreken is. Dit is bedoeld als prikkel voor de overheid om tijdig te beslissen en zorgt ervoor dat burgers en bedrijven geen nadeel ondervinden van een mogelijk te trage besluitvorming. De verwachting bestaat dat de wettelijke termijnen in dit artikel ruim genoeg zijn om tijdig op een aanvraag om een vergunning te besluiten. Zou dat evenwel niet lukken, dan wordt het belang van een daadwerkelijke afweging bij vergunningen als hier aan de orde geacht zwaarder te wegen dan voornoemd uitgangspunt. Dit is in overeenstemming met de uitzonderingsgrond van artikel 13, vierde lid, van de Dienstenrichtlijn: dwingende redenen van algemeen belang, te weten de bescherming van de openbare orde.
Wanneer een vergunning van rechtswege ten onrechte is verleend, kan dit namelijk ernstige en onomkeerbare schade voor derden tot gevolg hebben. Daarom is, zoals omschreven in het derde van dit artikel, de lex
silencio positivo niet van toepassing.
silencio positivo niet van toepassing.
Toelichting op artikel 2:28c In dit artikel wordt, onder andere, bepaald welke gegevens in ieder geval in een vergunning worden vermeld (eerste lid, onder a t/m g). Hiermee wordt getracht het toezicht op en de naleving van de vergunningsvoorwaarden te faciliteren.
Toelichting op artikel 2:28c Geen toelichting.
Toelichting op artikel 2:47a Niet alleen overmatig drankgebruik, maar ook oneigenlijk gebruik van distikstofmonoxide, ook wel lachgas (als roesmiddel), leidt vaak tot overlastsituaties. Dit artikel is bruikbaar om hinder en overlast door lachgas tegen te gaan. Er moet worden aangetoond dat de hinder of overlast daadwerkelijk is veroorzaakt door het gebruik van lachgas. Het verbod in het eerste lid beperkt zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben. Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke. Op grond van het tweede lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is, los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt. In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat).
Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan – als dat afdoende lijkt te zijn – in het aanwijzingsbesluit opnemen dat
Toelichting op artikel 2:47a Niet alleen overmatig drankgebruik, maar ook oneigenlijk gebruik van distikstofmonoxide, ook wel lachgas (als roesmiddel), leidt vaak tot overlastsituaties. Dit artikel is bruikbaar om hinder en overlast door lachgas tegen te gaan. Er moet worden aangetoond dat de hinder of overlast daadwerkelijk is veroorzaakt door het gebruik van lachgas. Het verbod in het eerste lid beperkt zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben. Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke. Op grond van het tweede lid kan de burgemeester openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is, los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt. In het aanwijzingsbesluit moet de burgemeester motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat).
Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas.
Pagina 17 van 19
het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld tijdens de uitgaansavonden (derde lid) Toelichting op artikel 2:50a Op grond van dit artikel geldt een verbod om op openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of ontbonden is vanwege strijd met de openbare orde. Te denken valt hierbij aan zogenoemde Outlaw Motorcycle Gangs (OMG). Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en andere aanduiding op motoren. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een antisamenloopbepaling (tweede lid). Voor evenementen – die niet altijd hoeven plaats te vinden op openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven – is in artikel 2:26 eenzelfde verbod opgenomen.
Toelichting op artikel 2:50a Geen toelichting (artikel is vervallen).
Toelichting op artikel 2:71 Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en het bezigen van consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Vuurwerkbesluit. Voor de omschrijving van het begrip ‘consumentenvuurwerk’ is aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in artikel 1.1.1 lid 1 van het Vuurwerkbesluit: vuurwerk dat is ingedeeld in categorie F1, F2 of F3 en dat bij of krachtens dit besluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Toelichting op artikel 2:71 Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en het bezigen van consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Vuurwerkbesluit.
Het Vuurwerkbesluit kent regels voor zowel Pagina 18 van 19
Het Vuurwerkbesluit kent regels voor zowel consumentenvuurwerk als professioneel vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor deze afdeling niet relevant. [...]
consumentenvuurwerk als professioneel vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor deze afdeling niet relevant. […] Toelichting op artikel 2:79 Uit de wet volgt dat dit instrument is bedoeld als een ultimum remedium. Artikel 151d lid 2 van de Gemeentewet regelt dat het instrument van de last onder bestuursdwang) alleen wordt ingezet als er geen andere geschikte manier voorhanden is om de overlast aan te pakken. Dat de burgemeester tevens een last onder dwangsom kan opleggen, volgt uit artikel 5:32 van de Awb en artikel 125 van de Gemeentewet. Een huisverbod als bedoeld in artikel 151d, derde lid, van de Gemeentewet maakt inbreuk op het grondwettelijk beschermde woonrecht en is alleen mogelijk wanneer de ernst van de situatie dat eist en er geen andere opties bestaan. Dit artikel richt zich op de bewoner, maar bij ernstige en herhaaldelijke hinder kan ook de verhuurder worden aangesproken. De Beleidsregel ‘Wet aanpak woonoverlast’ gemeente Almelo geeft kaders en handvatten voor de toepassing van dit artikel. Daarnaast zijn in de beleidsregel procesafspraken opgenomen voor de uitvoering van de wet woonoverlast. Het betreffen afspraken tussen partners die betrokken zijn bij het aanpakken van woonoverlast, zoals de gemeente, politie en woningcorporaties.
Pagina 19 van 19
Toelichting op artikel 2:79 In artikel 2:79 van de APV is een zorgplicht opgenomen voor gebruikers en verhuurders van woningen om geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden te veroorzaken. De burgemeester kan op grond hiervan gedragsaanwijzingen geven aan overlastgevers in zowel huur- als koopwoningen en aan verhuurders. Tot 1 januari 2021 was de gedragsaanwijzing aan verhuurders alleen mogelijk als de persoon die overlast gaf niet als ingezetene in de desbetreffende gemeente stond ingeschreven. Met de inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur van woonruimte (Stb. 2020, 460) op 1 januari 2021 is die beperking vervallen. In verband hiermee is artikel 2:79 aangepast. Om woonoverlast beter tegen te gaan, geldt de zorgplicht voortaan in alle gevallen voor verhuurders van woonruimten. Dat betekent dat verhuurders zorgdragen dat de woningen die zij verhuren geen ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaken. Als de verhuurder zich niet of op een verkeerde manier inzet tegen ernstige en herhaaldelijke hinder, kan de burgemeester direct een verhuurder aanspreken en hoeft de burgemeester daarvoor niet eerst de huurder te hebben aangesproken. Dit is wenselijk wanneer verschillende huurders van dezelfde verhuurder hinder hebben veroorzaakt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in panden waar meerdere huurders wonen of waar huurders snel wisselen.
De burgemeester kan dan dus – als ultimum remedium – direct aan een verhuurder een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen.
Toelichting op artikel 3:3 Een vergunning voor een seksbedrijf kan voor ten hoogste één seksinrichting gelden. Een seksbedrijf (de activiteit) kan meer dan één seksinrichting (de locatie) omvatten. De vergunning wordt verleend per seksbedrijf (artikel 3:2), maar kan voor meerdere seksinrichtingen gelden, met dien verstande dat per seksinrichting maximaal één seksbedrijf is toegestaan (eerste lid). Het te hanteren uitgangspunt is dat er sprake is van één seksinrichting als het een visueel aaneengesloten eenheid betreft (kan meerdere panden betreffen met meerdere werkruimtes (per pand)) met een homogene functie (uitoefening van een seksbedrijf in enigerlei vorm) die tot de beschikking staat van één exploitant. Als er meerdere exploitanten in één pand zijn gevestigd zal ieder deel waarover één van de exploitanten de beschikking heeft als één afzonderlijke seksinrichting worden gekwalificeerd. De bestemmingsplannen bepalen waar een seksbedrijf mag worden gevestigd. Voor het uitoefenen van een raamprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend. Dit betekent dat er in de gemeente Almelo geen raamprostitutiebedrijven mogen worden geëxploiteerd, noch gevestigd (tweede lid). […]
Toelichting op artikel 3:3 Een vergunning voor een seksbedrijf kan voor ten hoogste één seksinrichting gelden. Een seksbedrijf (de activiteit) kan meer dan één seksinrichting (de locatie) omvatten. De vergunning wordt verleend per seksbedrijf (artikel 3:2), maar kan voor meerdere seksinrichtingen gelden, met dien verstande dat per seksinrichting maximaal één seksbedrijf is toegestaan (eerste lid). Het te hanteren uitgangspunt is dat er sprake is van één seksinrichting als het een visueel aaneengesloten eenheid betreft (kan meerdere panden betreffen met meerdere werkruimtes (per pand)) met een homogene functie (uitoefening van een seksbedrijf in enigerlei vorm) die tot de beschikking staat van één exploitant. Als er meerdere exploitanten in één pand zijn gevestigd zal ieder deel waarover één van de exploitanten de beschikking heeft als één afzonderlijke seksinrichting worden gekwalificeerd. De bestemmingsplannen bepalen waar een seksbedrijf mag worden gevestigd. Voor het exploiteren van een raamprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend. Dit betekent dat er in de gemeente Almelo geen raamprostitutiebedrijven mogen worden geëxploiteerd, noch gevestigd (tweede lid). […]
Toelichting op artikel 3:5 […] Voor een toelichting op het vierde lid wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3:4.
Toelichting op artikel 3:5 […] Voor een toelichting op het vijfde lid wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3:4.
Toelichting op artikel 3:7 In dit artikel wordt bepaald welke gegevens in ieder geval in een vergunning worden vermeld (eerste lid, onder a t/m i). Hiermee wordt getracht het toezicht op en de naleving van de vergunningsvoorwaarden te faciliteren en zodat (mogelijke) klanten van een seksbedrijf eenvoudig kunnen vaststellen of het om een
Toelichting op artikel 3:7 Geen toelichting.
Pagina 20 van 19
vergund seksbedrijf gaat. Toelichting op artikel 3:16 […] In het derde lid is opgenomen dat de exploitant maatregelen treft om er voor te zorgen dat de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden. […]
Pagina 21 van 19
Toelichting op artikel 3:16 […] In het zesde lid is opgenomen dat de exploitant maatregelen treft om er voor te zorgen dat de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden. […]